HOOFDSTUK VIII.

HOOFDSTUK VIII.De reis naar de Baai en de aankomst aldaar.Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.Dezen schenen goed gehumeurd, want onder ’n enigszins eentonig, maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang, en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan, waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.Katrijn wilde ook wat leven onder de blankenbrengen en begon ’n vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat zijn dochter hem met ’n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich nu eens door ’n dik bos, dan weer over ’n schone grasvlakte, of over ’n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of rotsgevaarten vond men er niet.Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat ’t veld er prachtig uitzag, en hier en daar ’t gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike troepen wilde bokken, en nu en dan sprong ’n duiker of een bosbok in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite getroostte er op te schieten.Toen men omtrent 2½ uur gelopen had, kwam men bij ’n helder stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers ’n aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.Na ’n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in ’n groot dik bos, waarin verscheidene bomen ’n hoogte van over de 100 voet hadden.Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei, nog olifanten in ’t bos.Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van ’t woud en na 2 uur gelopen te hebben, was men ’t bos uit. De zon begon reeds sterk naar ’t westen te dalen, en toen men nog ’n uur verder was, kwam men opnieuw bij ’n riviertje, waar de Engelsman voorstelde te overnachten.Daar er aan de oever van de rivier ’n aantal bomen stonden, kapte men spoedig ’n hoeveelheid grote takken af, waarmede men ’n soort van lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de nacht er buiten doorbrachten.Plotseling hoorde Christian ’t eigenaardige geluid dat de tarantalen maken; hij riep ’n paar van hen die geweren hadden, men sloop behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in ’t lager terug met meer dan twintig van de smakelike vogels.Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had men er met warme koeken van kafferkorenmeel ’n smakelike maaltijd van.Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er ook leeuwen of andere wildedieren in deze streken waren, waarop deze antwoordde, dat dit deel van ’t land dicht bevolkt was met kaffers, die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in ’t gebergte op, en vielen slechts zeer zelden de mens aan.De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.Na ’n wandeling van drie uur kwam men op ’n steile rand, aan welks voet ’n grote rivier liep. Op die rand stond ’n kafferkraal of dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z’n reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als ’n oude bekende begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent ’n honderd tree van de kraal wachten, en nadat hij z’n geweer aan Kapitein Knijf had overhandigd, stapte hij alleen ’t dorp binnen om de hoofdman ervan te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.Na ’n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er ’n weinig zouden uitrusten.Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees, kafferkoren, boontjes en ook ’n twaalftal kalabassen met kafferbier brachten. Zij zeiden dat dit ’n geschenk van de induna was.Men liet zich alles goed smaken en toen ’t maal afgelopen was, ging Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te beloven, dat hij, zodra hij kon, hem ’n tegengeschenk zou zenden.Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier door op ’n doorwaadbare plaats, waar ’t water echter een voet diep was, zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen te komen.De doortocht geschiedde niet zonder ’n lachwekkend toneel, want de zeilmaker gleed uit op ’n gladde klip, viel in ’t water, dat juist daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op ’t droge gesleept. De arme kerel, die bibberde van ’t koude bad dat hij gehad had, kreeg van Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond ’n tweede aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.Voor ’t geheel donker was, verliet Christian ’t kamp, doch kwam binnen ’n half uur terug met ’n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de avond als voor de volgende morgen.Men had die dag ’n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en stijf, zodat ’n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn slaapplek op te zoeken.De volgende dag kwam men weder bij ’n kraal en werd ook daar goed ontvangen en onthaald.Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese Oceaan in ’t gezicht, en de zon was juist aan ’t verdwijnen toen men bij ’n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die omringd waren door ’n tamelik hoge aarden wal.“Zo,” zei Christian, “nu zijn we thuis,” en gevolgd door de anderen, stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw aangekomenen hartelik verwelkomden.Men wees Kapitein Knijf en z’n dochter ’n lege kafferhut aan, die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor hen opgericht waren.De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder ’n grote koperen ring en ’n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo’s, die zoals Christian zei, ’n half uur te voet aan de andere kant van de heuvel of ’t kopje lag.

