HOOFDSTUK XV.Katrijn verandert van plan.Tengevolge van ’t feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met de zeekapitein en diens dochter.De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen, en klaagde steen en been over ’t ongeluk dat hem overkomen was door het vergaan van de Stavenisse.Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te zeggen, dat ’t Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld ’t bevel zoukrijgen over ’n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:“Wat ’t Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan ’t geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had ’n lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk ’n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer ’n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.“Ik heb in Holland nog ’n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb, en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen, en al ’t mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven.”Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er ’n schip uit Indië kwam, en ’t duurde verscheidene weken voor dit ’t geval was.Omstreeks ’t einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken en daarom verzocht op het Kasteel te komen.Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein ’t bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij ’t meeste recht op zulk ’n betrekking had.Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden, en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij moe was van ’t zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust aan land doorbrengen.Drie dagen later bracht Hartog ’n bezoek aan de oude man, die toen samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met ’n “Goede middag, Stuurman,” waarop Hartog een hoge borst zette en op kwazie hooghartige toon antwoordde: “Alsjeblieft, Juffer, ik ben nuKapiteinHartog.”Vader en dochter vroegen: “Kapitein? en van welk schip dan?”“Van de Centaurus,” antwoordde de jonge man, “die in ’t begin van November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te zoeken. Zij hebben me ’n salaris van 35 gulden in de maand gegeven, en dat is mooi genoeg voor ’n kapitein van zulk ’n klein scheepje.“Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al ’t laatste nieuws omtrent hen gehoord?”“Nee,” zei Katrijn, “wat is het?”“Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen en voor ’t ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden zullen ontvangen.”De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat ’t bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij ’t niet aangenomen had.Diezelfde avond ging de Kapitein kort na ’t avondeten slapen, en daar ’t mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.“Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo familiaar behandelen,” begon Katrijn op spottende toon.“Ik hoop, en geloof ook niet, dat ’t enig verschiltussen ons zal maken,” zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:“In uw leven is tans ook ’n hele verandering gekomen, juffer Katrijn.”“Hoe zo?” vroeg ’t meisje verwonderd.“Wel, u bent tans weduwe,” was ’t antwoord.“Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog,” zei Katrijn.“Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?”Katrijn lachte en zei schalks: “Ik zal wel van mijn man gescheiden zijn, maar ’t is maar ’n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet, hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen.”“Zolang uw vader leeft, niet,” merkte Hartog op, “want u zult hem zeker niet eenzaam en verlaten willen zien.”Katrijn bracht nu snel ’t gesprek op ’n ander onderwerp en vroeg:“En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven, als zeeman tegen wil en dank?”“Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van ’t antwoord dat Notaris Van Doorn mij zendt. Is ’tgeld nog tot mijn beschikking, dan zal ik ’n stuk grond uitkiezen in of bij ’t nieuwe dorp Stellenbosch. Ik verneem dat ’t biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden te krijgen,” was ’t antwoord van Hartog.“En als ’t geld weg is?” vroeg het meisje weer.“Dan blijf ik ’n zeeman tegen wil en dank,” zei de jonge Kapitein.“Van zeeman tot boer is ’n hele sprong,” hervatte Katrijn. “En als je boer wilt worden, moet je ’n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord, dat ’n boerderij zonder ’n vrouw iets onbestaanbaars is.”“Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?” vroeg de jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij ’t zijn arm om ’t middel van ’t meisje te slaan.Katrijn sloeg niet als ’n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei rustig en bedaard:“Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld, als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten gebouwd zijn, maar ook op ’t gezond verstand. Nu wil ik je zeggen dat ik van jongsaf,’n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren, zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde, heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet willen, want ik weet hoe treurig ’t lot is van de vrouw van ’n arm man; ’t is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor ’n bete broods. Zulk ’n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. ’t Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets verbinden, want anders zouden we, na ’t huwelik, elkander verwijten maken en beiden ’n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom, mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35 gulden in de maand is ’n gering bedrag om op te trouwen, en je weet zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je ’n antwoord van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je vraag, en ik zal je ’n bepaald antwoord geven.”“En intussen?” vroeg Hartog op weifelende toon.“Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar eerbiedigen en liefhebben,” zei ’t meisje.“En als intussen een rijker en meer verkieselikeman aanzoek doet om uw hand, wat wordt er dan van mij?” vroeg de jongeling opnieuw.Katrijn bleef enige ogenblikken ’t stilzwijgen bewaren, en antwoordde toen:“Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik niet doen.”Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij ’t meisje niet verder kon dwingen.“’t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht.” Met deze woorden bood ’t meisje de jongeling haar hand aan.Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte ’n zoen op haar maagdelike lippen, ’n behandeling waaraan Katrijn zich zonder tegenstribbelen onderwierp.Toen scheidden ze.
