HOOFDSTUK XX.

HOOFDSTUK XX.Van zeeman tot boer.In ’t jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel ’n bezoek gebracht aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein, naar ’n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten, ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers, tegen betaling van één tiende van ’t graan, en de kosten van de opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers ’t volle eigendom van de grond,op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij, en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.Abraham Hartog was niet tevreden met ’n stukje grond van 60 morgen, maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren, maar ook ’t nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had, trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik ’n klein, doch geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan ’t werk zette met ’t aanleggen van de wingerd.Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie ’n twaalftal koeien, een bul, alsmede 100 schapen,en ’t nodige boeregereedschap, dat de Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs in Holland.Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor ’t huwelik te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.Tegen die tijd zou ’t huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar men zou zolang in ’n ruime tent gaan wonen, totdat men z’n intrek in ’t huis kon nemen.Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog ’n tien-duizend jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur, duizend stokken van diens plaats te Constantia.De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar, als predikant te Kaapstad was aangesteld.Drie dagen daarna vertrok ’n grote huif- of kapkar, waarop ’t jonge echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap, en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds door Katrijn gedoopt was met de naamvanGoede Hoop. Het meest nodige huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats gezonden; als ’t huis klaar was, zou Abraham Hartog voor ’t verder benodigde zorgen.Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde, als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men wist niet of men ’t nodige kon krijgen op ’t nieuwe dorp Stellenbosch.Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige vallei zag, want daar ’t reeds winter was, waren er zware regens gevallen en had ’t veld een waas van fris groen.Omstreeks 200 tree van de plek waar ’t huis gebouwd werd, stroomde de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout- en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.Was ’t daar toen reeds schoon en aangenaam, ’t werd onbeschrijflik mooi in ’t begin van de maandOktober, toen de zon zijn kracht had herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd reeds begon te botten, terwijl op de velden ’t gras bijna twee voet hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen ’t geheel als een rijk tapijt deden voorkomen.Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden ’t nieuwe huis introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan ’n deur toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in ’t midden, leidde naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de kombuis en dispens.Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer 20 tree afstand van ’t huis stond een tweede gebouw, dat voor wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals ’t woonhuis zelf, ’n grote zolder bevatte.Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als ’n kat in een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen, dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij ’t nodige moest leren van anderen, en zijn buren, waarvan ’n groot deel landgenoten waren, toonden zich steedsbereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen, hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier, schoon met ’t bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog niet zo ervaren.Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich ’n stukje grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op ’n plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop hij kon doen, wat hij verkoos.Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om ’t stukje grond, dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin, en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillendesoorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.Het was ’n aardig gezicht om de oude Kapitein op ’n warme dag, dikwels van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag, en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens strekten.Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken bracht aan zijn naburen.Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen, stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken, en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde “kuieren”, of het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit werd voornamelik veroorzaakt door hetoverigens eenzame en eentonige leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg land onder de ploeg om ’t nodige voer voor paarden te kunnen winnen; zelfs Hartog had er nog geen.Het kuieren werd dus gedaan met ’n kleine kapkar door twee of vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op ’t gebied van de kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving, en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen langewandelingen te maken in ’t bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd, om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat,naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge vrouw voortaan die gevaarlike plek.

