De burger haalde een papier uit zijn zak en bood het d’Artagnan aan.—„Een brief!” zeide de jongeling.—„Dien ik hedenochtend heb ontvangen.”—D’Artagnan opende hem, en wijl de avond begon te vallen, naderde hij het venster. De burger volgde hem.
„Zoek uw vrouw niet,” las d’Artagnan, „zij zal u worden teruggegeven, wanneer men haar niet meer zal noodig hebben. Indien gij één enkelen stap doet, om haar weer te vinden, zijt gij verloren.”
„Dat ten minste is duidelijk,” ging d’Artagnan voort; „maar in alle geval is het niets meer dan een bedreiging.”—„Ja, maar die bedreiging doet mij beven, mijnheer! ik ben volstrekt geen held en zeer bang voor de Bastille.”—„Hm!” lispte d’Artagnan, „maar ik ben evenals gij, en kom liefst niet in aanraking met de Bastille. Indien het een degensteek betrof, dat kan er nog mede door.”—„Intusschen, mijnheer! had ik inderdaad in deze omstandigheid op u gerekend.”—„Ja.”—„Daar ik u steeds in het gezelschap zie van musketiers van een zeer ontzaginboezemend voorkomen en weet, dat deze musketiers die des heeren de Tréville en bijgevolg vijanden van den kardinaal zijn, meende ik, dat gij en uw vrienden, door onze arme koningin te hulp te komen, verheugd zoudt zijn Zijne Eminentie een leelijken trek te spelen.”—„Ongetwijfeld.”—„En vervolgens dacht ik aan de drie maanden huur, die gij mij schuldig zijt, en waarom ik u nooit heb gevraagd.”—„Ja, ja! gij hebt mij dit reeds te verstaan gegeven en die reden vind ik voortreffelijk.”—„Daarenbovenis het mijn voornemen, zoo lang gij mij de eer zult aandoen in mijn huis te blijven, u nooit, zelfs niet in het toekomstige, over de huur aan te spreken.”—„Heel goed!”—„En voeg daarbij, indien zulks noodig mocht zijn, dat ik bereid ben u een vijftigtal pistolen aan te bieden, indien gij, tegen alle waarschijnlijkheid, op dit oogenblik om eenig geld verlegen mocht zijn.”—„Kostelijk! Gij zijt dus rijk, mijn beste heer Bonacieux?”—„Ik kan leven, mijnheer! dat kan ik zeggen; ik heb zoo wat twee tot drie duizend kronen inkomen, bijeengegaard door mijn kleine winkelnering, maar vooral door het beleggen van eenige gelden in de laatste reis van den beroemden zeereiziger Jean Mocquet, zoodat gij wel begrijpt, mijnheer!....”
„Ha! zie!” riep de burger.—„Wat?” vroeg d’Artagnan.—„Wat zie ik daar!”—„Waar?”—„Op straat, tegenover uw venster, onder den post van die deur; een man in een mantel gehuld!”—„Hij is het!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en de burger, daar zij elk voor zich zelven hun man hadden herkend.—„Ha! dezen keer,” riep d’Artagnan, zijn degen grijpende, „dezen keer zal hij mij niet ontsnappen!”—En zijn degen uit de scheede trekkende, stortte hij het vertrek uit.
Op de trap ontmoette hij Athos en Porthos, die hem een bezoek kwamen brengen. Zij gingen op zijde, en d’Artagnan vloog als een pijl tusschen beiden door.—„Hei daar! waarheen moet dat?” riepen hem eenparig de twee musketiers na.—„De man van Meung,” antwoordde d’Artagnan, en hij verdween.
D’Artagnan had meer dan eens aan zijn vrienden zijn ontmoeting met den vreemdeling verhaald, zoowel als de verschijning van de schoone reizigster, aan welke die man een zoo gewichtige zending had toevertrouwd. Het oordeel van Athos hieromtrent was, dat d’Artagnan zijn brief in de worsteling verloren had. Volgens zijn denkwijze, en te oordeelen naar het portret, dat d’Artagnan van den vreemdeling had geschetst, kon deze niet anders dan een edelman zijn geweest, en een edelman was niet in staat de laagheid te begaan eenbrief te stelen. Porthos had in dat alles niets anders dan een verliefde samenkomst gezien, welke door een dame aan een minnaar of door een minnaar aan een dame was gegeven, maar die gestoord was geworden door d’Artagnan’s tegenwoordigheid en die van zijn geel paard. Aramis had gezegd, dat dergelijke zaken iets geheimzinnigs bevatten en dat het beter was ze niet te doorgronden.—Zij begrepen diensvolgens uit de weinige woorden, die aan d’Artagnan ontglipten, waarvan sprake was, en daar zij veronderstelden, dat d’Artagnan, na zijn man ingehaald of hem uit het gezicht verloren te hebben, eindelijk weder naar huis zou terugkeeren, klommen zij verder de trap op.
Toen zij de kamer van d’Artagnan binnentraden, was die verlaten; de eigenaar, bevreesd voor de gevolgen, welke de ontmoeting tusschen den jongeling en den vreemdeling zou hebben, had het voorzichtig geoordeeld zich te verwijderen.
D’Artagnan doet zich gelden.
Zooals Athos en Porthos hadden verwacht, kwam d’Artagnan na verloop van een half uur terug. Wederom was zijn man hem ontgaan en als door tooverij verdwenen. D’Artagnan had met getrokken degen al de nabijgelegen straten doorloopen, doch niemand ontmoet, die eenigszins geleek op den man, dien hij zocht. Vervolgens ging hij over tot datgene, waarmede hij misschien had moeten beginnen, namelijk: aan de deur te kloppen, waartegen de vreemdeling had gestaan; maar tevergeefs deed hij den klopper tien of twaalf malen er op nedervallen, niemand antwoordde, doch de buren, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, waren voor hun deuren gekomen en staken den neus buiten hun vensters, hem verzekerende, dat het huis,welks openingen trouwens alle dicht waren, reeds sinds zes maanden onbewoond was geweest. Terwijl d’Artagnan de straten doorliep en op de deuren bonsde, had Aramis zich met zijn twee vrienden vereenigd, zoodat, toen d’Artagnan terugkwam, hij het gezelschap voltallig vond.
