HOOFDSTUK XXIII.De Kommandeur wordt profeties.Na ’t avondeten ging men weder naar ’t voorhuis, waar bij ’t licht van enige kaarsen—want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,—een levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar huishoudelik werk klaar was, deel nam.Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog en z’n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners, maar ook met de Franse vluchtelingen.Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende lieden waren,die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof, daar velen van hen vroeger in goede doen en ’n beter leven gewoon geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en begon toen:“Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik daarenboven altijd ’n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.“Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten,dat zij van plan waren om ’n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van ’n ander ras tot grote onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.“Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze ’n nuttige invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw, en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.“Dit is waarschijnlik te wijten aan ’t warmere Zuid-franse bloed, dat in hun aderen stroomt.“Het is volstrekt niet ’t doel geweest van de Kamer van Zeventien, om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van deoude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik ’t grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van ’t begin af was dit een steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden allen bij elkaar te kunnen wonen, en ’t gevolg is dan ook geweest, dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.“Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest die waarschijnlik ’t gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot ’n zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waardat kardinaal Richelieu hun veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik ’n einde maakte aan hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet; en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen ’t Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht overgeërfd zijn.“Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt ’t dat velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen, ’n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te staan, omdat ik daarin ’t indrijven zag van ’t dunne einde van de wig, en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen twee rassen.“Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijzehebben de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon doen en stonden zij ’t verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in ’t nageslacht, tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken zal kosten aan hen die na mij hier ’t bestuur zullen voeren.”Het was Katrijn die ’t eerst na de Kommandeur sprak en zei:“Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben ’t niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders, maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden danin daden, en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben ze over ’t algemeen ’n betere opvoeding genoten dan de meesten van de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat zelden ’t geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid en de vrijheid in ’t algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen de beide rassen en ’t karakter van beide zal daardoor aanmerkelik veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn karakter heeft.”“U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw,” antwoordde de Kommandeur, “want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente bijna verlopen is.”Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: “Mijn vrouw weet minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat de vluchtelingen een woeligvolkje zijn, dat heel wat moeite aan de Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar hebben ’t alleen gemunt op ’n Regering, die hun wensen niet tegemoet komen kan of wil.”Het gesprek nam nu ’n andere wending en liep verder over landbouw en zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf ’n woordje kon meespreken, en toen men nog ’n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn’s grote teleurstelling, haar aanbod om ’t ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.
HOOFDSTUK XXIII.De Kommandeur wordt profeties.Na ’t avondeten ging men weder naar ’t voorhuis, waar bij ’t licht van enige kaarsen—want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,—een levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar huishoudelik werk klaar was, deel nam.Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog en z’n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners, maar ook met de Franse vluchtelingen.Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende lieden waren,die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof, daar velen van hen vroeger in goede doen en ’n beter leven gewoon geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en begon toen:“Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik daarenboven altijd ’n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.“Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten,dat zij van plan waren om ’n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van ’n ander ras tot grote onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.“Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze ’n nuttige invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw, en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.“Dit is waarschijnlik te wijten aan ’t warmere Zuid-franse bloed, dat in hun aderen stroomt.“Het is volstrekt niet ’t doel geweest van de Kamer van Zeventien, om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van deoude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik ’t grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van ’t begin af was dit een steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden allen bij elkaar te kunnen wonen, en ’t gevolg is dan ook geweest, dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.“Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest die waarschijnlik ’t gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot ’n zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waardat kardinaal Richelieu hun veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik ’n einde maakte aan hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet; en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen ’t Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht overgeërfd zijn.“Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt ’t dat velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen, ’n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te staan, omdat ik daarin ’t indrijven zag van ’t dunne einde van de wig, en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen twee rassen.“Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijzehebben de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon doen en stonden zij ’t verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in ’t nageslacht, tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken zal kosten aan hen die na mij hier ’t bestuur zullen voeren.”Het was Katrijn die ’t eerst na de Kommandeur sprak en zei:“Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben ’t niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders, maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden danin daden, en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben ze over ’t algemeen ’n betere opvoeding genoten dan de meesten van de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat zelden ’t geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid en de vrijheid in ’t algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen de beide rassen en ’t karakter van beide zal daardoor aanmerkelik veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn karakter heeft.”“U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw,” antwoordde de Kommandeur, “want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente bijna verlopen is.”Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: “Mijn vrouw weet minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat de vluchtelingen een woeligvolkje zijn, dat heel wat moeite aan de Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar hebben ’t alleen gemunt op ’n Regering, die hun wensen niet tegemoet komen kan of wil.”Het gesprek nam nu ’n andere wending en liep verder over landbouw en zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf ’n woordje kon meespreken, en toen men nog ’n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn’s grote teleurstelling, haar aanbod om ’t ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.
