HOOFDSTUK XIII.De reis naar en de aankomst te Kaapstad.Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus naar Kaapstad.Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij was niet alleen ’n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op ’t water als ’n eend.Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in ’t gezicht, maar bleef toch op ’n afstand van drie of vier mijl er van; en dit niet alleen om alle onbekendeonderzeese riffen of klippen te vermijden, maar ook omdat op die afstand van ’t land de zeestroming gewoonlik van ’t Oosten naar ’t Westen liep, terwijl die nader bij de kust in tegenovergestelde richting ging.De wind, die zich geen enkele dag boven ’n flinke bries verhief, bleef in ’t Noord-noord-oosten, en deed de boot als ’n meeuw door de vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje te zijn.Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig verheugd, dat ze geen enkele keerde roeiriemen ter hand behoefden te nemen.Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij ’t roer en vermaakte zich zo nu en dan met ’t plagen van de bemanning.Dertien dagen na ’t vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart, stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen, die daar van kracht waren, want met deWaterslanghad hij verscheidene malen de Kaap aangedaan.Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er ’n jaar in garnizoen had gelegen.De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf ’n kort verhaal van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van ’t Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets vernomen had van ’t vergaan van het schip.Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten bekend te stellen met ’t gebeurde. Maar nu kwam er ’n moeilikheid in de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op ’t bonte pak van ’n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren, en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele de Kommandeur.Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in hun kisten, en de Kapiteinleende van de een ’n schoon hemd, van de ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje en onderbaadje.Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit, maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak van gelooide geitevellen.Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter voorop, de Boekhouder, met z’n geld trommeltje in de rechterhand, achter hen aan.De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort, en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over ’n belangrijke zaak kon spreken.Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel, in die dagen nog in de kracht van z’n leven, en hoog geacht en gezien bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer ’t geval was.Na ’n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.“Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse,” was ’t antwoord. “Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van ’t schip,” en zonder te wachten, begon de Kapitein ’n omstandig verhaal te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over ’t gebeurde te kennen, en vroeg waar de Centaurus en z’n bemanning was. Kapitein Knijf zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de Kaap hadden aanvaard.Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch teken van die mannen had gehoord.“Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van ’t wrak zijn vertrokken,” merkte Knijf op, “en in die tijd konden ze zeker hier geweest zijn.”“U vergeet, meneer de Kapitein,” antwoordde de Kommandeur, “dat de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich ’n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat ’t land wemelt van wilde dieren. Zulk een tocht is ’nzeer gevaarvolle onderneming, en ’t zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een of andere manier omgekomen waren.”“Ja,” zei de Kapitein, “dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch, dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is.”“Dat zal ook wel geschieden,” antwoordde de Kommandeur, “maar dit is ’n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen niet kan behandelen. Doch ’t eerste wat gedaan moet worden, is ’t instellen van ’n onderzoek naar ’t vergaan van de Stavenisse, en daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad voorgelegd.” En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij: “wat hebt u in dat kistje meneer?”“Dat is ’t geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede ’n lijst van de maandelikse gages van de offisieren en bemanning,” en met deze woorden overhandigde hij aan de Kommandeur ’t kistje met de daarbij behorende sleutel,die aan ’n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.De Kommandeur opende ’t kistje en haalde er ’n klein blauw boekje uit, dat hij even inkeek.“Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?” vroeg hij daarop aan de Kapitein.“Op de 4de November 1685,” luidde ’t antwoord.“Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement ontvangen,” merkte de Kommandeur op. “Volgens de bepalingen van de Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol traktement van af de datum van ’t vertrek van ’t schip, tot op de dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat ’t schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die, dat de bemanning aankomt in ’n Hollandse haven of volkplanting. Dit laatste gedeelte van ’t salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden vóór de afloop van ’t in te stellen onderzoek, maar in alle geval hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4 November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop ’t schip gestrand is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar ’t zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebbenom zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit te betalen en daarvan kwitantie te nemen.“Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur allen hier te zijn.”Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen de kamer.