HOOFDSTUK XV.Katrijn verandert van plan.Tengevolge van ’t feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met de zeekapitein en diens dochter.De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen, en klaagde steen en been over ’t ongeluk dat hem overkomen was door het vergaan van de Stavenisse.Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te zeggen, dat ’t Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld ’t bevel zoukrijgen over ’n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:“Wat ’t Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan ’t geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had ’n lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk ’n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer ’n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.“Ik heb in Holland nog ’n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb, en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen, en al ’t mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven.”Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er ’n schip uit Indië kwam, en ’t duurde verscheidene weken voor dit ’t geval was.Omstreeks ’t einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken en daarom verzocht op het Kasteel te komen.Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein ’t bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij ’t meeste recht op zulk ’n betrekking had.Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden, en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij moe was van ’t zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust aan land doorbrengen.Drie dagen later bracht Hartog ’n bezoek aan de oude man, die toen samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met ’n “Goede middag, Stuurman,” waarop Hartog een hoge borst zette en op kwazie hooghartige toon antwoordde: “Alsjeblieft, Juffer, ik ben nuKapiteinHartog.”Vader en dochter vroegen: “Kapitein? en van welk schip dan?”“Van de Centaurus,” antwoordde de jonge man, “die in ’t begin van November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te zoeken. Zij hebben me ’n salaris van 35 gulden in de maand gegeven, en dat is mooi genoeg voor ’n kapitein van zulk ’n klein scheepje.“Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al ’t laatste nieuws omtrent hen gehoord?”“Nee,” zei Katrijn, “wat is het?”“Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen en voor ’t ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden zullen ontvangen.”De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat ’t bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij ’t niet aangenomen had.Diezelfde avond ging de Kapitein kort na ’t avondeten slapen, en daar ’t mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.“Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo familiaar behandelen,” begon Katrijn op spottende toon.“Ik hoop, en geloof ook niet, dat ’t enig verschiltussen ons zal maken,” zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:“In uw leven is tans ook ’n hele verandering gekomen, juffer Katrijn.”“Hoe zo?” vroeg ’t meisje verwonderd.“Wel, u bent tans weduwe,” was ’t antwoord.“Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog,” zei Katrijn.“Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?”Katrijn lachte en zei schalks: “Ik zal wel van mijn man gescheiden zijn, maar ’t is maar ’n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet, hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen.”“Zolang uw vader leeft, niet,” merkte Hartog op, “want u zult hem zeker niet eenzaam en verlaten willen zien.”Katrijn bracht nu snel ’t gesprek op ’n ander onderwerp en vroeg:“En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven, als zeeman tegen wil en dank?”“Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van ’t antwoord dat Notaris Van Doorn mij zendt. Is ’tgeld nog tot mijn beschikking, dan zal ik ’n stuk grond uitkiezen in of bij ’t nieuwe dorp Stellenbosch. Ik verneem dat ’t biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden te krijgen,” was ’t antwoord van Hartog.“En als ’t geld weg is?” vroeg het meisje weer.“Dan blijf ik ’n zeeman tegen wil en dank,” zei de jonge Kapitein.“Van zeeman tot boer is ’n hele sprong,” hervatte Katrijn. “En als je boer wilt worden, moet je ’n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord, dat ’n boerderij zonder ’n vrouw iets onbestaanbaars is.”“Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?” vroeg de jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij ’t zijn arm om ’t middel van ’t meisje te slaan.Katrijn sloeg niet als ’n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei rustig en bedaard:“Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld, als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten gebouwd zijn, maar ook op ’t gezond verstand. Nu wil ik je zeggen dat ik van jongsaf,’n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren, zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde, heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet willen, want ik weet hoe treurig ’t lot is van de vrouw van ’n arm man; ’t is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor ’n bete broods. Zulk ’n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. ’t Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets verbinden, want anders zouden we, na ’t huwelik, elkander verwijten maken en beiden ’n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom, mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35 gulden in de maand is ’n gering bedrag om op te trouwen, en je weet zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je ’n antwoord van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je vraag, en ik zal je ’n bepaald antwoord geven.”“En intussen?” vroeg Hartog op weifelende toon.“Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar eerbiedigen en liefhebben,” zei ’t meisje.“En als intussen een rijker en meer verkieselikeman aanzoek doet om uw hand, wat wordt er dan van mij?” vroeg de jongeling opnieuw.Katrijn bleef enige ogenblikken ’t stilzwijgen bewaren, en antwoordde toen:“Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik niet doen.”Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij ’t meisje niet verder kon dwingen.“’t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht.” Met deze woorden bood ’t meisje de jongeling haar hand aan.Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte ’n zoen op haar maagdelike lippen, ’n behandeling waaraan Katrijn zich zonder tegenstribbelen onderwierp.Toen scheidden ze.
