HOOFDSTUK XVII.Het verhaal van de jonge Fransman.De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en belangwekkende gebeurtenissen, dat ’n geoefend schrijver, wie ’t niet aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen vinden voor ’n vijftigtal romans.Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap werd gebracht.Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17 jaar oud.Hij kon slechts Frans spreken, maar ’n korteschets van wat hij doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar vader zijn verhaal te laten doen.Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.De jongeling vertelde dan het volgende:“Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar geleden ’n klein kasteel bezat, niet ver van ’t stadje Guyon in de provinsie Guyenne.“Onze familie was vroeger zeer rijk en in ’t bezit van grote landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in ’t bezit gebleven van ’t oude kasteel met niet meer dan ’n paar honderd morgen grond; maar de opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.“In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed uitoefendein zijn omgeving, werd hij ’t mikpunt van de Roomse Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.“Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs, en ik zelf bezocht ’n Protestantse school te Nantes.“Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat ’n aantal Katholieken uit de lagere klassen van ’t volk, daartoe aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan hadden op ’t kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn beide ouders waren in de vlammen omgekomen.“Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader, en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten, besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.“Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom ’n karig bestaan vond door ’t geven van lessen in ’t Frans en op de viool, ’n instrument dat hij zeer goed bespeelde.“Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en stierf na ’n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en enkele losse shillings.“Ik verkocht de viool voor enige ponden, en dezehielden me ’n paar weken in ’t leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.“Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad, ontmoette ik onverwacht ’n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.“Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde, en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor meer dan een jaar.“Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.“Drie jaar geleden kreeg hij ’n grote vracht om naar Engels-Indië te vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen, kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.“Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen en een bezoek te brengen aan ’t land; ik ging met hem mede. Niemand op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.“Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven hadden, werden we plotseling aangevallen door ’n bende Kaffers, die de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond, maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik weer gezond was, nam ’t Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder zijn bescherming en zorgde voor me.“Ik had ’t er niet slecht, kreeg ’n hut voormezelfen genoeg kost. Al spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk, de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.“Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik, dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte nu ’t plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat we door de Centaurus gered werden.“Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en oesters te zoeken en eetbare bolgewassen,die ik bij de Kaffers had leren kennen, uit te graven.”Hier eindigde ’t verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden hun deelneming met zijn ongelukkig lot.“En wat ga je nu beginnen, m’n jongen?” vroeg Katrijn.“Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat,” was ’t antwoord.Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want ’t bleek spoedig daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van ’t garnizoen, goed bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van Guillaume ’n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder van Friesland.Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien, met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was, dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut vindt men in het deeltje van deze serie:De Zoon van de Hugenoot.
HOOFDSTUK XVII.Het verhaal van de jonge Fransman.De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en belangwekkende gebeurtenissen, dat ’n geoefend schrijver, wie ’t niet aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen vinden voor ’n vijftigtal romans.Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap werd gebracht.Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17 jaar oud.Hij kon slechts Frans spreken, maar ’n korteschets van wat hij doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar vader zijn verhaal te laten doen.Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.De jongeling vertelde dan het volgende:“Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar geleden ’n klein kasteel bezat, niet ver van ’t stadje Guyon in de provinsie Guyenne.“Onze familie was vroeger zeer rijk en in ’t bezit van grote landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in ’t bezit gebleven van ’t oude kasteel met niet meer dan ’n paar honderd morgen grond; maar de opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.“In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed uitoefendein zijn omgeving, werd hij ’t mikpunt van de Roomse Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.“Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs, en ik zelf bezocht ’n Protestantse school te Nantes.“Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat ’n aantal Katholieken uit de lagere klassen van ’t volk, daartoe aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan hadden op ’t kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn beide ouders waren in de vlammen omgekomen.“Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader, en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten, besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.“Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom ’n karig bestaan vond door ’t geven van lessen in ’t Frans en op de viool, ’n instrument dat hij zeer goed bespeelde.“Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en stierf na ’n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en enkele losse shillings.“Ik verkocht de viool voor enige ponden, en dezehielden me ’n paar weken in ’t leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.“Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad, ontmoette ik onverwacht ’n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.“Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde, en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor meer dan een jaar.“Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.“Drie jaar geleden kreeg hij ’n grote vracht om naar Engels-Indië te vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen, kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.“Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen en een bezoek te brengen aan ’t land; ik ging met hem mede. Niemand op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.“Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven hadden, werden we plotseling aangevallen door ’n bende Kaffers, die de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond, maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik weer gezond was, nam ’t Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder zijn bescherming en zorgde voor me.“Ik had ’t er niet slecht, kreeg ’n hut voormezelfen genoeg kost. Al spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk, de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.“Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik, dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte nu ’t plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat we door de Centaurus gered werden.“Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en oesters te zoeken en eetbare bolgewassen,die ik bij de Kaffers had leren kennen, uit te graven.”Hier eindigde ’t verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden hun deelneming met zijn ongelukkig lot.“En wat ga je nu beginnen, m’n jongen?” vroeg Katrijn.“Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat,” was ’t antwoord.Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want ’t bleek spoedig daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van ’t garnizoen, goed bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van Guillaume ’n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder van Friesland.Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien, met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was, dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut vindt men in het deeltje van deze serie:De Zoon van de Hugenoot.
