Ongetwijfeld zijn er menschen, die zooveelverstandelijke zelfbeheersching bezitten en zoo totaal onverschillig zijn voor omstandigheden, dat zij kunnen nalaten op hem te letten en zijn bestaan vergeten. Dit zijn mannen van den hoogsten rang en men kan niet verwachten, dat zij talrijk zijn onder de predikanten noch in eenigen anderen stand. Voor hen bestaan er geen regels en ook geen hinderpaal; zij zijn onverstoorbaar en onweerstaanbaar. Op gewone menschen oefent de oproerling een verbitterenden en ontstemmenden invloed uit, zoodat een prediker, bewust of onbewust, altijd rekening met hem houdt en de volgorde van de punten der preek wordt tot op zekere hoogte geregeld door het bestaan van dien man. Als de dominee een vriendelijk en vreesachtig man is, dan kan het gebeuren, dat hij al te zorgvuldig is en dingen verzwijgt, die hij behoorde te zeggen uit vrees van te beleedigen. In plaats dat de preek recht op haar doel afgaat en haar bestemming bereikt met zoo weinig mogelijk verlies van tijd en ruimte, wordt zij vreesachtig en nederig van stijl. De predikermaakt allerlei noodelooze omschrijvingen om toch maar niet gegrepen te worden door zijn vitter of hij maakt voortdurend allerlei voorbehoud uit vrees aanstoot te geven aan dezen machtigen man. De menschen zullen een vaag gevoel krijgen van zwakte, maar zij kunnen de oorzaak ervan niet gissen.
Veronderstel, daarentegen, dat de predikant een sterk en beslist man is, maar niet behoort tot de geestelijk zeer hoogstaanden van ruimer opvatting, dan beroert de oproerling hem op eene andere wijze. Zoodra de predikant begint te spreken, zet hij zich ertoe dezen man onder handen te nemen en hem tot bezinning te brengen. Diens karakter en daden worden omschreven, veroordeeld; de prediker bespot en bedreigt hem. De oordeelen der Heilige Schrift worden hem naar het hoofd geworpen; hare bevelen worden hem als een last op den rug gelegd; hij wordt buiten gesloten van de uitnoodigingen van het Evangelie en hij wordt voorgesteld als sprekend te gelijken op alle slechtaards uit deBijbelsche Geschiedenis. Iemand, die de toespeling begrijpt, zal meenen, dat deze man hard behandeld is; maar wie iets verder in het geval doordringt, zal inzien, dat de dominee slachtoffer is. De prediker is bitter en wraakzuchtig geworden; de preek heeft bevalligheid en teederheid verloren; en ik weet niet, wat erger is: een prediker zonder grootmoedigheid of een preek zonder adel. Neem dien man weg van zijn plaats in de kerk en de dominee zal er zich toe zetten om vromen en zondaars toe te spreken in de liefde Gods.
De oproerling doet zich ook kennen door het belemmeren van de werkzaamheid der Kerk, zoowel in arbeid als in liefdegaven.
Mocht hij bijvoorbeeld een plaats bekleeden in de Zondagsschool, dan zal hij twist maken niet het hoofd ervan en met elk der andere onderwijzers om beurten, totdat hij heel alleen staat voor de school en dan begint hij te jammeren over het gemis van Christelijke offervaardigheid. Als hij wordt aangesteld tot penningmeester van een fonds, in de gedachte, dat hij daardoor ietste doen zal hebben, dan zal om zijn persoon niemand meer iets willen geven eraan; en als hij geen penningmeester is, zal hij overal gaan vertellen, dat het fonds meer kwaad doet dan goed en dat zij, die het goed meenen met de Kerk, niet eraan moeten bijdragen.
Boven en behalve al deze onheilen, die hij te weeg brengt, vergiftigt hij het kerkelijk leven zoodanig, dat het in plaats van tot zegen en eendracht te voeren, slechts bitterheid en krakeel kweekt. Als er een twist is in de Kerk, dan zal deze man hem opblazen tot een ruzie; en als het mogelijk is twee menschen tegen elkaar op te zetten, zal hij het zeker doen. Als er een eerlijk meeningsverschil is, draagt hij zorg, dat een veete ontstaat en als er een nieuw voorstel te berde gebracht wordt, dan verbittert hij de bespreking ervan.
Wellicht is de beste handelwijze tegenover zoo'n man hem niet uit te schelden of tegen hem te razen, maar hem alleen te laten staan. Even als de natuur soms een ettergezwel vormt en het met de een of andere stof zoodanigomgeeft, dat het afgescheiden wordt van het lichaam, zoo moet die man ingesloten worden in een plaats voor hem alleen.
Mocht hij een aanmerking maken op kerkelijke zaken, laat dan een ander antwoorden met een opmerking over het weer; als hij begint te vitten op een preek, laat dan iemand hem beklagen over zijn slechte spijsvertering. Als hij opstaat om te spreken in een kerkvergadering, laat de stilte dan voelbaar zijn en laat de voorzitter dadelijk, als hij uitgesproken heeft, tot het volgende punt van bespreking overgaan, alsof er niets gezegd was. Als men er niet buiten kan hem toe te spreken, dan is de beste manier hem te behandelen als een onmogelijkheid en hem te omringen met een net van belachelijkheid, want daardoor geeft men veel onschuldig vermaak aan andere menschen en men treft hem in zijn eenige zwakke punt. Zoo verlaten of uitgelachen, zal hij naar een andere Kerk gaan en dan—dan zinge de verloste Gemeente eenTe Deum!
Te een of ander tijd, en misschien heel plotseling, komt een Gemeente tot inzicht van het feit, dat een zekere wederwaardigheid den dominee heeft getroffen, die zijn kracht van dag tot dag sloopt en misschien zijn leven zoowel als dat van de Gemeente met den ondergang bedreigt. Het heeft niets te maken met zijn karakter, want hij is werkelijk een veel heiliger man en misschien ook een veel wijzer man dan hij vóór twintig jaren was en stellig begaat hij minder vergissingen in woord en daad dan in de dagen zijner jeugd. Ook staat het niet in verband met zijn herderlijken arbeid—wanthij is meer dan ooit de raadgever en vriend der menschen, die tot hen spreekt met rijker levenservaring en grooter liefde. Het zou ook niet geheel juist zijn te zeggen, dat zijn preeken aanstoot geven, want die zijn waarschijnlijk even degelijk en nuttig als vroeger. Inderdaad, hij zegt dezelfde dingen, die hij placht te zeggen tot groote voldoening en op dezelfde wijze als hij gewoon was ze te zeggen... lang geleden.
Er hapert niets aan hem, tenzij dan dat hij niet meer zoo vlug loopt als eertijds, dat hij wat langzamer spreekt en dat hij de vorige week een sterker bril moest aanschaffen, dat hij niet altijd hoort, wat men tot hem zegt, dat zijn haar van grijs tot wit overgaat, dat hij vermoeid wordt bij het beklimmen van een heuvel. Er is met hem gebeurd, wat er met alle andere menschen gebeurt: hij wordt oud.
Zoodra de Gemeente dat feit merkt—en het kan soms jaren duren, eer men het ziet—beginnen de bestuurders der Gemeente zich minder op hun gemak te gevoelen. Ouderdomheeft zijn voordeelen in de Bediening des Woords, maar hij heeft ook zijn duidelijk merkbare nadeelen en wanneer men de balans opmaakt, heeft de Gemeente misschien gelijk in de meening, dat zij aan den verliezenden kant is en niet aan den winnenden onder de Bediening van een oud man. Eén zaak is zeker—en dat is een zeer ernstige zaak—een dominee wordt op een zekeren leeftijd bijna ontoegankelijk voor nieuwe denkbeelden. Natuurlijk verschilt die leeftijd voor onderscheiden mannen en het is gevaarlijk ook maar een gissing te wagen, daar de lezer altijd wel de een of andere uitzondering zal weten. Er zijn menschen, die na hun dertigste jaar geennieuwegedachten toelaten tot hen door te dringen—mannen van hopelooze stompzinnigheid, die al hun levensdagen een nachtmerrie voor hun Gemeente zijn; en er zijn mannen, wier geest op hun tachtigste jaar nog open staat voor de nieuwste ideeën—mannen van buitengemeene verstandelijke frischheid en levendigheid.
Voor den middelmatigen mensch komt er een tijd, dat zijn geest vast wordt en dat zijn meeningen totaal onveranderlijk blijven. Wellicht neemt hij geen aanstoot aan de ontdekkingen der jongeren; maar zich ermee vereenzelvigen doet hij zeker niet. Hij zal zich misschien niet verzetten tegen nieuwe wijzen van optreden maar ze aannemen zal hij stellig niet. Zijn prediking kan juist zoo goed zijn als zij vroeger was, omdat zij dezelfde is, zonder eenige toevoeging of nieuwe gedachte; maar zij kan wellicht verkeerd zijn, vergelijkenderwijs sprekend, omdat er eigenlijk nieuwe stof in wezen moest en dat zij ook meer verband moest houden met den tijd, waarin wij leven.
De middelbare leeftijd is geneigd eenig wantrouwen te koesteren tegen het opkomend geslacht en een zekere jaloerschheid te gevoelen van zijn standpunt, zoodat de man van middelbaren leeftijd soms vervalt tot vitlust en kwaaddenkendheid. Hij wordt langzamerhand een rem aan het rijtuig en hoewel de rem eennuttig ding is in zekere omstandigheden, is zij toch niet geschikt om in de plaats van paarden gebruikt te worden.