HOOFDSTUK VIII.De reis naar de Baai en de aankomst aldaar.Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.Dezen schenen goed gehumeurd, want onder ’n enigszins eentonig, maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang, en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan, waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.Katrijn wilde ook wat leven onder de blankenbrengen en begon ’n vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat zijn dochter hem met ’n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich nu eens door ’n dik bos, dan weer over ’n schone grasvlakte, of over ’n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of rotsgevaarten vond men er niet.Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat ’t veld er prachtig uitzag, en hier en daar ’t gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike troepen wilde bokken, en nu en dan sprong ’n duiker of een bosbok in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite getroostte er op te schieten.Toen men omtrent 2½ uur gelopen had, kwam men bij ’n helder stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers ’n aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.Na ’n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in ’n groot dik bos, waarin verscheidene bomen ’n hoogte van over de 100 voet hadden.Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei, nog olifanten in ’t bos.Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van ’t woud en na 2 uur gelopen te hebben, was men ’t bos uit. De zon begon reeds sterk naar ’t westen te dalen, en toen men nog ’n uur verder was, kwam men opnieuw bij ’n riviertje, waar de Engelsman voorstelde te overnachten.Daar er aan de oever van de rivier ’n aantal bomen stonden, kapte men spoedig ’n hoeveelheid grote takken af, waarmede men ’n soort van lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de nacht er buiten doorbrachten.Plotseling hoorde Christian ’t eigenaardige geluid dat de tarantalen maken; hij riep ’n paar van hen die geweren hadden, men sloop behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in ’t lager terug met meer dan twintig van de smakelike vogels.Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had men er met warme koeken van kafferkorenmeel ’n smakelike maaltijd van.Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er ook leeuwen of andere wildedieren in deze streken waren, waarop deze antwoordde, dat dit deel van ’t land dicht bevolkt was met kaffers, die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in ’t gebergte op, en vielen slechts zeer zelden de mens aan.De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.Na ’n wandeling van drie uur kwam men op ’n steile rand, aan welks voet ’n grote rivier liep. Op die rand stond ’n kafferkraal of dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z’n reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als ’n oude bekende begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent ’n honderd tree van de kraal wachten, en nadat hij z’n geweer aan Kapitein Knijf had overhandigd, stapte hij alleen ’t dorp binnen om de hoofdman ervan te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.Na ’n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er ’n weinig zouden uitrusten.Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees, kafferkoren, boontjes en ook ’n twaalftal kalabassen met kafferbier brachten. Zij zeiden dat dit ’n geschenk van de induna was.Men liet zich alles goed smaken en toen ’t maal afgelopen was, ging Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te beloven, dat hij, zodra hij kon, hem ’n tegengeschenk zou zenden.Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier door op ’n doorwaadbare plaats, waar ’t water echter een voet diep was, zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen te komen.De doortocht geschiedde niet zonder ’n lachwekkend toneel, want de zeilmaker gleed uit op ’n gladde klip, viel in ’t water, dat juist daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op ’t droge gesleept. De arme kerel, die bibberde van ’t koude bad dat hij gehad had, kreeg van Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond ’n tweede aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.Voor ’t geheel donker was, verliet Christian ’t kamp, doch kwam binnen ’n half uur terug met ’n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de avond als voor de volgende morgen.Men had die dag ’n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en stijf, zodat ’n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn slaapplek op te zoeken.De volgende dag kwam men weder bij ’n kraal en werd ook daar goed ontvangen en onthaald.Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese Oceaan in ’t gezicht, en de zon was juist aan ’t verdwijnen toen men bij ’n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die omringd waren door ’n tamelik hoge aarden wal.“Zo,” zei Christian, “nu zijn we thuis,” en gevolgd door de anderen, stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw aangekomenen hartelik verwelkomden.Men wees Kapitein Knijf en z’n dochter ’n lege kafferhut aan, die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor hen opgericht waren.De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder ’n grote koperen ring en ’n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo’s, die zoals Christian zei, ’n half uur te voet aan de andere kant van de heuvel of ’t kopje lag.