HOOFDSTUK XX.Van zeeman tot boer.In ’t jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel ’n bezoek gebracht aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein, naar ’n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten, ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers, tegen betaling van één tiende van ’t graan, en de kosten van de opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers ’t volle eigendom van de grond,op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij, en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.Abraham Hartog was niet tevreden met ’n stukje grond van 60 morgen, maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren, maar ook ’t nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had, trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik ’n klein, doch geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan ’t werk zette met ’t aanleggen van de wingerd.Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie ’n twaalftal koeien, een bul, alsmede 100 schapen,en ’t nodige boeregereedschap, dat de Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs in Holland.Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor ’t huwelik te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.Tegen die tijd zou ’t huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar men zou zolang in ’n ruime tent gaan wonen, totdat men z’n intrek in ’t huis kon nemen.Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog ’n tien-duizend jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur, duizend stokken van diens plaats te Constantia.De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar, als predikant te Kaapstad was aangesteld.Drie dagen daarna vertrok ’n grote huif- of kapkar, waarop ’t jonge echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap, en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds door Katrijn gedoopt was met de naamvanGoede Hoop. Het meest nodige huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats gezonden; als ’t huis klaar was, zou Abraham Hartog voor ’t verder benodigde zorgen.Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde, als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men wist niet of men ’t nodige kon krijgen op ’t nieuwe dorp Stellenbosch.Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige vallei zag, want daar ’t reeds winter was, waren er zware regens gevallen en had ’t veld een waas van fris groen.Omstreeks 200 tree van de plek waar ’t huis gebouwd werd, stroomde de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout- en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.Was ’t daar toen reeds schoon en aangenaam, ’t werd onbeschrijflik mooi in ’t begin van de maandOktober, toen de zon zijn kracht had herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd reeds begon te botten, terwijl op de velden ’t gras bijna twee voet hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen ’t geheel als een rijk tapijt deden voorkomen.Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden ’t nieuwe huis introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan ’n deur toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in ’t midden, leidde naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de kombuis en dispens.Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer 20 tree afstand van ’t huis stond een tweede gebouw, dat voor wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals ’t woonhuis zelf, ’n grote zolder bevatte.Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als ’n kat in een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen, dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij ’t nodige moest leren van anderen, en zijn buren, waarvan ’n groot deel landgenoten waren, toonden zich steedsbereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen, hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier, schoon met ’t bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog niet zo ervaren.Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich ’n stukje grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op ’n plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop hij kon doen, wat hij verkoos.Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om ’t stukje grond, dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin, en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillendesoorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.Het was ’n aardig gezicht om de oude Kapitein op ’n warme dag, dikwels van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag, en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens strekten.Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken bracht aan zijn naburen.Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen, stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken, en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde “kuieren”, of het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit werd voornamelik veroorzaakt door hetoverigens eenzame en eentonige leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg land onder de ploeg om ’t nodige voer voor paarden te kunnen winnen; zelfs Hartog had er nog geen.Het kuieren werd dus gedaan met ’n kleine kapkar door twee of vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op ’t gebied van de kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving, en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen langewandelingen te maken in ’t bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd, om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat,naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge vrouw voortaan die gevaarlike plek.

HOOFDSTUK XX.Van zeeman tot boer.

In ’t jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel ’n bezoek gebracht aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein, naar ’n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten, ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers, tegen betaling van één tiende van ’t graan, en de kosten van de opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers ’t volle eigendom van de grond,op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij, en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.Abraham Hartog was niet tevreden met ’n stukje grond van 60 morgen, maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren, maar ook ’t nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had, trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik ’n klein, doch geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan ’t werk zette met ’t aanleggen van de wingerd.Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie ’n twaalftal koeien, een bul, alsmede 100 schapen,en ’t nodige boeregereedschap, dat de Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs in Holland.Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor ’t huwelik te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.Tegen die tijd zou ’t huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar men zou zolang in ’n ruime tent gaan wonen, totdat men z’n intrek in ’t huis kon nemen.Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog ’n tien-duizend jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur, duizend stokken van diens plaats te Constantia.De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar, als predikant te Kaapstad was aangesteld.Drie dagen daarna vertrok ’n grote huif- of kapkar, waarop ’t jonge echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap, en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds door Katrijn gedoopt was met de naamvanGoede Hoop. Het meest nodige huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats gezonden; als ’t huis klaar was, zou Abraham Hartog voor ’t verder benodigde zorgen.Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde, als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men wist niet of men ’t nodige kon krijgen op ’t nieuwe dorp Stellenbosch.Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige vallei zag, want daar ’t reeds winter was, waren er zware regens gevallen en had ’t veld een waas van fris groen.Omstreeks 200 tree van de plek waar ’t huis gebouwd werd, stroomde de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout- en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.Was ’t daar toen reeds schoon en aangenaam, ’t werd onbeschrijflik mooi in ’t begin van de maandOktober, toen de zon zijn kracht had herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd reeds begon te botten, terwijl op de velden ’t gras bijna twee voet hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen ’t geheel als een rijk tapijt deden voorkomen.Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden ’t nieuwe huis introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan ’n deur toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in ’t midden, leidde naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de kombuis en dispens.Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer 20 tree afstand van ’t huis stond een tweede gebouw, dat voor wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals ’t woonhuis zelf, ’n grote zolder bevatte.Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als ’n kat in een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen, dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij ’t nodige moest leren van anderen, en zijn buren, waarvan ’n groot deel landgenoten waren, toonden zich steedsbereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen, hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier, schoon met ’t bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog niet zo ervaren.Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich ’n stukje grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op ’n plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop hij kon doen, wat hij verkoos.Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om ’t stukje grond, dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin, en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillendesoorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.Het was ’n aardig gezicht om de oude Kapitein op ’n warme dag, dikwels van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag, en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens strekten.Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken bracht aan zijn naburen.Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen, stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken, en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde “kuieren”, of het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit werd voornamelik veroorzaakt door hetoverigens eenzame en eentonige leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg land onder de ploeg om ’t nodige voer voor paarden te kunnen winnen; zelfs Hartog had er nog geen.Het kuieren werd dus gedaan met ’n kleine kapkar door twee of vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op ’t gebied van de kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving, en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen langewandelingen te maken in ’t bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd, om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat,naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge vrouw voortaan die gevaarlike plek.