Wanneer een predikant geplaatst is in een stad, dan is het een ernstige vraag of hij, na de zestig eenigen tijd achter den rug te hebben, nog wel in staat is zijn werk naar behooren te verrichten. De menigte bijkomende werkzaamheden in een stedelijke parochie, het drukke leven, de groote inspanning van den geest en de zware verantwoordelijkheid eischen een man in den bloei des levens, met een vlug begrip en een sterk lichaam. Zooals de toestand nu is, zou het heel goed zijn, indien mannen na twintig jaren dienst in een stad zich terugtrokken en een rustiger arbeidsveld zochten in een landelijke Gemeente. Zij zouden, als het ware, geplaatst kunnen worden op de lijst der half gepensionneerden.
Daarenboven is het niet te ontkennen, dat de man van middelbaren leeftijd door geheel en al afscheid te nemen voor zich zelf van de jeugd, ook in veel opzichten ophoudt in verbinding testaan met jonge menschen. Zij mogen eerbied voor hem gevoelen en hij moge belang in hen stellen, zij hebben niet meer een gemeenschappelijke wijze van zich uit te drukken en koesteren verschillende sympathieën.
Zij zijn geneigd hem te beschouwen als een „stoffel” (en als man van middelbaren leeftijd, meen ik, dat wij inderdaad wat onnoozel worden), terwijl hij hen allicht wat „wuft” vindt. Er zijn weinig menschen, die de gaping tusschen twee geslachten kunnen overbruggen en even goed kunnen omgaan met de jongen als met de ouden en de moeielijkheid wordt eer grooter dan kleiner. En dit alles is het nadeelig gevolg van het oud worden of zelfs maar het overschrijden van den middelbaren leeftijd.
Wat moet er dan gedaan worden met dien ongelukkigen man? De moeielijkheid wordt zoo klemmend gevoeld, dat een voornaam godgeleerde van onzen tijd—die nu overleden is—voorstelde, dat een dominee, zoodra hij den bloeitijd des levens was gepasseerd, ergens zou heengebracht (ik vermoed naar de een of andere overdekte plaats) en daar doodgeschoten worden. Zijn meening was, dat rustende geestelijken op dezelfde wijze zouden behandeld worden als versleten paarden. Het is altijd gevaarlijk geweest ironisch te spreken in Engeland sedert den tijd vanSwift, want ofschoon het Engelsche volk elke andere deugd van de wereld bezit, het heeft zeker geen vlug begrip voor humor en ik ben er niet zeker van, dat er niet menschen waren, die geloofden, dat dit barbaarsche voorstel ernstig gemeend was. Voorzeker sprak hij in den geest van eenige ondankbare armzalige Gemeenten, voor wie het een heele opluchting zou wezen van een ouden dienaar af te komen op de snelste en goedkoopste manier. Misschien zou het ook een vriendendienst zijn aan den dominee, wanneer deze bemerkt dat hij een sta-in-den-weg wordt voor hen, die hij liefheeft en die hem eens liefhadden, wanneer men hem op de een of andere manier den genadeslag gaf; maar daar zijn wetten, die deze krachtige methodevan wegzending verhinderen en men moet het denkbeeld van een slachtplaats voor geestelijken opgeven.
Men heeft dan vier manieren van handelen met dezen ongelukkigen man, die, indien hij eenig gevoel van gepastheid had gehad, fatsoenlijk zou gestorven zijn na een kortstondige en hartroerende ziekte in den leeftijd van zestig jaar en de eerste manier is, dat de Gemeente niets doet en hem zijn leven laat eindigen op den preekstoel. Naar alle waarschijnlijkheid placht hij, ongeveer dertig zijnde, te zeggen, dat hij nimmer dominee zou blijven na het geel worden zijner bladeren; dat hij er zich over verwonderde, hoe oude menschen niet konden zien, dat hun tijd voorbij was en dat zij beter zouden doen kool te gaan planten in een dorpstuintje. Toen hij deze brave dingen zei, stond hij aan den anderen kant van de heg, en nu, nu hij tweemaal zoo oud is, heeft hij een heel anderen kijk op de dingen. Hij verklaart, dat hij zich nooit in zijn leven jonger gevoeld heeft danthans en nooit geschikter om te preeken. Bij gelegenheid wordt hij heldhaftig en verklaart, dat, zoolang hij de preekstoeltrappen kan opklauteren, hij zal voortgaan en dat hij zal sterven in het harnas.
Dwaze menschen (meestal oude dames) zullen hem wijsmaken, dat hij nooit zoo gepreekt heeft als den vorigen Zondag en hij zal het oor leenen aan dezen kleinen kring van bewonderaars en weigeren raad aan te nemen van verstandige menschen, die zijn welzijn op het oog hebben en die het plan opperen, dat hij vrijwillig een ambt zal nederleggen, dat hij zoo eervol vervuld heeft. Zoo zal het er toe komen, dat Kerk en stad een van de droevigste treurspelen zullen aanschouwen: een man bezig de Gemeente te verstrooien, die hij eens vergaderd heeft en zijn goeden naam weg te werpen, dien hij eens won.
Of de Gemeente kan misschien zich verstouten en er op staan dat de waardige oude heer een medewerker, een collega neemt. „Wij zoudenniet gaarne uwe diensten missen,” zoo spreekt de een of andere sluwe diplomaat, die weet, dat de dominee, om niet te spreken van diens vrouw, hem voortdurend met wantrouwende blikken gadeslaat. „Wij wenschen alleen u te ontlasten van het zwaarste gedeelte van uwen arbeid. Zou het niet goed wezen, dat wij een sterken, jongen man aanstelden, die de catechisaties op zich nam en al het bijkomstige werk en die één keer per dag zou preeken om u vermoeienis te besparen en u gelegenheid te geven van tijd tot tijd eens vacantie te nemen? Gij zijt wel goed geweest, dat ge geen hulp voor de prediking gevraagd hebt, maar de Gemeente voelt, dat het niet meer dan plicht is u blijvende hulp te geven. Daarenboven,” en nu verzwakt de afgezant en voelt, dat de domineesvrouw hem met verachting aanziet als een ontdekt bedrieger en een verbazend leugenaar, „het zou zoo goed zijn voor een jong man het voordeel te hebben uw prediking te hooren en uw raadgevingen in te winnen.”
Zeer waarschijnlijk zal de oude heer, na een samenspreking met zijn vrouw en haar vriendinnen, weigeren iets te maken te hebben met een collega; hij zal verklaren, dat hij een dergelijken maatregel zal voorstellen, zoodra hij dien werkelijk noodig acht, en erbij voegen, dat er niets akeliger is voor een jongen man dan zijn tijd door te brengen met niets te doen. Misschien zal hij nog erbij zeggen, en met diep leedwezen zeggen, dat eenige invloedrijke lidmaten van de Gemeente hem verzekerd hebben, dat de inmenging van een collega al het werk zou vernietigen, dat hij heeft opgebouwd en oorzaak van scheuring zou wezen.
Mocht echter de dominee er in toestemmen een collega te hebben, dan zullen de gevolgen in negen van de tien gevallen bedroevend zijn. Een van beiden, of de oude man zal zoo heerschen over zijn jongeren broeder, dat de laatste geen kans zal hebben zelfstandigheid te ontwikkelen en ooit tot volmaking te komen, of de jonge man zal zich tegen den ouden inzetten en gesteund doorde jongere lidmaten den ouden dominee uit de Kerk drijven. Het was inderdaad een onverstandige en onnatuurlijke positie, dat twee mannen gelijke macht zouden bezitten en dat wordt er te erger op, naarmate beiden meer afhankelijk zijn van de openbare meening. Heeft men er ooit van gehoord, dat er twee kapiteins op hetzelfde schip waren, twee opperbevelhebbers van één leger of zelfs twee machinisten bij één machine? En toch komt het voor, dat verstandige menschen voorstellen, niet dat een dominee een hulpprediker zal nemen, maar een collega om met hem gelijk te staan in macht en verantwoordelijkheid.
Natuurlijk kan een Gemeente het den man, die haar gediend heeft gedurende de beste jaren van zijn leven, zoo zuur maken, dat hij geen keus heeft en blij is te kunnen heengaan, zelfs al staan eenzaamheid en armoede voor de deur. Wanneer een Gemeente dien weg inslaat om den band te verbreken, dan begint men te wanhopen aan het Christendom. De laaghartigstekoopman, die op een cent dood blijft, zou een ouden kantoorklerk niet zoo behandelen als Christenen soms een armen en versleten dominee bejegenen. Zij hebben zijn jeugd en zijn mannelijke krachten verbruikt en al zijn geestdrift en zijn vuur; zij hebben den bloesem van zijn geest en den oogst zijner ziel genoten. Voor hen leefde en dacht hij; voor hen putte hij zich uit in zijn krachtige dagen elken Zondag en is hij voortgegaan zijn laatste krachten te verslijten. Al wat er uit hem te halen was, hebben zij genoten en nu, na een paar jaar hem te hebben gadegeslagen, zijn ze tot het besluit gekomen, dat zijn beste tijd voorbij is en zij doen hem een misleidend aanbod en verzoeken hem heen te gaan. Dan gaan zij, met de pet in de hand, naar den een of anderen bekenden jongen dominee en smeeken om zijn gunst, verklarende dat hunne harten naar hem zijn uitgegaan en dat zij gelooven, dat het overeenkomstig Gods wil is, dat hij hun dominee zij. En hij, op zijn beurt, komt en spoedig hoort men hem zeggen, dat ergeen getrouwer menschen zijn. Laat hem maar een poosje wachten.