HOOFDSTUK XIII.De reis naar en de aankomst te Kaapstad.Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus naar Kaapstad.Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij was niet alleen ’n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op ’t water als ’n eend.Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in ’t gezicht, maar bleef toch op ’n afstand van drie of vier mijl er van; en dit niet alleen om alle onbekendeonderzeese riffen of klippen te vermijden, maar ook omdat op die afstand van ’t land de zeestroming gewoonlik van ’t Oosten naar ’t Westen liep, terwijl die nader bij de kust in tegenovergestelde richting ging.De wind, die zich geen enkele dag boven ’n flinke bries verhief, bleef in ’t Noord-noord-oosten, en deed de boot als ’n meeuw door de vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje te zijn.Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig verheugd, dat ze geen enkele keerde roeiriemen ter hand behoefden te nemen.Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij ’t roer en vermaakte zich zo nu en dan met ’t plagen van de bemanning.Dertien dagen na ’t vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart, stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen, die daar van kracht waren, want met deWaterslanghad hij verscheidene malen de Kaap aangedaan.Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er ’n jaar in garnizoen had gelegen.De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf ’n kort verhaal van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van ’t Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets vernomen had van ’t vergaan van het schip.Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten bekend te stellen met ’t gebeurde. Maar nu kwam er ’n moeilikheid in de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op ’t bonte pak van ’n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren, en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele de Kommandeur.Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in hun kisten, en de Kapiteinleende van de een ’n schoon hemd, van de ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje en onderbaadje.Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit, maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak van gelooide geitevellen.Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter voorop, de Boekhouder, met z’n geld trommeltje in de rechterhand, achter hen aan.De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort, en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over ’n belangrijke zaak kon spreken.Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel, in die dagen nog in de kracht van z’n leven, en hoog geacht en gezien bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer ’t geval was.Na ’n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.“Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse,” was ’t antwoord. “Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van ’t schip,” en zonder te wachten, begon de Kapitein ’n omstandig verhaal te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over ’t gebeurde te kennen, en vroeg waar de Centaurus en z’n bemanning was. Kapitein Knijf zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de Kaap hadden aanvaard.Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch teken van die mannen had gehoord.“Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van ’t wrak zijn vertrokken,” merkte Knijf op, “en in die tijd konden ze zeker hier geweest zijn.”“U vergeet, meneer de Kapitein,” antwoordde de Kommandeur, “dat de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich ’n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat ’t land wemelt van wilde dieren. Zulk een tocht is ’nzeer gevaarvolle onderneming, en ’t zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een of andere manier omgekomen waren.”“Ja,” zei de Kapitein, “dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch, dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is.”“Dat zal ook wel geschieden,” antwoordde de Kommandeur, “maar dit is ’n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen niet kan behandelen. Doch ’t eerste wat gedaan moet worden, is ’t instellen van ’n onderzoek naar ’t vergaan van de Stavenisse, en daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad voorgelegd.” En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij: “wat hebt u in dat kistje meneer?”“Dat is ’t geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede ’n lijst van de maandelikse gages van de offisieren en bemanning,” en met deze woorden overhandigde hij aan de Kommandeur ’t kistje met de daarbij behorende sleutel,die aan ’n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.De Kommandeur opende ’t kistje en haalde er ’n klein blauw boekje uit, dat hij even inkeek.“Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?” vroeg hij daarop aan de Kapitein.“Op de 4de November 1685,” luidde ’t antwoord.“Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement ontvangen,” merkte de Kommandeur op. “Volgens de bepalingen van de Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol traktement van af de datum van ’t vertrek van ’t schip, tot op de dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat ’t schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die, dat de bemanning aankomt in ’n Hollandse haven of volkplanting. Dit laatste gedeelte van ’t salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden vóór de afloop van ’t in te stellen onderzoek, maar in alle geval hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4 November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop ’t schip gestrand is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar ’t zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebbenom zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit te betalen en daarvan kwitantie te nemen.“Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur allen hier te zijn.”Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen de kamer.
