HOOFDSTUK XXII.

HOOFDSTUK XXII.Een onverwacht bezoek.Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat, om aan die belofte te voldoen.Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham Hartog in de achtermiddag naar zijnwingerd ging om te zien hoe ’t daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en veelbelovend uitzagen.Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen hij wat wachtte, bleek ’t dat het eerste rijtuig een karos was, getrokken door vier paarden, terwijl het tweede ’n zware wagen was, waarvoor zestien ossen waren gespannen.Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit was van zulk een weeldeartikel.Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg ’t zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later stilhield. Uit ’t rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh, die tot het Kaapse garnizoen behoorde.Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigdeeerbied, waarop de Kommandeur zei: “Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier, en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb.”De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan, en toen men in ’t voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:“Je hebt bijna ’t beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en ’t verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen.”Hartog antwoordde dat ’t hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van ’t bouwen van nieuwe huizen.Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in ’t voorhuis en groette de Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap ’n enkele keer ontmoet had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekendhad zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.“Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw,” zei Van der Stel, “mijn wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer.”Katrijn antwoordde: “Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken.”“Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van, dat uw kookkunst ons bevredigen zal.”Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar ’t tuintje van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten groeiden.Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerstekeer in z’n leven was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot kon worden.Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was, want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.“Ik ben nu Kapitein te land,” voegde hij er schertsend bij, “en daar staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,”—bij welke laatste woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.“Ge zoudt ’n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken,” meende Van der Stel, “wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van Drakenstein zou verkopen.”“Zoveel heb ik niet,” antwoordde de oude man, “en bovendien heeft bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien.”Van de tuin ging men naar de landerijen, waar ’t koren en de haver reeds aren begonnen te vertonen en ’n veelbelovende oogst voorspelden.Van der Stel onderzocht ’t koren, en toen hij bevond dat ’t een Hollandse soort was, zei hij:“Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, enme een bezoek brengt, vergeet dan niet om metevragen u een zak koren te geven. Verleden jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen afkomstig, en dat koren heb ik bij ’t Rondeboschje laten zaaien, waar ’t zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40 hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op ’t kweken van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien, want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen.”Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde, waarop de Kommandeur antwoordde: “zeven gulden voor een zak bonen en acht gulden voor een zak erten.”“En moeten we daarvan ook tienden betalen?” vroeg Hartog nu.“Natuurlik,” zei de Kommandeur.De jonge boer glimlachte en hernam: “De Kompanjie zal ’t wel eisen, maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe ’t recht heeft, want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan kunnen worden beschouwd.”De Kommandeur lachte en antwoordde: “U schijnt voor advokaat in de wieg gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven grondbrieven de woorden: “granen en andere veldgewassen” laten zetten.”Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te slim af was.Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier, die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen gaf over ’t gedane werk.Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden aanhield.Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in ’t begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen, om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en ’t werd meer en meer nodig om beredenmilitairen te hebben, want die te voet waren van geen nut bij ’t vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer binnen.Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog’s eigen wingerd was.De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor ’t eerst zou persen, en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl, die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw had bezig gehouden.“Deze wijn smaakt uitmuntend,” zei Van der Stel daarop, “en gelijkt veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur, en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken.”“Dat is ook ’t gevoelen van Nortier,” antwoordde Hartog, “maar de oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze alleen bewaard kan wordendoor toevoeging van alkohol, wat natuurlik de wijn heel wat zwaarder zal maken.”“Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed,” zei de Kommandeur, “uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten ’n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen.”Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat ’t avondeten gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.Schoon zij niet veel tijd had gehad, was door de jonge vrouw haar uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond, dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment kreeg.