HOOFDSTUK XV.Katrijn verandert van plan.
Tengevolge van ’t feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met de zeekapitein en diens dochter.De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen, en klaagde steen en been over ’t ongeluk dat hem overkomen was door het vergaan van de Stavenisse.Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te zeggen, dat ’t Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld ’t bevel zoukrijgen over ’n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:“Wat ’t Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan ’t geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had ’n lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk ’n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer ’n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.“Ik heb in Holland nog ’n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb, en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen, en al ’t mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven.”Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er ’n schip uit Indië kwam, en ’t duurde verscheidene weken voor dit ’t geval was.Omstreeks ’t einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken en daarom verzocht op het Kasteel te komen.Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein ’t bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij ’t meeste recht op zulk ’n betrekking had.Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden, en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij moe was van ’t zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust aan land doorbrengen.Drie dagen later bracht Hartog ’n bezoek aan de oude man, die toen samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met ’n “Goede middag, Stuurman,” waarop Hartog een hoge borst zette en op kwazie hooghartige toon antwoordde: “Alsjeblieft, Juffer, ik ben nuKapiteinHartog.”Vader en dochter vroegen: “Kapitein? en van welk schip dan?”“Van de Centaurus,” antwoordde de jonge man, “die in ’t begin van November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te zoeken. Zij hebben me ’n salaris van 35 gulden in de maand gegeven, en dat is mooi genoeg voor ’n kapitein van zulk ’n klein scheepje.“Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al ’t laatste nieuws omtrent hen gehoord?”“Nee,” zei Katrijn, “wat is het?”“Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen en voor ’t ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden zullen ontvangen.”De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat ’t bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij ’t niet aangenomen had.Diezelfde avond ging de Kapitein kort na ’t avondeten slapen, en daar ’t mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.“Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo familiaar behandelen,” begon Katrijn op spottende toon.“Ik hoop, en geloof ook niet, dat ’t enig verschiltussen ons zal maken,” zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:“In uw leven is tans ook ’n hele verandering gekomen, juffer Katrijn.”“Hoe zo?” vroeg ’t meisje verwonderd.“Wel, u bent tans weduwe,” was ’t antwoord.“Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog,” zei Katrijn.“Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?”Katrijn lachte en zei schalks: “Ik zal wel van mijn man gescheiden zijn, maar ’t is maar ’n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet, hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen.”“Zolang uw vader leeft, niet,” merkte Hartog op, “want u zult hem zeker niet eenzaam en verlaten willen zien.”Katrijn bracht nu snel ’t gesprek op ’n ander onderwerp en vroeg:“En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven, als zeeman tegen wil en dank?”“Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van ’t antwoord dat Notaris Van Doorn mij zendt. Is ’tgeld nog tot mijn beschikking, dan zal ik ’n stuk grond uitkiezen in of bij ’t nieuwe dorp Stellenbosch. Ik verneem dat ’t biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden te krijgen,” was ’t antwoord van Hartog.“En als ’t geld weg is?” vroeg het meisje weer.“Dan blijf ik ’n zeeman tegen wil en dank,” zei de jonge Kapitein.“Van zeeman tot boer is ’n hele sprong,” hervatte Katrijn. “En als je boer wilt worden, moet je ’n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord, dat ’n boerderij zonder ’n vrouw iets onbestaanbaars is.”“Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?” vroeg de jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij ’t zijn arm om ’t middel van ’t meisje te slaan.Katrijn sloeg niet als ’n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei rustig en bedaard:“Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld, als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten gebouwd zijn, maar ook op ’t gezond verstand. Nu wil ik je zeggen dat ik van jongsaf,’n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren, zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde, heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet willen, want ik weet hoe treurig ’t lot is van de vrouw van ’n arm man; ’t is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor ’n bete broods. Zulk ’n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. ’t Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets verbinden, want anders zouden we, na ’t huwelik, elkander verwijten maken en beiden ’n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom, mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35 gulden in de maand is ’n gering bedrag om op te trouwen, en je weet zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je ’n antwoord van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je vraag, en ik zal je ’n bepaald antwoord geven.”“En intussen?” vroeg Hartog op weifelende toon.“Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar eerbiedigen en liefhebben,” zei ’t meisje.“En als intussen een rijker en meer verkieselikeman aanzoek doet om uw hand, wat wordt er dan van mij?” vroeg de jongeling opnieuw.Katrijn bleef enige ogenblikken ’t stilzwijgen bewaren, en antwoordde toen:“Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik niet doen.”Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij ’t meisje niet verder kon dwingen.“’t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht.” Met deze woorden bood ’t meisje de jongeling haar hand aan.Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte ’n zoen op haar maagdelike lippen, ’n behandeling waaraan Katrijn zich zonder tegenstribbelen onderwierp.Toen scheidden ze.
Tengevolge van ’t feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met de zeekapitein en diens dochter.
