HOOFDSTUK XIV.Het onderzoek.Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen, gaven ze ’n verslag van ’t besprokene en deelden aan de anderen de blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.Als ’n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de Boekhouder toeriep: “Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik heb in 16 maanden niet gezien hoe ’n dubbeltje er uit ziet.”“Wacht ’n ogenblik,” zei de Boekhouder, “ikmoet eerst de kwitanties gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen.”Binnen ’n uur had ieder z’n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat men naar ’n herberg zou gaan en ’n lekker glas bier drinken.Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei: “Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is ’n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis.”Er was wel ’n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan ’t bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman, de Kapitein gelijk gaven.De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian en Kingston legden verklaringen af omtrent ’t bouwen van de Centaurus.De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de mast was, toen ’t schip ingevaar raakte, waren de belangrijkste, want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep, dat hij land zag.Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop ’t vertrek binnenkwam en zei:“Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van de twee in de Baai liggende schepen, deRotterdamen deNieuwe Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen, indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om 10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de Stavenisse hebben behandeld.”Kingston en Christian verklaarden echter, dat ze verkozen op de Centaurus te blijven en KapiteinKnijf zei, dat hij van plan was, om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg,de anderen namen ’t voorstel van de Kommandeur met dank aan.Toen onze vrienden voor ’t laatst weder op de Centaurus bijeen waren, vond er ’n niet onaardige plechtigheid plaats.Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op ’t dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:“Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen van de Stavenisse, die hier zijn, ’n gedeelte van hun gage ontvangen, en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we dan ook dat u zo goed zult wezen om ’t kleine bedrag, dat dit zakje bevat van ons te willen aannemen.” Na deze woorden overhandigde hij ’t meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte daarna in ’n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had, sprak ze:“Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader ’t mij geven.”Maar na lang aandringen van al de gevers nam ’t meisje ten slotte ’t geld toch aan, en zei, dat ze ’t gebruiken zou om ’n sieraad te kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg, kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor ’t gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian aan boord bleven.Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad vergaderd was.Aan ’t hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij ’n omstandig verhaal van alleshad gedaan, werd hij aan een scherp kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.“Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van ’t land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?” vroeg hij.“Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart van ’t schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken,” was ’t antwoord.“Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?”“Daaraan, dat ’t schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan ’n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog.”“Hoe laat hebt u op de 16de Februarie ’t dek verlaten?”“Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging dadelik daarop naar bed.”“De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de Eerste stuurman?”“Dat is zo.”“Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?”“Ja,” antwoordde Knijf, “voordat ik naar beneden ging, deed ik dat.”“Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op ’t kampanjedek kwam?”“Hij was niet op ’t dek, maar ’n half uur later kwam hij uit zijn kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over ’t ongeluk, dat hij half van z’n verstand was geraakt.”“Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?”“Ik had niets tegen hem,” zei Knijf, “maar vanaf de eerste dag dat ik ’t dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij, en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen.”“Wat was de oorzaak daarvan?”“Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg te keer gaan tegen ’t scheepsvolk.”Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest ’n kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening ’t gevaar ontkomen zou zijn.Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren, waarop Hartog antwoordde: “Toen de uitkijk voor ’t eerst land zag, moet ’t schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen, en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen en ’t roer te wenden, zou ’t schip, dat uitmuntend naar het roer luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou ’t uit de bocht geraakt zijn, waarin ’t nu strandde, want tussen ’t eerste en tweede geroep van de uitkijk ging ’n kwartier voorbij.”De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:“U wijt dus ’t verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of onbekwaamheid van de Eerste offisier?”“Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan,” antwoordde Hartog bedaard.Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde ’n dergelijke verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de 47 was die over land waren getrokken.Van de andere tans tegenwoordige offisieren enmanschappen was er geen een op ’t dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding, die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.Na afloop van ’t verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z’n volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort te zetten, deed de Kommandeur ’n buitengewone zitting bijeenroepen tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:“De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, ’n derde klas schip van de Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika, ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading, vergaan is op de 16de Februarie 1686.“Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende Kapitein, Willem Knijf.“Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en dat vooral ’t gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer prijzenswaardig was.“Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686 tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde Boekhouder, niet in ’t bezit is van de nodige kontanten, hij voor ’t hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van deze volkplanting.”Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:“John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort ’t scheepje de Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of onlangs wonende aan de Baai van Natal. DeRaad heeft ’t scheepje laten onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde, dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester, tegen ’n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede ’t zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge genegen dit voorstel aan te nemen?”De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde, dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden ontvangen.Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse uit.Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende, kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, dezeven man van de Bona Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was naar ’t vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie hem alleen kon verplichten, dienst te doen op ’n schip dat naar Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had, maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna Hartog, die toen nog in ’t bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn intrek in de Stadsherberg nam.De Centaurus werd in de Roggebaai op ’t strand gehaald en opnieuw nauwkeurig onderzocht.Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd, en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen ’n beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.Gedurende de eerste maanden werd ’t scheepjegebruikt om tochten naar Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en ’t scheen alsof Simon van der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse.
