HOOFDSTUK XXVII.

HOOFDSTUK XXVII.De laatste zeereis van de dochter van de Zeekapitein.Het ene jaar na ’t andere verliep. Simon van der Stel had met verlof van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur geworden, doch deze was een man van ’n geheel ander karakter als zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was, zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier belangen geheel door hem verwaarloosd werden—een voorbeeld spoedig door de andereambtenaren gevolgd,—deden weldra grote ontevredenheid onder de kolonisten ontstaan.In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen ’n bepaalde prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen te Drakenstein en Franschhoek.Op zijn rondreizen door de Kolonie, met ’t doel om ondertekenaars te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in ’t jaar 1704 op Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij z’n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook te tekenen.Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen deed. Teneerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet voor anderen de kastanjes uit ’t vuur halen; hij had niets over de Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld, en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich tegen de Regering te verzetten.“Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur,” zei Adam Tas ten laatste; “dit zal u niet populair maken onder de bevolking van Drakenstein.”“Ge vergist u, meneer Tas,” antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. “Ik ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak, die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen.”Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan terugkwam, vroeg hij ’s avonds plotseling aan Katrijn:“Vrouw, zou je niet weer eens ’n zeereisje willen doen?”Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in ’t schild voerde. “Hoe kom je daar zo opeens toe?” vroeg zij. “Heb je misschien ’n schip gekocht?” voegde ze er lachend bij.“Nee,” zei haar man, “zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik ’t bevel wil nemen over de galjoot dePostloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen, dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om ’t over Holland uit Rusland of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven, omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust hebt om met me mee te gaan of niet.“Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frissezeelucht je geen kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid, want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets van bemerkt.”Katrijn bewaarde enige tijd ’t stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot ’n besluit moest komen, want dat de Goeverneur ’t scheepje spoedig wenste te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid, want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met de Oostkust van Afrika bekend was om ’t bevel van de expeditie op zich te nemen.“Goed, Abraham,” zei Katrijn, “morgenochtend bij ’t ontbijt, zal ik je mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken, gedurende onze afwezigheid.”Hartog antwoordde: “Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee maanden zullen wegblijven en bovendien is er op ’t ogenblik niet veel op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt, kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen.”Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zijdacht aan die grote, prachtige zee, aan ’t vrije leven op ’t schip, aan de opwekkende gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad, terugkeren.En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren, het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer weer z’n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat, als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had, zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor ’t landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte, was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.