HOOFDSTUK XXII.Een onverwacht bezoek.Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat, om aan die belofte te voldoen.Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham Hartog in de achtermiddag naar zijnwingerd ging om te zien hoe ’t daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en veelbelovend uitzagen.Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen hij wat wachtte, bleek ’t dat het eerste rijtuig een karos was, getrokken door vier paarden, terwijl het tweede ’n zware wagen was, waarvoor zestien ossen waren gespannen.Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit was van zulk een weeldeartikel.Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg ’t zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later stilhield. Uit ’t rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh, die tot het Kaapse garnizoen behoorde.Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigdeeerbied, waarop de Kommandeur zei: “Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier, en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb.”De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan, en toen men in ’t voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:“Je hebt bijna ’t beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en ’t verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen.”Hartog antwoordde dat ’t hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van ’t bouwen van nieuwe huizen.Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in ’t voorhuis en groette de Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap ’n enkele keer ontmoet had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekendhad zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.“Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw,” zei Van der Stel, “mijn wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer.”Katrijn antwoordde: “Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken.”“Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van, dat uw kookkunst ons bevredigen zal.”Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar ’t tuintje van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten groeiden.Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerstekeer in z’n leven was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot kon worden.Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was, want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.“Ik ben nu Kapitein te land,” voegde hij er schertsend bij, “en daar staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,”—bij welke laatste woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.“Ge zoudt ’n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken,” meende Van der Stel, “wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van Drakenstein zou verkopen.”“Zoveel heb ik niet,” antwoordde de oude man, “en bovendien heeft bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien.”Van de tuin ging men naar de landerijen, waar ’t koren en de haver reeds aren begonnen te vertonen en ’n veelbelovende oogst voorspelden.Van der Stel onderzocht ’t koren, en toen hij bevond dat ’t een Hollandse soort was, zei hij:“Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, enme een bezoek brengt, vergeet dan niet om metevragen u een zak koren te geven. Verleden jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen afkomstig, en dat koren heb ik bij ’t Rondeboschje laten zaaien, waar ’t zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40 hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op ’t kweken van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien, want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen.”Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde, waarop de Kommandeur antwoordde: “zeven gulden voor een zak bonen en acht gulden voor een zak erten.”“En moeten we daarvan ook tienden betalen?” vroeg Hartog nu.“Natuurlik,” zei de Kommandeur.De jonge boer glimlachte en hernam: “De Kompanjie zal ’t wel eisen, maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe ’t recht heeft, want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan kunnen worden beschouwd.”De Kommandeur lachte en antwoordde: “U schijnt voor advokaat in de wieg gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven grondbrieven de woorden: “granen en andere veldgewassen” laten zetten.”Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te slim af was.Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier, die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen gaf over ’t gedane werk.Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden aanhield.Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in ’t begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen, om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en ’t werd meer en meer nodig om beredenmilitairen te hebben, want die te voet waren van geen nut bij ’t vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer binnen.Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog’s eigen wingerd was.De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor ’t eerst zou persen, en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl, die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw had bezig gehouden.“Deze wijn smaakt uitmuntend,” zei Van der Stel daarop, “en gelijkt veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur, en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken.”“Dat is ook ’t gevoelen van Nortier,” antwoordde Hartog, “maar de oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze alleen bewaard kan wordendoor toevoeging van alkohol, wat natuurlik de wijn heel wat zwaarder zal maken.”“Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed,” zei de Kommandeur, “uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten ’n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen.”Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat ’t avondeten gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.Schoon zij niet veel tijd had gehad, was door de jonge vrouw haar uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond, dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment kreeg.

HOOFDSTUK XXII.Een onverwacht bezoek.

Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat, om aan die belofte te voldoen.Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham Hartog in de achtermiddag naar zijnwingerd ging om te zien hoe ’t daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en veelbelovend uitzagen.Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen hij wat wachtte, bleek ’t dat het eerste rijtuig een karos was, getrokken door vier paarden, terwijl het tweede ’n zware wagen was, waarvoor zestien ossen waren gespannen.Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit was van zulk een weeldeartikel.Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg ’t zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later stilhield. Uit ’t rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh, die tot het Kaapse garnizoen behoorde.Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigdeeerbied, waarop de Kommandeur zei: “Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier, en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb.”De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan, en toen men in ’t voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:“Je hebt bijna ’t beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en ’t verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen.”Hartog antwoordde dat ’t hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van ’t bouwen van nieuwe huizen.Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in ’t voorhuis en groette de Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap ’n enkele keer ontmoet had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekendhad zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.“Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw,” zei Van der Stel, “mijn wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer.”Katrijn antwoordde: “Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken.”“Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van, dat uw kookkunst ons bevredigen zal.”Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar ’t tuintje van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten groeiden.Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerstekeer in z’n leven was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot kon worden.Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was, want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.“Ik ben nu Kapitein te land,” voegde hij er schertsend bij, “en daar staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,”—bij welke laatste woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.“Ge zoudt ’n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken,” meende Van der Stel, “wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van Drakenstein zou verkopen.”“Zoveel heb ik niet,” antwoordde de oude man, “en bovendien heeft bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien.”Van de tuin ging men naar de landerijen, waar ’t koren en de haver reeds aren begonnen te vertonen en ’n veelbelovende oogst voorspelden.Van der Stel onderzocht ’t koren, en toen hij bevond dat ’t een Hollandse soort was, zei hij:“Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, enme een bezoek brengt, vergeet dan niet om metevragen u een zak koren te geven. Verleden jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen afkomstig, en dat koren heb ik bij ’t Rondeboschje laten zaaien, waar ’t zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40 hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op ’t kweken van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien, want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen.”Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde, waarop de Kommandeur antwoordde: “zeven gulden voor een zak bonen en acht gulden voor een zak erten.”“En moeten we daarvan ook tienden betalen?” vroeg Hartog nu.“Natuurlik,” zei de Kommandeur.De jonge boer glimlachte en hernam: “De Kompanjie zal ’t wel eisen, maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe ’t recht heeft, want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan kunnen worden beschouwd.”De Kommandeur lachte en antwoordde: “U schijnt voor advokaat in de wieg gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven grondbrieven de woorden: “granen en andere veldgewassen” laten zetten.”Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te slim af was.Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier, die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen gaf over ’t gedane werk.Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden aanhield.Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in ’t begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen, om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en ’t werd meer en meer nodig om beredenmilitairen te hebben, want die te voet waren van geen nut bij ’t vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer binnen.Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog’s eigen wingerd was.De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor ’t eerst zou persen, en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl, die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw had bezig gehouden.“Deze wijn smaakt uitmuntend,” zei Van der Stel daarop, “en gelijkt veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur, en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken.”“Dat is ook ’t gevoelen van Nortier,” antwoordde Hartog, “maar de oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze alleen bewaard kan wordendoor toevoeging van alkohol, wat natuurlik de wijn heel wat zwaarder zal maken.”“Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed,” zei de Kommandeur, “uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten ’n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen.”Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat ’t avondeten gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.Schoon zij niet veel tijd had gehad, was door de jonge vrouw haar uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond, dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment kreeg.

Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.

Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat, om aan die belofte te voldoen.

Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham Hartog in de achtermiddag naar zijnwingerd ging om te zien hoe ’t daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en veelbelovend uitzagen.

Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen hij wat wachtte, bleek ’t dat het eerste rijtuig een karos was, getrokken door vier paarden, terwijl het tweede ’n zware wagen was, waarvoor zestien ossen waren gespannen.

Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit was van zulk een weeldeartikel.

Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg ’t zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.

Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later stilhield. Uit ’t rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh, die tot het Kaapse garnizoen behoorde.

Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigdeeerbied, waarop de Kommandeur zei: “Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier, en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb.”

De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan, en toen men in ’t voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:

“Je hebt bijna ’t beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en ’t verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen.”

Hartog antwoordde dat ’t hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van ’t bouwen van nieuwe huizen.

Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in ’t voorhuis en groette de Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap ’n enkele keer ontmoet had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekendhad zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.

“Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw,” zei Van der Stel, “mijn wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer.”

Katrijn antwoordde: “Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken.”

“Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van, dat uw kookkunst ons bevredigen zal.”

Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar ’t tuintje van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.

De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten groeiden.

Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerstekeer in z’n leven was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot kon worden.

Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was, want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.

“Ik ben nu Kapitein te land,” voegde hij er schertsend bij, “en daar staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,”—bij welke laatste woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.

“Ge zoudt ’n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken,” meende Van der Stel, “wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van Drakenstein zou verkopen.”

“Zoveel heb ik niet,” antwoordde de oude man, “en bovendien heeft bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien.”

Van de tuin ging men naar de landerijen, waar ’t koren en de haver reeds aren begonnen te vertonen en ’n veelbelovende oogst voorspelden.

Van der Stel onderzocht ’t koren, en toen hij bevond dat ’t een Hollandse soort was, zei hij:

“Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, enme een bezoek brengt, vergeet dan niet om metevragen u een zak koren te geven. Verleden jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen afkomstig, en dat koren heb ik bij ’t Rondeboschje laten zaaien, waar ’t zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40 hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op ’t kweken van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien, want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen.”

Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde, waarop de Kommandeur antwoordde: “zeven gulden voor een zak bonen en acht gulden voor een zak erten.”

“En moeten we daarvan ook tienden betalen?” vroeg Hartog nu.

“Natuurlik,” zei de Kommandeur.

De jonge boer glimlachte en hernam: “De Kompanjie zal ’t wel eisen, maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe ’t recht heeft, want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan kunnen worden beschouwd.”

De Kommandeur lachte en antwoordde: “U schijnt voor advokaat in de wieg gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven grondbrieven de woorden: “granen en andere veldgewassen” laten zetten.”

Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te slim af was.

Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier, die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen gaf over ’t gedane werk.

Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden aanhield.

Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in ’t begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen, om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en ’t werd meer en meer nodig om beredenmilitairen te hebben, want die te voet waren van geen nut bij ’t vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.

De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer binnen.

Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog’s eigen wingerd was.

De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor ’t eerst zou persen, en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl, die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw had bezig gehouden.

“Deze wijn smaakt uitmuntend,” zei Van der Stel daarop, “en gelijkt veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur, en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken.”

“Dat is ook ’t gevoelen van Nortier,” antwoordde Hartog, “maar de oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze alleen bewaard kan wordendoor toevoeging van alkohol, wat natuurlik de wijn heel wat zwaarder zal maken.”

“Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed,” zei de Kommandeur, “uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten ’n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen.”

Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat ’t avondeten gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.

Schoon zij niet veel tijd had gehad, was door de jonge vrouw haar uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond, dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment kreeg.


Back to IndexNext