Zou het niet beter zijn, dat elk kerkgenootschap of elke Kerk een plan voor emeritaat ontwierp op ruime schaal met twee voorwaarden? De eerste voorwaarde behoorde te zijn, dat elke predikant, zeg op vijf-en-zestigjarigen leeftijd zou uittreden uit den werkelijken dienst en dat hij na dien tijd kon optreden als helper zijner broederen of rustig leven, al naar hij verkoos. De tweede voorwaarde moest zijn, dat hij een pensioen ontving van niet minder dan de helft van zijn traktement, tot, laat ons zeggen, een bedrag van drieduizend zeshonderd gulden (£ 300). Mocht iemand beweren, dat zulk een wet willekeurig is, dan antwoord ik daarop, dat zeker elke predikant liever nog door een wet dan door geweld gedwongen zou worden tot aftreden en dat hij in goed gezelschap zou zijn, want hij zou het lot deelen van alle zee- en landofficieren en elken burgerlijken ambtenaar en elken geëmployeerde aanieder groot lichaam in de gansche beschaafde wereld.
En de Kerk mag niet onderdoen voor den Staat. Zij moet staat maken op de personen, die haar dienen, voor haar zichtbaar wèlslagen en haar doel behoort te zijn, dat elke Gemeente een dominee heeft in de volle kracht zijns geestes en zijns lichaams, en dat elke man, die zich heeft afgesloofd in den dienst der Kerk, behoorlijk onderhouden wordt voor zijn overige levensdagen.
Er is, behalve onzedelijkheid en ongeloof, niets dat een grooter beletsel is voor de geestkracht der Kerk dan naar verhouding een groot aantal oude en zwakke dominees in werkelijken dienst. Want dit beteekent verouderde godgeleerdheid, verwaarloozing van de jongere leden, ontoegankelijkheid voor de nieuwere denkbeelden, en een eindeloos gekibbel. Niets zou zekerder bijdragen tot vernieuwing van de geestkracht der Kerk dan een bij een wet geregeld emeritaat op voldoende voorwaarden voor elken predikantboven de vijfenzestig jaar. Want dit zou beteekenen niet alleen een reserve van geschikte mannen, waarop de Kerk kon rekenen in geval van nood, maar een onophoudelijken toestroom frissche gedachten.
Tegenwoordig hebben de Gemeenten een grief tegen oude dominees, die meenen, dat zij jong zijn en oude predikanten hebben een grief tegen Gemeenten, die geen eerbied hebben voor den ouderdom en tusschen die twee partijen komen vele onaangenaamheden en vredebreuken voor.
Wanneer de Kerk even goed bestuurd wordt als een koopmanszaak van den eersten rang, dan zal die bestaande vijandschap verdwijnen en niemand zal in de Christelijke Kerk meer geëerd en geliefd worden dan de getrouwe predikant, die haar gediend heeft in de volheid zijner kracht en nu gedurende zijn welverdiende rust haar verrijkt met zijn raadgevingen.
Lofgezangen maken een deel uit van de openbare godsdienstoefening bij elke Christelijke Vereeniging—behalve bij de Kwakers, die ik soms benijd—en ik wensch dadelijk te zeggen, dat ik niet voornemens ben te preeken voor de afschaffing van het loflied. De vromen van het Oude Testament hadden een muzikalen dienst, die voldoende was om het hart van een ritualist met wanhoop te vervullen en men kan zich maar flauwtjes voorstellen wat een zuur leven de priester had, wiens taak het was het tempelorkest te verzorgen en die moest omgaan met de bespelers van instrumenten. De heiligen vanhet Nieuwe Testament begonnen zonder een orkest, en schenen waarlijk gedurende eenigen tijd bij de regeling hunner lofzangen de beginselen van het gezond verstand toegepast te hebben, zingende zoo goed mogelijk met blijde lippen en kloeke harten in donkere gevangenissen. Maar even als vele andere beste menschen, wisten ze niet precies, wanneer zij gelukkig waren en langzamerhand vonden zij zwaarmoedige liederen uit, die een bijzonder zwak zijn geweest van alle Christenen van alle geslachten.
Men is wel eens benieuwd ernaar, hoe de Kwakers er zoo vreedzaam kunnen uitzien en waarom hun eeredienst zoo heerlijk is, en ik ben eenigszins geneigd te gelooven, dat dit komt, omdat zij geen muziek bij hun godsdienstoefeningen hebben. Hadden wij ze ook niet, dan—zou ik willen zeggen—zou een vaak voorkomende oorzaak van twist zijn weggenomen uit menige Gemeente en de dominee zou haast niet weten, wat hij met zijn tijd moest uitvoeren. Toch wensch ik te gelijkertijd duidelijk te verstaante geven, dat ik de muziek beschouw als een noodzakelijk onderdeel van den eeredienst, dat organisten een gedeelte van de kracht der Christelijke Kerk uitmaken en dat ieder, die niet ten volle den leider en de leden van het koor waardeert, een onwetende, slechtaardige Philistijn is.
Indien er eenige twist in de Gemeente is door de muziek, en indien de dominee ooit zich ergert, laat ik dan op den voorgrond zeggen, dat alleen de Gemeente en de dominee te laken zijn. Maar er zijn toch moeielijkheden en het kan goed zijn er over te spreken in een geest van gepaste menschlievendheid. In de eerste plaats dan, is de organist een kunstenaar en elke kunstenaar heeft een bijzonder fijngevoeligen aard, die de gewone holderdebolder manieren van het dagelijksch leven niet verdragen kan. Met een man, gevormd uit gewone klei, zoudt gij spreken op praktische, recht op het doel afgaande, desnoods lompe wijze; ge zoudt met hem redeneeren, hem berispen en hem terecht zettenals hij ongelijk had. Maar met een van kostbaar porselein moet niemand op die wijze handelen of, de kunstenaar zal dadelijk gekwetst worden en zijn ontslag nemen en zijn hartroerende geschiedenis overal rondvertellen, want hij staat boven de kritiek en de openbare meening. Het is onmogelijk hem iets te leeren; het is een beleediging te veronderstellen, dat er verbetering mogelijk is; het is het best aan te nemen, wat hij geeft en te erkennen, dat hij recht heeft te doen zooals hem behaagt en het de plicht is van ieder ander te verklaren, dat, hetgeen hij doet, bij elke gelegenheid, te liefelijk is om onder woorden gebracht te worden en dat de uitwerking ervan bijna te sterk is voor de vermoeide menschelijke natuur. Dit is de schatting, welke de Gemeente behoort te betalen aan den meest geestelijke onder de artisten, den organist.
Men wordt werkelijk boos op den dominee, die beter behoorde te weten en toch zijn eigen plaats vergeet, ten gevolge van gemis aan waardeering der kunst en van een overschatting vanzijn eigen werk. Hij is aanmatigend tegen den organist en wordt billijkerwijs gestraft. De dominee behoort zich te herinneren—en de Gemeente mag hem wel eens erop wijzen—dat zijn werk ondergeschikt is aan dat van den kunstenaar, en dat het overige gedeelte van den dienst geen andere bedoeling heeft dan een steun en een achtergrond aan de muziek te geven. Wat de Gemeente wenscht te hooren is, niet zijn preek, ofschoon ik nooit een organist zich tegen de preek heb hooren verzetten, tenzij de prediker te veel tijd in beslag nam. Werkelijk heb ik reden om te gelooven, dat vele organisten de preek beschouwen als een welkomen rusttijd voor hun overspannen zenuwen. Wat de Gemeente werkelijk begeert is een lofzang te hooren en het wèlslagen van den dag hangt af van den goeden afloop daarvan. Wanneer een predikant dit feit goed ter harte neemt en zorg draagt, dat de menschen, die opgevoerd zijn tot een hemel, die niet door menschelijk geluid kan beschreven worden, niet onbehoorlijkgekweld worden doorzijn domme praatjes, dan is hij ten minste aan één steen des aanstoots ontkomen.
Het is eveneens zeer kwalijk te nemen, als een dominee zich wil bemoeien met de keuze der liederen en altijd denkend aan zijn preek, liederen wil uitzoeken in verband met den inhoud daarvan. Het is best mogelijk, dat de door hem aangewezen liederen uitstekend passen bij den tekst en zeer geliefd zijn bij het volk, maar alleen de organist weet of de wijzen ervan in het liederenboek verheven of platte muziek zijn. De wijsjes vallen zoo in den smaak van het publiek misschien, dat ieder er naar haakt ze te zingen met zijn geheele hart en uit volle borst, maar de organist verbleekt van schrik eenvoudig bij de gedachte, dat een duizendtal menschen zich, om zoo te zeggen, te goed zullen doen aan zijn lekkernij. Het is een voorrecht, en op zijn minst genomen blijft het altijd nog de vraag of het wel een recht is, dat zij in het geheel mogen zingen; maar als het toegestaan wordt, dan moeten zij met beving en vreeze hun vreugde genieten.