In ’t jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel ’n bezoek gebracht aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.

Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein, naar ’n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.

Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten, ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers, tegen betaling van één tiende van ’t graan, en de kosten van de opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers ’t volle eigendom van de grond,op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.

Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij, en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.

Abraham Hartog was niet tevreden met ’n stukje grond van 60 morgen, maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.

Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren, maar ook ’t nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.

Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had, trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik ’n klein, doch geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan ’t werk zette met ’t aanleggen van de wingerd.

Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie ’n twaalftal koeien, een bul, alsmede 100 schapen,en ’t nodige boeregereedschap, dat de Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs in Holland.

Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor ’t huwelik te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.

Tegen die tijd zou ’t huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar men zou zolang in ’n ruime tent gaan wonen, totdat men z’n intrek in ’t huis kon nemen.

Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog ’n tien-duizend jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur, duizend stokken van diens plaats te Constantia.

De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar, als predikant te Kaapstad was aangesteld.

Drie dagen daarna vertrok ’n grote huif- of kapkar, waarop ’t jonge echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap, en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds door Katrijn gedoopt was met de naamvanGoede Hoop. Het meest nodige huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats gezonden; als ’t huis klaar was, zou Abraham Hartog voor ’t verder benodigde zorgen.

Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde, als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men wist niet of men ’t nodige kon krijgen op ’t nieuwe dorp Stellenbosch.

Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige vallei zag, want daar ’t reeds winter was, waren er zware regens gevallen en had ’t veld een waas van fris groen.

Omstreeks 200 tree van de plek waar ’t huis gebouwd werd, stroomde de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.

Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout- en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.

Was ’t daar toen reeds schoon en aangenaam, ’t werd onbeschrijflik mooi in ’t begin van de maandOktober, toen de zon zijn kracht had herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd reeds begon te botten, terwijl op de velden ’t gras bijna twee voet hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen ’t geheel als een rijk tapijt deden voorkomen.

Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden ’t nieuwe huis introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan ’n deur toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in ’t midden, leidde naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de kombuis en dispens.

Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer 20 tree afstand van ’t huis stond een tweede gebouw, dat voor wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals ’t woonhuis zelf, ’n grote zolder bevatte.

Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als ’n kat in een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen, dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij ’t nodige moest leren van anderen, en zijn buren, waarvan ’n groot deel landgenoten waren, toonden zich steedsbereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen, hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier, schoon met ’t bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog niet zo ervaren.

Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich ’n stukje grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op ’n plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop hij kon doen, wat hij verkoos.

Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om ’t stukje grond, dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.

Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin, en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillendesoorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.

Het was ’n aardig gezicht om de oude Kapitein op ’n warme dag, dikwels van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag, en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens strekten.

Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken bracht aan zijn naburen.

Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen, stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken, en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.

Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde “kuieren”, of het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit werd voornamelik veroorzaakt door hetoverigens eenzame en eentonige leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg land onder de ploeg om ’t nodige voer voor paarden te kunnen winnen; zelfs Hartog had er nog geen.

Het kuieren werd dus gedaan met ’n kleine kapkar door twee of vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.

Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op ’t gebied van de kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving, en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.

Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen langewandelingen te maken in ’t bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd, om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat,naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge vrouw voortaan die gevaarlike plek.


Back to IndexNext