„Wel?” riepen eenparig de musketiers, d’Artagnan met een van zweet druipend voorhoofd en door toorn vertrokken gelaat ziende binnenkomen.—„Wel!” hernam deze, zijn degen op het bed werpende, „die kerel moet de duivel in persoon zijn; als een spook, geest, of als een schim is hij verdwenen.”—„Gelooft gij aan spoken?” vroeg Athos aan Porthos.—„Ik geloof aan niets anders dan aan hetgeen ik zie, en dewijl ik nooit spoken heb gezien, geloof ik er niet aan.”—„Volgens den bijbel,” zeide Aramis, „moeten wij er aan gelooven: de schim van Samuel verscheen aan Saul en met leedwezen zou ik aan dat geloofspunt twijfelen, Porthos!”—„Wat hij ook zij, mensch, duivel, stof of geest, iets werkelijks of schijnbaars, hij is mij tot een vloek geschapen; zijn verdwijning berooft ons van een kostelijke zaak, die ons misschien honderd pistolen, ja meer zou hebben bezorgd.”—„Hoezoo?” vroegen gelijktijdig Porthos en Aramis. Athos echter, getrouw aan zijn stelsel van stilzwijgendheid, bepaalde zich d’Artagnan met zijn blik te ondervragen.
„Planchet!” riep d’Artagnan tot zijn knecht, die op dat oogenblik zijn hoofd tusschen de een weinig geopende deur stak, ten einde eenige woorden van het gesprek af te luisteren; „ga naar beneden en verzoek den huisheer ons een half dozijn flesschen Beaugency boven te zenden; die wijn smaakt mij het best.”—„Ei! ei! hebt gij een doorloopend krediet bij uw huisheer?” vroeg Porthos.—„Ja,” antwoordde d’Artagnan, „heden ingegaan en wees gerust, indien zijn wijn slecht is, zullen wij hem anderen doen halen.”—„Men moet gebruiken en niet misbruiken,” zeide Aramis op vermanenden toon.—„Ik heb altijd gezegd, dat d’Artagnan de vindingrijkste van ons allen is,” zeide Athos, die,na zijn meening geuit te hebben, welk kompliment d’Artagnan met een buiging beantwoordde, wederom in zijn gewone sprakeloosheid verzonk.
„Maar ter zake, laat hooren; wat is er aan de hand?” vroeg Porthos.—„Ja,” hernam Aramis, „deel het ons mede, mijn vriend! althans, indien de eer eener vrouw er niet door wordt gekwetst; want in dat geval deedt gij beter, de zaak voor u zelven te houden.”—„Wees gerust,” antwoordde d’Artagnan, „de eer van niemand zal door hetgeen ik u heb mede te deelen gekrenkt worden.”—En daarop verhaalde hij in de minste bijzonderheden aan zijn vrienden, wat er tusschen hem en den eigenaar van het huis gesproken was geworden en hoe de man, die de vrouw des waardigen winkeliers had ontvoerd, dezelfde was, met wien hij voor de herbergde trouwe Molenaartwist had gehad.
„Uw zaak is zoo slecht niet,” zeide Athos, na den wijn als een kenner geproefd en met een hoofdknik de deugd er van te hebben bevestigd, „men zal van dien braven man een vijftig- of zestigtal pistolen kunnen halen; maar nu is het de vraag, of zestig pistolen waard zijn vier hoofden te wagen?”—„Herinner u, dat er een vrouw in betrokken is, een ontvoerde vrouw, die men zeker bedreigt, misschien wel foltert, alleen omdat zij haar meesteres getrouw is!”—„Wees voorzichtig, d’Artagnan!” zeide Aramis, „gij schijnt u met al te veel vuur over het lot van juffrouw Bonacieux te bekommeren. De vrouw is tot ons verderf geschapen en het is uit haar, dat al onze ellende voortspruit.”