Een van de voornaamste pogingen van een degelijken beschaafden organist—er zijn uitzonderingen, dat herinner ik mij nog dankbaar—is bekende zangwijzen uit te roeien en ze te vervangen door arrangementen, die geschikt zijn om de Gemeente te leeren zwijgen. Ik vernam eens een geval—en als ik zoo iets hoor, dan weet ik niet meer, hoe het met mijn broederen geschapen staat—waarbij een dominee in een gloeienden toorn ontstak tegen een organist, omdat deze verheven persoon een wijs op zijn eigen handje had uitgevonden voor „Rots der Eeuwen,” die de vergadering in diepe bewondering deed wegzinken, als het ware in een schoonen droom. Niets verbittert meer een muzikaal gestel dan te hooren, dat het volk, dat altijd bezield is met een ongezonde begeerte om een vreugdevol geraas te maken, zich meester maakt van een werkelijk schoone wijs en haar later totaal ongenietbaar maakt voor fijne ooren. Niets is noodzakelijker dan den lofzang der Gemeente te vrijwaren tegen deze verkeerdhedenen daarom dadelijk op te houden met het gebruiken van al was het de edelste wijze, als de menschen haar eindelijk gepakt hebben.
Alleen onafgebroken waakzaamheid van de zijde van den organist kan de muziek behoeden tegen den strooptocht der Gemeente, want de lieden zijn zoo vol zotte eerzucht, dat zij zelfs er zich toe zullen zetten om vreemde wijzen te leeren en in den loop van een maand het koor zullen overstelpen met muziek, die men voornemens was buiten hun bereik te houden; en de dwarsdrijverij van een predikant, die de Gemeente helpt bij dien verraderlijken inval op een andermans grondgebied verdient al de moeielijkheden, die hem daardoor te beurt vallen.
Er waren tijden—en sommigen onzer, die niet meer tot de jonge lieden behooren, herinneren ze zich—dat geen enkel instrument werd gebruikt bij den eeredienst en toen alle hulp van iets dergelijks, met uitzondering van een stemvork, werd beschouwd als een terugkeertot de beginselen van het Oude Testament. Maar dit waren tijden van duisternis. Heden leven we echter in een meer verlichte eeuw. Een Gemeente zal misschien tegenwoordig zoo weinig aan een dominee geven, dat zijn vrouw nauwelijks weet, hoe ze aan fatsoenlijke kleeren voor het huisgezin moet komen; zij zal wellicht niets, dat de moeite waard is, bijdragen voor uitwendige zending of voor ziekenverzorging—er is geen Gemeente, die eerbied voor zich zelf heeft en niet zal zorg dragen een orgel te bezitten. Menschen, die hun hart verharden tegen de meest nuttige liefdadigheid zullen bijdragen voor een orgelfonds en wat niet door inschrijvingen verkregen kan worden, zal door een bazaar met loterij opgebracht worden. Wanneer het orgel wordt bespeeld door een erkend musicus, die van verre is gehaald, dan zal de Gemeente dien man met ontzag aanzien als een bovennatuurlijk wezen en zij zal de gebeurtenis beschouwen als van meer gewicht dan een herleving van den godsdienst. Men zal ten zeerste verbaasdstaan over de kracht en de verscheidenheid van het geluid, dat hij uit het instrument haalt en als hij de Vox-Humana (register der menschelijke stem) gebruikt, dan kunnen moeders van gezinnen niets meer doen dan elkander aankijken en met het hoofd schudden, als hoorden zij geluiden uit de andere wereld. Wanneer hij behendig den donder nabootst door het orgel in volle kracht te zetten, dan zullen de hoofden der Gemeente zich zelf door teekenen gelukwenschen, omdat iedereen nu kan zien, dat men volle waar voor zijn geld heeft gekregen.
Nadat de voordracht is afgeloopen, speelt de groote man nog wat voor zijn eigen genoegen en wanneer gewone menschenkinderen tot hem kunnen doordringen, dan vraagt een groep van eerbiedige ambtsdragers hem, wat hij denkt van het orgel. Wellicht geeft hij dan op beschermende en voorzichtige manier zijn goedkeuring te kennen, maar hij zorgt er voor goed het getal registers aan te geven, die nog aangebracht moeten worden en aan te wijzen, welkeverbeteringen nog volstrekt noodzakelijk zijn. Inderdaad doet hij de gedachte oprijzen, dat zij nog maar een begin van een orgel hebben en dat de voltooiing ervan vele jaren zal duren en een eindelooze gelegenheid zal aanbieden tot het uitgeven van geld. Misschien zal hij zoo goed zijn te zeggen, dat een duizend gulden drie, vier, besteed voor een of twee verbeteringen, die hij in de gauwte in schets brengt, het instrument vrij bruikbaar zullen maken voor een gewoon organist; maar hij zal hen verlaten onder den indruk, dat de Gemeente minstens tien jaar lang al haar geldelijke hulpbronnen zal dienen uit te putten om het geschikt te maken voor een meester, zooals hij.
Indien de Gemeente een weinig in de hoogte gestoken is door het bezit van een orgel, dan zal niets zoo zeer de ijdelheid en de zelfmisleiding kastijden dan het bezoek van een musicus, die een examen heeft afgelegd en verscheidene letters achter zijn naam heeft; en indien iemand zijn raad verdacht maakt als die van een al tevitlustig speler en veronderstelt dat er nu verder geen twist over dat orgel zal wezen, dan is zeker zijn onnoozelheid aandoenlijk en een bewijs, dat hij nooit iets te maken heeft gehad met muziekinstrumenten op plaatsen van openbaren eeredienst.
Welke beproevingen de Gemeente te voren moge gehad hebben door tocht in het gebouw of kwesties over verwarming of geldelijke moeielijkheden of rustverstoring door oproerlingen, al deze zaken zijn minder dan niets in vergelijking van de buitensporigheden en eischen in verband met haar nieuwe orgel. Als de lucht erin gebracht wordt door werken met de hand, dan blijkt het zoo groot, dat twee blazers noodig zijn en daarom wordt er voorgesteld een hydraulische machine aan te schaffen. Deze machine werkt gewoonlijk twee van de vier Zondagen niet, omdat er geen druk genoeg te krijgen is en dan moeten eenige leden der Gemeente de blaasbalgen bewerken—als men ten minste zoo wijs is geweest die te laten zitten voorvoorkomende gelegenheden en vóórdat zij klaar zijn met hun werk hebben de diakens, wel forsch gebouwd maar niet gewoon aan handenarbeid, een heel nieuwe gedachte omtrent dat orgel gekregen en bepalen zij zich voortaan bij hun plichtplegingen tot de Hebreeuwsche taal.
Langzamerhand zal iemand de meening trachten ingang te doen vinden, dat het orgel behoort bespeeld te worden met electriciteit en de Gemeente, maar vooral de dominee en zij, die bevel voeren in de afdeeling muziek, komen nu te weten, wat eigenlijk wederwaardigheid beteekent. De verandering zal, naar gezegd wordt, zes weken duren en betrekkelijk weinig te beduiden hebben. Inderdaad is er een jaar mee gemoeid, met nog eenige maanden als toevoegsel, en gedurende dien tijd heeft de Gemeente de gelegenheid de verschillende samenstellende deelen van haar orgel te bezichtigen in de zaal en in de lokalen voor bijbellezing en de doorgangen en in de nevengebouwen, waar het ligt in geheimzinnige stukjes en brokjes.
In dien tusschentijd zullen de leden der Gemeente vergeten hebben, dat het onmogelijk is voor welopgevoede lieden God te loven zonder instrumentale muziek en in loutere onnadenkendheid zullen zij hartelijker zingen dan zij in de laatste tien jaar gedaan hebben. Daar er geen orgel is, moeten bekende wijzen worden opgegeven en de menschen zullen verlof hebben God te vereeren uit volle borst. Wanneer onwetende vreemdelingen in de kerk komen, die zich niet herinneren dat er een orgel is, dan zeggen zij, dat zij nooit in hun leven beter hebben hooren zingen en het koor zal zich beleedigd gevoelen door de complimenten over de manier, waarop het de vergadering leidt, daar er immers geen deftig koor is—een paar uitgezonderd—dat het niet als een onbeschaamdheid beschouwt, wanneer de Gemeente het durft volgen en dat er niet op staat alleen zijns weegs te gaan.
Als het orgel eindelijk weer in elkaar zit en de dag aanbreekt, dat er weer op gespeeldkan worden, beweert de Gemeente verrukt te zijn; maar zij heeft toch een boosaardig gevoel, dat de dagen harer vrijheid voorbij zijn. Het was voor de leden der Kerk misschien nog mogelijk, te trachten uit de verte een orgel te volgen, door water gedreven, en gesteund door een daaraan geëvenredigd koor; maar zij zullen niet de stoutheid hebben zich te bemoeien met een orgel, dat electrisch in beweging gebracht wordt en dat bijgestaan wordt door een nog verhevener koor. Indien de Gemeente echter al gewillig is uit een gevoel van beleefdheid te zwijgen, dan wordt het electrische orgel niet door zulke teere beweegredenen beheerscht, want de buitensporigheden ervan zijn eindeloos. Als het vrijwillig er in toestemt vooruit te spelen, dan zal het eindigen in een lang, welluidend gejank, waarvoor niemand den organist aansprakelijk kan stellen, en het zal een even welluidend getoet doen hooren onder het gebed, welke geluiden misschien bedoeld zijn als antwoorden, maar niet als zoodanig zijn gearrangeerd;en dan midden in eenTe Deumzal het, ten gevolge van den eenen of anderen bijzonderen aanleg tot het stichten van verwarring, heil zoeken in een hardnekkig zwijgen. Gedurende de eerste zes maanden na de opening zal het onder dokters handen blijven en gedurende het daaraanvolgende jaar zal het min of meer behept blijven met de gewoonten van een vroolijke en wispelturige jeugd en de Gemeente zal heen en weer slingeren tusschen twee meeningen, een geheime tevredenheid, wanneer het orgel niet speelt, zoodat er een kans is op vrijheid bij het zingen en een sterke begeerte om het op een kar te laden en het in de eerste de beste rivier te doen werpen.
