HOOFDSTUK XXV.

HOOFDSTUK XXV.Een oude kennis.Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens gevallen die de grond goed doorweekt hadden.Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen hij in de verte langs de weg van Stellenbosch ’n kapkar zag aankomen, die door zes ossen getrokken werd.Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen, daar hij meende, dat ’t een van de Drakensteiners was, die van een bezoek aan Stellenbosch terugkwam.Toen echter de kar de weg naar ’t huis insloeg,gaf hij zijn zweep over aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor ’t huis stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand, gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist zeggen: “Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben,” waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep: “Wel alle mensen, ’t is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!”De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette haar oude vriend nu hartelik welkom.“Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer opperbootsman, doch Kapitein van ’t schipde Prins te paard, dat op ’t ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast, die we in ’n storm bij Madagascar hebben verloren.”“Kom binnen Tuijl, kom binnen,” riepen beide echtgenoten als uit één mond, en trokken hun oude vriend ’t huis in.“Hoe met je kar?” vroeg Hartog, “zal je de ossen niet uitspannen?”“Ja,” antwoordde Tuijl, “maar ik moet vanmiddag nog weg naar Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen,” zei Tuijl.“Ben je mal?” viel Hartog in, “je blijft vandaag en morgen hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten.”Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg order om de ossen uit te spannen, en ze ’t veld in te jagen, maar te zorgen dat ze niet wegliepen.“Vertel me nu eerst,” zei Hartog, “hoe je uitgevonden hebt dat ik hier woon.”“Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden en hij was ’t, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je ’t beste vinden kon, maar wat me ’t meeste plezier deed, was te vernemen, dat jemet Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik heb gehoord dat hij bij je inwoont.”“Dat doet hij ook,” antwoordde Hartog, “maar op ’t ogenblik werkt hij in z’n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor ’t middagmaal.”Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei: “kijk hier, Tuijl, ik heb ’n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt.”“Ja, ja,” voegde Hartog er bij, “biecht nu al je zonden op.”Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:“Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië gegaan, en kwam na ’n uitmuntende reis te Batavia aan.“Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis werden we door ’n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was ’n groot schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze ’n gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken grof geschut, de Kapitein was ’n dappere kerel en de manschappen waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar wepeperden hem zo geweldig, dat ’t niet gelukte. Daarop zond hij 7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen, maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze probeerden om langs de zijde van ’t schip ons te bereiken.“De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons niet los te laten, en ’t gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten, waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in ’t water ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7 doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde, want ik kreeg ’n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had de kogel ’t been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar ’n slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had, herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen hebben, al weet ik ’t zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij de Kompanjie aan voor bevordering.“Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow aan, waar we een gedeeltevan onze lading losten, en daarvoor ’n paar honderd kisten tee inscheepten.“Van Foochow zeilden we rechtuit naar ’t eiland Decima, waar de Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.“We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer ’n grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder wederwaardigheden aankwamen.“Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was, om net zoveel van ’n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op ’n kampanjedek heeft gelopen.“De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg, toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had moeten zorgen, kop in éénmuts was met de leverancier van de Kompanjie, en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar ’t noodlot wilde dat de Eerste stuurman zelf ’t slachtoffer werd van zijn bedrog.