HOOFDSTUK VI.

HOOFDSTUK VI.Donkere dagen.Men had uit ’t schip ook drie geweren gered, en ’n klein vaatje buskruit, dat echter gedeeltelik door ’t zeewater bedorven was, en ’n kistje met hagel waren nog aangespoeld.Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik ’n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der matrozen, Willem Schelling geheten.Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.Elk der twee mannen nam ’n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste soort. Ook zorgdenzij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te zetten en daarop trokken zij welgemoed ’t land in.Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad er op een schoot, miste hij.Plotseling, bij ’t komen uit een dik bos in ’n open ruimte, bevonden de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike troep olifanten.Schelling wierp dadelik z’n geweer weg en klom in ’n hoge, dikke boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z’n maat te volgen, maar toen hij, zo hard als hij kon, naar ’n andere grote boom liep, zag hij zich achtervolgd door ’n reusachtige mannetjesolifant, die hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.De olifant greep hem met z’n slurf, wierp hem ’n eind ver weg en trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten een vormeloze klomp vlees was.Na z’n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant ’t bos in, gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit ’t gezicht.Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles stil bleef,klom hij uit de boom, nam z’n geweer op en stapte naar de plaats waar ’t lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.Na dit rampspoedig voorval waagde niemand ’t meer om op de jacht te gaan.We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh mompelde, toen hij ’t verhaal gehoord had, de woorden “poor fellow”.Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.Geen der blanken kon ’n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren en door hen wat spijkers en bouten en ook ’n paar koperen ringen te wijzen, die uit ’t wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig voedsel brachten.De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter getal opnieuw ’n bezoek brengen, en brachten toen ’n dozijn hoenders, ’nplatte mand gevuld met kafferkorenmeel, en ’n kleine wilde bok mede.Er begon nu ’n handel die meer dan ’n uur duurde, en waarbij van beide kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald, zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal ’n tocht naar ’t wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling te bekomen.Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich, kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar ’t wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich spoedig door middel van hun strijdbijlen in ’t bezit stelden van ’n aantal bouten en spijkers.Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doenverstaan dat zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts ’t hoofd en kwamen elke dag naar ’t wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er uit hadden weggevoerd.Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven sommigen zich geheel aan de wanhoop over.Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd en legden lange afstanden aan ’t strand af om mosselen en oesters te vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.

HOOFDSTUK VI.Donkere dagen.Men had uit ’t schip ook drie geweren gered, en ’n klein vaatje buskruit, dat echter gedeeltelik door ’t zeewater bedorven was, en ’n kistje met hagel waren nog aangespoeld.Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik ’n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der matrozen, Willem Schelling geheten.Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.Elk der twee mannen nam ’n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste soort. Ook zorgdenzij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te zetten en daarop trokken zij welgemoed ’t land in.Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad er op een schoot, miste hij.Plotseling, bij ’t komen uit een dik bos in ’n open ruimte, bevonden de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike troep olifanten.Schelling wierp dadelik z’n geweer weg en klom in ’n hoge, dikke boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z’n maat te volgen, maar toen hij, zo hard als hij kon, naar ’n andere grote boom liep, zag hij zich achtervolgd door ’n reusachtige mannetjesolifant, die hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.De olifant greep hem met z’n slurf, wierp hem ’n eind ver weg en trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten een vormeloze klomp vlees was.Na z’n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant ’t bos in, gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit ’t gezicht.Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles stil bleef,klom hij uit de boom, nam z’n geweer op en stapte naar de plaats waar ’t lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.Na dit rampspoedig voorval waagde niemand ’t meer om op de jacht te gaan.We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh mompelde, toen hij ’t verhaal gehoord had, de woorden “poor fellow”.Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.Geen der blanken kon ’n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren en door hen wat spijkers en bouten en ook ’n paar koperen ringen te wijzen, die uit ’t wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig voedsel brachten.De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter getal opnieuw ’n bezoek brengen, en brachten toen ’n dozijn hoenders, ’nplatte mand gevuld met kafferkorenmeel, en ’n kleine wilde bok mede.Er begon nu ’n handel die meer dan ’n uur duurde, en waarbij van beide kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald, zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal ’n tocht naar ’t wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling te bekomen.Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich, kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar ’t wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich spoedig door middel van hun strijdbijlen in ’t bezit stelden van ’n aantal bouten en spijkers.Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doenverstaan dat zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts ’t hoofd en kwamen elke dag naar ’t wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er uit hadden weggevoerd.Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven sommigen zich geheel aan de wanhoop over.Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd en legden lange afstanden aan ’t strand af om mosselen en oesters te vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.