Wat het orgel, bij bouw en vernieuwing en vergrooting en stemming, elk jaar kost aan rente van kapitaal en aan loopende uitgaven, zou voldoende zijn om een zendeling te onderhouden in eenig vreemd land of om een dominee te steunen in een arme stadswijk; en wat het den organist, die zoo ongeveer van alles de schuld krijgt, kostaan bezorgdheid, terwijl de goede man gewoonlijk een uur vóór den dienst in zijn hemdsmouwen aan het tobben is in zijn schuilhoek en wat het der Gemeente kost aan voortdurende verbittering, zou, indien het in gelds waarde kon worden uitgedrukt en vermenigvuldigd met het aantal der Kerken, die dan van een orgel verlost zouden zijn, voldoende zijn om de schulden te delgen van de geheele uitwendige zending van de Angelsaksische wereld.
Mijn eigen ondervinding van een koor en ook van een organist is een zeer aangename en een van de bijzondere zegeningen, die ik niet waardig ben; maar ik beweeg mij in de wereld en ik hoor van tijd tot tijd iets. Daar een koor, zooals men vermoedt, bestaat uit een zeker aantal uitgelezen personen, mannen en vrouwen, die begaafd zijn met muzikaal gehoor en prachtige stemmen en die liefde hebben voor de meest teedere en geestelijke van alle kunsten—de meest beschaafde lieden feitelijk in een Gemeente—is men geneigd aan te nemen, dat de heele atmosfeervan een koor vol liefde en vrede is. Toch worden soms geruchten vernomen, alsof de twisten in sommige kerkkoren alleen in hevigheid kunnen overtroffen worden door de vurigheid van een vereeniging van Iersche patriotten en dat er niets zoo kleingeestig en onbeteekenend kan zijn of het is in staat een koor in vlam te zetten. Alles is aanleiding tot ergernis, zelfs een niets: de directeur van het koor geeft iemand een plaats, die hem niet bevalt, laat hem of haar een partij zingen, die haar of hem niet aanstaat, maakt een aanmerking of geeft een pluimpje aan den verkeerden persoon, een korist waagt een opmerking,—dit alles zijn even zoo veel bronnen van ergernis voor den fijngevoeligen koorzanger. Hij begint te pruilen, maakt onaangename opmerkingen, neemt ontslag of is oorzaak, dat eenige anderen het doen en dan bij de een of andere groote gelegenheid nemen al de koorleden ontslag en nemen een zoo gewichtige houding aan, dat de gebeurtenis even belangrijk beschouwd wordt als een oorlog. In het algemeen mag eenkoor zoo'n standje wel, want het geeft een prikkel aan een kunstenaarsgestel. Maar er zijn toch eenige menschen, die niet ten volle deelen in die blijdschap. Een van dezen is de arme dominee, die zich op een goeden Zondag in de moeielijkheid bevindt zijn eigen voorzanger te zijn en die als middelaar moet dienst doen bij elk twistgesprek; en de anderen zijn de lidmaten der Gemeente, die gevaar loopen ook in vlam gezet te worden door de vonken van dezen muzikalen brand en die nooit zeker ervan zijn of zij niet den een of anderen Zondag verplicht zullen zijn zelf te zingen.
Er zijn oogenblikken, maar misschien zijn het dwaze, dat een zeker iemand met overdreven en beteekenisvollen spijt terugdenkt aan een dorpskerk, waar een voorzanger het van ouds bekende en geëerde schotsche wijsje „Martelaarschap” aanhief met een krachtigen toon en waar een vergadering van mannen en vrouwen met heldere stemmen en sterke longen die wijs volgde, terwijl geen enkele zweeg en het geheele lied gezongenwerd vol vuur, met hier en daar een bas- en een tenorstem, zelfs misschien een altstem er tusschen in om de muziek voller te doen klinken. En er zijn andere tijden, dat diezelfde zeker iemand, die toch eigenlijk beter moest weten, zeer ontroerd is in zijn hart, wanneer hij bij een zendingsbidstond de menschen een van die wijzen hoort zingen die misschien geen zeer goede muziek zijn en die voornamelijk zich leenen tot luid gezang, maar terecht opwekkingsliederen genoemd worden, omdat zij de ziel verkwikken en uitdrukking geven aan de blijdschap dier ziel, die voor het eerst ervaart, dat God haar lief heeft en tot haar redding Zijn eenigen en veel geliefden Zoon heeft gegeven.
Het is een goed ding, dat men hij den lofzang ter eere Gods de hulp heeft van den goeden smaak en de muziek, ondergeschikt aan de rechten der menschen, maar het beste is, dat de menschen zingen met lippen, die God opent en uit harten, die verlost zijn op Golgotha.
Er zijn heel wat veranderingen gekomen in de inwendige inrichting van de kerk sinds de tijden onzer vaderen, maar geen verandering is van meer beteekenis dan die vrije plaatsen, die in verhouding van evenveel gewicht is als de vermindering van de voorrechten in Engeland en de afschaffing van staatkundige onbevoegdheid. Men herinnert zich de goede dagen van ouds, die wij voor een groot gedeelte goed noemen, omdat zij oud waren en nu omsluierd zijn door een nevel van eerbiedige genegenheid. Men ziet de lange rijen van familiebanken, elk zorgvuldig afgescheiden van alle andere en dooreen deur, die van binnen gesloten werd met een stevigen grendel of in geval dat de bezitter van hoogeren stand was met een klein koperen boutje, afgescheiden van het publiek in de gangen.
Indien de huurder van de bank behoorde tot de hoogste kringen van het district, dan bedekte hij haar met laken—rood of groen—, legde er een kussen in van drie duim diep—, dat in zijn plooien het stof verborg van vijfentwintig jaar—en een kastje voor Bijbels, goed gesloten, waarin de boeken voor de godsdienstoefening beveiligd waren tegen vreemde handen. Er waren ook bankjes van een zeer stevige makelij, niet om er op te knielen—want niemand, die in zulk een bank thuis hoorde, zou er ooit aan gedacht hebben zulk een ongepaste houding aan te nemen—maar om er gemakkelijk de voeten op te zetten.
En er was zelfs zoo iets als een plankje, waarop de elleboog gemakkelijk kon leunen, opdat een arme zitter gelegenheid had zijn hoofdop te houden met zijn hand, terwijl hij naar de preek luisterde.
Het was een belangwekkend gezicht en men denkt er nog met genoegen aan, hoe de plaatselijke waardigheidsbekleder des Zondagsmorgens de kerk inkwam om bezit van zijn sterkte te nemen en deel te hebben aan den eeredienst. De bankopsluiter, een slimme oude man, opgebracht in een kerkatmosfeer en op wiens gezicht zelfs de meest duistere leerstellingen te lezen stonden, die een ambtelijk gesprek had gevoerd met de diakens en die vijftig leden van de smalle gemeente had laten voorbij gaan zonder hun meer dan een nauw merkbaar knikje en een opmerking over het weer waard te keuren—met heel onderdrukte stem geuit—komt naar voren om de hoofden der synagoge te ontvangen en hen naar hunne zetels te geleiden. Hij gaat hen voor met statigen tred door de gangen, noch ter rechter- noch ter linkerzijde omziende, gevolgd door de vrouw vanDives, achter haar de kinderen, achter dezen den vreemdeling,die tijdelijk binnen hunne poorten gehuisvest was, en, eindelijk heel achteraan, den zelf-voldanen en verhevenDiveszelf.
Bij aankomst aan de deur van de versterkte heerenplaats, kijkt de bankopsluiter, terwijl hij behendig de deur opent met één hand en ronddraait op één voet, den optocht achter de open deur in het gezicht, terwijl deze nog halfweg de doorgang is. Hij maakt een lichte buiging en kijkt recht voor zich uit, eerbiedig, maar toch niet onbewust van de plaats, die hij inneemt onder de bestuurders der Kerk, terwijl de leden van de familie een voor een binnenkomen en hunne plaatsen innemen, totdat er eindelijk nauwelijks plaats overblijft voor den grooten man zelf. Het is echter voldoende, als hij zich maar juist kan neerzetten, want in dat geval is de invloed van een zwaar lichaam zoodanig, dat de ruimte er door ingenomen, langzamerhand grooter wordt, terwijl de lichtere lichamen in de bank als van zelf inkrimpen onder den dienst, totdatDiveseindelijk op zijn gemak zit.
Zeker, het had eenige moeite gekost om de deur te sluiten en onder den dienst hoorde men haar vaak kraken en men kon niet helpen, dat men hoopte—maar dat was, toen men nog jong was—dat door het een of andere fortuintje de deur eens zou losschieten, en datDives, die er al te sterk op leunde, terneer zou komen in de doorgang.