“Ik zal meegaan,” zei ze tot zichzelf, “en de zee zal me niet overwinnen.”Aan ’t ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, ’t bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude kleren voor zich en haar man in ’n kist, en wat handwerk, en daarmee was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel, en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand voor zich en zijn vrouw op ’t schip bezorgen, kreeg vervolgens op het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste November 1705 met de galjoot de baai uit.Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit ’t Westen, zodat ’t schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig, doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in deBinnenbaai ankeren en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later, toen ’t hoog getij was, waagde Hartog ’t de baai binnen te lopen. De stam van de Abambo’s, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden, op ’n expeditie naar ’t verre binnenland, door een vijandelike stam vermoord. De Abambo’s zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden, zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.Hartog ondernam ’n kleine tocht naar ’t binnenland ten einde de bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en ’n aantal kinderen.Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren in Natal en wel op geringe afstand van ’t strand, zodat men het hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis te aanvaarden.Intussen waren er twee van de bemanning van het schip gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.Op de zandbank in de baai was meer branding dan de Kapitein verwacht had, en voordat hij hem overging, zei hij tot Katrijn, die dicht bij ’t roer stond, dat ze liever wat meer naar ’t midden van het schip moest gaan, en dit deed zij.Hartog nam daarop het roer ter hand dat geen stuurrad had. Toen het schip op de zandbank kwam, wierp de branding ’t uit zijn koers en zwaaide het zo plotseling en geweldig, dat ’t roer omsprong en het handvatsel Hartog ’n geduchte slag op zijn borst toebracht, zodat hij bewusteloos op ’t dek neerviel.Daar het schip nu in een gevaarlike positie lag, snelde de stuurman, Van der Schelling, met enige manschappen te hulp. Katrijn had ’t ongeluk gezien en zat reeds aan de zijde van haar man, die ze vergeefs tot bewustzijn trachtte te brengen. Terwijl de stuurman en twee matrozen zich meester maakten van ’t stuurroer en het schip deden wenden, tilden de anderen Hartog van het dek op en brachten hem naar zijn kajuit. Er was geen barbier aan boord, doch wel een kist met medicijnen, en daar Katrijn met de meeste ervan bekend was, en zij ook wat brandewijn tot haar beschikking had, gelukte ’thaar eindelik om Hartog tot bewustzijn terug te brengen.Hij klaagde echter over hevige pijnen in zijn borst, en Katrijn vreesde dat hij ’t borstbeen gebroken had, maar later bleek dat dit het geval was met de bovenste drie ribben.Aan Hartog was opgedragen om op zijn terugreis iedere geschikte baai binnen te lopen en zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid van het in de buurt groeiende hout te onderzoeken. Er was echter behalve Hartog, niemand aan boord, die genoeg kennis van hout bezat om die taak te volvoeren, en daar hij nu niet in staat was zulks te doen en Katrijn verlangde om zo spoedig mogelik geneeskundige hulp voor haar man te hebben, werd besloten, dat de Postloper rechtuit naar de Tafelbaai zou stevenen en geen enkele haven meer aandoen.Op 8 Maart 1706 ankerde men voor het Kasteel en hees noodsignalen, waarop de Havenmeester met zijn boot naar het schip kwam; de gekwetste Kapitein werd nu voorzichtig in de boot neergelegd en Katrijn nam plaats naast haar man.Hartog werd dadelik naar het Hospitaal gebracht en onder de zorg van de Opperbarbier was hij binnen vier weken hersteld, schoon hij nog geruime tijd, door een lastige hoest geplaagd werd. Op 12 Aprilreed de kar, waarin Hartog en Katrijn gezeten waren, de werf van Goede Hoop op, en werden zij met blijdschap door Nortier en de andere bedienden ontvangen.Zo eindigde de laatste zeereis van Katrijn en van af die dag kwam nooit weer enig verlangen naar de zee in haar hart op.

