HOOFDSTUK XVI.

HOOFDSTUK XVI.De reis van de Centaurus.Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn, er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om Kapitein van de Centaurus te worden.Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis naar Natal aanvaarden.De eerste dagen na ’t vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar ’t zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij stormachtig werd en men bovendien met ’n sterke stroming naar ’t westen had te kampen.Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.De wind was nu gaan liggen en er heerste ’n doodse kalmte, en daar de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen geen middel om ’t schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs door de stroming uit ’t oosten terug, zodat men op de middag van de 7de weer tegenover de grote rots was, die toen de “Doodkist” werd genoemd, en tans bekend is als de Bat’s Cove, even ten oosten van ’t tegenwoordige Oost-Londen.Hartog liet ’t anker uitwerpen en zond ’n boot naar de kust om te zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men ’n aantal personen op het land, die signalen maakten,doch op die afstand was ’t onmogelik om te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.Toen de boot terugkwam, bracht men ’t bericht mede dat de branding op de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens ’n landing te doen.Intussen was er ’n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen, besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten; hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was, ging ’t schip terug naar de Bat’s Cove, omdat Hartog zich nu wilde verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of gekleurden waren.Men had juist ’t anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar ’t land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat ’t was.Eindelik bleek ’t dat dit voorwerp niets meer of minder was dan ’n ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort daarna ’t schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen, vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt van de bemanning van ’n boot die door ’n Engels schip naar land was gezonden. Deze bemanning was door ’n klomp Kaffers aangevallen en allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.Na ’t horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen, en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij ’t anker in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie’s vlag in top liet halen.Kort daarop bereikte ’n vierde schipbreukeling de boot door er heen te zwemmen.Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus ’t wagen kon, om ’n boot uit te zetten, die zonder moeite ’t land bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede ’t vlees van ’n vette os, die men van ’t Kafferopperhoofd had gekocht voor ’n koperen ring ter waarde van 4 shillings.De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar ’t land en kocht men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar ’t schip terug moest komen, zodat menverplicht was de ossen achter te laten en aan ’t bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.Enige uren later bereikte men de monding van ’n rivier, die tans de naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die rivier was echter zo sterk, dat ’t voor ’n kleine boot onmogelik was, de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van ’t land ankeren.Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op ’t land, maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en zich derhalve verborgen hadden.De ankergrond was slecht, de kust was gevaarlik en de jonge Kapitein besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.De reis naar ’t Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen; de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.

HOOFDSTUK XVI.De reis van de Centaurus.Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn, er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om Kapitein van de Centaurus te worden.Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis naar Natal aanvaarden.De eerste dagen na ’t vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar ’t zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij stormachtig werd en men bovendien met ’n sterke stroming naar ’t westen had te kampen.Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.De wind was nu gaan liggen en er heerste ’n doodse kalmte, en daar de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen geen middel om ’t schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs door de stroming uit ’t oosten terug, zodat men op de middag van de 7de weer tegenover de grote rots was, die toen de “Doodkist” werd genoemd, en tans bekend is als de Bat’s Cove, even ten oosten van ’t tegenwoordige Oost-Londen.Hartog liet ’t anker uitwerpen en zond ’n boot naar de kust om te zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men ’n aantal personen op het land, die signalen maakten,doch op die afstand was ’t onmogelik om te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.Toen de boot terugkwam, bracht men ’t bericht mede dat de branding op de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens ’n landing te doen.Intussen was er ’n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen, besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten; hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was, ging ’t schip terug naar de Bat’s Cove, omdat Hartog zich nu wilde verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of gekleurden waren.Men had juist ’t anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar ’t land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat ’t was.Eindelik bleek ’t dat dit voorwerp niets meer of minder was dan ’n ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort daarna ’t schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen, vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt van de bemanning van ’n boot die door ’n Engels schip naar land was gezonden. Deze bemanning was door ’n klomp Kaffers aangevallen en allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.Na ’t horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen, en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij ’t anker in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie’s vlag in top liet halen.Kort daarop bereikte ’n vierde schipbreukeling de boot door er heen te zwemmen.Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus ’t wagen kon, om ’n boot uit te zetten, die zonder moeite ’t land bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede ’t vlees van ’n vette os, die men van ’t Kafferopperhoofd had gekocht voor ’n koperen ring ter waarde van 4 shillings.De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar ’t land en kocht men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar ’t schip terug moest komen, zodat menverplicht was de ossen achter te laten en aan ’t bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.Enige uren later bereikte men de monding van ’n rivier, die tans de naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die rivier was echter zo sterk, dat ’t voor ’n kleine boot onmogelik was, de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van ’t land ankeren.Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op ’t land, maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en zich derhalve verborgen hadden.De ankergrond was slecht, de kust was gevaarlik en de jonge Kapitein besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.De reis naar ’t Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen; de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.

