HOOFDSTUK XXI.Donkere dagen.“Die boer krij maar swaar,” hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen, en daarmee wordt niets nieuws verteld, want ’t is in werkelikheid ’n oude, oude storie.Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over ’t algemeen geld maken, en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij, het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun zaken zijn, als in andere landen ’t geval is, en ook is ’t niet minder juist, dat over de gehele wereld, de landbouwerzowel als de veeboer, een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten is. Zelfs de grote Bismarck, die ’t kon weten, omdat hij zelf uit ’n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten, dat ze aan ’t roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun eigen belangen zou behartigen, en die van ’t overig gedeelte van de bevolking uit ’t oog verliezen. Dat is ook ’t geval in Zuid-Afrika en een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in ’t Parlement te kampen heeft.Van ’t begin af heeft de boer in dit land ’n zware strijd gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen in rook doet vervliegen.Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade veroorzaken, of is ’t de een of andere veeziekte die zijn kudden te gronde richt.Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,—maar de ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.In ’t eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou ’t nog drie jaar duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid, leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en ook de lammertijd was bevredigend. Maar in ’t tweede jaar ging alles verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind, maar weinig regen, en reeds vóór ’t midden van de zomer was ’t gras verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer ’n heldere, vloeiende stroom, doch slechts ’n aaneenschakeling van poelen modderig water,die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.In de tuin van de oude Kapitein zag ’t er ook treurig uit. Van bloemen was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen, die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften van groenten voorzien.De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong, had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook ’n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer nog niet.Men droeg ’t juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand kastijdde.Dit was ook ’t gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij vergeleek het leven op ’t land met dat op de zee, en onwillekeurig kwam bij haar, de geuzedochter, ’n bijna onweerstaanbaar verlangen op, om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren, maar men die van het land niet kende.Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid van haar kant.De kosten van ’t aanleggen van de plaats, van ’t bouwen van het huis, en het aanschaffen van ’t vee en de gereedschappen, waren groter geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij ’n aardig duitje gemaakt had met de oogst van ’t eerste jaar, wogen die winsten lang niet op tegen de verliezen van ’t tweede; zo was reeds meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog, om ’t Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had uitgegeven voor nieuw huisraad.Toen echter ’t derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven, was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij ’t merendeel daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardooriets zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd, dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren, er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.Toen ’t gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen, die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de opbrengst van hun landen en hun vee.Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen, die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en Franschhoek; in ’t jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van boereplaatsen.Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan hen gaf,om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.Doch aan alle dingen komt ’n einde, ook aan tegenspoed, zowel als aan voorspoed.Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig waren geweest. Er viel volop regen; ’t gras begon welig te groeien, ’t vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten op; de landerijen gaven ’n goede oogst en de wijnstokken waren zo volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood, en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.
HOOFDSTUK XXI.Donkere dagen.“Die boer krij maar swaar,” hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen, en daarmee wordt niets nieuws verteld, want ’t is in werkelikheid ’n oude, oude storie.Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over ’t algemeen geld maken, en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij, het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun zaken zijn, als in andere landen ’t geval is, en ook is ’t niet minder juist, dat over de gehele wereld, de landbouwerzowel als de veeboer, een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten is. Zelfs de grote Bismarck, die ’t kon weten, omdat hij zelf uit ’n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten, dat ze aan ’t roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun eigen belangen zou behartigen, en die van ’t overig gedeelte van de bevolking uit ’t oog verliezen. Dat is ook ’t geval in Zuid-Afrika en een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in ’t Parlement te kampen heeft.Van ’t begin af heeft de boer in dit land ’n zware strijd gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen in rook doet vervliegen.Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade veroorzaken, of is ’t de een of andere veeziekte die zijn kudden te gronde richt.Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,—maar de ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.In ’t eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou ’t nog drie jaar duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid, leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en ook de lammertijd was bevredigend. Maar in ’t tweede jaar ging alles verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind, maar weinig regen, en reeds vóór ’t midden van de zomer was ’t gras verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer ’n heldere, vloeiende stroom, doch slechts ’n aaneenschakeling van poelen modderig water,die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.In de tuin van de oude Kapitein zag ’t er ook treurig uit. Van bloemen was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen, die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften van groenten voorzien.De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong, had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook ’n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer nog niet.Men droeg ’t juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand kastijdde.Dit was ook ’t gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij vergeleek het leven op ’t land met dat op de zee, en onwillekeurig kwam bij haar, de geuzedochter, ’n bijna onweerstaanbaar verlangen op, om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren, maar men die van het land niet kende.Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid van haar kant.De kosten van ’t aanleggen van de plaats, van ’t bouwen van het huis, en het aanschaffen van ’t vee en de gereedschappen, waren groter geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij ’n aardig duitje gemaakt had met de oogst van ’t eerste jaar, wogen die winsten lang niet op tegen de verliezen van ’t tweede; zo was reeds meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog, om ’t Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had uitgegeven voor nieuw huisraad.Toen echter ’t derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven, was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij ’t merendeel daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardooriets zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd, dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren, er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.Toen ’t gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen, die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de opbrengst van hun landen en hun vee.Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen, die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en Franschhoek; in ’t jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van boereplaatsen.Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan hen gaf,om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.Doch aan alle dingen komt ’n einde, ook aan tegenspoed, zowel als aan voorspoed.Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig waren geweest. Er viel volop regen; ’t gras begon welig te groeien, ’t vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten op; de landerijen gaven ’n goede oogst en de wijnstokken waren zo volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood, en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.