HOOFDSTUK XVII.Het verhaal van de jonge Fransman.
De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en belangwekkende gebeurtenissen, dat ’n geoefend schrijver, wie ’t niet aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen vinden voor ’n vijftigtal romans.Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap werd gebracht.Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17 jaar oud.Hij kon slechts Frans spreken, maar ’n korteschets van wat hij doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar vader zijn verhaal te laten doen.Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.De jongeling vertelde dan het volgende:“Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar geleden ’n klein kasteel bezat, niet ver van ’t stadje Guyon in de provinsie Guyenne.“Onze familie was vroeger zeer rijk en in ’t bezit van grote landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in ’t bezit gebleven van ’t oude kasteel met niet meer dan ’n paar honderd morgen grond; maar de opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.“In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed uitoefendein zijn omgeving, werd hij ’t mikpunt van de Roomse Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.“Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs, en ik zelf bezocht ’n Protestantse school te Nantes.“Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat ’n aantal Katholieken uit de lagere klassen van ’t volk, daartoe aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan hadden op ’t kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn beide ouders waren in de vlammen omgekomen.“Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader, en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten, besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.“Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom ’n karig bestaan vond door ’t geven van lessen in ’t Frans en op de viool, ’n instrument dat hij zeer goed bespeelde.“Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en stierf na ’n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en enkele losse shillings.“Ik verkocht de viool voor enige ponden, en dezehielden me ’n paar weken in ’t leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.“Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad, ontmoette ik onverwacht ’n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.“Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde, en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor meer dan een jaar.“Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.“Drie jaar geleden kreeg hij ’n grote vracht om naar Engels-Indië te vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen, kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.“Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen en een bezoek te brengen aan ’t land; ik ging met hem mede. Niemand op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.“Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven hadden, werden we plotseling aangevallen door ’n bende Kaffers, die de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond, maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik weer gezond was, nam ’t Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder zijn bescherming en zorgde voor me.“Ik had ’t er niet slecht, kreeg ’n hut voormezelfen genoeg kost. Al spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk, de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.“Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik, dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte nu ’t plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat we door de Centaurus gered werden.“Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en oesters te zoeken en eetbare bolgewassen,die ik bij de Kaffers had leren kennen, uit te graven.”Hier eindigde ’t verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden hun deelneming met zijn ongelukkig lot.“En wat ga je nu beginnen, m’n jongen?” vroeg Katrijn.“Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat,” was ’t antwoord.Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want ’t bleek spoedig daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van ’t garnizoen, goed bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van Guillaume ’n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder van Friesland.Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien, met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was, dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut vindt men in het deeltje van deze serie:De Zoon van de Hugenoot.
De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en belangwekkende gebeurtenissen, dat ’n geoefend schrijver, wie ’t niet aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen vinden voor ’n vijftigtal romans.
Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap werd gebracht.
Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17 jaar oud.
Hij kon slechts Frans spreken, maar ’n korteschets van wat hij doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar vader zijn verhaal te laten doen.
Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.
De jongeling vertelde dan het volgende:
“Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar geleden ’n klein kasteel bezat, niet ver van ’t stadje Guyon in de provinsie Guyenne.
“Onze familie was vroeger zeer rijk en in ’t bezit van grote landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in ’t bezit gebleven van ’t oude kasteel met niet meer dan ’n paar honderd morgen grond; maar de opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.
“In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed uitoefendein zijn omgeving, werd hij ’t mikpunt van de Roomse Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.
“Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs, en ik zelf bezocht ’n Protestantse school te Nantes.
“Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat ’n aantal Katholieken uit de lagere klassen van ’t volk, daartoe aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan hadden op ’t kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn beide ouders waren in de vlammen omgekomen.
“Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader, en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten, besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.
“Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom ’n karig bestaan vond door ’t geven van lessen in ’t Frans en op de viool, ’n instrument dat hij zeer goed bespeelde.
“Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en stierf na ’n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en enkele losse shillings.
“Ik verkocht de viool voor enige ponden, en dezehielden me ’n paar weken in ’t leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.
“Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad, ontmoette ik onverwacht ’n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.
“Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde, en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor meer dan een jaar.
“Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.
“Drie jaar geleden kreeg hij ’n grote vracht om naar Engels-Indië te vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen, kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.
“Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen en een bezoek te brengen aan ’t land; ik ging met hem mede. Niemand op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.
“Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven hadden, werden we plotseling aangevallen door ’n bende Kaffers, die de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond, maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik weer gezond was, nam ’t Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder zijn bescherming en zorgde voor me.
“Ik had ’t er niet slecht, kreeg ’n hut voormezelfen genoeg kost. Al spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk, de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.
“Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik, dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte nu ’t plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat we door de Centaurus gered werden.
“Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en oesters te zoeken en eetbare bolgewassen,die ik bij de Kaffers had leren kennen, uit te graven.”
Hier eindigde ’t verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden hun deelneming met zijn ongelukkig lot.
“En wat ga je nu beginnen, m’n jongen?” vroeg Katrijn.
“Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat,” was ’t antwoord.
Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want ’t bleek spoedig daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van ’t garnizoen, goed bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van Guillaume ’n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder van Friesland.
Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien, met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was, dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.
Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut vindt men in het deeltje van deze serie:De Zoon van de Hugenoot.