HOOFDSTUK VII.Er komt hulp.Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets aankomen.Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker, om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.Zodra zij hiervan overtuigd was, riep ’t meisje in de richting van de tent: “kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!”Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer bestond of de aankomende personen waren blanken.Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in ’t Engels uit: “Verstaan jullie Engels?”“O yes, O yes!” riepen Katrijn en stuurmanMacIntoshals uit één mond.“Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian,” zei een der beide vreemdelingen. “Wij zijn schipbreukelingen van de “Good Hope”, die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend ’t land; we hebben toen ’n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met ’n klein Engels scheepje vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat er nu nog vijf in Natal zijn.Verleden week hebben we gehoord dat er zuidelik en niet ver van ons ’n schip was vergaan en daarop besloten wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen.Jullie zien er uit alsof je niet te veel te eten hebt.”MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.“O,” zei Christian, “dat zullen we gauw verhelpen,”en na ’n paar woorden in kaffertaal met z’n maat gesproken te hebben, namen ze afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren en wat hun doel was, zodat de Kapitein z’n vrees uitsprak, dat ze wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen, gevolgd door omtrent 25 kaffers.Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek ’t dat de twee Engelsen voedsel waren gaan halen voorde schipbreukelingen, want Christian had in ’n zak die hij op z’n rug droeg, heel wat gekleurde kralen van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os, 4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens ’n mand met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.Katrijn nam ’t voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.“Vrienden,” zei Christian, “eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat.”Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op stukken platte klip ’t voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen verslonden werd.Een van de kaffers had ’n klein mandje met zout meegebracht, en daar de schipbreukelingen in meer dan ’n maand geen zout hadden geproefd, was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier ’n uitmuntende verfrissende drank uitmaakte.Toen ’t maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon Kingston de vergadering toe te spreken in ’t Engels, dat door MacIntosh vertolkt werd.“Vrienden,” zei hij, “ge begrijpt dat ’t onmogelik is voor jullie om hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent 8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden ’n gemakkelik leven.“We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed, en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een groot deel van ’t schip ligt nog op ’t strand, en bevat nog veel dat we gebruiken kunnen.“Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie dagen. Er is’n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want ’t zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken.”Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de volgende middag zou beginnen.Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten overhalen om hen te dragen.Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar ’t omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers en proviand voor de reis.De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over te klagen.Allen brachten ’n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor dauw op de been, en na ’n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven had. Zulk ’n bundel, had hij gezegd, zou ’n kaffer vandaar naar de Baai dragen voor ’n koperen ring ter waarde van sixpence.De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager z’n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder ’n bok aan ’n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van ’t gezelschap ieder ’n paar hoenders onder de arm droegen.Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.
HOOFDSTUK VII.Er komt hulp.Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets aankomen.Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker, om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.Zodra zij hiervan overtuigd was, riep ’t meisje in de richting van de tent: “kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!”Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer bestond of de aankomende personen waren blanken.Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in ’t Engels uit: “Verstaan jullie Engels?”“O yes, O yes!” riepen Katrijn en stuurmanMacIntoshals uit één mond.“Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian,” zei een der beide vreemdelingen. “Wij zijn schipbreukelingen van de “Good Hope”, die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend ’t land; we hebben toen ’n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met ’n klein Engels scheepje vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat er nu nog vijf in Natal zijn.Verleden week hebben we gehoord dat er zuidelik en niet ver van ons ’n schip was vergaan en daarop besloten wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen.Jullie zien er uit alsof je niet te veel te eten hebt.”MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.“O,” zei Christian, “dat zullen we gauw verhelpen,”en na ’n paar woorden in kaffertaal met z’n maat gesproken te hebben, namen ze afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren en wat hun doel was, zodat de Kapitein z’n vrees uitsprak, dat ze wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen, gevolgd door omtrent 25 kaffers.Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek ’t dat de twee Engelsen voedsel waren gaan halen voorde schipbreukelingen, want Christian had in ’n zak die hij op z’n rug droeg, heel wat gekleurde kralen van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os, 4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens ’n mand met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.Katrijn nam ’t voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.“Vrienden,” zei Christian, “eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat.”Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op stukken platte klip ’t voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen verslonden werd.Een van de kaffers had ’n klein mandje met zout meegebracht, en daar de schipbreukelingen in meer dan ’n maand geen zout hadden geproefd, was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier ’n uitmuntende verfrissende drank uitmaakte.Toen ’t maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon Kingston de vergadering toe te spreken in ’t Engels, dat door MacIntosh vertolkt werd.“Vrienden,” zei hij, “ge begrijpt dat ’t onmogelik is voor jullie om hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent 8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden ’n gemakkelik leven.“We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed, en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een groot deel van ’t schip ligt nog op ’t strand, en bevat nog veel dat we gebruiken kunnen.“Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie dagen. Er is’n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want ’t zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken.”Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de volgende middag zou beginnen.Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten overhalen om hen te dragen.Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar ’t omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers en proviand voor de reis.De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over te klagen.Allen brachten ’n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor dauw op de been, en na ’n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven had. Zulk ’n bundel, had hij gezegd, zou ’n kaffer vandaar naar de Baai dragen voor ’n koperen ring ter waarde van sixpence.De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager z’n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder ’n bok aan ’n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van ’t gezelschap ieder ’n paar hoenders onder de arm droegen.Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.
HOOFDSTUK VII.Er komt hulp.
Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets aankomen.Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker, om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.Zodra zij hiervan overtuigd was, riep ’t meisje in de richting van de tent: “kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!”Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer bestond of de aankomende personen waren blanken.Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in ’t Engels uit: “Verstaan jullie Engels?”“O yes, O yes!” riepen Katrijn en stuurmanMacIntoshals uit één mond.“Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian,” zei een der beide vreemdelingen. “Wij zijn schipbreukelingen van de “Good Hope”, die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend ’t land; we hebben toen ’n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met ’n klein Engels scheepje vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat er nu nog vijf in Natal zijn.Verleden week hebben we gehoord dat er zuidelik en niet ver van ons ’n schip was vergaan en daarop besloten wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen.Jullie zien er uit alsof je niet te veel te eten hebt.”MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.“O,” zei Christian, “dat zullen we gauw verhelpen,”en na ’n paar woorden in kaffertaal met z’n maat gesproken te hebben, namen ze afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren en wat hun doel was, zodat de Kapitein z’n vrees uitsprak, dat ze wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen, gevolgd door omtrent 25 kaffers.Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek ’t dat de twee Engelsen voedsel waren gaan halen voorde schipbreukelingen, want Christian had in ’n zak die hij op z’n rug droeg, heel wat gekleurde kralen van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os, 4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens ’n mand met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.Katrijn nam ’t voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.“Vrienden,” zei Christian, “eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat.”Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op stukken platte klip ’t voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen verslonden werd.Een van de kaffers had ’n klein mandje met zout meegebracht, en daar de schipbreukelingen in meer dan ’n maand geen zout hadden geproefd, was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier ’n uitmuntende verfrissende drank uitmaakte.Toen ’t maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon Kingston de vergadering toe te spreken in ’t Engels, dat door MacIntosh vertolkt werd.“Vrienden,” zei hij, “ge begrijpt dat ’t onmogelik is voor jullie om hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent 8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden ’n gemakkelik leven.“We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed, en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een groot deel van ’t schip ligt nog op ’t strand, en bevat nog veel dat we gebruiken kunnen.“Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie dagen. Er is’n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want ’t zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken.”Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de volgende middag zou beginnen.Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten overhalen om hen te dragen.Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar ’t omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers en proviand voor de reis.De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over te klagen.Allen brachten ’n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor dauw op de been, en na ’n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven had. Zulk ’n bundel, had hij gezegd, zou ’n kaffer vandaar naar de Baai dragen voor ’n koperen ring ter waarde van sixpence.De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager z’n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder ’n bok aan ’n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van ’t gezelschap ieder ’n paar hoenders onder de arm droegen.Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.
Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.
Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets aankomen.
Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker, om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.
Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.
Zodra zij hiervan overtuigd was, riep ’t meisje in de richting van de tent: “kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!”
Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer bestond of de aankomende personen waren blanken.
Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in ’t Engels uit: “Verstaan jullie Engels?”
“O yes, O yes!” riepen Katrijn en stuurmanMacIntoshals uit één mond.
“Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian,” zei een der beide vreemdelingen. “Wij zijn schipbreukelingen van de “Good Hope”, die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend ’t land; we hebben toen ’n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met ’n klein Engels scheepje vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat er nu nog vijf in Natal zijn.Verleden week hebben we gehoord dat er zuidelik en niet ver van ons ’n schip was vergaan en daarop besloten wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen.Jullie zien er uit alsof je niet te veel te eten hebt.”
MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.
“O,” zei Christian, “dat zullen we gauw verhelpen,”en na ’n paar woorden in kaffertaal met z’n maat gesproken te hebben, namen ze afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.
De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren en wat hun doel was, zodat de Kapitein z’n vrees uitsprak, dat ze wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?
Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen, gevolgd door omtrent 25 kaffers.
Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek ’t dat de twee Engelsen voedsel waren gaan halen voorde schipbreukelingen, want Christian had in ’n zak die hij op z’n rug droeg, heel wat gekleurde kralen van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.
Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os, 4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens ’n mand met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.
Katrijn nam ’t voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.
“Vrienden,” zei Christian, “eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat.”
Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op stukken platte klip ’t voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen verslonden werd.
Een van de kaffers had ’n klein mandje met zout meegebracht, en daar de schipbreukelingen in meer dan ’n maand geen zout hadden geproefd, was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier ’n uitmuntende verfrissende drank uitmaakte.
Toen ’t maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon Kingston de vergadering toe te spreken in ’t Engels, dat door MacIntosh vertolkt werd.
“Vrienden,” zei hij, “ge begrijpt dat ’t onmogelik is voor jullie om hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent 8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden ’n gemakkelik leven.
“We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed, en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een groot deel van ’t schip ligt nog op ’t strand, en bevat nog veel dat we gebruiken kunnen.
“Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie dagen. Er is’n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want ’t zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken.”
Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de volgende middag zou beginnen.
Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten overhalen om hen te dragen.
Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.
Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar ’t omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers en proviand voor de reis.
De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over te klagen.
Allen brachten ’n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor dauw op de been, en na ’n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven had. Zulk ’n bundel, had hij gezegd, zou ’n kaffer vandaar naar de Baai dragen voor ’n koperen ring ter waarde van sixpence.
De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager z’n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder ’n bok aan ’n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van ’t gezelschap ieder ’n paar hoenders onder de arm droegen.
Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.