HOOFDSTUK XXI.Donkere dagen.
“Die boer krij maar swaar,” hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen, en daarmee wordt niets nieuws verteld, want ’t is in werkelikheid ’n oude, oude storie.Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over ’t algemeen geld maken, en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij, het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun zaken zijn, als in andere landen ’t geval is, en ook is ’t niet minder juist, dat over de gehele wereld, de landbouwerzowel als de veeboer, een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten is. Zelfs de grote Bismarck, die ’t kon weten, omdat hij zelf uit ’n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten, dat ze aan ’t roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun eigen belangen zou behartigen, en die van ’t overig gedeelte van de bevolking uit ’t oog verliezen. Dat is ook ’t geval in Zuid-Afrika en een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in ’t Parlement te kampen heeft.Van ’t begin af heeft de boer in dit land ’n zware strijd gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen in rook doet vervliegen.Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade veroorzaken, of is ’t de een of andere veeziekte die zijn kudden te gronde richt.Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,—maar de ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.In ’t eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou ’t nog drie jaar duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid, leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en ook de lammertijd was bevredigend. Maar in ’t tweede jaar ging alles verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind, maar weinig regen, en reeds vóór ’t midden van de zomer was ’t gras verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer ’n heldere, vloeiende stroom, doch slechts ’n aaneenschakeling van poelen modderig water,die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.In de tuin van de oude Kapitein zag ’t er ook treurig uit. Van bloemen was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen, die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften van groenten voorzien.De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong, had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook ’n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer nog niet.Men droeg ’t juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand kastijdde.Dit was ook ’t gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij vergeleek het leven op ’t land met dat op de zee, en onwillekeurig kwam bij haar, de geuzedochter, ’n bijna onweerstaanbaar verlangen op, om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren, maar men die van het land niet kende.Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid van haar kant.De kosten van ’t aanleggen van de plaats, van ’t bouwen van het huis, en het aanschaffen van ’t vee en de gereedschappen, waren groter geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij ’n aardig duitje gemaakt had met de oogst van ’t eerste jaar, wogen die winsten lang niet op tegen de verliezen van ’t tweede; zo was reeds meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog, om ’t Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had uitgegeven voor nieuw huisraad.Toen echter ’t derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven, was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij ’t merendeel daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardooriets zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd, dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren, er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.Toen ’t gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen, die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de opbrengst van hun landen en hun vee.Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen, die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en Franschhoek; in ’t jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van boereplaatsen.Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan hen gaf,om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.Doch aan alle dingen komt ’n einde, ook aan tegenspoed, zowel als aan voorspoed.Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig waren geweest. Er viel volop regen; ’t gras begon welig te groeien, ’t vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten op; de landerijen gaven ’n goede oogst en de wijnstokken waren zo volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood, en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.
“Die boer krij maar swaar,” hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen, en daarmee wordt niets nieuws verteld, want ’t is in werkelikheid ’n oude, oude storie.
Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over ’t algemeen geld maken, en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij, het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun zaken zijn, als in andere landen ’t geval is, en ook is ’t niet minder juist, dat over de gehele wereld, de landbouwerzowel als de veeboer, een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten is. Zelfs de grote Bismarck, die ’t kon weten, omdat hij zelf uit ’n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten, dat ze aan ’t roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun eigen belangen zou behartigen, en die van ’t overig gedeelte van de bevolking uit ’t oog verliezen. Dat is ook ’t geval in Zuid-Afrika en een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in ’t Parlement te kampen heeft.
Van ’t begin af heeft de boer in dit land ’n zware strijd gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen in rook doet vervliegen.
Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade veroorzaken, of is ’t de een of andere veeziekte die zijn kudden te gronde richt.
Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,—maar de ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.
In ’t eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou ’t nog drie jaar duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid, leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en ook de lammertijd was bevredigend. Maar in ’t tweede jaar ging alles verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind, maar weinig regen, en reeds vóór ’t midden van de zomer was ’t gras verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer ’n heldere, vloeiende stroom, doch slechts ’n aaneenschakeling van poelen modderig water,die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.
In de tuin van de oude Kapitein zag ’t er ook treurig uit. Van bloemen was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen, die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften van groenten voorzien.
De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong, had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook ’n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer nog niet.
Men droeg ’t juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand kastijdde.
Dit was ook ’t gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij vergeleek het leven op ’t land met dat op de zee, en onwillekeurig kwam bij haar, de geuzedochter, ’n bijna onweerstaanbaar verlangen op, om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren, maar men die van het land niet kende.
Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid van haar kant.
De kosten van ’t aanleggen van de plaats, van ’t bouwen van het huis, en het aanschaffen van ’t vee en de gereedschappen, waren groter geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij ’n aardig duitje gemaakt had met de oogst van ’t eerste jaar, wogen die winsten lang niet op tegen de verliezen van ’t tweede; zo was reeds meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog, om ’t Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had uitgegeven voor nieuw huisraad.
Toen echter ’t derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven, was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.
Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij ’t merendeel daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardooriets zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd, dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren, er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.
Toen ’t gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.
Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen, die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de opbrengst van hun landen en hun vee.
Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen, die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en Franschhoek; in ’t jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van boereplaatsen.
Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan hen gaf,om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.
Doch aan alle dingen komt ’n einde, ook aan tegenspoed, zowel als aan voorspoed.
Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig waren geweest. Er viel volop regen; ’t gras begon welig te groeien, ’t vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten op; de landerijen gaven ’n goede oogst en de wijnstokken waren zo volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood, en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.