Die vermaning hoorende, fronste Athos zijn wenkbrauwen en beet zich op de lippen.—„Het is niet omtrent juffrouw Bonacieux, dat ik mij verontrust,” riep d’Artagnan, „maar wegens de koningin, die door den koning verlaten, door den kardinaal vervolgd, een voor een de hoofden harer vrienden ziet vallen.”—„Waarom bemint zij wat wij bovenal verfoeien: de Spanjaarden en de Engelschen?”—„Spanje is het land harer geboorte, het is dus natuurlijk, dat zij de Spanjaarden, kinderen van hetzelfde land, genegen is.Wat het tweede verwijt betreft, dat gij haar doet, ik heb gehoord, dat zij niet de Engelschen, maar slechts één Engelschman bemint.”—„Op mijn woord, men moet bekennen, dat de Engelschman waardig is bemind te worden. Nooit zag ik voornamere houding dan de zijne: zonder nog van zijn allerprachtigste kleeding te spreken, waarbij niets te vergelijken is,” zeide Porthos. „Ik bevond mij in het Louvre, den dag toen hij zijn paarlen strooide enpardieu!ik raapte er twee van op, die elk mij wel tien pistolen hebben opgebracht. En gij, Aramis! kent gij hem?”—„Zoo goed als gij, heeren! immers, ik bevond mij onder degenen, die hem in den tuin vanAmiëns, waarin de heer de Pétange, de stalmeester der koningin, mij bracht, gevangen namen. Ik was destijds in het Seminarie en dat voorval scheen den koning zeer veel verdriet te veroorzaken.”—„Dat zou mij niet beletten,” zeide d’Artagnan, „indien ik wist, waar de hertog van Buckingham zich bevond, hem bij de hand te nemen en voor de koningin te geleiden, al ware het alleen om den kardinaal woedend te maken; want onze ware, onze eenige, eeuwige vijand, mijne heeren! is de kardinaal; en indien er een middel ware, hem een leelijken trek te spelen, ik beken, dat ik daarvoor gaarne mijn hoofd zou willen wagen.”—„En,” hernam Athos, „heeft de winkelier u gezegd, dat de koningin vermoedde, dat men den hertog van Buckingham op een valschen brief heeft doen overkomen?”—„Zij vreest het.”—„Een oogenblik,” sprak Aramis.—„Hoe!” riep Porthos.—„Ga maar voort, ik tracht mij eenige bijzonderheden te herinneren.”—„En nu ben ik overtuigd,” zeide d’Artagnan, „dat de ontvoering dezer dienares der koningin in verband staat met de gebeurtenissen, waarover wij spreken en misschien ook wel met de tegenwoordigheid van den hertog van Buckingham teParijs.”—„Welk een doorzicht heeft die Gaskonjer!” riep Porthos vol bewondering uit.—„Ik hoor hem gaarne,” zeide Athos, „zijn tongval bekoort mij.”—„Mijne heeren!” zeide Aramis, „luistert eens!”—En de drie vrienden zeiden: „Laat ons naar Aramisluisteren.”—„Gisteren bevond ik mij ten huize van een zeer geleerden doctor in de godgeleerdheid, dien ik bijwijlen ter voortzetting mijner studiën ga raadplegen.”—Athos glimlachte.—„Hij woont in een zeer eenzame wijk,” vervolgde Aramis, „zijn smaak en zijn vak vereischen zulks. Op het oogenblik, dat ik zijn huis verliet....”—Hier zweeg Aramis.—„En vervolgens!” riepen zijn hoorders, „toen gij het huis verliet?”—Aramis scheen in verlegenheid te zijn als iemand, die, bezig met liegen, eensklaps door iets onverwachts in zijn loop gestuit wordt.
Intusschen waren de blikken zijner drie vrienden op hem gevestigd, terwijl zij hun gehoor scherpten; er was geen middel meer voor Aramis zich terug te trekken.
„Die godgeleerde heeft een nicht,” vervolgde Aramis....—„Zoo! heeft hij een nicht?” viel Porthos hem in de rede.—„Een zeer achtenswaardige dame.” antwoordde Aramis.
De drie mannen begonnen te lachen.—„O! als gij lacht of twijfelt,” hernam Aramis, „dan hoort gij niets meer.”—„Wij zijn geloovig als Mahomedanen en stom als grafzerken,” zeide Athos.—„Dan zal ik voortgaan,” hernam Aramis. „Die nicht bezoekt nu en dan haar oom; toevallig was zij gisteren, gelijktijdig met mij, bij hem, zoodat ik mij verplicht vond, toen zij vertrok, haar tot aan haar koets te geleiden.”—„Zoo, zoo! heeft de nicht van den godgeleerde een koets?” riep Porthos, wiens grootste gebrek een buitengewone lostongigheid was; „een heerlijke ontmoeting, mijn vriend!”—„Porthos!” hernam Aramis, „ik heb u reeds meer dan eens doen opmerken, dat gij al te praatziek zijt en zulks u bij de vrouwen tot nadeel strekt.”—„Mijne heeren! mijne heeren!” riep d’Artagnan, die meer doorzicht in de zaak begon te krijgen, „het is iets ernstigs; laat ons dus trachten zoo mogelijk ernstig te blijven. Ga voort, ga voort, Aramis!”—„Een groote kerel, bruin van gelaat en fier van houding.... met manieren als een edelman, zoo een van de soort alsde uwe, d’Artagnan!”—„Misschien dezelfde,” zeide deze.—„Licht mogelijk,” antwoordde Aramis en hij hervatte: „deze naderde mij, vergezeld van vijf of zes mannen, die hem op een afstand van tien schreden volgden. Op den beleefdsten toon der wereld zeide hij mij:
„‚Mijnheer de hertog!’ en zich toen tot de dame richtende, die ik den arm gaf, vervolgde hij: ‚en gij! mevrouw!’”—„Tot de nicht van den godgeleerde?”—„Stil toch, Porthos! gij zijt onverdragelijk,” zeide Athos.—„‚Wees zoo goed in de koets te stijgen en dat zonder den minsten weerstand te bieden, of het minste gerucht te maken.’”
„Hij zag u aan voor Buckingham,” riep d’Artagnan.—„Ik geloof het ook,” zeide Aramis.—„Maar die dame?” vroeg Porthos.—„In deze meende hij de koningin te herkennen,” zeide d’Artagnan.—„Juist,” antwoordde Aramis.—„Die duivelsche Gaskonjer!” riep Athos, „niets ontsnapt hem.”—„Inderdaad,” hernam Porthos, „Aramis is van dezelfde grootte en heeft in zijn houding wel iets van den fraaien hertog; maar het schijnt mij dat het musketiersgewaad....”—„Ik was in een ongewoon grooten mantel gehuld,” zeide Aramis.—„In de maand Juli?” riep Porthos; „vreest de doctor, dat men u zoude herkennen?”—„Ik begrijp volkomen,” hernam Athos, „dat de spion door de houding is misleid geworden; maar het gezicht?”—„Ik had een zeer breeden hoed op,” antwoordde Aramis.—„O, mijn God! wat voorzorgen voor de godgeleerde studiën!”—„Och, heeren! verbeuzelen wij den tijd niet met scherts; begeven wij ons liever, elk voor zich, langs verschillende zijden, ter opsporing der vrouw van den winkelier. Zij is de sleutel derintrigue.”—„Een vrouw van dien nederigen stand! Gelooft gij dat, d’Artagnan?” vroeg Porthos, den mond verachtelijk samentrekkende.—„Zij is de pleegdochter van de la Porte, den vertrouwden kamerdienaar der koningin. Ik heb u dit reeds gezegd, mijne heeren! En buitendien, Hare Majesteit kan opzettelijk haar helpsters in een zoo lagen stand gezocht hebben; hoofden,die uitsteken boven anderen, ziet men van verre, en de kardinaal heeft een scherp gezicht.”—„Welnu,” zeide Porthos, „bepaal vooreerst maar den prijs met den winkelier; maar vooral een goeden prijs.”—„Dat is niet noodig,” zeide d’Artagnan; „want ik geloof, dat, indien hij ons niet betaalt, wij van een anderen kant ruimschoots zullen voldaan worden.”