HOOFDSTUK XIV.Het onderzoek.Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen, gaven ze ’n verslag van ’t besprokene en deelden aan de anderen de blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.Als ’n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de Boekhouder toeriep: “Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik heb in 16 maanden niet gezien hoe ’n dubbeltje er uit ziet.”“Wacht ’n ogenblik,” zei de Boekhouder, “ikmoet eerst de kwitanties gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen.”Binnen ’n uur had ieder z’n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat men naar ’n herberg zou gaan en ’n lekker glas bier drinken.Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei: “Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is ’n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis.”Er was wel ’n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan ’t bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman, de Kapitein gelijk gaven.De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian en Kingston legden verklaringen af omtrent ’t bouwen van de Centaurus.De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de mast was, toen ’t schip ingevaar raakte, waren de belangrijkste, want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep, dat hij land zag.Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop ’t vertrek binnenkwam en zei:“Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van de twee in de Baai liggende schepen, deRotterdamen deNieuwe Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen, indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om 10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de Stavenisse hebben behandeld.”Kingston en Christian verklaarden echter, dat ze verkozen op de Centaurus te blijven en KapiteinKnijf zei, dat hij van plan was, om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg,de anderen namen ’t voorstel van de Kommandeur met dank aan.Toen onze vrienden voor ’t laatst weder op de Centaurus bijeen waren, vond er ’n niet onaardige plechtigheid plaats.Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op ’t dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:“Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen van de Stavenisse, die hier zijn, ’n gedeelte van hun gage ontvangen, en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we dan ook dat u zo goed zult wezen om ’t kleine bedrag, dat dit zakje bevat van ons te willen aannemen.” Na deze woorden overhandigde hij ’t meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte daarna in ’n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had, sprak ze:“Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader ’t mij geven.”Maar na lang aandringen van al de gevers nam ’t meisje ten slotte ’t geld toch aan, en zei, dat ze ’t gebruiken zou om ’n sieraad te kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg, kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor ’t gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian aan boord bleven.Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad vergaderd was.Aan ’t hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij ’n omstandig verhaal van alleshad gedaan, werd hij aan een scherp kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.“Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van ’t land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?” vroeg hij.“Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart van ’t schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken,” was ’t antwoord.“Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?”“Daaraan, dat ’t schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan ’n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog.”“Hoe laat hebt u op de 16de Februarie ’t dek verlaten?”“Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging dadelik daarop naar bed.”“De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de Eerste stuurman?”“Dat is zo.”“Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?”“Ja,” antwoordde Knijf, “voordat ik naar beneden ging, deed ik dat.”“Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op ’t kampanjedek kwam?”“Hij was niet op ’t dek, maar ’n half uur later kwam hij uit zijn kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over ’t ongeluk, dat hij half van z’n verstand was geraakt.”“Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?”“Ik had niets tegen hem,” zei Knijf, “maar vanaf de eerste dag dat ik ’t dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij, en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen.”“Wat was de oorzaak daarvan?”“Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg te keer gaan tegen ’t scheepsvolk.”Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest ’n kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening ’t gevaar ontkomen zou zijn.Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren, waarop Hartog antwoordde: “Toen de uitkijk voor ’t eerst land zag, moet ’t schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen, en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen en ’t roer te wenden, zou ’t schip, dat uitmuntend naar het roer luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou ’t uit de bocht geraakt zijn, waarin ’t nu strandde, want tussen ’t eerste en tweede geroep van de uitkijk ging ’n kwartier voorbij.”De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:“U wijt dus ’t verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of onbekwaamheid van de Eerste offisier?”“Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan,” antwoordde Hartog bedaard.Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde ’n dergelijke verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de 47 was die over land waren getrokken.Van de andere tans tegenwoordige offisieren enmanschappen was er geen een op ’t dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding, die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.Na afloop van ’t verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z’n volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort te zetten, deed de Kommandeur ’n buitengewone zitting bijeenroepen tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:“De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, ’n derde klas schip van de Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika, ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading, vergaan is op de 16de Februarie 1686.“Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende Kapitein, Willem Knijf.“Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en dat vooral ’t gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer prijzenswaardig was.“Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686 tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde Boekhouder, niet in ’t bezit is van de nodige kontanten, hij voor ’t hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van deze volkplanting.”Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:“John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort ’t scheepje de Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of onlangs wonende aan de Baai van Natal. DeRaad heeft ’t scheepje laten onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde, dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester, tegen ’n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede ’t zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge genegen dit voorstel aan te nemen?”De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde, dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden ontvangen.Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse uit.Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende, kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, dezeven man van de Bona Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was naar ’t vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie hem alleen kon verplichten, dienst te doen op ’n schip dat naar Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had, maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna Hartog, die toen nog in ’t bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn intrek in de Stadsherberg nam.De Centaurus werd in de Roggebaai op ’t strand gehaald en opnieuw nauwkeurig onderzocht.Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd, en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen ’n beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.Gedurende de eerste maanden werd ’t scheepjegebruikt om tochten naar Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en ’t scheen alsof Simon van der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse.
HOOFDSTUK XIV.Het onderzoek.
Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen, gaven ze ’n verslag van ’t besprokene en deelden aan de anderen de blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.Als ’n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de Boekhouder toeriep: “Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik heb in 16 maanden niet gezien hoe ’n dubbeltje er uit ziet.”“Wacht ’n ogenblik,” zei de Boekhouder, “ikmoet eerst de kwitanties gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen.”Binnen ’n uur had ieder z’n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat men naar ’n herberg zou gaan en ’n lekker glas bier drinken.Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei: “Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is ’n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis.”Er was wel ’n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan ’t bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman, de Kapitein gelijk gaven.De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian en Kingston legden verklaringen af omtrent ’t bouwen van de Centaurus.De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de mast was, toen ’t schip ingevaar raakte, waren de belangrijkste, want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep, dat hij land zag.Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop ’t vertrek binnenkwam en zei:“Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van de twee in de Baai liggende schepen, deRotterdamen deNieuwe Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen, indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om 10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de Stavenisse hebben behandeld.”Kingston en Christian verklaarden echter, dat ze verkozen op de Centaurus te blijven en KapiteinKnijf zei, dat hij van plan was, om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg,de anderen namen ’t voorstel van de Kommandeur met dank aan.Toen onze vrienden voor ’t laatst weder op de Centaurus bijeen waren, vond er ’n niet onaardige plechtigheid plaats.Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op ’t dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:“Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen van de Stavenisse, die hier zijn, ’n gedeelte van hun gage ontvangen, en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we dan ook dat u zo goed zult wezen om ’t kleine bedrag, dat dit zakje bevat van ons te willen aannemen.” Na deze woorden overhandigde hij ’t meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte daarna in ’n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had, sprak ze:“Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader ’t mij geven.”Maar na lang aandringen van al de gevers nam ’t meisje ten slotte ’t geld toch aan, en zei, dat ze ’t gebruiken zou om ’n sieraad te kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg, kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor ’t gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian aan boord bleven.Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad vergaderd was.Aan ’t hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij ’n omstandig verhaal van alleshad gedaan, werd hij aan een scherp kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.“Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van ’t land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?” vroeg hij.“Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart van ’t schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken,” was ’t antwoord.“Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?”“Daaraan, dat ’t schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan ’n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog.”“Hoe laat hebt u op de 16de Februarie ’t dek verlaten?”“Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging dadelik daarop naar bed.”“De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de Eerste stuurman?”“Dat is zo.”“Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?”“Ja,” antwoordde Knijf, “voordat ik naar beneden ging, deed ik dat.”“Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op ’t kampanjedek kwam?”