“Op zekere dag, kort na ’t middagmaal, werden alle offisieren ziek en ik ook. We braakten dat ’t verschrikkelik was en leden aan hevige pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door ’t een of ander voedsel vergiftigd waren.“Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer beter waren.“De Tweede stuurman, die nu ’t bevel voerde, wilde de Tafelbaai binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap Agulhas liepen we in ’n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen lang aanhield.“Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren, maar de reis voortzetten.“De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis uitzag, over boord geworpen.“Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas schipvan over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen, 70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.“Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om ’t schip te hanteren en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust opnieuw door ’n verschrikkelike storm werden overvallen.“Het roer brak en ’t schip was aan de genade van de golven overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om ’n noodroer samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat ’t schip enigszins handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op ’t dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein en de Derde stuurman, die aan ’t roer waren, over boord. Er was geen kans hen te redden, en nu kwam ’t bevel aan mij. De storm hield aan tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m’n leven heb ik ’t zo zwaar gehad als in die tijd.“Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om te helpen, en met ’n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan dit te doen.“Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op ’t spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar ’t weer goed bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.“Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de bekwame wijze waarop ik ’t schip behouden had, en tevens een ekstra maand gage voor mezelf en de bemanning.“De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.“Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.“Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.“De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts, vertoonde het zulke gebreken dat ’t afgekeurd werd.“Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeldgezet en daarna bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog ’n reisje naar Japan.“Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard, die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan te nemen.“Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar, in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast en de helft van onze grote mast had meegenomen.“Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik opgeknapt zijn.”“Drommels,” zei Hartog, “je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk met je nieuwe rang.”“Ja,” antwoordde Tuijl, “zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland ’n rustigplekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan de Opstandingsdag.”“Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal,” meende de praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn met drie glazen.“Proef die wijn eens, Tuijl,” zei Hartog, “dit is eigen maaksel.”Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z’n lippen en zei toen:“Abraham, je was in jouw tijd ’n degelik zeeman, maar ik geloof dat je nog ’n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?”Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen, maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn, zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.“Wel, duivekater,” mompelde hij, “ik ben ’n boon, als dat niet Willem Tuijl is!”“Je hebt goed gezien, Kapitein,” riep Tuijl verheugd uit, en hij sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.“Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl,” zei de oude kapitein, “maar je hebt nu ’nkapiteinspak aan,” vervolgde hij, en voegde er schertsend bij: “’t moet er beroerd bij de Kompanjie uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!”“Ze kunnen niet anders doen, Kapitein,” antwoordde Tuijl lachend, “want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten geworden, en boeren of tuiniers.”Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat “gezelsd” tussen de oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met ’n week hart nam de Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn dochter, voor hij in ’t lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds gezeten was.