HOOFDSTUK XXVII.De laatste zeereis van de dochter van de Zeekapitein.Het ene jaar na ’t andere verliep. Simon van der Stel had met verlof van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur geworden, doch deze was een man van ’n geheel ander karakter als zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was, zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier belangen geheel door hem verwaarloosd werden—een voorbeeld spoedig door de andereambtenaren gevolgd,—deden weldra grote ontevredenheid onder de kolonisten ontstaan.In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen ’n bepaalde prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen te Drakenstein en Franschhoek.Op zijn rondreizen door de Kolonie, met ’t doel om ondertekenaars te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in ’t jaar 1704 op Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij z’n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook te tekenen.Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen deed. Teneerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet voor anderen de kastanjes uit ’t vuur halen; hij had niets over de Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld, en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich tegen de Regering te verzetten.“Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur,” zei Adam Tas ten laatste; “dit zal u niet populair maken onder de bevolking van Drakenstein.”“Ge vergist u, meneer Tas,” antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. “Ik ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak, die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen.”Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan terugkwam, vroeg hij ’s avonds plotseling aan Katrijn:“Vrouw, zou je niet weer eens ’n zeereisje willen doen?”Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in ’t schild voerde. “Hoe kom je daar zo opeens toe?” vroeg zij. “Heb je misschien ’n schip gekocht?” voegde ze er lachend bij.“Nee,” zei haar man, “zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik ’t bevel wil nemen over de galjoot dePostloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen, dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om ’t over Holland uit Rusland of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven, omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust hebt om met me mee te gaan of niet.“Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frissezeelucht je geen kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid, want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets van bemerkt.”Katrijn bewaarde enige tijd ’t stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot ’n besluit moest komen, want dat de Goeverneur ’t scheepje spoedig wenste te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid, want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met de Oostkust van Afrika bekend was om ’t bevel van de expeditie op zich te nemen.“Goed, Abraham,” zei Katrijn, “morgenochtend bij ’t ontbijt, zal ik je mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken, gedurende onze afwezigheid.”Hartog antwoordde: “Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee maanden zullen wegblijven en bovendien is er op ’t ogenblik niet veel op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt, kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen.”Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zijdacht aan die grote, prachtige zee, aan ’t vrije leven op ’t schip, aan de opwekkende gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad, terugkeren.En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren, het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer weer z’n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat, als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had, zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor ’t landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte, was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.“Ik zal meegaan,” zei ze tot zichzelf, “en de zee zal me niet overwinnen.”Aan ’t ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, ’t bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude kleren voor zich en haar man in ’n kist, en wat handwerk, en daarmee was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel, en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand voor zich en zijn vrouw op ’t schip bezorgen, kreeg vervolgens op het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste November 1705 met de galjoot de baai uit.Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit ’t Westen, zodat ’t schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig, doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in deBinnenbaai ankeren en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later, toen ’t hoog getij was, waagde Hartog ’t de baai binnen te lopen. De stam van de Abambo’s, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden, op ’n expeditie naar ’t verre binnenland, door een vijandelike stam vermoord. De Abambo’s zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden, zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.Hartog ondernam ’n kleine tocht naar ’t binnenland ten einde de bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en ’n aantal kinderen.Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren in Natal en wel op geringe afstand van ’t strand, zodat men het hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis te aanvaarden.Intussen waren er twee van de bemanning van het schip gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.Op de zandbank in de baai was meer branding dan de Kapitein verwacht had, en voordat hij hem overging, zei hij tot Katrijn, die dicht bij ’t roer stond, dat ze liever wat meer naar ’t midden van het schip moest gaan, en dit deed zij.Hartog nam daarop het roer ter hand dat geen stuurrad had. Toen het schip op de zandbank kwam, wierp de branding ’t uit zijn koers en zwaaide het zo plotseling en geweldig, dat ’t roer omsprong en het handvatsel Hartog ’n geduchte slag op zijn borst toebracht, zodat hij bewusteloos op ’t dek neerviel.Daar het schip nu in een gevaarlike positie lag, snelde de stuurman, Van der Schelling, met enige manschappen te hulp. Katrijn had ’t ongeluk gezien en zat reeds aan de zijde van haar man, die ze vergeefs tot bewustzijn trachtte te brengen. Terwijl de stuurman en twee matrozen zich meester maakten van ’t stuurroer en het schip deden wenden, tilden de anderen Hartog van het dek op en brachten hem naar zijn kajuit. Er was geen barbier aan boord, doch wel een kist met medicijnen, en daar Katrijn met de meeste ervan bekend was, en zij ook wat brandewijn tot haar beschikking had, gelukte ’thaar eindelik om Hartog tot bewustzijn terug te brengen.Hij klaagde echter over hevige pijnen in zijn borst, en Katrijn vreesde dat hij ’t borstbeen gebroken had, maar later bleek dat dit het geval was met de bovenste drie ribben.Aan Hartog was opgedragen om op zijn terugreis iedere geschikte baai binnen te lopen en zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid van het in de buurt groeiende hout te onderzoeken. Er was echter behalve Hartog, niemand aan boord, die genoeg kennis van hout bezat om die taak te volvoeren, en daar hij nu niet in staat was zulks te doen en Katrijn verlangde om zo spoedig mogelik geneeskundige hulp voor haar man te hebben, werd besloten, dat de Postloper rechtuit naar de Tafelbaai zou stevenen en geen enkele haven meer aandoen.Op 8 Maart 1706 ankerde men voor het Kasteel en hees noodsignalen, waarop de Havenmeester met zijn boot naar het schip kwam; de gekwetste Kapitein werd nu voorzichtig in de boot neergelegd en Katrijn nam plaats naast haar man.Hartog werd dadelik naar het Hospitaal gebracht en onder de zorg van de Opperbarbier was hij binnen vier weken hersteld, schoon hij nog geruime tijd, door een lastige hoest geplaagd werd. Op 12 Aprilreed de kar, waarin Hartog en Katrijn gezeten waren, de werf van Goede Hoop op, en werden zij met blijdschap door Nortier en de andere bedienden ontvangen.Zo eindigde de laatste zeereis van Katrijn en van af die dag kwam nooit weer enig verlangen naar de zee in haar hart op.