“Hij was niet op ’t dek, maar ’n half uur later kwam hij uit zijn kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over ’t ongeluk, dat hij half van z’n verstand was geraakt.”“Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?”“Ik had niets tegen hem,” zei Knijf, “maar vanaf de eerste dag dat ik ’t dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij, en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen.”“Wat was de oorzaak daarvan?”“Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg te keer gaan tegen ’t scheepsvolk.”Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest ’n kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening ’t gevaar ontkomen zou zijn.Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren, waarop Hartog antwoordde: “Toen de uitkijk voor ’t eerst land zag, moet ’t schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen, en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen en ’t roer te wenden, zou ’t schip, dat uitmuntend naar het roer luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou ’t uit de bocht geraakt zijn, waarin ’t nu strandde, want tussen ’t eerste en tweede geroep van de uitkijk ging ’n kwartier voorbij.”De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:“U wijt dus ’t verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of onbekwaamheid van de Eerste offisier?”“Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan,” antwoordde Hartog bedaard.Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde ’n dergelijke verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de 47 was die over land waren getrokken.Van de andere tans tegenwoordige offisieren enmanschappen was er geen een op ’t dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding, die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.Na afloop van ’t verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z’n volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort te zetten, deed de Kommandeur ’n buitengewone zitting bijeenroepen tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:“De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, ’n derde klas schip van de Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika, ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading, vergaan is op de 16de Februarie 1686.“Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende Kapitein, Willem Knijf.“Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en dat vooral ’t gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer prijzenswaardig was.“Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686 tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde Boekhouder, niet in ’t bezit is van de nodige kontanten, hij voor ’t hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van deze volkplanting.”Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:“John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort ’t scheepje de Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of onlangs wonende aan de Baai van Natal. DeRaad heeft ’t scheepje laten onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde, dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester, tegen ’n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede ’t zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge genegen dit voorstel aan te nemen?”De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde, dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden ontvangen.Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse uit.Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende, kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, dezeven man van de Bona Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was naar ’t vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie hem alleen kon verplichten, dienst te doen op ’n schip dat naar Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had, maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna Hartog, die toen nog in ’t bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn intrek in de Stadsherberg nam.De Centaurus werd in de Roggebaai op ’t strand gehaald en opnieuw nauwkeurig onderzocht.Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd, en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen ’n beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.Gedurende de eerste maanden werd ’t scheepjegebruikt om tochten naar Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en ’t scheen alsof Simon van der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse.
Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen, gaven ze ’n verslag van ’t besprokene en deelden aan de anderen de blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.
Als ’n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de Boekhouder toeriep: “Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik heb in 16 maanden niet gezien hoe ’n dubbeltje er uit ziet.”
“Wacht ’n ogenblik,” zei de Boekhouder, “ikmoet eerst de kwitanties gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen.”
Binnen ’n uur had ieder z’n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat men naar ’n herberg zou gaan en ’n lekker glas bier drinken.
Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei: “Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is ’n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis.”
Er was wel ’n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan ’t bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman, de Kapitein gelijk gaven.
De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian en Kingston legden verklaringen af omtrent ’t bouwen van de Centaurus.
De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de mast was, toen ’t schip ingevaar raakte, waren de belangrijkste, want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep, dat hij land zag.
Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop ’t vertrek binnenkwam en zei:
“Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van de twee in de Baai liggende schepen, deRotterdamen deNieuwe Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen, indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om 10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de Stavenisse hebben behandeld.”
Kingston en Christian verklaarden echter, dat ze verkozen op de Centaurus te blijven en KapiteinKnijf zei, dat hij van plan was, om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg,de anderen namen ’t voorstel van de Kommandeur met dank aan.