Op dit oogenblik werd een haastig geloop op de trap gehoord; de deur vloog kletterend open, en de ongelukkige winkelier stortte de kamer binnen, waar de raadsvergadering gehouden werd.—„O, mijne heeren!” riep hij, „redt mij in ’s hemels naam! redt mij! Beneden zijn vier mannen, die gekomen zijn, om mij in hechtenis te nemen; redt mij! redt mij!”
Porthos en Aramis stonden van hun stoelen op.—„Een oogenblikje!” riep d’Artagnan, hun een teeken gevende den degen weder in de scheede te laten zinken, waaruit zij hem ten halve getrokken hadden, „een oogenblikje; hier wordt geen moed vereischt, maar wel voorzichtigheid.”—„Wij zullen toch niet....!” riep Porthos.—„Gij zult d’Artagnan laten begaan,” zei Athos; „hij is, ik herhaal het, de slimste kop van ons allen, en ik, wat mij betreft, verklaar, dat ik hem zal gehoorzamen.... Handel naar goedvinden, d’Artagnan!”
Bij die woorden verschenen de vier wachten voor de deur der voorkamer; maar vier musketiers ziende staan, met den degen op zijde, aarzelden zij nader te treden.—„Komt binnen, heeren! komt binnen,” riep d’Artagnan.... „Gij zijt hier ten mijnent, en wij zijn allen trouwe dienaars van den koning en den kardinaal.”—„Welaan, heeren! gij zult niet beletten, dat wij de bevelen ten uitvoer brengen, die men ons gegeven heeft?” vroeg degene, die de aanvoerder der kleine bende scheen te zijn.—„Integendeel, heeren! en wij zullen u bijstand verleenen, indien zulks noodig mocht zijn.”—„Maar wat praat hij toch?” mompelde Porthos.—„Gij zijt een ezel,” zeide Athos, „stil!”—„En gij hebt mij beloofd....” zeide de winkelier zoozacht mogelijk.—„Wij kunnen u niet redden dan wanneer wij vrij blijven,” antwoordde haastig en even zacht d’Artagnan; „want indien wij den schijn aannemen u te verdedigen, neemt men ons tegelijk met u gevangen.”—„Ik meen echter....”—„Treedt nader, heeren!” zeide d’Artagnan luid, „ik heb geen de minste reden, mijnheer te verdedigen. Het is heden, dat ik hem voor het eerst heb gezien, en nog wel bij gelegenheid, dat hij mij om de huur kwam vragen; hij zal het u zelf zeggen.... Niet waar, mijnheer Bonacieux? antwoord!”—„Dat is de zuivere waarheid!” riep de winkelier; „maar mijnheer zegt u niet....”—„Zwijg over mij, over mijn vrienden en vooral over de koningin, of gij zoudt ons allen in het verderf storten, zonder u zelven te redden.—Welaan, heeren! brengt dien man weg.”
En d’Artagnan stiet den gansch ontstelden winkelier voort en gaf hem in de handen der dienaren, zeggende: „Gij zijt een schoft, mijn vriend! mij om geld te komen vragen; van een musketier geld te eischen! Achter de traliën met hem, heeren! voort, en houdt hem zoo lang achter slot als gij kunt, dat zal mij een goed uitstel van betaling verschaffen.”
De politiedienaren putten zich uit in dankbetuigingen en voerden hun prooi mede. Op het oogenblik dat zij de trap afgingen, klopte d’Artagnan op den schouder van den aanvoerder en zeide, terwijl hij twee glazen met Beaugency wijn vulde, die hem de edelmoedigheid van den heer Bonacieux geschonken had: „Willen wij eerst niet eens op elkanders gezondheid drinken.”—„Dat zal mij veel eer zijn,” zeide de aanvoerder der politiemannen, „en ik neem dit aanbod met dankbaarheid aan.”—„Op uw gezondheid dan, mijnheer!.... hoe is uw naam?”—„Bois-Renard.”—„Mijnheer Bois-Renard!”—„Op de uwe, edele heer! mag ik ook uw naam weten?”—„D’Artagnan.”—„Op uw gezondheid dus, mijnheer d’Artagnan!”—„En bovenal de gezondheid,” riep d’Artagnan, als in geestvervoering, „de gezondheid van den koning en den kardinaal!!”
De aanvoerder der politiedienaren zou misschien aan de oprechtheid van d’Artagnan getwijfeld hebben, indien de wijn slecht ware geweest; maar deze was goed, en hij was overtuigd.