HOOFDSTUK VIII.De reis naar de Baai en de aankomst aldaar.

Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.Dezen schenen goed gehumeurd, want onder ’n enigszins eentonig, maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang, en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan, waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.Katrijn wilde ook wat leven onder de blankenbrengen en begon ’n vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat zijn dochter hem met ’n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich nu eens door ’n dik bos, dan weer over ’n schone grasvlakte, of over ’n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of rotsgevaarten vond men er niet.Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat ’t veld er prachtig uitzag, en hier en daar ’t gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike troepen wilde bokken, en nu en dan sprong ’n duiker of een bosbok in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite getroostte er op te schieten.Toen men omtrent 2½ uur gelopen had, kwam men bij ’n helder stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers ’n aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.Na ’n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in ’n groot dik bos, waarin verscheidene bomen ’n hoogte van over de 100 voet hadden.Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei, nog olifanten in ’t bos.Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van ’t woud en na 2 uur gelopen te hebben, was men ’t bos uit. De zon begon reeds sterk naar ’t westen te dalen, en toen men nog ’n uur verder was, kwam men opnieuw bij ’n riviertje, waar de Engelsman voorstelde te overnachten.Daar er aan de oever van de rivier ’n aantal bomen stonden, kapte men spoedig ’n hoeveelheid grote takken af, waarmede men ’n soort van lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de nacht er buiten doorbrachten.Plotseling hoorde Christian ’t eigenaardige geluid dat de tarantalen maken; hij riep ’n paar van hen die geweren hadden, men sloop behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in ’t lager terug met meer dan twintig van de smakelike vogels.Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had men er met warme koeken van kafferkorenmeel ’n smakelike maaltijd van.Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er ook leeuwen of andere wildedieren in deze streken waren, waarop deze antwoordde, dat dit deel van ’t land dicht bevolkt was met kaffers, die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in ’t gebergte op, en vielen slechts zeer zelden de mens aan.De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.Na ’n wandeling van drie uur kwam men op ’n steile rand, aan welks voet ’n grote rivier liep. Op die rand stond ’n kafferkraal of dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z’n reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als ’n oude bekende begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent ’n honderd tree van de kraal wachten, en nadat hij z’n geweer aan Kapitein Knijf had overhandigd, stapte hij alleen ’t dorp binnen om de hoofdman ervan te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.Na ’n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er ’n weinig zouden uitrusten.Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees, kafferkoren, boontjes en ook ’n twaalftal kalabassen met kafferbier brachten. Zij zeiden dat dit ’n geschenk van de induna was.Men liet zich alles goed smaken en toen ’t maal afgelopen was, ging Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te beloven, dat hij, zodra hij kon, hem ’n tegengeschenk zou zenden.Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier door op ’n doorwaadbare plaats, waar ’t water echter een voet diep was, zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen te komen.De doortocht geschiedde niet zonder ’n lachwekkend toneel, want de zeilmaker gleed uit op ’n gladde klip, viel in ’t water, dat juist daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op ’t droge gesleept. De arme kerel, die bibberde van ’t koude bad dat hij gehad had, kreeg van Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond ’n tweede aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.Voor ’t geheel donker was, verliet Christian ’t kamp, doch kwam binnen ’n half uur terug met ’n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de avond als voor de volgende morgen.Men had die dag ’n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en stijf, zodat ’n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn slaapplek op te zoeken.De volgende dag kwam men weder bij ’n kraal en werd ook daar goed ontvangen en onthaald.Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese Oceaan in ’t gezicht, en de zon was juist aan ’t verdwijnen toen men bij ’n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die omringd waren door ’n tamelik hoge aarden wal.“Zo,” zei Christian, “nu zijn we thuis,” en gevolgd door de anderen, stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw aangekomenen hartelik verwelkomden.Men wees Kapitein Knijf en z’n dochter ’n lege kafferhut aan, die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor hen opgericht waren.De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder ’n grote koperen ring en ’n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo’s, die zoals Christian zei, ’n half uur te voet aan de andere kant van de heuvel of ’t kopje lag.

Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.