Toen onze vrienden voor ’t laatst weder op de Centaurus bijeen waren, vond er ’n niet onaardige plechtigheid plaats.
Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op ’t dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:
“Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen van de Stavenisse, die hier zijn, ’n gedeelte van hun gage ontvangen, en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we dan ook dat u zo goed zult wezen om ’t kleine bedrag, dat dit zakje bevat van ons te willen aannemen.” Na deze woorden overhandigde hij ’t meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.
Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte daarna in ’n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had, sprak ze:
“Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader ’t mij geven.”
Maar na lang aandringen van al de gevers nam ’t meisje ten slotte ’t geld toch aan, en zei, dat ze ’t gebruiken zou om ’n sieraad te kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.
Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg, kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor ’t gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.
De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian aan boord bleven.
Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad vergaderd was.
Aan ’t hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.
Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij ’n omstandig verhaal van alleshad gedaan, werd hij aan een scherp kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.
“Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van ’t land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?” vroeg hij.
“Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart van ’t schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken,” was ’t antwoord.
“Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?”
“Daaraan, dat ’t schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan ’n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog.”
“Hoe laat hebt u op de 16de Februarie ’t dek verlaten?”
“Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging dadelik daarop naar bed.”
“De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de Eerste stuurman?”
“Dat is zo.”
“Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?”
“Ja,” antwoordde Knijf, “voordat ik naar beneden ging, deed ik dat.”
“Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op ’t kampanjedek kwam?”
“Hij was niet op ’t dek, maar ’n half uur later kwam hij uit zijn kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over ’t ongeluk, dat hij half van z’n verstand was geraakt.”
“Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?”
“Ik had niets tegen hem,” zei Knijf, “maar vanaf de eerste dag dat ik ’t dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij, en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen.”
“Wat was de oorzaak daarvan?”
“Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg te keer gaan tegen ’t scheepsvolk.”
Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest ’n kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening ’t gevaar ontkomen zou zijn.
Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren, waarop Hartog antwoordde: “Toen de uitkijk voor ’t eerst land zag, moet ’t schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen, en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen en ’t roer te wenden, zou ’t schip, dat uitmuntend naar het roer luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou ’t uit de bocht geraakt zijn, waarin ’t nu strandde, want tussen ’t eerste en tweede geroep van de uitkijk ging ’n kwartier voorbij.”
De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:
“U wijt dus ’t verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of onbekwaamheid van de Eerste offisier?”
“Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan,” antwoordde Hartog bedaard.
Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde ’n dergelijke verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.
De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de 47 was die over land waren getrokken.
Van de andere tans tegenwoordige offisieren enmanschappen was er geen een op ’t dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding, die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.
Na afloop van ’t verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z’n volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.
Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort te zetten, deed de Kommandeur ’n buitengewone zitting bijeenroepen tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.
Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:
“De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, ’n derde klas schip van de Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika, ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading, vergaan is op de 16de Februarie 1686.
“Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende Kapitein, Willem Knijf.
“Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en dat vooral ’t gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer prijzenswaardig was.
“Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686 tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde Boekhouder, niet in ’t bezit is van de nodige kontanten, hij voor ’t hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van deze volkplanting.”
Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:
“John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort ’t scheepje de Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of onlangs wonende aan de Baai van Natal. DeRaad heeft ’t scheepje laten onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde, dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester, tegen ’n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede ’t zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge genegen dit voorstel aan te nemen?”
De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde, dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden ontvangen.
Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse uit.
Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende, kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.
Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, dezeven man van de Bona Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.
Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was naar ’t vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie hem alleen kon verplichten, dienst te doen op ’n schip dat naar Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had, maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna Hartog, die toen nog in ’t bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn intrek in de Stadsherberg nam.
De Centaurus werd in de Roggebaai op ’t strand gehaald en opnieuw nauwkeurig onderzocht.
Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd, en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen ’n beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.
Gedurende de eerste maanden werd ’t scheepjegebruikt om tochten naar Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en ’t scheen alsof Simon van der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse.