HOOFDSTUK X.Een zeeman tegen wil en dank.Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog ’n rustig leven.De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de Abambo’s; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht best te pas.De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden, dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere manier ’n planmaken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z’n bezit.De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid, dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet ongewillig om ’t blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en voor dragen gereed gemaakt werden.Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de bereide vellen aan elkaar te werken.Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht waren—’n werk dat heel wat moeite en tijd kostte—vervaardigde zij er ’n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde, zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.Laat in de namiddag, als ’t meisje met haar werk klaar was, kwam Abraham Hartog haar en haar vader meestal ’n bezoek brengen.Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich op aangename wijze met Katrijn.Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde, en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op ’n bankje buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van betere familie was, dan men wel op ’t eerste gezicht zou menen, en dat ’t zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het om daarover een opmerking aan Hartog te maken.De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: “Wel, juffer, u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en ’t is dan ook wel m’n eigen schuld, dat ik hier nu in ’n woest land heb schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om u te vertellen, hoe dit alles gekomen is.”Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:“Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman ’n grote zaak, vooral in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bijmijn geboorte was hij ’n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de kooplui gezien.“Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik, z’n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m’n dertiende jaar naar ’t gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks, beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en ’n leven van avonturen te leiden.“Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had zijn oudste zuster die ongehuwd was, ’t bestuur van zijn huishouden op zich genomen.“Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze had ’n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat deze zei of deed.“Toen ik ’t gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat wilde worden.“Er had toen ’n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats, en ’t einde er van was dat hij zeide: ‘Abraham, met mijn verlof zal je nooitsoldaat worden, want in mijn oog is ’t ’n gemeen en laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m’n kantoor nemen, je ’t koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben, de zaak overnemen.’“Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook geen lust.“Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij antwoordde: ‘Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken, wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m’n kantoor zal komen. Als je geen van beide aanneemt, dangaje mijn huis uit en dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook niets meer met je te doen hebben.’“Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van aan de toorn van m’n vader overgeleverd te zijn.“Tante Anna, die natuurlik ’t plan van mijn vader goedkeurde, trachtte tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was, en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.“Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo kalm mogelik: ‘dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.’“Dat deed ik, en toen ik z’n kantoor was binnengetreden, sloot hij de deur en zei: ‘Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld ingaan, zonder dat je ’t minste begrip hebt van de behandeling, die je daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op ’t gymnasium, maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik wil je echter niet als ’n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000 gulden, begin daarmee de strijd om ’t bestaan, maar is je geld op, denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.’“Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z’n lessenaar en overhandigde die aan mij.“Zonder ze te tellen stak ik ze in m’n zak, waarop de oude heer zonder enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand gaf en slechts zei: ‘Goeden dag, Abraham.’“Voor ’n ogenblik voelde ik ’n heftige aandrang om voor mijn vader op de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met ’n ‘Goeden dag, Vader’, stapte ik de kamer uit.“Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen in ’n grote kist en liet die door de knecht naar ’n kleine herberg aan de Maaskant brengen.“Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was en zonder dralen verliet ik ’t huis en begaf me naar de herberg.“Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren gedurig bezig met wat ik zou beginnen.“Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit sterk af, omdat ’t ’n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost; zij waren zelf ten minste van plan ’t Staatsleger te verlaten, en zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de Kompanjie waren begonnen en nu hogebetrekkingen bekleedden en schatrijk waren geworden.“Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in ’t bezit van 2000 gulden was.“Na lang ’t voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de morgenstond aanbrak,tot ’t besluit, dat ik ’t voorbeeld van de soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.“Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had toen reeds ’n lengte van over de vijf en ’n halve voet.“Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere Kapitein Reiniers, die met ’n detachement soldaten naar Indië zou vertrekken met het schip “de Draak”.“Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok ’t schip.“Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist ’n tekort bij ’t garnizoen aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.