De bout echter, om niet te zeggen de scharnieren er bij, was stevig gemaakt en de bankopsluiter zag wel, dat alles in orde is zoowel met het oog op veiligheid als op waardigheid, en dan ging hij statig weer terug naar de kerkdeur, niet onbewust ervan, dat hij zich loffelijk had gekweten en dat hij tenminste eenigen indruk had gemaakt bij het plechtstatig nederzetten van den rijken man en zijn familie in hun bank.
Divesontsluit het bijbelkastje met een sleutel, die bevestigd is aan zijn ring en deelt de boeken uit, alsof het een prijsuitdeeling was in een school, terwijl de moeder van het gezin aan de jongste leden zoodanig voorraad lekkers geeft als voldoendezal zijn om uitgeputte schepsels tegen de twee volgende uren te doen stand houden.
Het geval kwam voor, datDivesongehuwd was en niets anders had dan zijn eigen hoogwaardigheid om zijn heerlijkheid te bezetten; maar de plechtige binnenkomst geschiedde geheel op dezelfde wijze en hij zette zich met waardigheid aan het einde der eenzame bank. En als gij zoudt veronderstellen, dat de een of andere vreemde, die een plaats wilde hebben, inDives'bank werd ondergebracht, dan zoudt gij toonen geen verstand te hebben van de bescheidenheid van den bankopsluiter; en als gij u verbeeldt, dat iemand, die zoo maar eens de kerk binnenliep, zou probeeren om binnen te dringen in die majestueuze ledige plaats, dan kan uw verbeelding sterk genoeg zijn, maar zij is nog niet bestand tegen de uitdrukking op het gelaat vanDives.
Vreemdelingen kwamen in vroeger dagen niet in kerken, tenzij als gasten van een der families, omdat ieder zijn eigen kerk had en daar ginghij heen door regen en in de brandende zon, wie er ook preekte en wat er ook daar of elders te doen was. De menschen pochten er in die dagen op, dat zij nooit rondzwierven en het had kunnen gebeuren, dat een geheel onbekende vreemdeling den bankopsluiter had doen wankelen, maar dan zou hij hem, daar hij steeds zich zelf gelijk bleef, in elke gebeurlijkheid, naar zijn eigen bank gebracht hebben, die, met het oog op omstandigheden, dicht bij den preekstoel was, zoodat de zwerver niet behoefde inbreuk te maken op het eigendom van een en ander en tevens onder behoorlijk toezicht gesteld werd.
Wanneer de kerk vol was, dan zag men het haar aan, dat zij stevig en eerbiedwaardig was; dan wekte zij ook de gedachte op aan waardigheid en welvaart en het is billijk erbij te voegen, dat ook een geur van gezinseenheid en huiselijken welstand u zeer aangenaam en troostend aandeed in die gemeente van den ouden tijd.
Als een ouderwetsch man en iemand, die misschien al te zeer ingenomen is met het verledene, met al zijn fouten, wenscht geschokt te worden, dan heeft hij alleen maar een van de hedendaagsche kerken te bezoeken van den nieuwsten trant, die gewoonlijk vrij en open heeten, alsof het herbergen waren of stukken waardeloos land, waar een hoop vuilnis was neergegooid. Het open zijn is zoo ver mogelijk uitgestrekt, want niet alleen zijn er geen deuren aan de banken en geen kastjes voor de Bijbels en geen rugbekleeding en geen kussens, waarin gij kunt weg zinken,—misschien zijn er vloermatten en bidbankjes—en is er nauwelijks eenige afscheiding tusschen de banken, maar wellicht zijn er in het geheel geen banken, alleen stoelen, en gij steekt uw psalmboekje in een rekje aan den rug van den stoel van uw voorman, die gaat verzitten, als gij dat doet en gij knielt tegen dien stoel—als er tenminste mogelijkheid is om te knielen—en dan geeft gij uw voorman een duw, wat hij natuurlijk kwalijk neemt.Het spreekt vanzelf, dat er geen bankopsluiter is, omdat er geen banken behoeven open gedaan te worden en meer dan dat, er is geen bijzondere plaats voor u om te gaan zitten, om de eenvoudige reken, dat ge u kunt nederzetten, waar ge wilt en elken keer ergens anders kunt neervallen, indien ge dat wilt.
Geen pelgrim of vreemdeling behoeft zich te schamen in een hedendaagsche kerk, want alle menschen die er zijn, verkeeren in dezelfde omstandigheden als hij; allen zijn vreemdelingen, daar zij geen recht hebben op een duim breed gronds, en allen zijn pelgrims, daar zij geen tweemaal op dezelfde plaats behoeven te zitten. Niemand kan zich beklagen over de zelfzucht van anderen, want alle dingen zijn gemeenschappelijk bezit.
WanneerDives, opgesloten achter zijn deur, deed denken aan uitsluiting, dan kan tot zijn verdediging worden aangevoerd, dat het de uitsluiting was, die huiselijkheid beteekent, en in die bank was een kleine gemeenschap—die hethuisgezin is. En als er iets gezegd kan worden voor algemeene vrijheid en openheid op grond van de Christelijke broederschap en menschelijke gelijkheid, dan klampt men zich toch nog vast aan het geloof, dat men recht erop heeft onder zijn »eigen” te zijn—dat is te zeggen, met zijn vrouw en zijn eigen kinderen—in het huis van God, en dat men het best God zal vereeren, wanneer men in eenigszins afgesloten kring is.
Misschien zal een bezoeker zich vrijer gevoelen in een vrije en open kerk, maar daar staat tegenover, dat het huisgezin in stukken gebroken wordt aan de deur en geen gemengde menigte kan ooit een zoo sterke Gemeente vormen of een, die een zoo geweldigen indruk maakt op het gezicht als de lange rij van banken, laat ons in dit geval zeggen, zonder deuren en stoffeering, maar waar toch in elk een huisgezin zit, met de moeder aan het hoofd van de bank, den vader aan het achtereind en de jongelingen en jonge dochters tusschen die beiden in. Wantde familie bestond eer dan de Kerk en als de Kerk iets anders zal zijn dan een priesterlijk eigendom of een zaal voor voordrachten, dan behoort zij te berusten op het huisgezin.
De bank is een getuigenis voor de familie en behoort gehandhaafd te blijven, zonder de deuren, en het komt er volstrekt niet op aan of iemand honderd gulden per jaar huur betaalt voor zijn bank of drie gulden. De machthebbenden in de Kerk moeten er voor zorgen, dat ieder gezinshoofd zijn eigen bank heeft, met voldoende ruimte erin voor hem zelf, zijne vrouw en de kinderen, die God hun gegeven heeft. Er is geen enkele reden te bedenken, waarom de rijke niet een flinke som zou betalen voor zijn tehuis in het kerkgebouw. En velen onzer hebben nooit kunnen begrijpen, waarom niet een handwerksman ook iets zou geven voor zijn kerkelijk tehuis. Behoort een Christen niet te doen wat goed is om zijn Kerk te steunen? Ieder man, die zich zelf acht, wenscht te betalen voor zijn huis, hetzij het groot of klein is, en iemands eer iser mee gemoeid te wonen in een armhuis, waar hij geen huur betaalt en afhankelijk is van het publiek. Het is volstrekt niet noodig, dat dit gevoel voor een eigen tehuis en persoonlijke onafhankelijkheid verloochend wordt in het Huis Gods, maar het schijnt eer wenschelijk, dat de man, die werkt en genoeg verdient om een huis te onderhouden waar hij en zijn kinderen zes dagen van de week in een zekere weelde en zelfachting samenleven, ook zijn deel draagt in de onderhouding van het Huis, waar zij God vereeren op den zevenden dag. Het is een armzalig schepsel, die wil dulden, dat een rijke man zijn huishuur betaalt voor de zes dagen, en ik ben nooit in staat geweest eenig onderscheid te zien tusschen het zijn van bedelaar op Zondag of een bedelaar te wezen op Maandag.
Ik zou er echter willen bijvoegen, en met nadruk, dat het bezit van een bank in den zin, waarin iemand zijn huis bezit, een maatstaf is voor karakter en een gelegenheid tot gastvrijheid. Daar is een soort van menschen, wie hetniet alleen spijt, dat zij geen deur aan hun bank mogen hebben, maar die liefst hun bank zouden willen afsluiten met een dak, die het een vreemdeling kwalijk nemen als hij er in komt—ofschoon er overvloed van ruimte is—als was dat een persoonlijke beleediging en die vreemdelingen zullen verjagen, indien zij bij ongeluk erin gebracht zijn vóór hun aankomst. Als zoo'n man maar een halve bank gehuurd heeft, dan durven de kerkedienaars geen andere huurders aannemen voor de andere helft, omdat hij met hen twisten zal over de vraag welke helft zij mogen bezetten, over de kwestie, wie het eerst moet binnen gaan, over een liederenboek, dat niet op zijn plaats ligt of over een vriend, dien zij eens meebrachten en die twee duim van zijn plaats in bezit nam. Billijkerwijze zij gezegd, dat die man in de kerk niet erger is dan elders, want hij is overal een vlegel—jaloersch, twistziek, onherbergzaam, onhandelbaar.