„Maar wat vervloekte lafhartigheid hebt gij daar uitgevoerd?” zeide Porthos, toen de aanvoerder der wacht zich bij zijn manschappen had gevoegd en de vier vrienden met elkander weder alleen waren. „Wel foei! vier musketiers laten een ongelukkige, die zich in hun midden bevindt en hen om hulp smeekt, gevangen nemen! Een edelman met een dievenleider klinken!”—„Porthos!” zeide Aramis, „Athos heeft u reeds te kennen gegeven, dat gij een ezel zijt, en ik vereenig mij met zijn gevoelen. D’Artagnan, gij zijt een groot man! en wanneer gij de plaats van den heer de Tréville zult bekleeden, zal ik uw bescherming inroepen, om mij een abdij te doen verkrijgen.”—„Wat is dat? nu begrijp ik er niets meer van, keurt gij goed wat d’Artagnan heeft uitgevoerd?”—„Pardieu!wel zeker,” zeide Athos, „niet alleen dat ik het goedkeur, maar daarenboven maak ik hem hierover mijn kompliment.”—„En nu, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zonder verder zijn gedrag aan Porthos te verklaren, „allen voor één, één voor allen! dat moet onze leus zijn, niet waar?”—„Echter....” zeide Porthos.—„Steek op de hand en zweer!” riepen gelijktijdig Athos en Aramis. Door het voorbeeld gedwongen en bij zich zelven vloekende, stak Porthos de vingers op, en de vier vrienden herhaalden eenstemmig de door d’Artagnan voorgestelde leus: „Allen voor één, één voor allen!”—„Zoo is het goed! dat elk zich nu naar huis begeve,” zeide d’Artagnan op een toon, alsof hij geheel zijn leven nooit iets anders gedaan had dan bevelen geven; „en weest op uw hoede; want van nu aan zijn wij met den kardinaal in oorlog!”
Een muizenval in de zeventiende eeuw.
De uitvinding der muizenvallen is niet van onzen tijd; zoodra de maatschappijen bij hun tot stand koming slechts een of andere politie hadden uitgevonden, vond de politie op haar beurt de muizenvallen uit. Daar onze lezers zeker niet bekend zijn met de dieventaal van de Jeruzalemstraat,4) en het sedert dat wij schrijven, nu vijftien jaar geleden, de eerste keer is, dat wij dit woord op die zaak van toepassing brengen, gaan wij over tot de verklaring van wat een muizenval is: Wanneer men, in welk huis het ook zij, een persoon heeft in hechtenis genomen, die van de een of andere misdaad wordt beschuldigd, houdt men die gevangenneming geheim; men legt vier of vijf politiedienaren in hinderlaag in het eerste vertrek van het huis: men opent de deur voor allen die kloppen, sluit ze achter hen, waarna zij worden aangehouden. Op die wijze heeft men na verloop van twee of drie dagen bijna al de medeplichtigen des schuldigen in de macht. Ziedaar wat een muizenval is.
4) Het hoofdbureau van politie is nog heden ten dage gelegen in de straat van dien naam.
Men maakte dan van het vertrek van baas Bonacieux een muizenval; elk, die zich dáár vertoonde, werd vastgehouden en door de lieden van den kardinaal verhoord, maar dewijl een afzonderlijke trap naar de eerste verdieping leidde, die door d’Artagnan werd bewoond, spreekt het vanzelf, dat zij, die hem kwamen bezoeken, volstrekt geen onderzoek te ondergaan hadden. Bovendien, bij hem kwamen niet anders dan de drie musketiers. Deze hadden, elk van hun zijde, nasporingen gedaan, maar niets gevonden, niets ontdekt. Athos was zelfs zoo ver gegaan, den heer de Tréville te ondervragen, hetgeen met het oog op de gewone stilzwijgendheid van den waardigen musketier, zijn kapitein veel verwondering had gebaard. Maar de heer de Tréville wistniets dan alleen dat, toen hij het laatste den kardinaal, den koning en de koningin had gezien, de kardinaal er zeer zorgvol uitzag, dat de koning onrustig was, en dat de roode oogen der koningin blijken gaven, dat zij òf gewaakt òf geweend had. Maar deze laatste bijzonderheid had hem weinig getroffen, immers de koningin waakte en schreide dikwijls sedert zij gehuwd was. De heer de Tréville beval evenwel ernstig Athos aan den dienst des konings, en vooral dien der koningin, ter harte te nemen en verzocht hem dezelfde aanbeveling aan zijn krijgsmakkers te doen.
Intusschen kwam d’Artagnan het huis niet uit, en had hij zijn kamer ingericht om van daar uit alles, wat in de nabijheid voorviel, gemakkelijk te kunnen gadeslaan. Van uit zijn venster zag hij diegenen naderen, welke in de val gingen loopen; vervolgens had hij de steenen uit den vloer gelicht, dien hij diep opgroef; en toen, slechts door een enkele planken zoldering van de kamer gescheiden, waar de verhooren plaats vonden, hoorde hij alles, wat er tusschen de inquisiteurs en de beschuldigden voorviel. De verhooren, voorafgegaan door een nauwkeurig onderzoek van den persoon des aangehoudenen, luidden bijna altijd als volgt: „Heeft mejuffrouw Bonacieux u iets ter hand gesteld voor haar man of voor iemand anders?—Heeft de heer Bonacieux u iets ter hand gesteld voor zijn vrouw of voor iemand anders?—Hebben een van beiden u mondeling het een of ander geheim toevertrouwd?”
„Indien zij iets wisten, zouden zij het niet vragen,” dacht d’Artagnan. „Maar wat willen zij weten? Indien de hertog van Buckingham zich niet teParijsbevindt, noch met de koningin een samenkomst heeft gehad of moet hebben....”
D’Artagnan bleef bij dat denkbeeld berusten, dat, na al hetgeen hij vernomen had, niet zoo onwaarschijnlijk was. Intusschen was de muizenval steeds in werking, en de waakzaamheid van d’Artagnan ook.—Op den avond van den dag na dien, waarop de arme Bonacieux werd in hechtenis genomen, terwijl Athos d’Artagnanverliet om zich naar den heer de Tréville te begeven, en het negen uur had geslagen, en Planchet, die het bed nog niet had opgemaakt, hieraan begon, hoorde men aan de straatdeur kloppen: onmiddellijk werd de deur geopend en weder gesloten: iemand was in de val geloopen. D’Artagnan snelde naar de van steenen ontbloote plek des vloers, ging op den buik liggen en luisterde.