“Een jaar lang ging ’t vrij goed, maar de gewenste bevordering, waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en ’t soldateleven beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de soldatenvoor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.“In ’t tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.“Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op ’t zelfde schip kwam als hij.“De goede opleiding die ik op ’t gymnasium had ontvangen, kwam me nu te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte, begon ik de theorie van ’t zeewezen te bestuderen, want ’t praktiese gedeelte, leerde ik natuurlik op ’t schip zelf en dit te beter, omdat Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.“Bij mijn derde aankomst in ’t Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen door vier kapiteins geëksamineerd.“Enige dagen daarna was ik in ’t bezit van mijn certificaat, maar ’t duurde nog ’n jaar voor ik op’n groot schip de betrekking van vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen, en toen twee jaar geleden de “Stavenisse” uit Holland zou vertrekken, en ’n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor die betrekking en kreeg ik die.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank.”“En bevalt het leven je?” vroeg Katrijn.“Om de waarheid te zeggen,” antwoordde Hartog, “nee. Wanneer alle zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben, maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof niet dat men ’n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is ’t leven niet zo slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen.”“En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?” vroeg het meisje.“Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien,” antwoordde de jonge man, “maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven.”“In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd,maar slechts medegedeeld, waar ik was en hoe ’t met me ging, maar op geen een er van heb ik ooit antwoord ontvangen.”“En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?” vroeg het meisje.“Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië ging, en ’t gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar ’t gestolen kon worden, of misschien bij ’n schipbreuk verloren gaan.“Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem, met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij goeddacht.”“En waar zijn ze nu?” vroeg Katrijn weer.“Zover ik weet,” was ’t antwoord, “zijn ze nog bij de Notaris, wiens kwitantie ik in m’n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom, zal ik er eens naar vernemen.”Katrijn lachte en zei: “je bent zeker ’n zorgeloos mens op ’t gebied van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is ’n grote som, waar men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet de rente ’t kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben.”“Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven,” was ’t antwoord, “want dan heb ik op m’n oude dag toch nog ’n appeltje voor de dorst.“Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien.”“Waarom niet?” vroeg het meisje. “Als de anderen de Kaap bereikt hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken.”“Hoe eerder hoe beter,” zei Hartog, “want ik ben ’t luie, nutteloze leven al lang moe.”
HOOFDSTUK X.Een zeeman tegen wil en dank.Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog ’n rustig leven.De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de Abambo’s; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht best te pas.De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden, dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere manier ’n planmaken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z’n bezit.De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid, dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet ongewillig om ’t blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en voor dragen gereed gemaakt werden.Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de bereide vellen aan elkaar te werken.Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht waren—’n werk dat heel wat moeite en tijd kostte—vervaardigde zij er ’n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde, zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.Laat in de namiddag, als ’t meisje met haar werk klaar was, kwam Abraham Hartog haar en haar vader meestal ’n bezoek brengen.Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich op aangename wijze met Katrijn.Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde, en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op ’n bankje buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van betere familie was, dan men wel op ’t eerste gezicht zou menen, en dat ’t zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het om daarover een opmerking aan Hartog te maken.De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: “Wel, juffer, u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en ’t is dan ook wel m’n eigen schuld, dat ik hier nu in ’n woest land heb schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om u te vertellen, hoe dit alles gekomen is.”Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:“Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman ’n grote zaak, vooral in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bijmijn geboorte was hij ’n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de kooplui gezien.“Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik, z’n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m’n dertiende jaar naar ’t gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks, beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en ’n leven van avonturen te leiden.“Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had zijn oudste zuster die ongehuwd was, ’t bestuur van zijn huishouden op zich genomen.“Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze had ’n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat deze zei of deed.“Toen ik ’t gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat wilde worden.“Er had toen ’n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats, en ’t einde er van was dat hij zeide: ‘Abraham, met mijn verlof zal je nooitsoldaat worden, want in mijn oog is ’t ’n gemeen en laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m’n kantoor nemen, je ’t koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben, de zaak overnemen.’“Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook geen lust.“Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij antwoordde: ‘Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken, wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m’n kantoor zal komen. Als je geen van beide aanneemt, dangaje mijn huis uit en dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook niets meer met je te doen hebben.’“Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van aan de toorn van m’n vader overgeleverd te zijn.“Tante Anna, die natuurlik ’t plan van mijn vader goedkeurde, trachtte tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was, en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.“Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo kalm mogelik: ‘dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.’“Dat deed ik, en toen ik z’n kantoor was binnengetreden, sloot hij de deur en zei: ‘Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld ingaan, zonder dat je ’t minste begrip hebt van de behandeling, die je daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op ’t gymnasium, maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik wil je echter niet als ’n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000 gulden, begin daarmee de strijd om ’t bestaan, maar is je geld op, denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.’“Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z’n lessenaar en overhandigde die aan mij.“Zonder ze te tellen stak ik ze in m’n zak, waarop de oude heer zonder enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand gaf en slechts zei: ‘Goeden dag, Abraham.’“Voor ’n ogenblik voelde ik ’n heftige aandrang om voor mijn vader op de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met ’n ‘Goeden dag, Vader’, stapte ik de kamer uit.“Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen in ’n grote kist en liet die door de knecht naar ’n kleine herberg aan de Maaskant brengen.“Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was en zonder dralen verliet ik ’t huis en begaf me naar de herberg.“Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren gedurig bezig met wat ik zou beginnen.“Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit sterk af, omdat ’t ’n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost; zij waren zelf ten minste van plan ’t Staatsleger te verlaten, en zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de Kompanjie waren begonnen en nu hogebetrekkingen bekleedden en schatrijk waren geworden.“Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in ’t bezit van 2000 gulden was.“Na lang ’t voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de morgenstond aanbrak,tot ’t besluit, dat ik ’t voorbeeld van de soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.“Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had toen reeds ’n lengte van over de vijf en ’n halve voet.“Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere Kapitein Reiniers, die met ’n detachement soldaten naar Indië zou vertrekken met het schip “de Draak”.“Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok ’t schip.“Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist ’n tekort bij ’t garnizoen aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.“Een jaar lang ging ’t vrij goed, maar de gewenste bevordering, waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en ’t soldateleven beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de soldatenvoor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.“In ’t tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.“Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op ’t zelfde schip kwam als hij.“De goede opleiding die ik op ’t gymnasium had ontvangen, kwam me nu te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte, begon ik de theorie van ’t zeewezen te bestuderen, want ’t praktiese gedeelte, leerde ik natuurlik op ’t schip zelf en dit te beter, omdat Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.“Bij mijn derde aankomst in ’t Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen door vier kapiteins geëksamineerd.“Enige dagen daarna was ik in ’t bezit van mijn certificaat, maar ’t duurde nog ’n jaar voor ik op’n groot schip de betrekking van vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen, en toen twee jaar geleden de “Stavenisse” uit Holland zou vertrekken, en ’n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor die betrekking en kreeg ik die.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank.”“En bevalt het leven je?” vroeg Katrijn.“Om de waarheid te zeggen,” antwoordde Hartog, “nee. Wanneer alle zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben, maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof niet dat men ’n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is ’t leven niet zo slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen.”“En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?” vroeg het meisje.“Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien,” antwoordde de jonge man, “maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven.”“In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd,maar slechts medegedeeld, waar ik was en hoe ’t met me ging, maar op geen een er van heb ik ooit antwoord ontvangen.”“En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?” vroeg het meisje.“Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië ging, en ’t gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar ’t gestolen kon worden, of misschien bij ’n schipbreuk verloren gaan.“Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem, met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij goeddacht.”“En waar zijn ze nu?” vroeg Katrijn weer.“Zover ik weet,” was ’t antwoord, “zijn ze nog bij de Notaris, wiens kwitantie ik in m’n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom, zal ik er eens naar vernemen.”Katrijn lachte en zei: “je bent zeker ’n zorgeloos mens op ’t gebied van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is ’n grote som, waar men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet de rente ’t kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben.”“Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven,” was ’t antwoord, “want dan heb ik op m’n oude dag toch nog ’n appeltje voor de dorst.“Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien.”“Waarom niet?” vroeg het meisje. “Als de anderen de Kaap bereikt hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken.”“Hoe eerder hoe beter,” zei Hartog, “want ik ben ’t luie, nutteloze leven al lang moe.”
HOOFDSTUK X.Een zeeman tegen wil en dank.
Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog ’n rustig leven.De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de Abambo’s; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht best te pas.De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden, dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere manier ’n planmaken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z’n bezit.De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid, dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet ongewillig om ’t blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en voor dragen gereed gemaakt werden.Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de bereide vellen aan elkaar te werken.Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht waren—’n werk dat heel wat moeite en tijd kostte—vervaardigde zij er ’n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde, zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.Laat in de namiddag, als ’t meisje met haar werk klaar was, kwam Abraham Hartog haar en haar vader meestal ’n bezoek brengen.Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich op aangename wijze met Katrijn.Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde, en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op ’n bankje buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van betere familie was, dan men wel op ’t eerste gezicht zou menen, en dat ’t zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het om daarover een opmerking aan Hartog te maken.De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: “Wel, juffer, u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en ’t is dan ook wel m’n eigen schuld, dat ik hier nu in ’n woest land heb schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om u te vertellen, hoe dit alles gekomen is.”Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:“Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman ’n grote zaak, vooral in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bijmijn geboorte was hij ’n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de kooplui gezien.“Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik, z’n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m’n dertiende jaar naar ’t gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks, beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en ’n leven van avonturen te leiden.“Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had zijn oudste zuster die ongehuwd was, ’t bestuur van zijn huishouden op zich genomen.“Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze had ’n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat deze zei of deed.“Toen ik ’t gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat wilde worden.“Er had toen ’n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats, en ’t einde er van was dat hij zeide: ‘Abraham, met mijn verlof zal je nooitsoldaat worden, want in mijn oog is ’t ’n gemeen en laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m’n kantoor nemen, je ’t koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben, de zaak overnemen.’“Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook geen lust.“Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij antwoordde: ‘Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken, wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m’n kantoor zal komen. Als je geen van beide aanneemt, dangaje mijn huis uit en dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook niets meer met je te doen hebben.’“Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van aan de toorn van m’n vader overgeleverd te zijn.“Tante Anna, die natuurlik ’t plan van mijn vader goedkeurde, trachtte tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was, en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.“Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo kalm mogelik: ‘dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.’“Dat deed ik, en toen ik z’n kantoor was binnengetreden, sloot hij de deur en zei: ‘Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld ingaan, zonder dat je ’t minste begrip hebt van de behandeling, die je daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op ’t gymnasium, maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik wil je echter niet als ’n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000 gulden, begin daarmee de strijd om ’t bestaan, maar is je geld op, denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.’“Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z’n lessenaar en overhandigde die aan mij.“Zonder ze te tellen stak ik ze in m’n zak, waarop de oude heer zonder enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand gaf en slechts zei: ‘Goeden dag, Abraham.’“Voor ’n ogenblik voelde ik ’n heftige aandrang om voor mijn vader op de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met ’n ‘Goeden dag, Vader’, stapte ik de kamer uit.“Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen in ’n grote kist en liet die door de knecht naar ’n kleine herberg aan de Maaskant brengen.“Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was en zonder dralen verliet ik ’t huis en begaf me naar de herberg.“Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren gedurig bezig met wat ik zou beginnen.“Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit sterk af, omdat ’t ’n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost; zij waren zelf ten minste van plan ’t Staatsleger te verlaten, en zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de Kompanjie waren begonnen en nu hogebetrekkingen bekleedden en schatrijk waren geworden.“Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in ’t bezit van 2000 gulden was.“Na lang ’t voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de morgenstond aanbrak,tot ’t besluit, dat ik ’t voorbeeld van de soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.“Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had toen reeds ’n lengte van over de vijf en ’n halve voet.“Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere Kapitein Reiniers, die met ’n detachement soldaten naar Indië zou vertrekken met het schip “de Draak”.“Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok ’t schip.“Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist ’n tekort bij ’t garnizoen aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.“Een jaar lang ging ’t vrij goed, maar de gewenste bevordering, waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en ’t soldateleven beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de soldatenvoor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.“In ’t tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.“Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op ’t zelfde schip kwam als hij.