Dezen schenen goed gehumeurd, want onder ’n enigszins eentonig, maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang, en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan, waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.

Katrijn wilde ook wat leven onder de blankenbrengen en begon ’n vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat zijn dochter hem met ’n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.

Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich nu eens door ’n dik bos, dan weer over ’n schone grasvlakte, of over ’n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of rotsgevaarten vond men er niet.

Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat ’t veld er prachtig uitzag, en hier en daar ’t gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike troepen wilde bokken, en nu en dan sprong ’n duiker of een bosbok in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite getroostte er op te schieten.

Toen men omtrent 2½ uur gelopen had, kwam men bij ’n helder stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers ’n aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.

Na ’n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in ’n groot dik bos, waarin verscheidene bomen ’n hoogte van over de 100 voet hadden.

Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei, nog olifanten in ’t bos.

Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van ’t woud en na 2 uur gelopen te hebben, was men ’t bos uit. De zon begon reeds sterk naar ’t westen te dalen, en toen men nog ’n uur verder was, kwam men opnieuw bij ’n riviertje, waar de Engelsman voorstelde te overnachten.

Daar er aan de oever van de rivier ’n aantal bomen stonden, kapte men spoedig ’n hoeveelheid grote takken af, waarmede men ’n soort van lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de nacht er buiten doorbrachten.

Plotseling hoorde Christian ’t eigenaardige geluid dat de tarantalen maken; hij riep ’n paar van hen die geweren hadden, men sloop behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in ’t lager terug met meer dan twintig van de smakelike vogels.

Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had men er met warme koeken van kafferkorenmeel ’n smakelike maaltijd van.

Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er ook leeuwen of andere wildedieren in deze streken waren, waarop deze antwoordde, dat dit deel van ’t land dicht bevolkt was met kaffers, die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in ’t gebergte op, en vielen slechts zeer zelden de mens aan.

De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.

Na ’n wandeling van drie uur kwam men op ’n steile rand, aan welks voet ’n grote rivier liep. Op die rand stond ’n kafferkraal of dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z’n reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als ’n oude bekende begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent ’n honderd tree van de kraal wachten, en nadat hij z’n geweer aan Kapitein Knijf had overhandigd, stapte hij alleen ’t dorp binnen om de hoofdman ervan te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.

Na ’n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er ’n weinig zouden uitrusten.

Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees, kafferkoren, boontjes en ook ’n twaalftal kalabassen met kafferbier brachten. Zij zeiden dat dit ’n geschenk van de induna was.

Men liet zich alles goed smaken en toen ’t maal afgelopen was, ging Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te beloven, dat hij, zodra hij kon, hem ’n tegengeschenk zou zenden.

Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier door op ’n doorwaadbare plaats, waar ’t water echter een voet diep was, zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen te komen.

De doortocht geschiedde niet zonder ’n lachwekkend toneel, want de zeilmaker gleed uit op ’n gladde klip, viel in ’t water, dat juist daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op ’t droge gesleept. De arme kerel, die bibberde van ’t koude bad dat hij gehad had, kreeg van Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.

Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond ’n tweede aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.

Voor ’t geheel donker was, verliet Christian ’t kamp, doch kwam binnen ’n half uur terug met ’n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de avond als voor de volgende morgen.

Men had die dag ’n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en stijf, zodat ’n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn slaapplek op te zoeken.

De volgende dag kwam men weder bij ’n kraal en werd ook daar goed ontvangen en onthaald.

Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese Oceaan in ’t gezicht, en de zon was juist aan ’t verdwijnen toen men bij ’n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die omringd waren door ’n tamelik hoge aarden wal.

“Zo,” zei Christian, “nu zijn we thuis,” en gevolgd door de anderen, stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw aangekomenen hartelik verwelkomden.

Men wees Kapitein Knijf en z’n dochter ’n lege kafferhut aan, die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor hen opgericht waren.

De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder ’n grote koperen ring en ’n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.

Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo’s, die zoals Christian zei, ’n half uur te voet aan de andere kant van de heuvel of ’t kopje lag.


Back to IndexNext