Weldra werden er angstkreten gehoord, vervolgens een gekerm, dat men trachtte te smoren. Van een ondervraging was geen sprake.—„Duivelsch!” zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat het een vrouw is; men onderzoekt haar kleeding, zij biedt weerstand, men doet haar geweld aan.... De ellendelingen!”—En d’Artagnan, ondanks zijn voorzichtigheid, had moeite zich niet bij het tooneel te voegen, dat onder hem plaats had.—„Maar ik zeg u, mijne heeren, dat ik de vrouw des huizes, dat ik juffrouw Bonacieux ben; geloof mij, ik ben in dienst der koningin!” riep de ongelukkige vrouw.—„Juffrouw Bonacieux!” mompelde d’Artagnan, „zou ik gelukkig genoeg geweest zijn om datgene te vinden, waarnaar allen zoeken?”—„Gij zijt het juist, die wij wachten,” antwoordden de ondervragers.
De stem werd hoe langer hoe onduidelijker; een stommelend gerucht deed het houtwerk kraken. Het slachtoffer verdedigde zich, zooveel als het aan een vrouw mogelijk was aan vier mannen weerstand te bieden.—„Ik smeek u, heeren!.... ik....” stamelde de stem, die slechts eenige onafgebroken woorden deed hooren.—„Zij stoppen haar den mond dicht! zij gaan haar voortsleepen!” riep d’Artagnan, opspringende als door een springveer bewogen. „Mijn degen! Ha! ik heb hem op zijde. Planchet!”—„Mijnheer!”—„Ga spoedig Athos, Porthos en Aramis halen. Eén van drieën zal zeker te huis zijn, misschien wel alle drie. Laten zij zich wapenen; dat zij zich spoeden hier te komen. Ha! ik herinner mij, Athos is bij den heer de Tréville!”—„Maar waarheen gaat gij, mijnheer? waarheen gaatgij?”—„Ik ga het venster uit om des te eer beneden te zijn; leg gij de steenen weer op hun plaats, veeg den vloer, ga de voordeur uit en begeef u daar, waar ik u zeg.”—„O, mijnheer! mijnheer! gij zult den hals breken!” riep Planchet.—„Zwijg, uilskuiken,” zeide d’Artagnan. En met de eene hand zich aan den rand van het venster vasthoudende, liet hij zich van de eerste verdieping op straat vallen, zonder het minste letsel te bekomen, daar de hoogte niet veel beteekende. Vervolgens klopte hij aan de deur en mompelde bij zich zelven: „Ik zal op mijn beurt mij in de val laten vangen; maar ongelukkig de katten, die zich aan een muis als ik zullen wagen.”
Nauwelijks was de klopper onder de hand des jongelings neergevallen, of het gerucht hield op en voetstappen naderden, de deur werd opengedaan, en d’Artagnan stormde met blooten degen het vertrek van baas Bonacieux binnen, welks deur, waarschijnlijk door een veer, vanzelf achter hem dichtviel.
Zij, die toen het rampzalig huis van Bonacieux bewoonden en ook de naaste buren hoorden een luid geschreeuw, voetgetrappel en degengekletter en een onophoudelijk gedruisch van brekend huisraad. Een oogenblik daarna konden zij, die opmerkzaam door dat geweld gemaakt aan de vensters waren gekomen, om er de oorzaak van te ontdekken, de deur zien openen en vier in het zwart gekleede mannen er niet zien uitgaan, maar als verschrikte raven uitvliegen, terwijl zij op den grond en op de hoeken der tafels de veeren hunner vleugels achterlieten, dat is te zeggen, de lappen van hun kleederen en de slippen van hun mantels.
D’Artagnan, dit moet gezegd worden, kostte het weinig moeite overwinnaar te zijn, want één slechts der politiedienaren was gewapend en verdedigde zich alleen in schijn. Het is waar, dat de drie anderen den jongeling met stoelen, zitbankjes en aarden potten naar het hoofd wierpen, maar een paar schrammen, door de kling van den Gaskonjer hun toegebracht, hadden hun schrik aangejaagd. Tien minuten waren voldoendegeweest om hen op de vlucht te jagen en d’Artagnan was meester van het slagveld gebleven. De buren, die hun vensters hadden geopend met die koelbloedigheid, welke den bewoners vanParijsin die tijden van oproer en eeuwigdurende vechtpartijen zoo eigen was, sloten ze weer, na de vier in het zwart gekleede mannen te hebben zien wegloopen, bij zich zelven verzekerd dat voor het oogenblik alles gedaan was. Bovendien was het reeds laat en toen, zooals nog tegenwoordig, ging men in de wijk van het Luxembourg vroegtijdig te bed.
D’Artagnan, nu alleen met juffrouw Bonacieux gebleven, wendde zich tot haar. De arme vrouw lag op een leuningstoel, bijna in zwijm. D’Artagnan beschouwde haar met een vluchtigen blik. Zij was een bekoorlijke vrouw van vijf of zes en twintig jaar, een brunette, met blauwe oogen, een klein wipneusje, schitterend witte tanden en rozerood, als opaal schitterend vel. Dit was alles, wat haar voor een voorname dame zou hebben kunnen doen aanzien; want hoewel blank, waren de handen niet teer en de voeten duidden geen adellijke afkomst aan.