“De goede opleiding die ik op ’t gymnasium had ontvangen, kwam me nu te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte, begon ik de theorie van ’t zeewezen te bestuderen, want ’t praktiese gedeelte, leerde ik natuurlik op ’t schip zelf en dit te beter, omdat Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.“Bij mijn derde aankomst in ’t Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen door vier kapiteins geëksamineerd.“Enige dagen daarna was ik in ’t bezit van mijn certificaat, maar ’t duurde nog ’n jaar voor ik op’n groot schip de betrekking van vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen, en toen twee jaar geleden de “Stavenisse” uit Holland zou vertrekken, en ’n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor die betrekking en kreeg ik die.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank.”“En bevalt het leven je?” vroeg Katrijn.“Om de waarheid te zeggen,” antwoordde Hartog, “nee. Wanneer alle zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben, maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof niet dat men ’n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is ’t leven niet zo slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen.”“En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?” vroeg het meisje.“Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien,” antwoordde de jonge man, “maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven.”“In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd,maar slechts medegedeeld, waar ik was en hoe ’t met me ging, maar op geen een er van heb ik ooit antwoord ontvangen.”“En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?” vroeg het meisje.“Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië ging, en ’t gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar ’t gestolen kon worden, of misschien bij ’n schipbreuk verloren gaan.“Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem, met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij goeddacht.”“En waar zijn ze nu?” vroeg Katrijn weer.“Zover ik weet,” was ’t antwoord, “zijn ze nog bij de Notaris, wiens kwitantie ik in m’n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom, zal ik er eens naar vernemen.”Katrijn lachte en zei: “je bent zeker ’n zorgeloos mens op ’t gebied van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is ’n grote som, waar men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet de rente ’t kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben.”“Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven,” was ’t antwoord, “want dan heb ik op m’n oude dag toch nog ’n appeltje voor de dorst.“Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien.”“Waarom niet?” vroeg het meisje. “Als de anderen de Kaap bereikt hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken.”“Hoe eerder hoe beter,” zei Hartog, “want ik ben ’t luie, nutteloze leven al lang moe.”
Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog ’n rustig leven.
De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de Abambo’s; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.
Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht best te pas.
De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden, dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere manier ’n planmaken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.
Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z’n bezit.
De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid, dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet ongewillig om ’t blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en voor dragen gereed gemaakt werden.
Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de bereide vellen aan elkaar te werken.
Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht waren—’n werk dat heel wat moeite en tijd kostte—vervaardigde zij er ’n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde, zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.
Laat in de namiddag, als ’t meisje met haar werk klaar was, kwam Abraham Hartog haar en haar vader meestal ’n bezoek brengen.
Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich op aangename wijze met Katrijn.
Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.
Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde, en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op ’n bankje buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van betere familie was, dan men wel op ’t eerste gezicht zou menen, en dat ’t zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het om daarover een opmerking aan Hartog te maken.
De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: “Wel, juffer, u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en ’t is dan ook wel m’n eigen schuld, dat ik hier nu in ’n woest land heb schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om u te vertellen, hoe dit alles gekomen is.”
Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:
“Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman ’n grote zaak, vooral in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bijmijn geboorte was hij ’n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de kooplui gezien.
“Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik, z’n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m’n dertiende jaar naar ’t gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks, beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en ’n leven van avonturen te leiden.
“Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had zijn oudste zuster die ongehuwd was, ’t bestuur van zijn huishouden op zich genomen.
“Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze had ’n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat deze zei of deed.
“Toen ik ’t gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat wilde worden.
“Er had toen ’n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats, en ’t einde er van was dat hij zeide: ‘Abraham, met mijn verlof zal je nooitsoldaat worden, want in mijn oog is ’t ’n gemeen en laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m’n kantoor nemen, je ’t koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben, de zaak overnemen.’
“Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook geen lust.
“Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij antwoordde: ‘Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken, wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m’n kantoor zal komen. Als je geen van beide aanneemt, dangaje mijn huis uit en dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook niets meer met je te doen hebben.’
“Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van aan de toorn van m’n vader overgeleverd te zijn.
“Tante Anna, die natuurlik ’t plan van mijn vader goedkeurde, trachtte tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was, en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.
“Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo kalm mogelik: ‘dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.’
