HOOFDSTUK XVIII.De reis van de Noord.De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig overgeplaatst op ’n groter schip, deNoord, die reeds geruime tijd had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als Eerste stuurman dienst deed.Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai tezeilen, die Baai goed te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.Op 15 November van ’t zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan, en vond er twee schepen, ’t ene Engels, en ’t andere Portugees. De bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich zeer vriendschappelik gedroegen.De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op ’t vaste land, nabij de mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities naar ’t binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel wat ivoor verkregen.De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe dieven bleken te zijn.Aan ’t einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van Natal, en zag daar toen enige mensen op ’t land signalen maken.Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde hij over de zandbank en wierp ’t anker op korte afstand van de kust.De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.Men vond dat de Abambo’s zeer vriendschappelik waren en geredelik voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht men ’n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en kafferkoren waren ook zeer goedkoop.Hartog zond vier man, waaronder ’n mijnwerker, ’t binnenland in, om te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter zake terug, na ’n afwezigheid van acht dagen.Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord weder vertrok, gaf William Christian echter op ’t laatste ogenblik drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, en ’t is zeer waarschijnlik dat die brieven geadresseerd waren aan z’n oude makkers,die misschien verder in het binnenland woonden.Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.Men stuurde een boot naar ’t land, doch deze was niet in staat om door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in ’t water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan, doch slaagde er niet in, maar ’t gelukte een van de bemanning van de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan boord te komen.De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de branding ’t land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder hem vertrekken.Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met ’tleven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust, doch toen was Hartog niet meer z’n Kapitein, maar voerde zekere Pieter Timmerman ’t bevel.Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot ’n treurig einde, want op 16 Januarie van ’t volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats, nu bekend als Kaap St. Francis.De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig ’t land en trachtte de Kaap te voet te bereiken.De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27 Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord, of van honger omgekomen.
HOOFDSTUK XVIII.De reis van de Noord.De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig overgeplaatst op ’n groter schip, deNoord, die reeds geruime tijd had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als Eerste stuurman dienst deed.Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai tezeilen, die Baai goed te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.Op 15 November van ’t zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan, en vond er twee schepen, ’t ene Engels, en ’t andere Portugees. De bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich zeer vriendschappelik gedroegen.De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op ’t vaste land, nabij de mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities naar ’t binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel wat ivoor verkregen.De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe dieven bleken te zijn.Aan ’t einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van Natal, en zag daar toen enige mensen op ’t land signalen maken.Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde hij over de zandbank en wierp ’t anker op korte afstand van de kust.De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.Men vond dat de Abambo’s zeer vriendschappelik waren en geredelik voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht men ’n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en kafferkoren waren ook zeer goedkoop.Hartog zond vier man, waaronder ’n mijnwerker, ’t binnenland in, om te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter zake terug, na ’n afwezigheid van acht dagen.Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord weder vertrok, gaf William Christian echter op ’t laatste ogenblik drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, en ’t is zeer waarschijnlik dat die brieven geadresseerd waren aan z’n oude makkers,die misschien verder in het binnenland woonden.Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.Men stuurde een boot naar ’t land, doch deze was niet in staat om door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in ’t water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan, doch slaagde er niet in, maar ’t gelukte een van de bemanning van de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan boord te komen.De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de branding ’t land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder hem vertrekken.Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met ’tleven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust, doch toen was Hartog niet meer z’n Kapitein, maar voerde zekere Pieter Timmerman ’t bevel.Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot ’n treurig einde, want op 16 Januarie van ’t volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats, nu bekend als Kaap St. Francis.De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig ’t land en trachtte de Kaap te voet te bereiken.De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27 Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord, of van honger omgekomen.
HOOFDSTUK XVIII.De reis van de Noord.
De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig overgeplaatst op ’n groter schip, deNoord, die reeds geruime tijd had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als Eerste stuurman dienst deed.Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai tezeilen, die Baai goed te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.Op 15 November van ’t zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan, en vond er twee schepen, ’t ene Engels, en ’t andere Portugees. De bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich zeer vriendschappelik gedroegen.De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op ’t vaste land, nabij de mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities naar ’t binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel wat ivoor verkregen.De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe dieven bleken te zijn.Aan ’t einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van Natal, en zag daar toen enige mensen op ’t land signalen maken.Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde hij over de zandbank en wierp ’t anker op korte afstand van de kust.De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.Men vond dat de Abambo’s zeer vriendschappelik waren en geredelik voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht men ’n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en kafferkoren waren ook zeer goedkoop.Hartog zond vier man, waaronder ’n mijnwerker, ’t binnenland in, om te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter zake terug, na ’n afwezigheid van acht dagen.Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord weder vertrok, gaf William Christian echter op ’t laatste ogenblik drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, en ’t is zeer waarschijnlik dat die brieven geadresseerd waren aan z’n oude makkers,die misschien verder in het binnenland woonden.Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.Men stuurde een boot naar ’t land, doch deze was niet in staat om door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in ’t water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan, doch slaagde er niet in, maar ’t gelukte een van de bemanning van de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan boord te komen.De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de branding ’t land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder hem vertrekken.Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met ’tleven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust, doch toen was Hartog niet meer z’n Kapitein, maar voerde zekere Pieter Timmerman ’t bevel.Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot ’n treurig einde, want op 16 Januarie van ’t volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats, nu bekend als Kaap St. Francis.De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig ’t land en trachtte de Kaap te voet te bereiken.De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27 Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord, of van honger omgekomen.
De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig overgeplaatst op ’n groter schip, deNoord, die reeds geruime tijd had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als Eerste stuurman dienst deed.
Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai tezeilen, die Baai goed te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.
Op 15 November van ’t zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan, en vond er twee schepen, ’t ene Engels, en ’t andere Portugees. De bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich zeer vriendschappelik gedroegen.
De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op ’t vaste land, nabij de mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities naar ’t binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel wat ivoor verkregen.
De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe dieven bleken te zijn.
Aan ’t einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van Natal, en zag daar toen enige mensen op ’t land signalen maken.
Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.
Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde hij over de zandbank en wierp ’t anker op korte afstand van de kust.
De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.
Men vond dat de Abambo’s zeer vriendschappelik waren en geredelik voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht men ’n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en kafferkoren waren ook zeer goedkoop.
Hartog zond vier man, waaronder ’n mijnwerker, ’t binnenland in, om te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter zake terug, na ’n afwezigheid van acht dagen.
Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord weder vertrok, gaf William Christian echter op ’t laatste ogenblik drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, en ’t is zeer waarschijnlik dat die brieven geadresseerd waren aan z’n oude makkers,die misschien verder in het binnenland woonden.
Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.
Men stuurde een boot naar ’t land, doch deze was niet in staat om door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in ’t water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.
Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan, doch slaagde er niet in, maar ’t gelukte een van de bemanning van de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan boord te komen.
De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de branding ’t land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder hem vertrekken.
Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.
De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met ’tleven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.
De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.
In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust, doch toen was Hartog niet meer z’n Kapitein, maar voerde zekere Pieter Timmerman ’t bevel.
Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot ’n treurig einde, want op 16 Januarie van ’t volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats, nu bekend als Kaap St. Francis.
De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig ’t land en trachtte de Kaap te voet te bereiken.
De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27 Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord, of van honger omgekomen.