Gelukkig was d’Artagnan nog zoo ver niet gevorderd, om bij deze bijzonderheden stil te staan. Terwijl hij juffrouw Bonacieux stond te beschouwen en, zooals wij zeiden, hiermede tot aan de beenen was gekomen, zag hij op den grond een fijn batisten zakdoek liggen, op welks punt hij hetzelfde naamcijfer herkende, dat hij op den zakdoek had gezien, die bijna de oorzaak van een gevecht tusschen hem en Aramis was geweest. Sedert dat oogenblik vertrouwde hij de zakdoeken, waarop geborduurde geslachtswapens stonden, maar zeer weinig meer; hij stak dan ook zonder één woord te spreken dengene, dien hij had opgeraapt, in den zak van juffrouw Bonacieux. Juist kwam juffrouw Bonacieux tot haar zelve; zij opende de oogen en zag angstig rond, bemerkende, dat het vertrek ontruimd was en zij zich alleen met haar bevrijder bevond. Dadelijk reikte zij hem glimlachend haar hand toe. Juffrouw Bonacieux had den bekoorlijksten glimlach, dien men zien kon.
„O, mijnheer!” riep zij, „zijt gij het, die mij gered hebt? Veroorloof mij u mijn dankbaarheid te betuigen!”—„Juffrouw!” zeide d’Artagnan, „ik heb niets meer gedaan dan hetgeen ieder edelman in mijn plaats zou gedaan hebben; gij zijt mij dus niet de minste dankbaarheid verschuldigd.”—„Ja wel, mijnheer! en ik hoop u het bewijs te geven, dat gij geen ondankbare een dienst hebt bewezen. Maar wat wilden toch die lieden, die ik aanvankelijk voor dieven aanzag en hoe komt het, dat de heer Bonacieux niet hier is?”—„Mejuffrouw! die lieden waren oneindig gevaarlijker dan dieven zouden kunnen zijn, want het waren politieagenten van den kardinaal; en wat uw man, den heer Bonacieux betreft, deze is niet te huis, dewijl men hem gisteren in hechtenis heeft genomen, om hem naar de Bastille te brengen.”—„Mijn man in de Bastille!” riep juffrouw Bonacieux. „Ach, mijn God! Wat heeft de goede, arme man dan toch uitgevoerd? hij, de onschuld zelf.”—En iets, naar een glimlach gelijkende, zweefde op het nog angstige gelaat der jonge vrouw.
„O, juffrouw! wat hij heeft uitgevoerd,” zeide d’Artagnan, „ik geloof, dat zijn eenige misdaad die is, van tegelijk het geluk en het ongeluk te hebben uw man te zijn.”—„Hoe, mijnheer! gij weet dan....?”—„Ik weet, mejuffrouw! dat men u heeft ontvoerd.”—„En door wien, weet gij dat? O, indien gij het weet, zeg het mij dan!”—„Door een man van tusschen de veertig en vijf en veertig jaar, zwart van haar, bruin van gelaat en met een litteeken op den linkerslaap des hoofds.”—„Dat is zoo, maar hoe is zijn naam?”—„O, zijn naam, dien ken ik niet.”—„En is het mijn man bekend, dat ik ontvoerd ben?”—„Hiervan was hem kennis gegeven door een brief, dien hem de ontvoerder zelf geschreven had.”—„En vermoedt hij,” vroeg juffrouw Bonacieux eenigszins aarzelende, „de reden dezer ontvoering?”—„Hij schreef het, geloof ik, aan staatkunde toe.”—„Ik heb er al dadelijk aan getwijfeld en nu geloof ik het ook.... Dus heeft de goede mijnheer Bonacieux niet een oogenblik mij gewantrouwd?”—„O,verre van daar, juffrouw! hij was al te hoovaardig op uw deugd en vooral op uw liefde.”—Een tweede, bijna onmerkbare glimlach teekende zich op de rooskleurige lippen der schoone, jonge vrouw.—„Maar hoe,” vroeg d’Artagnan, „hoe is het u mogelijk geweest te ontvluchten?”—„Ik heb van een oogenblik gebruik gemaakt, dat ik alleen was; en daar ik sinds heden morgen wist, wat ik omtrent mijn ontvoering moest denken, liet ik mij met behulp mijner bedlakens uit het venster zakken, en in de verbeelding mijn man hier te zullen vinden, spoedde ik mij herwaarts.”—„Om u onder zijn bescherming te stellen?”—„Och! mijn arme man! ik wist wel, dat hij niet in staat zou zijn mij te verdedigen; maar daar hij ons in andere opzichten van dienst kon zijn, wilde ik hem van iets kennis geven.”—„Waarvan?”—„O, dat geheim behoort mij niet, ik mag het u dus niet zeggen.”—„Buitendien,” zeide d’Artagnan,—„ik verzoek u, mejuffrouw! mij te willen verschoonen, dat, hoezeer krijgsman, ik u voorzichtigheid aanraad,—buitendien geloof ik, dat het hier geen zeer geschikte plaats is om elkander geheimen mede te deelen. De lieden, welke ik op de vlucht heb gejaagd, zullen spoedig met versterking terugkeeren, en wanneer zij ons dan vonden, waren wij verloren. Ik heb wel drie mijner vrienden doen roepen, maar wie weet of men hen heeft te huis gevonden.”—„Ja, ja, gij hebt gelijk!” riep de opnieuw beangstigde juffrouw Bonacieux; „vluchten wij, redden wij ons!”
Bij die woorden nam zij den arm van d’Artagnan en trok hem haastig voort.—„Maar waarheen vluchten wij?” zeide d’Artagnan, „waarheen?”—„Verwijderen wij ons eerst van dit huis, vervolgens zullen wij zien.”—En de jonge vrouw en de jongeling, zonder zich de moeite te geven de deur te sluiten, liepen haastig de Doodgraversstraat door, begaven zich in de straat Fossés-Monsieur-le-Prince, en bleven niet eer staan dan op het plein St. Sulpice.
