HOOFDSTUK XXVI.De dood van Kapitein Knijf.Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar scheen ook ’n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de rupsen of andere insekten ’t wat te bont maakten in de tuin.En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal ’n grap maakte over zijn “Burgemeester’s buik”. Inderdaad was de eetlust van deoude heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld “kop en pootjes” iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en als dit ’s avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn verplicht was te weigeren hem ’n derde of vierde maal te bedienen, wat ze gewoonlik deed met de woorden: “Nee vader, u krijgt niet meer, anders wordt u vannacht nog door ’n beroerte overvallen.”Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan ’t feit, dat hij ’t grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit te veel te vermoeien.Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in de tuin en, niet bemerkende dat ’t weer dreigend werd, plotseling door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in z’n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader van de kapstok en bracht hem die,waarbij ze hem beknorde, dat hij zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich ’n lelike verkoudheid op de hals zou halen.De Kapitein antwoordde echter: “Stil, stil nou Katrijn, ’n mens zou waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in ’n regenbui ben geweest, en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat iets mij overkwam.”“Dat is waar, Vader,” hernam zijn dochter, “maar regenbuien zijn veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik als regenwater.”De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en ’s avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in ’t hart deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor ’t naar bed gaan, een warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze ’s middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl,zond, die in ’t dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij vreesde, dat de oude Kapitein ’n aanval van longontsteking had, en toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, omer de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om ’t leven van de oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend, maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep Katrijn bij zijn bed: “Ik voel, m’n kind,” zei hij met zwakke stem, “dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur heb gekregen en door mij geplant is in ’t midden van de tuin.”Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen door zulk ’n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin zou blijven.Hij overkwam die echter voor ’t ogenblik, maarviel daarna vermoeid op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat ’t einde niet meer ver af was, liet haar man roepen.Toen deze bij ’t bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met moeite de woorden: “Zorg voor haar” kon verstaan, waarop de oude man in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond, met een diepe zucht ’t tijdelike met ’t eeuwige verwisselde.Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had, dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid in hun huis had doorgebracht.Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in ’t midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom, die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.
HOOFDSTUK XXVI.De dood van Kapitein Knijf.Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar scheen ook ’n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de rupsen of andere insekten ’t wat te bont maakten in de tuin.En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal ’n grap maakte over zijn “Burgemeester’s buik”. Inderdaad was de eetlust van deoude heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld “kop en pootjes” iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en als dit ’s avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn verplicht was te weigeren hem ’n derde of vierde maal te bedienen, wat ze gewoonlik deed met de woorden: “Nee vader, u krijgt niet meer, anders wordt u vannacht nog door ’n beroerte overvallen.”Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan ’t feit, dat hij ’t grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit te veel te vermoeien.Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in de tuin en, niet bemerkende dat ’t weer dreigend werd, plotseling door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in z’n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader van de kapstok en bracht hem die,waarbij ze hem beknorde, dat hij zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich ’n lelike verkoudheid op de hals zou halen.De Kapitein antwoordde echter: “Stil, stil nou Katrijn, ’n mens zou waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in ’n regenbui ben geweest, en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat iets mij overkwam.”“Dat is waar, Vader,” hernam zijn dochter, “maar regenbuien zijn veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik als regenwater.”De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en ’s avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in ’t hart deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor ’t naar bed gaan, een warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze ’s middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl,zond, die in ’t dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij vreesde, dat de oude Kapitein ’n aanval van longontsteking had, en toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, omer de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om ’t leven van de oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend, maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep Katrijn bij zijn bed: “Ik voel, m’n kind,” zei hij met zwakke stem, “dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur heb gekregen en door mij geplant is in ’t midden van de tuin.”Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen door zulk ’n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin zou blijven.Hij overkwam die echter voor ’t ogenblik, maarviel daarna vermoeid op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat ’t einde niet meer ver af was, liet haar man roepen.Toen deze bij ’t bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met moeite de woorden: “Zorg voor haar” kon verstaan, waarop de oude man in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond, met een diepe zucht ’t tijdelike met ’t eeuwige verwisselde.Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had, dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid in hun huis had doorgebracht.Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in ’t midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom, die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.