HOOFDSTUK XXV.Een oude kennis.Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens gevallen die de grond goed doorweekt hadden.Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen hij in de verte langs de weg van Stellenbosch ’n kapkar zag aankomen, die door zes ossen getrokken werd.Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen, daar hij meende, dat ’t een van de Drakensteiners was, die van een bezoek aan Stellenbosch terugkwam.Toen echter de kar de weg naar ’t huis insloeg,gaf hij zijn zweep over aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor ’t huis stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand, gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist zeggen: “Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben,” waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep: “Wel alle mensen, ’t is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!”De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette haar oude vriend nu hartelik welkom.“Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer opperbootsman, doch Kapitein van ’t schipde Prins te paard, dat op ’t ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast, die we in ’n storm bij Madagascar hebben verloren.”“Kom binnen Tuijl, kom binnen,” riepen beide echtgenoten als uit één mond, en trokken hun oude vriend ’t huis in.“Hoe met je kar?” vroeg Hartog, “zal je de ossen niet uitspannen?”“Ja,” antwoordde Tuijl, “maar ik moet vanmiddag nog weg naar Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen,” zei Tuijl.“Ben je mal?” viel Hartog in, “je blijft vandaag en morgen hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten.”Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg order om de ossen uit te spannen, en ze ’t veld in te jagen, maar te zorgen dat ze niet wegliepen.“Vertel me nu eerst,” zei Hartog, “hoe je uitgevonden hebt dat ik hier woon.”“Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden en hij was ’t, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je ’t beste vinden kon, maar wat me ’t meeste plezier deed, was te vernemen, dat jemet Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik heb gehoord dat hij bij je inwoont.”“Dat doet hij ook,” antwoordde Hartog, “maar op ’t ogenblik werkt hij in z’n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor ’t middagmaal.”Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei: “kijk hier, Tuijl, ik heb ’n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt.”“Ja, ja,” voegde Hartog er bij, “biecht nu al je zonden op.”Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:“Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië gegaan, en kwam na ’n uitmuntende reis te Batavia aan.“Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis werden we door ’n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was ’n groot schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze ’n gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken grof geschut, de Kapitein was ’n dappere kerel en de manschappen waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar wepeperden hem zo geweldig, dat ’t niet gelukte. Daarop zond hij 7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen, maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze probeerden om langs de zijde van ’t schip ons te bereiken.“De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons niet los te laten, en ’t gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten, waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in ’t water ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7 doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde, want ik kreeg ’n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had de kogel ’t been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar ’n slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had, herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen hebben, al weet ik ’t zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij de Kompanjie aan voor bevordering.“Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow aan, waar we een gedeeltevan onze lading losten, en daarvoor ’n paar honderd kisten tee inscheepten.“Van Foochow zeilden we rechtuit naar ’t eiland Decima, waar de Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.“We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer ’n grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder wederwaardigheden aankwamen.“Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was, om net zoveel van ’n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op ’n kampanjedek heeft gelopen.“De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg, toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had moeten zorgen, kop in éénmuts was met de leverancier van de Kompanjie, en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar ’t noodlot wilde dat de Eerste stuurman zelf ’t slachtoffer werd van zijn bedrog.“Op zekere dag, kort na ’t middagmaal, werden alle offisieren ziek en ik ook. We braakten dat ’t verschrikkelik was en leden aan hevige pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door ’t een of ander voedsel vergiftigd waren.“Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer beter waren.“De Tweede stuurman, die nu ’t bevel voerde, wilde de Tafelbaai binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap Agulhas liepen we in ’n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen lang aanhield.“Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren, maar de reis voortzetten.“De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis uitzag, over boord geworpen.“Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas schipvan over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen, 70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.“Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om ’t schip te hanteren en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust opnieuw door ’n verschrikkelike storm werden overvallen.“Het roer brak en ’t schip was aan de genade van de golven overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om ’n noodroer samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat ’t schip enigszins handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op ’t dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein en de Derde stuurman, die aan ’t roer waren, over boord. Er was geen kans hen te redden, en nu kwam ’t bevel aan mij. De storm hield aan tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m’n leven heb ik ’t zo zwaar gehad als in die tijd.“Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om te helpen, en met ’n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan dit te doen.“Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op ’t spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar ’t weer goed bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.“Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de bekwame wijze waarop ik ’t schip behouden had, en tevens een ekstra maand gage voor mezelf en de bemanning.“De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.“Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.“Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.“De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts, vertoonde het zulke gebreken dat ’t afgekeurd werd.“Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeldgezet en daarna bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog ’n reisje naar Japan.“Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard, die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan te nemen.“Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar, in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast en de helft van onze grote mast had meegenomen.“Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik opgeknapt zijn.”“Drommels,” zei Hartog, “je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk met je nieuwe rang.”“Ja,” antwoordde Tuijl, “zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland ’n rustigplekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan de Opstandingsdag.”“Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal,” meende de praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn met drie glazen.“Proef die wijn eens, Tuijl,” zei Hartog, “dit is eigen maaksel.”Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z’n lippen en zei toen:“Abraham, je was in jouw tijd ’n degelik zeeman, maar ik geloof dat je nog ’n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?”Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen, maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn, zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.“Wel, duivekater,” mompelde hij, “ik ben ’n boon, als dat niet Willem Tuijl is!”“Je hebt goed gezien, Kapitein,” riep Tuijl verheugd uit, en hij sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.“Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl,” zei de oude kapitein, “maar je hebt nu ’nkapiteinspak aan,” vervolgde hij, en voegde er schertsend bij: “’t moet er beroerd bij de Kompanjie uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!”“Ze kunnen niet anders doen, Kapitein,” antwoordde Tuijl lachend, “want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten geworden, en boeren of tuiniers.”Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat “gezelsd” tussen de oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met ’n week hart nam de Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn dochter, voor hij in ’t lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds gezeten was.