HOOFDSTUK XIII.De reis naar en de aankomst te Kaapstad.
Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus naar Kaapstad.Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij was niet alleen ’n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op ’t water als ’n eend.Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in ’t gezicht, maar bleef toch op ’n afstand van drie of vier mijl er van; en dit niet alleen om alle onbekendeonderzeese riffen of klippen te vermijden, maar ook omdat op die afstand van ’t land de zeestroming gewoonlik van ’t Oosten naar ’t Westen liep, terwijl die nader bij de kust in tegenovergestelde richting ging.De wind, die zich geen enkele dag boven ’n flinke bries verhief, bleef in ’t Noord-noord-oosten, en deed de boot als ’n meeuw door de vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje te zijn.Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig verheugd, dat ze geen enkele keerde roeiriemen ter hand behoefden te nemen.Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij ’t roer en vermaakte zich zo nu en dan met ’t plagen van de bemanning.Dertien dagen na ’t vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart, stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen, die daar van kracht waren, want met deWaterslanghad hij verscheidene malen de Kaap aangedaan.Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er ’n jaar in garnizoen had gelegen.De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf ’n kort verhaal van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van ’t Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets vernomen had van ’t vergaan van het schip.Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten bekend te stellen met ’t gebeurde. Maar nu kwam er ’n moeilikheid in de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op ’t bonte pak van ’n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren, en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele de Kommandeur.Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in hun kisten, en de Kapiteinleende van de een ’n schoon hemd, van de ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje en onderbaadje.Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit, maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak van gelooide geitevellen.Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter voorop, de Boekhouder, met z’n geld trommeltje in de rechterhand, achter hen aan.De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort, en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over ’n belangrijke zaak kon spreken.Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel, in die dagen nog in de kracht van z’n leven, en hoog geacht en gezien bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer ’t geval was.Na ’n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.“Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse,” was ’t antwoord. “Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van ’t schip,” en zonder te wachten, begon de Kapitein ’n omstandig verhaal te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over ’t gebeurde te kennen, en vroeg waar de Centaurus en z’n bemanning was. Kapitein Knijf zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de Kaap hadden aanvaard.Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch teken van die mannen had gehoord.“Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van ’t wrak zijn vertrokken,” merkte Knijf op, “en in die tijd konden ze zeker hier geweest zijn.”“U vergeet, meneer de Kapitein,” antwoordde de Kommandeur, “dat de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich ’n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat ’t land wemelt van wilde dieren. Zulk een tocht is ’nzeer gevaarvolle onderneming, en ’t zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een of andere manier omgekomen waren.”“Ja,” zei de Kapitein, “dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch, dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is.”“Dat zal ook wel geschieden,” antwoordde de Kommandeur, “maar dit is ’n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen niet kan behandelen. Doch ’t eerste wat gedaan moet worden, is ’t instellen van ’n onderzoek naar ’t vergaan van de Stavenisse, en daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad voorgelegd.” En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij: “wat hebt u in dat kistje meneer?”“Dat is ’t geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede ’n lijst van de maandelikse gages van de offisieren en bemanning,” en met deze woorden overhandigde hij aan de Kommandeur ’t kistje met de daarbij behorende sleutel,die aan ’n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.De Kommandeur opende ’t kistje en haalde er ’n klein blauw boekje uit, dat hij even inkeek.“Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?” vroeg hij daarop aan de Kapitein.“Op de 4de November 1685,” luidde ’t antwoord.“Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement ontvangen,” merkte de Kommandeur op. “Volgens de bepalingen van de Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol traktement van af de datum van ’t vertrek van ’t schip, tot op de dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat ’t schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die, dat de bemanning aankomt in ’n Hollandse haven of volkplanting. Dit laatste gedeelte van ’t salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden vóór de afloop van ’t in te stellen onderzoek, maar in alle geval hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4 November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop ’t schip gestrand is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar ’t zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebbenom zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit te betalen en daarvan kwitantie te nemen.“Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur allen hier te zijn.”Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen de kamer.
Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus naar Kaapstad.
Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij was niet alleen ’n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op ’t water als ’n eend.
Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in ’t gezicht, maar bleef toch op ’n afstand van drie of vier mijl er van; en dit niet alleen om alle onbekendeonderzeese riffen of klippen te vermijden, maar ook omdat op die afstand van ’t land de zeestroming gewoonlik van ’t Oosten naar ’t Westen liep, terwijl die nader bij de kust in tegenovergestelde richting ging.
De wind, die zich geen enkele dag boven ’n flinke bries verhief, bleef in ’t Noord-noord-oosten, en deed de boot als ’n meeuw door de vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje te zijn.
Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig verheugd, dat ze geen enkele keerde roeiriemen ter hand behoefden te nemen.
Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij ’t roer en vermaakte zich zo nu en dan met ’t plagen van de bemanning.
Dertien dagen na ’t vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart, stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.
Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen, die daar van kracht waren, want met deWaterslanghad hij verscheidene malen de Kaap aangedaan.
Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er ’n jaar in garnizoen had gelegen.
De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.
Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf ’n kort verhaal van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.
Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van ’t Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets vernomen had van ’t vergaan van het schip.
Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten bekend te stellen met ’t gebeurde. Maar nu kwam er ’n moeilikheid in de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op ’t bonte pak van ’n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren, en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele de Kommandeur.
Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in hun kisten, en de Kapiteinleende van de een ’n schoon hemd, van de ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje en onderbaadje.
Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.
Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit, maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak van gelooide geitevellen.
Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter voorop, de Boekhouder, met z’n geld trommeltje in de rechterhand, achter hen aan.
De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort, en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over ’n belangrijke zaak kon spreken.
Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel, in die dagen nog in de kracht van z’n leven, en hoog geacht en gezien bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer ’t geval was.
Na ’n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.
“Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse,” was ’t antwoord. “Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van ’t schip,” en zonder te wachten, begon de Kapitein ’n omstandig verhaal te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.
Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over ’t gebeurde te kennen, en vroeg waar de Centaurus en z’n bemanning was. Kapitein Knijf zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de Kaap hadden aanvaard.
Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch teken van die mannen had gehoord.
“Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van ’t wrak zijn vertrokken,” merkte Knijf op, “en in die tijd konden ze zeker hier geweest zijn.”
“U vergeet, meneer de Kapitein,” antwoordde de Kommandeur, “dat de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich ’n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat ’t land wemelt van wilde dieren. Zulk een tocht is ’nzeer gevaarvolle onderneming, en ’t zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een of andere manier omgekomen waren.”
“Ja,” zei de Kapitein, “dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch, dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is.”
“Dat zal ook wel geschieden,” antwoordde de Kommandeur, “maar dit is ’n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen niet kan behandelen. Doch ’t eerste wat gedaan moet worden, is ’t instellen van ’n onderzoek naar ’t vergaan van de Stavenisse, en daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad voorgelegd.” En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij: “wat hebt u in dat kistje meneer?”
“Dat is ’t geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede ’n lijst van de maandelikse gages van de offisieren en bemanning,” en met deze woorden overhandigde hij aan de Kommandeur ’t kistje met de daarbij behorende sleutel,die aan ’n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.
De Kommandeur opende ’t kistje en haalde er ’n klein blauw boekje uit, dat hij even inkeek.
“Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?” vroeg hij daarop aan de Kapitein.
“Op de 4de November 1685,” luidde ’t antwoord.
“Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement ontvangen,” merkte de Kommandeur op. “Volgens de bepalingen van de Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol traktement van af de datum van ’t vertrek van ’t schip, tot op de dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat ’t schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die, dat de bemanning aankomt in ’n Hollandse haven of volkplanting. Dit laatste gedeelte van ’t salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden vóór de afloop van ’t in te stellen onderzoek, maar in alle geval hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4 November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop ’t schip gestrand is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar ’t zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebbenom zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit te betalen en daarvan kwitantie te nemen.
“Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur allen hier te zijn.”
Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen de kamer.