HOOFDSTUK XXIII.De Kommandeur wordt profeties.
Na ’t avondeten ging men weder naar ’t voorhuis, waar bij ’t licht van enige kaarsen—want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,—een levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar huishoudelik werk klaar was, deel nam.Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog en z’n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners, maar ook met de Franse vluchtelingen.Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende lieden waren,die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof, daar velen van hen vroeger in goede doen en ’n beter leven gewoon geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en begon toen:“Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik daarenboven altijd ’n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.“Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten,dat zij van plan waren om ’n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van ’n ander ras tot grote onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.“Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze ’n nuttige invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw, en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.“Dit is waarschijnlik te wijten aan ’t warmere Zuid-franse bloed, dat in hun aderen stroomt.“Het is volstrekt niet ’t doel geweest van de Kamer van Zeventien, om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van deoude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik ’t grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van ’t begin af was dit een steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden allen bij elkaar te kunnen wonen, en ’t gevolg is dan ook geweest, dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.“Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest die waarschijnlik ’t gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot ’n zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waardat kardinaal Richelieu hun veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik ’n einde maakte aan hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet; en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen ’t Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht overgeërfd zijn.“Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt ’t dat velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen, ’n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te staan, omdat ik daarin ’t indrijven zag van ’t dunne einde van de wig, en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen twee rassen.“Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijzehebben de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon doen en stonden zij ’t verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in ’t nageslacht, tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken zal kosten aan hen die na mij hier ’t bestuur zullen voeren.”Het was Katrijn die ’t eerst na de Kommandeur sprak en zei:“Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben ’t niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders, maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden danin daden, en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben ze over ’t algemeen ’n betere opvoeding genoten dan de meesten van de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat zelden ’t geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid en de vrijheid in ’t algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen de beide rassen en ’t karakter van beide zal daardoor aanmerkelik veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn karakter heeft.”“U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw,” antwoordde de Kommandeur, “want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente bijna verlopen is.”Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: “Mijn vrouw weet minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat de vluchtelingen een woeligvolkje zijn, dat heel wat moeite aan de Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar hebben ’t alleen gemunt op ’n Regering, die hun wensen niet tegemoet komen kan of wil.”Het gesprek nam nu ’n andere wending en liep verder over landbouw en zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf ’n woordje kon meespreken, en toen men nog ’n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn’s grote teleurstelling, haar aanbod om ’t ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.
Na ’t avondeten ging men weder naar ’t voorhuis, waar bij ’t licht van enige kaarsen—want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,—een levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar huishoudelik werk klaar was, deel nam.
Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog en z’n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners, maar ook met de Franse vluchtelingen.
Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende lieden waren,die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof, daar velen van hen vroeger in goede doen en ’n beter leven gewoon geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.
Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en begon toen:
“Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik daarenboven altijd ’n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.
“Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten,dat zij van plan waren om ’n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van ’n ander ras tot grote onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.
“Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze ’n nuttige invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw, en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.
“Dit is waarschijnlik te wijten aan ’t warmere Zuid-franse bloed, dat in hun aderen stroomt.
“Het is volstrekt niet ’t doel geweest van de Kamer van Zeventien, om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van deoude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik ’t grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van ’t begin af was dit een steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden allen bij elkaar te kunnen wonen, en ’t gevolg is dan ook geweest, dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.
“Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest die waarschijnlik ’t gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot ’n zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waardat kardinaal Richelieu hun veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik ’n einde maakte aan hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet; en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen ’t Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht overgeërfd zijn.
“Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt ’t dat velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen, ’n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te staan, omdat ik daarin ’t indrijven zag van ’t dunne einde van de wig, en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen twee rassen.
“Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijzehebben de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon doen en stonden zij ’t verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in ’t nageslacht, tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken zal kosten aan hen die na mij hier ’t bestuur zullen voeren.”
Het was Katrijn die ’t eerst na de Kommandeur sprak en zei:
“Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben ’t niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders, maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden danin daden, en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben ze over ’t algemeen ’n betere opvoeding genoten dan de meesten van de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat zelden ’t geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid en de vrijheid in ’t algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen de beide rassen en ’t karakter van beide zal daardoor aanmerkelik veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn karakter heeft.”
“U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw,” antwoordde de Kommandeur, “want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente bijna verlopen is.”
Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: “Mijn vrouw weet minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat de vluchtelingen een woeligvolkje zijn, dat heel wat moeite aan de Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar hebben ’t alleen gemunt op ’n Regering, die hun wensen niet tegemoet komen kan of wil.”
Het gesprek nam nu ’n andere wending en liep verder over landbouw en zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf ’n woordje kon meespreken, en toen men nog ’n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.
Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn’s grote teleurstelling, haar aanbod om ’t ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.