HOOFDSTUK XVI.De reis van de Centaurus.

Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn, er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om Kapitein van de Centaurus te worden.Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis naar Natal aanvaarden.De eerste dagen na ’t vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar ’t zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij stormachtig werd en men bovendien met ’n sterke stroming naar ’t westen had te kampen.Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.De wind was nu gaan liggen en er heerste ’n doodse kalmte, en daar de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen geen middel om ’t schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs door de stroming uit ’t oosten terug, zodat men op de middag van de 7de weer tegenover de grote rots was, die toen de “Doodkist” werd genoemd, en tans bekend is als de Bat’s Cove, even ten oosten van ’t tegenwoordige Oost-Londen.Hartog liet ’t anker uitwerpen en zond ’n boot naar de kust om te zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men ’n aantal personen op het land, die signalen maakten,doch op die afstand was ’t onmogelik om te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.Toen de boot terugkwam, bracht men ’t bericht mede dat de branding op de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens ’n landing te doen.Intussen was er ’n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen, besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten; hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was, ging ’t schip terug naar de Bat’s Cove, omdat Hartog zich nu wilde verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of gekleurden waren.Men had juist ’t anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar ’t land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat ’t was.Eindelik bleek ’t dat dit voorwerp niets meer of minder was dan ’n ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort daarna ’t schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen, vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt van de bemanning van ’n boot die door ’n Engels schip naar land was gezonden. Deze bemanning was door ’n klomp Kaffers aangevallen en allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.Na ’t horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen, en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij ’t anker in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie’s vlag in top liet halen.Kort daarop bereikte ’n vierde schipbreukeling de boot door er heen te zwemmen.Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus ’t wagen kon, om ’n boot uit te zetten, die zonder moeite ’t land bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede ’t vlees van ’n vette os, die men van ’t Kafferopperhoofd had gekocht voor ’n koperen ring ter waarde van 4 shillings.De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar ’t land en kocht men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar ’t schip terug moest komen, zodat menverplicht was de ossen achter te laten en aan ’t bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.Enige uren later bereikte men de monding van ’n rivier, die tans de naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die rivier was echter zo sterk, dat ’t voor ’n kleine boot onmogelik was, de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van ’t land ankeren.Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op ’t land, maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en zich derhalve verborgen hadden.De ankergrond was slecht, de kust was gevaarlik en de jonge Kapitein besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.De reis naar ’t Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen; de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.

Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn, er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om Kapitein van de Centaurus te worden.

Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis naar Natal aanvaarden.

De eerste dagen na ’t vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.

Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar ’t zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij stormachtig werd en men bovendien met ’n sterke stroming naar ’t westen had te kampen.

Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.

De wind was nu gaan liggen en er heerste ’n doodse kalmte, en daar de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen geen middel om ’t schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs door de stroming uit ’t oosten terug, zodat men op de middag van de 7de weer tegenover de grote rots was, die toen de “Doodkist” werd genoemd, en tans bekend is als de Bat’s Cove, even ten oosten van ’t tegenwoordige Oost-Londen.

Hartog liet ’t anker uitwerpen en zond ’n boot naar de kust om te zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.

Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men ’n aantal personen op het land, die signalen maakten,doch op die afstand was ’t onmogelik om te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.

Toen de boot terugkwam, bracht men ’t bericht mede dat de branding op de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens ’n landing te doen.

Intussen was er ’n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen, besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten; hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.

De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was, ging ’t schip terug naar de Bat’s Cove, omdat Hartog zich nu wilde verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of gekleurden waren.

Men had juist ’t anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar ’t land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat ’t was.

Eindelik bleek ’t dat dit voorwerp niets meer of minder was dan ’n ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort daarna ’t schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen, vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.

Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt van de bemanning van ’n boot die door ’n Engels schip naar land was gezonden. Deze bemanning was door ’n klomp Kaffers aangevallen en allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.

Na ’t horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen, en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij ’t anker in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie’s vlag in top liet halen.

Kort daarop bereikte ’n vierde schipbreukeling de boot door er heen te zwemmen.

Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus ’t wagen kon, om ’n boot uit te zetten, die zonder moeite ’t land bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede ’t vlees van ’n vette os, die men van ’t Kafferopperhoofd had gekocht voor ’n koperen ring ter waarde van 4 shillings.

De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar ’t land en kocht men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar ’t schip terug moest komen, zodat menverplicht was de ossen achter te laten en aan ’t bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.

Enige uren later bereikte men de monding van ’n rivier, die tans de naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die rivier was echter zo sterk, dat ’t voor ’n kleine boot onmogelik was, de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van ’t land ankeren.

Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op ’t land, maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en zich derhalve verborgen hadden.

De ankergrond was slecht, de kust was gevaarlik en de jonge Kapitein besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.

De reis naar ’t Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen; de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.


Back to IndexNext