Maar zet als een tegenwicht tegen zulk een misbruik van de bank nu eens mijn bestenouden vriend Jeremias Goedhart. Hij is nu alleen met zijn lieve, beminnelijke gade, want de kinderen hebben zich een eigen tehuis gevormd; maar hij houdt de familiebank en wil in geen geval die opgeven. Somtijds lijkt het den bestuurders van de kerk toe, dat Goedhart wel een banklooze familie bij zich kan nemen, maar zij dringen niet op de zaak aan, daar zij er aan denken, hoe lang hij en de zijnen de bank voor zich gehad hebben en hoe goed hij de ledige ruimte gebruikt. Hij heeft een tal van boezemvrienden, die nu oud en grijs zijn en die van tijd tot tijd met hem en zijn vrouw naar de kerk komen en voelen, dat zij in zeer goed gezelschap zijn. Hij heeft ook een grooten kring van kennissen, die bij honderden geteld kunnen worden, en de personen van dien kring hebben ook de gewoonte wel eens binnen te komen en in zijn bank te gaan zitten; en als hij een vreemdeling aan de kerkdeur ziet, dan kan Goedhart niet laten een woordje tot hem te zeggen, hem welkom te heeten en het bestete wenschen. Als de vreemdeling toevallig een jonge man is, dan neemt hij hem onder den arm en mee naar zijn bank en er bestaat veel kans, dat hij hem naar zijn huis brengt en ten eten vraagt en hem zegt, dat hij maar nooit alleen op zijn kamers moet blijven zitten, maar zijn huis moet beschouwen als een tehuis.
En mevrouw Goedhart vertelt haar vriendinnen met veel voldoening de grootte van den kalfsbout, dien zij op Zondagen hebben, omdat, ofschoon hun eigen zoons zijn heengegaan, zij toch nooit nederzitten zonder eenige jonge mannen als gasten en mijnheer Goedhart leerde hen kennen door de kerkbank. Indien de een of andere familie in de Kerk logés heeft en behoefte aan zitplaatsen, wel dan komen de kinderen van de familie in de bank van Goedhart zitten en worden met open armen ontvangen. Gezegend mogen zijn witte haren en scherpzinnig gelaat zijn, nooit is hij volkomen gelukkig of geniet hij de preek ten volle, tenzij hij zijn behoorlijkaantal gasten heeft; daar zijn tijden, dat hij er een teveel meebrengt en dan wedijveren de andere bankbezitters om het eerst een plaats aan Goedhart aan te bieden.
Zooals hij in de kerk is, is hij tehuis, hand en hart geopend, nooit tevreden, tenzij vrienden komen en gaan, nooit boos dan wanneer zij niet willen blijven eten bij hem, nooit zoo verheugd als wanneer hij een flinke wandeling maakt of een praatje houdt over den ouden tijd met hen, aan wie hij verbonden is door honderd banden van vriendelijke woorden en daden. Zooals hij gehandeld heeft met alle menschen, vreemdelingen zoowel als vrienden, in zijn Kerk en in zijn huis, zoo zal God met hem handelen en wij kunnen als zeker aannemen, dat hem een gastvrije ontvangst wacht daar waar de kerken der aarde veranderd zijn in: het Huis onzes Vaders.
Het is geen overdrijving, wanneer men zegt, dat men in het gebruik dat iemand maakt van zijn geld een maatstafisvoor zijn karakter en een openbaring van zijn aard. Er zijn menschen, die geld verliezen door hun dwaasheden: zoeten inval; daar zijn anderen, die het uitgeven ten gevolge van hun ondeugden—verkwisters; er zijn menschen, die het opgaren met jaloerschheid—gierigaards; er zijn er ook, die het uitzetten in weldaden—zij zijn de wijzen.
Wanneer ik zeg weldoen, dan denk ik niet aan die onberedeneerde liefdadigheid, die geen onderscheidmaakt en die, hetzij zij den vorm aanneemt van aalmoezen aan een luien vagebond of van een ruime gift tot het kweeken van armlastigen, een vloek is en geen zegen, een zonde en niet een plicht. Wij behoeven den raad van onzen Heer aan den rijken jongeling om zijn bezittingen te verkoopen en aan de armen te geven niet letterlijk op te vatten, want ofschoon zulks misschien het eenige bewijs van oprechtheid was, dat hij in die dagen kon geven, zoo zou het een groote ramp zijn in onzen tijd.
Indien een millionair zijn bezittingen te gelde maakte en de opbrengst uitdeelde onder dat droes onzer bevolking, dat niet werkt zoolang het kan bedelen, dan zou hij het grootst mogelijke nadeel doen aan zijn medemenschen. Indien diezelfde millionair zijn fortuin gebruikt om gelegenheid te geven tot eerlijken arbeid, waardoor de menschen zich zelf en hunne gezinnen kunnen onderhouden, dan zal hij aan zijn medemenschen den grootsten zegen verschaffen, die in zijn macht is.
Wat het geval moge geweest zijn in den ouden tijd, er kan niet ontkend worden, dat de man, die in onze dagen een fabriek vestigt in een kleine stad tien maal beter doet dan hij, die zijn kapitaal zou willen gebruiken om een armhuis te stichten.
Wanneer een man behoorlijk voldaan heeft aan de eischen van zijn gezin, en waarvan hij goed heeft zorg gedragen voor de aanvulling der fondsen voor zijne zaken, dan zijn misschien de beste twee dingen, die hij kan doen met het overtollige van zijn kapitaal, het te gebruiken om de kennis van God te doen brengen aan hen, die in de duisternis zitten of de onschatbare gift eener goede opvoeding te doen toekomen aan hen, die hongeren en dorsten naar kennis. Het is zoo treurig, dat vele menschen niet hebben geleerd te geven, maar het is even treurig, dat velen niet weten, waar zij geven moeten. Om goed te geven, moet men zoowel zijn hoofd als zijn hart raadplegen, en leeren geven is een oefening van het brein zoowel als van iemands gevoel.
Er zijn Kerken, die zeer onverstandig geven en het geld, dat zij uitgeven om iets half goed te doen ware beter in de zee geworpen. Zij onderhouden stichtingen voor inwendige zending in arme wijken der stad, wat feitelijk niets anders zijn dan inrichtingen, waar propaganda gemaakt wordt voor pauperisme en de Gemeenten, in die wijken gevormd, bestaan grootendeels uit lieden, die bezwaar hebben om tusschen twee maaltijden te werken. Elk jaar worden er verslagen openbaar gemaakt, die aantoonen hoeveel personen de bijeenkomsten bezochten en op hartverscheurende wijze rekening doen van de ellende, die gelenigd is. Het is een feit, dat, wanneer gij aan een bekwaam organisator zesduizend gulden per jaar geeft om in een flinke achterbuurt te besteden, die man daar, wanneer ge maar wilt, een Gemeente zal stichten van een vijfhonderd leden; en als de leden van de moederkerk er heen wenschen te gaan en tegenwoordig te zijn bij een geestdriftvolle bijeenkomst, dan is het eenig noodige daartoe, dat een vande rijke kerkleden dien avond als gastheer fungeert. De vergadering zal evenmin uit een oogpunt van getalsterkte als uit dat van geestdrift iets te wenschen overlaten en de lieve menschen van de rijke Kerk zullen naar huis gaan met het gevoel, dat zij een bloeiende zending hebben en ontzachelijk veel goeds doen, terwijl er heel veel kans bestaat, dat zij in den godsdienstigen zin des woords in het geheel geen zending hebben en dat hun geld onberekenbare schade heeft berokkend.
Over het geheel genomen komen zendingsinrichtingen, onderhouden op ruime schaal door rijke Gemeenten precies overeen, wat het zedelijk resultaat betreft met de armhuizen, gesticht door menschen, die meer geld hebben dan zij weten te besteden en niet genoeg hersens om te weten, hoe het te gebruiken.
Wanneer het geld, dat rond gestrooid wordt in soepuitdeelingen en dergelijke stichtingen tot het instandhouden van bedelaars en hun gezinnen, gebruikt was voor het bouwen van eendergelijke kerk, waar de eerlijke armen God konden dienen met behoud van zelfachting, of van gezonde woningen, waar de werkmenschen netjes konden wonen tegen matige huur of tot het instellen van een beurs voor studenten, arm in geld maar rijk in hersens om hun in de gelegenheid te stellen hooger onderwijs te genieten, dan zouden de maatschappelijke hervormers reden hebben de Kerk te zegenen en de Kerk zou vrij wat meer goeds verrichten in de gemeenschap.
Een Kerk van het West-End behoeft echter juist niet naar het Oost-End te gaan om zulk kwaad te verrichten, want zij kan, als zij dat wil een kweekplaats van fatsoenlijke landloopers stichten binnen haar eigen grenzen. Wanneer een dominee en de lidmaten zijner Kerk den naam hebben van een week hart te bezitten, wat dikwijls beteekent dat zij wat zwak van hoofd zijn, dan verspreidt zich dat nieuws wijd en zijd en het aantal bezoekers der godsdienstoefening neemt onmiddellijk toe. Kleinhandelaars,die hun zaak tot bloei willen brengen en niet uitsluitend durven vertrouwen op de deugdelijkheid der goederen, die zij verkoopen; jonge lieden, die hun betrekking verloren hebben, omdat zij niet willen werken; dames, die het beneden zich achten om iets te doen voor haar levensonderhoud en deskundigen zijn in wat men zou kunnen noemen fatsoenlijke strooptochten; onbekwame kooplieden, aan wie geen bank honderd gulden crediet zou willen geven, maar die hopen duizend te krijgen door middel van aanhalingen uit de Bergrede—komen zich gezamenlijk nederzetten binnen de beschuttende muren van deze Christelijke schuilplaats.