“Dat deed ik, en toen ik z’n kantoor was binnengetreden, sloot hij de deur en zei: ‘Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld ingaan, zonder dat je ’t minste begrip hebt van de behandeling, die je daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op ’t gymnasium, maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik wil je echter niet als ’n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000 gulden, begin daarmee de strijd om ’t bestaan, maar is je geld op, denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.’
“Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z’n lessenaar en overhandigde die aan mij.
“Zonder ze te tellen stak ik ze in m’n zak, waarop de oude heer zonder enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand gaf en slechts zei: ‘Goeden dag, Abraham.’
“Voor ’n ogenblik voelde ik ’n heftige aandrang om voor mijn vader op de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met ’n ‘Goeden dag, Vader’, stapte ik de kamer uit.
“Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen in ’n grote kist en liet die door de knecht naar ’n kleine herberg aan de Maaskant brengen.
“Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was en zonder dralen verliet ik ’t huis en begaf me naar de herberg.
“Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren gedurig bezig met wat ik zou beginnen.
“Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit sterk af, omdat ’t ’n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost; zij waren zelf ten minste van plan ’t Staatsleger te verlaten, en zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de Kompanjie waren begonnen en nu hogebetrekkingen bekleedden en schatrijk waren geworden.
“Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in ’t bezit van 2000 gulden was.
“Na lang ’t voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de morgenstond aanbrak,tot ’t besluit, dat ik ’t voorbeeld van de soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.
“Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had toen reeds ’n lengte van over de vijf en ’n halve voet.
“Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere Kapitein Reiniers, die met ’n detachement soldaten naar Indië zou vertrekken met het schip “de Draak”.
“Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok ’t schip.
“Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist ’n tekort bij ’t garnizoen aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.
“Een jaar lang ging ’t vrij goed, maar de gewenste bevordering, waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en ’t soldateleven beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de soldatenvoor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.
“In ’t tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.
“Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op ’t zelfde schip kwam als hij.
“De goede opleiding die ik op ’t gymnasium had ontvangen, kwam me nu te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte, begon ik de theorie van ’t zeewezen te bestuderen, want ’t praktiese gedeelte, leerde ik natuurlik op ’t schip zelf en dit te beter, omdat Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.
“Bij mijn derde aankomst in ’t Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen door vier kapiteins geëksamineerd.
“Enige dagen daarna was ik in ’t bezit van mijn certificaat, maar ’t duurde nog ’n jaar voor ik op’n groot schip de betrekking van vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen, en toen twee jaar geleden de “Stavenisse” uit Holland zou vertrekken, en ’n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor die betrekking en kreeg ik die.
“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.
“Zoo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank”. Pag. 73.
“Zo ben ik als ’t ware ’n zeeman tegen wil en dank.”
“En bevalt het leven je?” vroeg Katrijn.
“Om de waarheid te zeggen,” antwoordde Hartog, “nee. Wanneer alle zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben, maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof niet dat men ’n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is ’t leven niet zo slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen.”
“En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?” vroeg het meisje.
“Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien,” antwoordde de jonge man, “maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven.”
“In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd,maar slechts medegedeeld, waar ik was en hoe ’t met me ging, maar op geen een er van heb ik ooit antwoord ontvangen.”
“En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?” vroeg het meisje.
“Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië ging, en ’t gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar ’t gestolen kon worden, of misschien bij ’n schipbreuk verloren gaan.
“Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem, met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij goeddacht.”
“En waar zijn ze nu?” vroeg Katrijn weer.
“Zover ik weet,” was ’t antwoord, “zijn ze nog bij de Notaris, wiens kwitantie ik in m’n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom, zal ik er eens naar vernemen.”
Katrijn lachte en zei: “je bent zeker ’n zorgeloos mens op ’t gebied van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is ’n grote som, waar men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet de rente ’t kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben.”
“Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven,” was ’t antwoord, “want dan heb ik op m’n oude dag toch nog ’n appeltje voor de dorst.
“Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien.”
“Waarom niet?” vroeg het meisje. “Als de anderen de Kaap bereikt hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken.”
“Hoe eerder hoe beter,” zei Hartog, “want ik ben ’t luie, nutteloze leven al lang moe.”