HOOFDSTUK VI.Donkere dagen.

Men had uit ’t schip ook drie geweren gered, en ’n klein vaatje buskruit, dat echter gedeeltelik door ’t zeewater bedorven was, en ’n kistje met hagel waren nog aangespoeld.Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik ’n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der matrozen, Willem Schelling geheten.Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.Elk der twee mannen nam ’n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste soort. Ook zorgdenzij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te zetten en daarop trokken zij welgemoed ’t land in.Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad er op een schoot, miste hij.Plotseling, bij ’t komen uit een dik bos in ’n open ruimte, bevonden de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike troep olifanten.Schelling wierp dadelik z’n geweer weg en klom in ’n hoge, dikke boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z’n maat te volgen, maar toen hij, zo hard als hij kon, naar ’n andere grote boom liep, zag hij zich achtervolgd door ’n reusachtige mannetjesolifant, die hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.De olifant greep hem met z’n slurf, wierp hem ’n eind ver weg en trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten een vormeloze klomp vlees was.Na z’n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant ’t bos in, gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit ’t gezicht.Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles stil bleef,klom hij uit de boom, nam z’n geweer op en stapte naar de plaats waar ’t lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.Na dit rampspoedig voorval waagde niemand ’t meer om op de jacht te gaan.We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh mompelde, toen hij ’t verhaal gehoord had, de woorden “poor fellow”.Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.Geen der blanken kon ’n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren en door hen wat spijkers en bouten en ook ’n paar koperen ringen te wijzen, die uit ’t wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig voedsel brachten.De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter getal opnieuw ’n bezoek brengen, en brachten toen ’n dozijn hoenders, ’nplatte mand gevuld met kafferkorenmeel, en ’n kleine wilde bok mede.Er begon nu ’n handel die meer dan ’n uur duurde, en waarbij van beide kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald, zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal ’n tocht naar ’t wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling te bekomen.Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich, kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar ’t wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich spoedig door middel van hun strijdbijlen in ’t bezit stelden van ’n aantal bouten en spijkers.Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doenverstaan dat zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts ’t hoofd en kwamen elke dag naar ’t wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er uit hadden weggevoerd.Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven sommigen zich geheel aan de wanhoop over.Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd en legden lange afstanden aan ’t strand af om mosselen en oesters te vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.

Men had uit ’t schip ook drie geweren gered, en ’n klein vaatje buskruit, dat echter gedeeltelik door ’t zeewater bedorven was, en ’n kistje met hagel waren nog aangespoeld.

Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik ’n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der matrozen, Willem Schelling geheten.

Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.

Elk der twee mannen nam ’n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste soort. Ook zorgdenzij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te zetten en daarop trokken zij welgemoed ’t land in.

Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad er op een schoot, miste hij.

Plotseling, bij ’t komen uit een dik bos in ’n open ruimte, bevonden de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike troep olifanten.

Schelling wierp dadelik z’n geweer weg en klom in ’n hoge, dikke boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z’n maat te volgen, maar toen hij, zo hard als hij kon, naar ’n andere grote boom liep, zag hij zich achtervolgd door ’n reusachtige mannetjesolifant, die hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.

De olifant greep hem met z’n slurf, wierp hem ’n eind ver weg en trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten een vormeloze klomp vlees was.

Na z’n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant ’t bos in, gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit ’t gezicht.

Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles stil bleef,klom hij uit de boom, nam z’n geweer op en stapte naar de plaats waar ’t lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.

Na dit rampspoedig voorval waagde niemand ’t meer om op de jacht te gaan.

We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh mompelde, toen hij ’t verhaal gehoord had, de woorden “poor fellow”.

Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.

Geen der blanken kon ’n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren en door hen wat spijkers en bouten en ook ’n paar koperen ringen te wijzen, die uit ’t wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig voedsel brachten.

De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter getal opnieuw ’n bezoek brengen, en brachten toen ’n dozijn hoenders, ’nplatte mand gevuld met kafferkorenmeel, en ’n kleine wilde bok mede.

Er begon nu ’n handel die meer dan ’n uur duurde, en waarbij van beide kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.

Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald, zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal ’n tocht naar ’t wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling te bekomen.

Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich, kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar ’t wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich spoedig door middel van hun strijdbijlen in ’t bezit stelden van ’n aantal bouten en spijkers.

Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doenverstaan dat zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts ’t hoofd en kwamen elke dag naar ’t wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er uit hadden weggevoerd.

Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven sommigen zich geheel aan de wanhoop over.

Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd en legden lange afstanden aan ’t strand af om mosselen en oesters te vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.


Back to IndexNext