HOOFDSTUK XXV.Een oude kennis.

Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens gevallen die de grond goed doorweekt hadden.Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen hij in de verte langs de weg van Stellenbosch ’n kapkar zag aankomen, die door zes ossen getrokken werd.Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen, daar hij meende, dat ’t een van de Drakensteiners was, die van een bezoek aan Stellenbosch terugkwam.Toen echter de kar de weg naar ’t huis insloeg,gaf hij zijn zweep over aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor ’t huis stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand, gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist zeggen: “Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben,” waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep: “Wel alle mensen, ’t is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!”De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette haar oude vriend nu hartelik welkom.“Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer opperbootsman, doch Kapitein van ’t schipde Prins te paard, dat op ’t ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast, die we in ’n storm bij Madagascar hebben verloren.”“Kom binnen Tuijl, kom binnen,” riepen beide echtgenoten als uit één mond, en trokken hun oude vriend ’t huis in.“Hoe met je kar?” vroeg Hartog, “zal je de ossen niet uitspannen?”“Ja,” antwoordde Tuijl, “maar ik moet vanmiddag nog weg naar Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen,” zei Tuijl.“Ben je mal?” viel Hartog in, “je blijft vandaag en morgen hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten.”Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg order om de ossen uit te spannen, en ze ’t veld in te jagen, maar te zorgen dat ze niet wegliepen.“Vertel me nu eerst,” zei Hartog, “hoe je uitgevonden hebt dat ik hier woon.”“Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden en hij was ’t, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je ’t beste vinden kon, maar wat me ’t meeste plezier deed, was te vernemen, dat jemet Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik heb gehoord dat hij bij je inwoont.”“Dat doet hij ook,” antwoordde Hartog, “maar op ’t ogenblik werkt hij in z’n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor ’t middagmaal.”Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei: “kijk hier, Tuijl, ik heb ’n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt.”“Ja, ja,” voegde Hartog er bij, “biecht nu al je zonden op.”Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:“Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië gegaan, en kwam na ’n uitmuntende reis te Batavia aan.“Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis werden we door ’n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was ’n groot schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze ’n gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken grof geschut, de Kapitein was ’n dappere kerel en de manschappen waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar wepeperden hem zo geweldig, dat ’t niet gelukte. Daarop zond hij 7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen, maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze probeerden om langs de zijde van ’t schip ons te bereiken.“De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons niet los te laten, en ’t gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten, waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in ’t water ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7 doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde, want ik kreeg ’n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had de kogel ’t been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar ’n slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had, herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen hebben, al weet ik ’t zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij de Kompanjie aan voor bevordering.“Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow aan, waar we een gedeeltevan onze lading losten, en daarvoor ’n paar honderd kisten tee inscheepten.“Van Foochow zeilden we rechtuit naar ’t eiland Decima, waar de Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.“We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer ’n grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder wederwaardigheden aankwamen.“Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was, om net zoveel van ’n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op ’n kampanjedek heeft gelopen.“De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg, toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had moeten zorgen, kop in éénmuts was met de leverancier van de Kompanjie, en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar ’t noodlot wilde dat de Eerste stuurman zelf ’t slachtoffer werd van zijn bedrog.“Op zekere dag, kort na ’t middagmaal, werden alle offisieren ziek en ik ook. We braakten dat ’t verschrikkelik was en leden aan hevige pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door ’t een of ander voedsel vergiftigd waren.“Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer beter waren.“De Tweede stuurman, die nu ’t bevel voerde, wilde de Tafelbaai binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap Agulhas liepen we in ’n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen lang aanhield.“Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren, maar de reis voortzetten.“De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis uitzag, over boord geworpen.“Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas schipvan over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen, 70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.“Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om ’t schip te hanteren en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust opnieuw door ’n verschrikkelike storm werden overvallen.“Het roer brak en ’t schip was aan de genade van de golven overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om ’n noodroer samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat ’t schip enigszins handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op ’t dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein en de Derde stuurman, die aan ’t roer waren, over boord. Er was geen kans hen te redden, en nu kwam ’t bevel aan mij. De storm hield aan tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m’n leven heb ik ’t zo zwaar gehad als in die tijd.“Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om te helpen, en met ’n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan dit te doen.“Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op ’t spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar ’t weer goed bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.“Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de bekwame wijze waarop ik ’t schip behouden had, en tevens een ekstra maand gage voor mezelf en de bemanning.“De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.“Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.“Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.“De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts, vertoonde het zulke gebreken dat ’t afgekeurd werd.“Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeldgezet en daarna bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog ’n reisje naar Japan.“Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard, die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan te nemen.“Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar, in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast en de helft van onze grote mast had meegenomen.“Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik opgeknapt zijn.”“Drommels,” zei Hartog, “je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk met je nieuwe rang.”“Ja,” antwoordde Tuijl, “zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland ’n rustigplekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan de Opstandingsdag.”“Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal,” meende de praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn met drie glazen.“Proef die wijn eens, Tuijl,” zei Hartog, “dit is eigen maaksel.”Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z’n lippen en zei toen:“Abraham, je was in jouw tijd ’n degelik zeeman, maar ik geloof dat je nog ’n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?”Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen, maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn, zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.“Wel, duivekater,” mompelde hij, “ik ben ’n boon, als dat niet Willem Tuijl is!”“Je hebt goed gezien, Kapitein,” riep Tuijl verheugd uit, en hij sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.“Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl,” zei de oude kapitein, “maar je hebt nu ’nkapiteinspak aan,” vervolgde hij, en voegde er schertsend bij: “’t moet er beroerd bij de Kompanjie uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!”“Ze kunnen niet anders doen, Kapitein,” antwoordde Tuijl lachend, “want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten geworden, en boeren of tuiniers.”Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat “gezelsd” tussen de oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met ’n week hart nam de Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn dochter, voor hij in ’t lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds gezeten was.

Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens gevallen die de grond goed doorweekt hadden.

Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen hij in de verte langs de weg van Stellenbosch ’n kapkar zag aankomen, die door zes ossen getrokken werd.

Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen, daar hij meende, dat ’t een van de Drakensteiners was, die van een bezoek aan Stellenbosch terugkwam.

Toen echter de kar de weg naar ’t huis insloeg,gaf hij zijn zweep over aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor ’t huis stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand, gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist zeggen: “Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben,” waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.

Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep: “Wel alle mensen, ’t is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!”

De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette haar oude vriend nu hartelik welkom.

“Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer opperbootsman, doch Kapitein van ’t schipde Prins te paard, dat op ’t ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast, die we in ’n storm bij Madagascar hebben verloren.”

“Kom binnen Tuijl, kom binnen,” riepen beide echtgenoten als uit één mond, en trokken hun oude vriend ’t huis in.

“Hoe met je kar?” vroeg Hartog, “zal je de ossen niet uitspannen?”

“Ja,” antwoordde Tuijl, “maar ik moet vanmiddag nog weg naar Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen,” zei Tuijl.

“Ben je mal?” viel Hartog in, “je blijft vandaag en morgen hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten.”

Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg order om de ossen uit te spannen, en ze ’t veld in te jagen, maar te zorgen dat ze niet wegliepen.

“Vertel me nu eerst,” zei Hartog, “hoe je uitgevonden hebt dat ik hier woon.”

“Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden en hij was ’t, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je ’t beste vinden kon, maar wat me ’t meeste plezier deed, was te vernemen, dat jemet Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik heb gehoord dat hij bij je inwoont.”

“Dat doet hij ook,” antwoordde Hartog, “maar op ’t ogenblik werkt hij in z’n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor ’t middagmaal.”

Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei: “kijk hier, Tuijl, ik heb ’n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt.”

“Ja, ja,” voegde Hartog er bij, “biecht nu al je zonden op.”

Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:

“Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië gegaan, en kwam na ’n uitmuntende reis te Batavia aan.

“Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis werden we door ’n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was ’n groot schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze ’n gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken grof geschut, de Kapitein was ’n dappere kerel en de manschappen waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar wepeperden hem zo geweldig, dat ’t niet gelukte. Daarop zond hij 7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen, maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze probeerden om langs de zijde van ’t schip ons te bereiken.

“De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons niet los te laten, en ’t gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten, waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in ’t water ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7 doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde, want ik kreeg ’n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had de kogel ’t been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar ’n slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had, herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen hebben, al weet ik ’t zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij de Kompanjie aan voor bevordering.

“Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow aan, waar we een gedeeltevan onze lading losten, en daarvoor ’n paar honderd kisten tee inscheepten.

“Van Foochow zeilden we rechtuit naar ’t eiland Decima, waar de Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.

“We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer ’n grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder wederwaardigheden aankwamen.

“Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was, om net zoveel van ’n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op ’n kampanjedek heeft gelopen.

“De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg, toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had moeten zorgen, kop in éénmuts was met de leverancier van de Kompanjie, en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar ’t noodlot wilde dat de Eerste stuurman zelf ’t slachtoffer werd van zijn bedrog.

“Op zekere dag, kort na ’t middagmaal, werden alle offisieren ziek en ik ook. We braakten dat ’t verschrikkelik was en leden aan hevige pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door ’t een of ander voedsel vergiftigd waren.

“Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer beter waren.

“De Tweede stuurman, die nu ’t bevel voerde, wilde de Tafelbaai binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap Agulhas liepen we in ’n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen lang aanhield.

“Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren, maar de reis voortzetten.

“De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis uitzag, over boord geworpen.

“Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas schipvan over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen, 70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.

“Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om ’t schip te hanteren en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust opnieuw door ’n verschrikkelike storm werden overvallen.

“Het roer brak en ’t schip was aan de genade van de golven overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om ’n noodroer samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat ’t schip enigszins handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op ’t dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein en de Derde stuurman, die aan ’t roer waren, over boord. Er was geen kans hen te redden, en nu kwam ’t bevel aan mij. De storm hield aan tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m’n leven heb ik ’t zo zwaar gehad als in die tijd.

“Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om te helpen, en met ’n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan dit te doen.

“Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op ’t spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar ’t weer goed bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.

“Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de bekwame wijze waarop ik ’t schip behouden had, en tevens een ekstra maand gage voor mezelf en de bemanning.

“De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.

“Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.

“Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.

“De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts, vertoonde het zulke gebreken dat ’t afgekeurd werd.

“Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeldgezet en daarna bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog ’n reisje naar Japan.

“Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard, die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan te nemen.

“Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar, in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast en de helft van onze grote mast had meegenomen.

“Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik opgeknapt zijn.”

“Drommels,” zei Hartog, “je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk met je nieuwe rang.”

“Ja,” antwoordde Tuijl, “zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland ’n rustigplekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan de Opstandingsdag.”

“Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal,” meende de praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn met drie glazen.

“Proef die wijn eens, Tuijl,” zei Hartog, “dit is eigen maaksel.”

Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z’n lippen en zei toen:

“Abraham, je was in jouw tijd ’n degelik zeeman, maar ik geloof dat je nog ’n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?”

Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen, maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn, zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.

“Wel, duivekater,” mompelde hij, “ik ben ’n boon, als dat niet Willem Tuijl is!”

“Je hebt goed gezien, Kapitein,” riep Tuijl verheugd uit, en hij sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.

“Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl,” zei de oude kapitein, “maar je hebt nu ’nkapiteinspak aan,” vervolgde hij, en voegde er schertsend bij: “’t moet er beroerd bij de Kompanjie uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!”

“Ze kunnen niet anders doen, Kapitein,” antwoordde Tuijl lachend, “want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten geworden, en boeren of tuiniers.”

Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat “gezelsd” tussen de oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met ’n week hart nam de Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn dochter, voor hij in ’t lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds gezeten was.


Back to IndexNext