Als men hen wil gelooven, komen zij allen om de uitmuntendste en aandoenlijkste redenen: omdat bijvoorbeeld hun vorige Gemeente koud was en zij in een warmer atmosfeer wenschten te leven; omdat zij een zegen ontvingen onder de prediking van den dominee en het als een voorrecht beschouwen zijn zielszorg te genieten; omdat zij begeeren eenig goed werk te doenen uit de verte gehoord hebben van den ijver van deze Gemeente; maar hoofdzakelijk wegens het hooge geestelijke standpunt van dominee en lidmaten beiden, dat deze eenvoudige zielen als een magneet heeft getrokken naar hun natuurlijk tehuis.
Hun eigenlijke reden, om het in zuiver Hollandsch te zeggen, is, dat zij geen lust hebben te werken voor hun brood, zooals eerlijke menschen doen en dat zij van plan zijn zich op de Christelijke liefdadigheid te werpen. Zij stellen niet het minste belang er in, wat de dominee preekt of is, mits hij maar geen oordeel des onderscheids hebbe; zij komen alleen en heel eenvoudig om te bedelen. Zij zijn zeer bekwaam voor hun eigen vak en hebben het fatsoenlijk bedelen opgevoerd tot de hoogte eener schoone kunst. Zij beginnen niet, zoodra zij aankomen, te vragen en de allerslimsten onder hen zullen zelfs nooit over geld spreken. Hun wensch is, zooals zij aan den predikant in zijn studeerkamer duidelijk maken een bedeesdheid en kieschheid,die een diepen indruk maken op hem, als hij een eenvoudig vroom man is zonder ervaring, niets anders dan een hoekje in zijn kerk te hebben, waar zij kunnen nederzitten en zich drenken met de zuivere melk van het Woord en het eenige, waarover zij zich bekommerd maken, is, dat zij in de eerste zes maanden niet in staat zullen zijn eenig plaatsengeld te betalen of iets bij te dragen in het fonds voor de zending.
Zij hebben betere tijden gekend en toen was geven hun levensgenot. Een groote tegenspoed heeft de familie gedrukt en zij maken onduidelijke toespelingen op een groote som, verloren of door slecht gedrag van een familielid of door een bankroet en nu zijn zij verplicht hoogst zuinig te leven. Hun strijd om het bestaan, de dominee mag dat aannemen, is zeer moeilijk; maar zij zijn niet gekomen om over zulke dingen met hem te praten, doch, alleen om hem te verzekeren, dat hij hun tot zegen geweest is en om te zeggen, dat zij zoo gaarne zich nuttig zouden willen maken in zijn Kerk. Al kunnenzij niet geven, zij zijn tenminste willig om te werken en kiezen in den regel bij toeval een afdeeling van Christelijken arbeid, waarvan het hoofd rijk is in de goederen dezer wereld en bekend als mild.
Onder het oog van zulk een chef is er geen eind aan de werkzaamheid van onze bedelende vrienden. Zij bieden aan om alles te doen. Zij geven nieuwe plannen voor armenzorg aan de hand; zij brengen de oudere arbeiders in de afdeeling van de wijs door hun drukte en den een of anderen avond komen zij, op een ongelegen uur aandragen met een paar guldens, die zij—zooals toevallig blijkt—uit hun mond gespaard hebben voor een goede zaak. Daar zij niet in staat zijn om iets bij te dragen in de kerkelijke fondsen, maken zij met hun eigen handen eenige onmogelijke kerkezakjes, die zij in alle deftigheid aanbieden aan de ambtsdragers der Kerk en die ontoonbaar zijn en ongeschikt voor gebruik.
Daar zij op geen andere wijze hun dankbaarheidaan den dominee kunnen toonen, komen zij op een avond, man en vrouw samen als collega's in het bedelvak, en verzoeken hem een grootebouffanteaan te nemen, die zijn keel zal beschermen tegen de winterkoude te midden van zijn onmetelijken arbeid, maar waarvan de kleuren en het model hem zouden blootstellen aan een ontslag uit zijn bediening, indien hij het ding droeg. De voorname leden der Kerk ontvangen met verjaardagen en met Kerstmis kaartjes, vol vrome spreuken en opmerkingen; en als een kind het ongeluk heeft eenigszins ernstig ziek te worden, bijv. windpokken of mazelen krijgt, dan komen de bedelende vrienden regelmatig en op treffende wijze vragen. Zij willen niet graag de moeder storen, maar zij hebben zulk een genegenheid opgevat voor den kleinen lieveling, dien zij in de kerk hebben gadegeslagen, dat zij rust noch duur hadden voor zij wisten of de lieve jongen een rustigen dag heeft doorgebracht. Zij willen niet indringerig zijn en zij vergeten niet, dat hun omstandighedenveranderd zijn, maar zij hopen, dat het niet als een beleediging zal beschouwd worden, dat zij een kleinigheidje hebben meegebracht voor het zieke engeltje en zij vragen aan de moeder om een onoogelijk stukje kandij aan het lieve lammetje te willen overbrengen. Er zijn moeders en moeders, maar er is kans, dat de moeder zeer getroffen wordt en in het algemeen, aangenaam aangedaan door zoo veel belangstelling in haar kind, en ofschoon zij verstandig genoeg is om de gift in het vuur te gooien, zal zij toch niet nalaten de gevers met Kerstmis te gedenken.
Wanneer de spinnen het web van fijne draden gespannen hebben, en het aan alle hoeken der Kerk stevig bevestigd is, dan is het opmerkelijk hoeveel vliegen en niet enkel onnoozele, er in vast raken en hoe groot de buit is. De kleerenklasten van de Kerk, zoowel van mannen als vrouwen, staan te hunner beschikking en elke maand wordt gij bij de ontmoeting met onzen bedelaar herinnerd aan den een of anderenouden vriend en het is zeer belangwekkend de kleeren, die de Gemeente gewoonlijk droeg in de Kerk in nieuwe omstandigheden te zien verschijnen. Hun huishuur wordt om beurten betaald door een troepje barmhartige Samaritanen, waarvan elk gelooft, dat hij de eenige is, aan wien ooit werd toegestaan den dienst te bewijzen en die het doet onder belofte van geheimhouding, uit vrees dat schroomvallige menschen, arm maar trotsch, zich gekrenkt zouden gevoelen en dat zij de achting voor zich zelf, die nu, zooals zij zeggen, hun eenige bezitting is, misschien zouden verliezen. De een of andere vriendelijke dokter in de wijk bezoekt hen in geval van ziekte, zooals dat vaak gedaan wordt door deze mannen, zonder geld of eenig ander loon te ontvangen. Medische hulp in den vorm van versterkende middelen, geleiën, vruchten, lekkernijen stroomen zoo voortdurend toe, dat het niet bevreemdend is, dat de lieve kleineAliceniet spoedig herstelt en dat de hulp van het gezin moet worden ingeroepen om de snoeperij op te krijgen.
Later moet de kleineAlice, die met zorg ingewikkeld in doeken en blijkbaar erg zwakjes rondgevoerd is om haar weldoeners persoonlijk te bedanken en die daartoe den meest ongelegen tijd schijnt gekozen te hebben, uit puur medelijden voor een maand naar buitengezonden worden en de liefhebbende familie, die niet leven kan zonderAlice—zij kunnen maar niet vergeten, dat zij vroeger rijk waren—moet noodzakelijk met de herstellende gaan.
Ik zou te veel tijd noodig hebben om te spreken van al de leeningen, die zij aangaan met bijna iedereen, rijken en armen. Als zij zoo iets vragen, dan is het alleen door den uitersten nood gedrongen en onder bittere schaamte; elke leening is de eerste, die zij ooit aangingen en binnen veertien dagen zal het geld zeker worden teruggegeven; als pand voor de richtige nakoming dier belofte wordt een ouderwetsche gouden broche gegeven—het laatste erfstuk der familie. Niet eer dan nadat de lange strooptocht geëindigd is en de bedelaarsverhuisd zijn naar een andere deftige Kerk, die op een behoorlijken afstand ligt, beginnen de menschen hun verschillende aanteekeningen te vergelijken en de rekening op te maken en dan komt men tot de ontdekking, dat naar de laagste schatting het gezin op kosten van de Gemeente heeft geleefd tegen ongeveer twee duizend gulden per jaar.
Deze berekening is natuurlijk, om tot de totale uitgaven te komen, te vermeerderen met wat zij zelf verdiend hebben; maar in den regel kan men aannemen, dat de balans daardoor weinig opgevoerd zou worden. Indien men aan de vrouwelijke helft onzer bedelaars eenigen vorm van arbeid voorstelt, dan krijgt zij het te kwaad met haar aandoeningen, maar kan toch het feit niet verbergen, dat zij zeer beleedigd is. Het is misschien dwaas van haar, verklaart zij onder een tranenvloed, maar haar arme vader, die gewoonlijk in het leger gediend heeft, heeft vaak gezegd, dat geen dochter, die zijn naam droeg, ooit tot werken mocht afdalen en zij voelt aanzijn nagedachtenis verschuldigd te zijn deze edele houding te blijven aannemen en men is dan natuurlijk zoo beschaamd over het barbaarsche voorstel, dat men gaarne een schadeloosstelling betaalt.