HOOFDSTUK XXVII.De laatste zeereis van de dochter van de Zeekapitein.

Het ene jaar na ’t andere verliep. Simon van der Stel had met verlof van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur geworden, doch deze was een man van ’n geheel ander karakter als zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was, zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier belangen geheel door hem verwaarloosd werden—een voorbeeld spoedig door de andereambtenaren gevolgd,—deden weldra grote ontevredenheid onder de kolonisten ontstaan.In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen ’n bepaalde prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen te Drakenstein en Franschhoek.Op zijn rondreizen door de Kolonie, met ’t doel om ondertekenaars te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in ’t jaar 1704 op Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij z’n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook te tekenen.Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen deed. Teneerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet voor anderen de kastanjes uit ’t vuur halen; hij had niets over de Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld, en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich tegen de Regering te verzetten.“Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur,” zei Adam Tas ten laatste; “dit zal u niet populair maken onder de bevolking van Drakenstein.”“Ge vergist u, meneer Tas,” antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. “Ik ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak, die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen.”Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan terugkwam, vroeg hij ’s avonds plotseling aan Katrijn:“Vrouw, zou je niet weer eens ’n zeereisje willen doen?”Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in ’t schild voerde. “Hoe kom je daar zo opeens toe?” vroeg zij. “Heb je misschien ’n schip gekocht?” voegde ze er lachend bij.“Nee,” zei haar man, “zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik ’t bevel wil nemen over de galjoot dePostloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen, dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om ’t over Holland uit Rusland of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven, omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust hebt om met me mee te gaan of niet.“Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frissezeelucht je geen kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid, want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets van bemerkt.”Katrijn bewaarde enige tijd ’t stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot ’n besluit moest komen, want dat de Goeverneur ’t scheepje spoedig wenste te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid, want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met de Oostkust van Afrika bekend was om ’t bevel van de expeditie op zich te nemen.“Goed, Abraham,” zei Katrijn, “morgenochtend bij ’t ontbijt, zal ik je mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken, gedurende onze afwezigheid.”Hartog antwoordde: “Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee maanden zullen wegblijven en bovendien is er op ’t ogenblik niet veel op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt, kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen.”Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zijdacht aan die grote, prachtige zee, aan ’t vrije leven op ’t schip, aan de opwekkende gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad, terugkeren.En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren, het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer weer z’n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat, als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had, zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor ’t landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte, was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.“Ik zal meegaan,” zei ze tot zichzelf, “en de zee zal me niet overwinnen.”Aan ’t ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, ’t bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude kleren voor zich en haar man in ’n kist, en wat handwerk, en daarmee was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel, en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand voor zich en zijn vrouw op ’t schip bezorgen, kreeg vervolgens op het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste November 1705 met de galjoot de baai uit.Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit ’t Westen, zodat ’t schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig, doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in deBinnenbaai ankeren en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later, toen ’t hoog getij was, waagde Hartog ’t de baai binnen te lopen. De stam van de Abambo’s, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden, op ’n expeditie naar ’t verre binnenland, door een vijandelike stam vermoord. De Abambo’s zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden, zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.Hartog ondernam ’n kleine tocht naar ’t binnenland ten einde de bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en ’n aantal kinderen.Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren in Natal en wel op geringe afstand van ’t strand, zodat men het hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis te aanvaarden.Intussen waren er twee van de bemanning van het schip gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.Op de zandbank in de baai was meer branding dan de Kapitein verwacht had, en voordat hij hem overging, zei hij tot Katrijn, die dicht bij ’t roer stond, dat ze liever wat meer naar ’t midden van het schip moest gaan, en dit deed zij.Hartog nam daarop het roer ter hand dat geen stuurrad had. Toen het schip op de zandbank kwam, wierp de branding ’t uit zijn koers en zwaaide het zo plotseling en geweldig, dat ’t roer omsprong en het handvatsel Hartog ’n geduchte slag op zijn borst toebracht, zodat hij bewusteloos op ’t dek neerviel.Daar het schip nu in een gevaarlike positie lag, snelde de stuurman, Van der Schelling, met enige manschappen te hulp. Katrijn had ’t ongeluk gezien en zat reeds aan de zijde van haar man, die ze vergeefs tot bewustzijn trachtte te brengen. Terwijl de stuurman en twee matrozen zich meester maakten van ’t stuurroer en het schip deden wenden, tilden de anderen Hartog van het dek op en brachten hem naar zijn kajuit. Er was geen barbier aan boord, doch wel een kist met medicijnen, en daar Katrijn met de meeste ervan bekend was, en zij ook wat brandewijn tot haar beschikking had, gelukte ’thaar eindelik om Hartog tot bewustzijn terug te brengen.Hij klaagde echter over hevige pijnen in zijn borst, en Katrijn vreesde dat hij ’t borstbeen gebroken had, maar later bleek dat dit het geval was met de bovenste drie ribben.Aan Hartog was opgedragen om op zijn terugreis iedere geschikte baai binnen te lopen en zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid van het in de buurt groeiende hout te onderzoeken. Er was echter behalve Hartog, niemand aan boord, die genoeg kennis van hout bezat om die taak te volvoeren, en daar hij nu niet in staat was zulks te doen en Katrijn verlangde om zo spoedig mogelik geneeskundige hulp voor haar man te hebben, werd besloten, dat de Postloper rechtuit naar de Tafelbaai zou stevenen en geen enkele haven meer aandoen.Op 8 Maart 1706 ankerde men voor het Kasteel en hees noodsignalen, waarop de Havenmeester met zijn boot naar het schip kwam; de gekwetste Kapitein werd nu voorzichtig in de boot neergelegd en Katrijn nam plaats naast haar man.Hartog werd dadelik naar het Hospitaal gebracht en onder de zorg van de Opperbarbier was hij binnen vier weken hersteld, schoon hij nog geruime tijd, door een lastige hoest geplaagd werd. Op 12 Aprilreed de kar, waarin Hartog en Katrijn gezeten waren, de werf van Goede Hoop op, en werden zij met blijdschap door Nortier en de andere bedienden ontvangen.Zo eindigde de laatste zeereis van Katrijn en van af die dag kwam nooit weer enig verlangen naar de zee in haar hart op.