De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen, en klaagde steen en been over ’t ongeluk dat hem overkomen was door het vergaan van de Stavenisse.
Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te zeggen, dat ’t Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld ’t bevel zoukrijgen over ’n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:
“Wat ’t Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan ’t geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had ’n lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk ’n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer ’n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.
“Ik heb in Holland nog ’n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb, en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen, en al ’t mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven.”
Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.
Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er ’n schip uit Indië kwam, en ’t duurde verscheidene weken voor dit ’t geval was.
Omstreeks ’t einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken en daarom verzocht op het Kasteel te komen.
Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein ’t bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij ’t meeste recht op zulk ’n betrekking had.
Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden, en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij moe was van ’t zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust aan land doorbrengen.
Drie dagen later bracht Hartog ’n bezoek aan de oude man, die toen samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met ’n “Goede middag, Stuurman,” waarop Hartog een hoge borst zette en op kwazie hooghartige toon antwoordde: “Alsjeblieft, Juffer, ik ben nuKapiteinHartog.”
Vader en dochter vroegen: “Kapitein? en van welk schip dan?”
“Van de Centaurus,” antwoordde de jonge man, “die in ’t begin van November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te zoeken. Zij hebben me ’n salaris van 35 gulden in de maand gegeven, en dat is mooi genoeg voor ’n kapitein van zulk ’n klein scheepje.
“Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al ’t laatste nieuws omtrent hen gehoord?”
“Nee,” zei Katrijn, “wat is het?”
“Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen en voor ’t ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden zullen ontvangen.”
De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat ’t bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij ’t niet aangenomen had.
Diezelfde avond ging de Kapitein kort na ’t avondeten slapen, en daar ’t mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.
“Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo familiaar behandelen,” begon Katrijn op spottende toon.
“Ik hoop, en geloof ook niet, dat ’t enig verschiltussen ons zal maken,” zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:
“In uw leven is tans ook ’n hele verandering gekomen, juffer Katrijn.”
“Hoe zo?” vroeg ’t meisje verwonderd.
“Wel, u bent tans weduwe,” was ’t antwoord.
“Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog,” zei Katrijn.
“Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?”
Katrijn lachte en zei schalks: “Ik zal wel van mijn man gescheiden zijn, maar ’t is maar ’n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet, hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen.”
“Zolang uw vader leeft, niet,” merkte Hartog op, “want u zult hem zeker niet eenzaam en verlaten willen zien.”
Katrijn bracht nu snel ’t gesprek op ’n ander onderwerp en vroeg:
“En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven, als zeeman tegen wil en dank?”
“Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van ’t antwoord dat Notaris Van Doorn mij zendt. Is ’tgeld nog tot mijn beschikking, dan zal ik ’n stuk grond uitkiezen in of bij ’t nieuwe dorp Stellenbosch. Ik verneem dat ’t biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden te krijgen,” was ’t antwoord van Hartog.
“En als ’t geld weg is?” vroeg het meisje weer.
“Dan blijf ik ’n zeeman tegen wil en dank,” zei de jonge Kapitein.
“Van zeeman tot boer is ’n hele sprong,” hervatte Katrijn. “En als je boer wilt worden, moet je ’n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord, dat ’n boerderij zonder ’n vrouw iets onbestaanbaars is.”
“Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?” vroeg de jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij ’t zijn arm om ’t middel van ’t meisje te slaan.
Katrijn sloeg niet als ’n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei rustig en bedaard:
“Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld, als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten gebouwd zijn, maar ook op ’t gezond verstand. Nu wil ik je zeggen dat ik van jongsaf,’n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren, zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde, heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet willen, want ik weet hoe treurig ’t lot is van de vrouw van ’n arm man; ’t is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor ’n bete broods. Zulk ’n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. ’t Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets verbinden, want anders zouden we, na ’t huwelik, elkander verwijten maken en beiden ’n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom, mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35 gulden in de maand is ’n gering bedrag om op te trouwen, en je weet zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je ’n antwoord van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je vraag, en ik zal je ’n bepaald antwoord geven.”
“En intussen?” vroeg Hartog op weifelende toon.
“Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar eerbiedigen en liefhebben,” zei ’t meisje.
“En als intussen een rijker en meer verkieselikeman aanzoek doet om uw hand, wat wordt er dan van mij?” vroeg de jongeling opnieuw.
Katrijn bleef enige ogenblikken ’t stilzwijgen bewaren, en antwoordde toen:
“Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik niet doen.”
Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij ’t meisje niet verder kon dwingen.
“’t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht.” Met deze woorden bood ’t meisje de jongeling haar hand aan.
Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte ’n zoen op haar maagdelike lippen, ’n behandeling waaraan Katrijn zich zonder tegenstribbelen onderwierp.
Toen scheidden ze.