HOOFDSTUK XXIV.

HOOFDSTUK XXIV.Een nieuwe vijand.De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over ’t algemeen niet ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en dan ’n misoogst was, en nieuwe ziekten onder ’t vee uitbraken. Die kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein komen wonen, waar zich toen ’t merendeel van zijn gemeente bevond.Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoekbrengen, en vond hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar ’t was duidelik, dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover de Hugenoten.Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield ’n strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen elke ontheiliging van de Sabbat.De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk op zijn gemeente maakten.Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen, ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde bij ’t bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had hij ook de raad vande Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan, zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren dan zijn uitgaven.Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig feit, namelik dat het kinderloos bleef.In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang, dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe hadden dezen geen last veroorzaakt.Toen evenwel deed ’n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna ontoegankelike bergen.Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden zij hun rooftocht enigemaanden later en ontkwamen weder met hun buit.Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering inriepen.De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was ’t zelfs de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile kransen in te halen.Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen, werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in ’t nauw voelde, de buitgemaaktebeesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden, en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw van roverijen in die streek.

HOOFDSTUK XXIV.Een nieuwe vijand.De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over ’t algemeen niet ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en dan ’n misoogst was, en nieuwe ziekten onder ’t vee uitbraken. Die kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein komen wonen, waar zich toen ’t merendeel van zijn gemeente bevond.Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoekbrengen, en vond hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar ’t was duidelik, dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover de Hugenoten.Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield ’n strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen elke ontheiliging van de Sabbat.De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk op zijn gemeente maakten.Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen, ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde bij ’t bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had hij ook de raad vande Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan, zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren dan zijn uitgaven.Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig feit, namelik dat het kinderloos bleef.In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang, dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe hadden dezen geen last veroorzaakt.Toen evenwel deed ’n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna ontoegankelike bergen.Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden zij hun rooftocht enigemaanden later en ontkwamen weder met hun buit.Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering inriepen.De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was ’t zelfs de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile kransen in te halen.Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen, werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in ’t nauw voelde, de buitgemaaktebeesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden, en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw van roverijen in die streek.

HOOFDSTUK XXIV.Een nieuwe vijand.

De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over ’t algemeen niet ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en dan ’n misoogst was, en nieuwe ziekten onder ’t vee uitbraken. Die kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein komen wonen, waar zich toen ’t merendeel van zijn gemeente bevond.Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoekbrengen, en vond hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar ’t was duidelik, dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover de Hugenoten.Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield ’n strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen elke ontheiliging van de Sabbat.De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk op zijn gemeente maakten.Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen, ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde bij ’t bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had hij ook de raad vande Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan, zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren dan zijn uitgaven.Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig feit, namelik dat het kinderloos bleef.In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang, dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe hadden dezen geen last veroorzaakt.Toen evenwel deed ’n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna ontoegankelike bergen.Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden zij hun rooftocht enigemaanden later en ontkwamen weder met hun buit.Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering inriepen.De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was ’t zelfs de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile kransen in te halen.Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen, werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in ’t nauw voelde, de buitgemaaktebeesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden, en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw van roverijen in die streek.

De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over ’t algemeen niet ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en dan ’n misoogst was, en nieuwe ziekten onder ’t vee uitbraken. Die kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.

In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein komen wonen, waar zich toen ’t merendeel van zijn gemeente bevond.

Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoekbrengen, en vond hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar ’t was duidelik, dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover de Hugenoten.

Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield ’n strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen elke ontheiliging van de Sabbat.

De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk op zijn gemeente maakten.

Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen, ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde bij ’t bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had hij ook de raad vande Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan, zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren dan zijn uitgaven.

Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig feit, namelik dat het kinderloos bleef.

In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang, dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe hadden dezen geen last veroorzaakt.

Toen evenwel deed ’n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna ontoegankelike bergen.

Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden zij hun rooftocht enigemaanden later en ontkwamen weder met hun buit.

Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering inriepen.

De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was ’t zelfs de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile kransen in te halen.

Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen, werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in ’t nauw voelde, de buitgemaaktebeesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden, en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.

Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw van roverijen in die streek.


Back to IndexNext