Het ene jaar na ’t andere verliep. Simon van der Stel had met verlof van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.

Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur geworden, doch deze was een man van ’n geheel ander karakter als zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was, zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier belangen geheel door hem verwaarloosd werden—een voorbeeld spoedig door de andereambtenaren gevolgd,—deden weldra grote ontevredenheid onder de kolonisten ontstaan.

In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen ’n bepaalde prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.

Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen te Drakenstein en Franschhoek.

Op zijn rondreizen door de Kolonie, met ’t doel om ondertekenaars te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in ’t jaar 1704 op Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij z’n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook te tekenen.

Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen deed. Teneerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet voor anderen de kastanjes uit ’t vuur halen; hij had niets over de Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld, en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich tegen de Regering te verzetten.

“Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur,” zei Adam Tas ten laatste; “dit zal u niet populair maken onder de bevolking van Drakenstein.”

“Ge vergist u, meneer Tas,” antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. “Ik ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak, die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen.”

Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.

Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan terugkwam, vroeg hij ’s avonds plotseling aan Katrijn:

“Vrouw, zou je niet weer eens ’n zeereisje willen doen?”

Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in ’t schild voerde. “Hoe kom je daar zo opeens toe?” vroeg zij. “Heb je misschien ’n schip gekocht?” voegde ze er lachend bij.

“Nee,” zei haar man, “zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik ’t bevel wil nemen over de galjoot dePostloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen, dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om ’t over Holland uit Rusland of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven, omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust hebt om met me mee te gaan of niet.

“Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frissezeelucht je geen kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid, want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets van bemerkt.”

Katrijn bewaarde enige tijd ’t stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot ’n besluit moest komen, want dat de Goeverneur ’t scheepje spoedig wenste te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid, want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met de Oostkust van Afrika bekend was om ’t bevel van de expeditie op zich te nemen.

“Goed, Abraham,” zei Katrijn, “morgenochtend bij ’t ontbijt, zal ik je mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken, gedurende onze afwezigheid.”

Hartog antwoordde: “Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee maanden zullen wegblijven en bovendien is er op ’t ogenblik niet veel op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt, kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen.”

Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zijdacht aan die grote, prachtige zee, aan ’t vrije leven op ’t schip, aan de opwekkende gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad, terugkeren.

En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren, het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer weer z’n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat, als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had, zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor ’t landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte, was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.

“Ik zal meegaan,” zei ze tot zichzelf, “en de zee zal me niet overwinnen.”

Aan ’t ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, ’t bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.

Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude kleren voor zich en haar man in ’n kist, en wat handwerk, en daarmee was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel, en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.

De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand voor zich en zijn vrouw op ’t schip bezorgen, kreeg vervolgens op het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste November 1705 met de galjoot de baai uit.

Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit ’t Westen, zodat ’t schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.

De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig, doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in deBinnenbaai ankeren en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later, toen ’t hoog getij was, waagde Hartog ’t de baai binnen te lopen. De stam van de Abambo’s, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden, op ’n expeditie naar ’t verre binnenland, door een vijandelike stam vermoord. De Abambo’s zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden, zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.

Hartog ondernam ’n kleine tocht naar ’t binnenland ten einde de bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en ’n aantal kinderen.

Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren in Natal en wel op geringe afstand van ’t strand, zodat men het hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis te aanvaarden.Intussen waren er twee van de bemanning van het schip gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.

Op de zandbank in de baai was meer branding dan de Kapitein verwacht had, en voordat hij hem overging, zei hij tot Katrijn, die dicht bij ’t roer stond, dat ze liever wat meer naar ’t midden van het schip moest gaan, en dit deed zij.

Hartog nam daarop het roer ter hand dat geen stuurrad had. Toen het schip op de zandbank kwam, wierp de branding ’t uit zijn koers en zwaaide het zo plotseling en geweldig, dat ’t roer omsprong en het handvatsel Hartog ’n geduchte slag op zijn borst toebracht, zodat hij bewusteloos op ’t dek neerviel.

Daar het schip nu in een gevaarlike positie lag, snelde de stuurman, Van der Schelling, met enige manschappen te hulp. Katrijn had ’t ongeluk gezien en zat reeds aan de zijde van haar man, die ze vergeefs tot bewustzijn trachtte te brengen. Terwijl de stuurman en twee matrozen zich meester maakten van ’t stuurroer en het schip deden wenden, tilden de anderen Hartog van het dek op en brachten hem naar zijn kajuit. Er was geen barbier aan boord, doch wel een kist met medicijnen, en daar Katrijn met de meeste ervan bekend was, en zij ook wat brandewijn tot haar beschikking had, gelukte ’thaar eindelik om Hartog tot bewustzijn terug te brengen.

Hij klaagde echter over hevige pijnen in zijn borst, en Katrijn vreesde dat hij ’t borstbeen gebroken had, maar later bleek dat dit het geval was met de bovenste drie ribben.

Aan Hartog was opgedragen om op zijn terugreis iedere geschikte baai binnen te lopen en zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid van het in de buurt groeiende hout te onderzoeken. Er was echter behalve Hartog, niemand aan boord, die genoeg kennis van hout bezat om die taak te volvoeren, en daar hij nu niet in staat was zulks te doen en Katrijn verlangde om zo spoedig mogelik geneeskundige hulp voor haar man te hebben, werd besloten, dat de Postloper rechtuit naar de Tafelbaai zou stevenen en geen enkele haven meer aandoen.

Op 8 Maart 1706 ankerde men voor het Kasteel en hees noodsignalen, waarop de Havenmeester met zijn boot naar het schip kwam; de gekwetste Kapitein werd nu voorzichtig in de boot neergelegd en Katrijn nam plaats naast haar man.

Hartog werd dadelik naar het Hospitaal gebracht en onder de zorg van de Opperbarbier was hij binnen vier weken hersteld, schoon hij nog geruime tijd, door een lastige hoest geplaagd werd. Op 12 Aprilreed de kar, waarin Hartog en Katrijn gezeten waren, de werf van Goede Hoop op, en werden zij met blijdschap door Nortier en de andere bedienden ontvangen.

Zo eindigde de laatste zeereis van Katrijn en van af die dag kwam nooit weer enig verlangen naar de zee in haar hart op.


Back to IndexNext