HOOFDSTUK XXVI.De dood van Kapitein Knijf.
Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar scheen ook ’n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de rupsen of andere insekten ’t wat te bont maakten in de tuin.En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal ’n grap maakte over zijn “Burgemeester’s buik”. Inderdaad was de eetlust van deoude heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld “kop en pootjes” iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en als dit ’s avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn verplicht was te weigeren hem ’n derde of vierde maal te bedienen, wat ze gewoonlik deed met de woorden: “Nee vader, u krijgt niet meer, anders wordt u vannacht nog door ’n beroerte overvallen.”Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan ’t feit, dat hij ’t grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit te veel te vermoeien.Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in de tuin en, niet bemerkende dat ’t weer dreigend werd, plotseling door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in z’n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader van de kapstok en bracht hem die,waarbij ze hem beknorde, dat hij zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich ’n lelike verkoudheid op de hals zou halen.De Kapitein antwoordde echter: “Stil, stil nou Katrijn, ’n mens zou waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in ’n regenbui ben geweest, en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat iets mij overkwam.”“Dat is waar, Vader,” hernam zijn dochter, “maar regenbuien zijn veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik als regenwater.”De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en ’s avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in ’t hart deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor ’t naar bed gaan, een warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze ’s middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl,zond, die in ’t dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij vreesde, dat de oude Kapitein ’n aanval van longontsteking had, en toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, omer de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om ’t leven van de oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend, maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep Katrijn bij zijn bed: “Ik voel, m’n kind,” zei hij met zwakke stem, “dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur heb gekregen en door mij geplant is in ’t midden van de tuin.”Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen door zulk ’n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin zou blijven.Hij overkwam die echter voor ’t ogenblik, maarviel daarna vermoeid op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat ’t einde niet meer ver af was, liet haar man roepen.Toen deze bij ’t bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met moeite de woorden: “Zorg voor haar” kon verstaan, waarop de oude man in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond, met een diepe zucht ’t tijdelike met ’t eeuwige verwisselde.Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had, dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid in hun huis had doorgebracht.Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in ’t midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom, die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.
Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar scheen ook ’n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de rupsen of andere insekten ’t wat te bont maakten in de tuin.
En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal ’n grap maakte over zijn “Burgemeester’s buik”. Inderdaad was de eetlust van deoude heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld “kop en pootjes” iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en als dit ’s avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn verplicht was te weigeren hem ’n derde of vierde maal te bedienen, wat ze gewoonlik deed met de woorden: “Nee vader, u krijgt niet meer, anders wordt u vannacht nog door ’n beroerte overvallen.”
Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan ’t feit, dat hij ’t grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit te veel te vermoeien.
Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in de tuin en, niet bemerkende dat ’t weer dreigend werd, plotseling door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in z’n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader van de kapstok en bracht hem die,waarbij ze hem beknorde, dat hij zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich ’n lelike verkoudheid op de hals zou halen.
De Kapitein antwoordde echter: “Stil, stil nou Katrijn, ’n mens zou waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in ’n regenbui ben geweest, en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat iets mij overkwam.”
“Dat is waar, Vader,” hernam zijn dochter, “maar regenbuien zijn veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik als regenwater.”
De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en ’s avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in ’t hart deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor ’t naar bed gaan, een warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze ’s middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl,zond, die in ’t dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij vreesde, dat de oude Kapitein ’n aanval van longontsteking had, en toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, omer de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.
Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.
Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om ’t leven van de oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.
Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend, maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep Katrijn bij zijn bed: “Ik voel, m’n kind,” zei hij met zwakke stem, “dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur heb gekregen en door mij geplant is in ’t midden van de tuin.”
Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen door zulk ’n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin zou blijven.
Hij overkwam die echter voor ’t ogenblik, maarviel daarna vermoeid op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat ’t einde niet meer ver af was, liet haar man roepen.
Toen deze bij ’t bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met moeite de woorden: “Zorg voor haar” kon verstaan, waarop de oude man in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond, met een diepe zucht ’t tijdelike met ’t eeuwige verwisselde.
Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.
Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had, dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid in hun huis had doorgebracht.
Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in ’t midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom, die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.