„En wat zullen wij nu doen?” vroeg d’Artagnan,„en waar wilt gij dat ik u brenge?”—„Ik weet het, om u de waarheid te zeggen, zelve niet,” zeide juffrouw Bonacieux; „mijn voornemen was den heer de la Porte door mijn man te laten verwittigen, opdat die ons nauwkeurig mededeelen zoude, wat er sedert drie dagen in het Louvre was voorgevallen; en of er geen gevaar voor mij was er mij te vertoonen.”—„Maar ik, ik kan den heer de la Porte gaan waarschuwen.”—„Ja, echter is er één beletsel; den heer Bonacieux, dien men daar kent, zal men binnenlaten, maar voor u, die er niet bekend zijt, zal men de deur dicht houden.”—„O ja,” zeide d’Artagnan; „maar gij kent wel aan de een of andere achterdeur van het Louvre een u genegen portier, die op zeker teeken of wachtwoord....”—Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met strakken blik.—„En indien ik u het wachtwoord mededeelde,” zeide zij, „zoudt gij het dan willen vergeten, onmiddellijk na u er van bediend te hebben?”—„Op mijn woord van eer, zoo waar ik edelman ben,” antwoordde d’Artagnan op een zoo overtuigenden toon, dat aan de waarheid niet te twijfelen was.—„Welaan, ik wil u gelooven, gij schijnt mij een braaf jongeling. Buitendien zal deze dienstbewijzing misschien uw fortuin zijn.”—„Ik wil, zonder eenige beloften en naar mijn geweten, alles doen wat den koning dienstig en der koningin aangenaam kan zijn,” zeide d’Artagnan; „beschik dus over mij als over een vriend.”—„Maar waar zult gij mij in dien tusschentijd laten?”—„Kent gij niemand, waar de heer de la Porte u kan komen afhalen?”—„Neen, ik durf mij op niemand vertrouwen.”—„Wacht,” hernam d’Artagnan, „wij zijn in de nabijheid van het huis van Athos. Ja, ik geloof het is wel zoo.”—„Wie is Athos?”—„Een mijner vrienden.”—„Maar als hij te huis is zal hij mij zien.”—„Hij is niet te huis, en ik zal den sleutel medenemen, zoodra gij in zijn kamer zult zijn.”—„Maar als hij terugkomt?”—„Hij zal niet terugkomen; bovendien, men zal hem zeggen, dat ik een vrouw heb medegebracht, en dat die vrouw zich in zijn kamer bevindt.”—„Maarwat zal men wel van mij denken?”—„Wat geeft gij daarom, men kent u niet; en daarenboven de omstandigheden, waarin wij ons bevinden, moeten ons over eenige welvoegelijkheden doen heenstappen.”—„Welaan dan, naar uw vriend! Waar woont hij?”—„Straat Férou, twee schreden van hier.”—„Welaan!”
En beiden hervatten hun tocht.
Zooals d’Artagnan wel had voorzien, was Athos niet te huis; hij nam den sleutel, dien men de gewoonte had hem, als een vriend des huizes, ter hand te stellen, ging de trap op en geleidde juffrouw Bonacieux in de kleine kamer, van welke wij reeds de beschrijving hebben gegeven.—„Hier zijt gij te huis,” zeide hij, „sluit nu de deur van binnen en doe voor niemand open, althans indien men niet tot driemaal op deze wijze klopt; hoor.”—En hij klopte driemaal, tweemaal tamelijk hard en snel achter elkander, en vervolgens nogmaals, maar na een tusschenpoos en wat zachter.
„Goed,” sprak juffrouw Bonacieux. „Nu is het mijn beurt u te onderrichten.”—„Ik luister.”—„Vertoon u voor de kleine deur van het Louvre, aan de zijde der Ladderstraat, en vraag naar Germain.”—„Goed; en dan?”—„Hij zal u vragen, wat gij begeert, en gij zult hem deze twee woorden zeggen:Tours en Brussel. Daarop zal hij dadelijk u zijn dienst aanbieden.”—„En waarmede moet ik hem belasten?”—„Den heer de la Porte, kamerdienaar der koningin, te roepen.”—„En wanneer hij den heer de la Porte geroepen zal hebben en deze zal gekomen zijn?”—„Dan moet gij hem tot mij zenden?”—„Het is wel; maar waar en op welke wijze zal ik u weerzien?”—„Zijt gij er zeer op gesteld om mij weer te zien?”—„Ongetwijfeld.”—„Welnu, laat aan mij de zorg hieromtrent over, en wees gerust.”—„Ik maak staat op uw woord.”—„Reken er op.”
D’Artagnan groette juffrouw Bonacieux, op haar bevallige, kleine gestalte den verliefdsten blik werpende, die hem mogelijk was, en terwijl hij de trap afging, hoorde hij de deur achter zich op het nachtslot draaien.Op een draf snelde hij naar het Louvre; toen hij voor de poort in de Ladderstraat was, sloeg het tien uur.
Al de gebeurtenissen, die wij hebben verhaald, hadden elkander in een half uur opgevolgd. Alles viel voor, zooals juffrouw Bonacieux het had gezegd. Op het geven van het wachtwoord boog zich Germain; tien minuten later was de la Porte in het portiershuisje; met een paar woorden had d’Artagnan hem van een en ander kennis gegeven en hem gezegd, waar juffrouw Bonacieux zich bevond. De la Porte verzekerde zich ten tweeden male van de nauwkeurigheid der woonplaats en verwijderde zich haastig. Nauwelijks echter was hij tien schreden ver, of hij keerde terug.—„Jongeling,” zeide hij tot d’Artagnan, „ik wil u nog een raad geven.”—„Welken?”—„Het is mogelijk, dat men u onaangenaamheden aandoet wegens hetgeen er is voorgevallen.”—„Gelooft gij?”—„Ja. Hebt gij ook een of anderen vriend, wiens uurwerk nagaat?”—„En dan?”—„Ga hem dan bezoeken, opdat hij voor het gerecht getuigen kan, dat gij te half tien bij hem waart. In gerechtszaken heet zulks eenalibi.”
D’Artagnan vond den raad heel voorzichtig, en vliegensvlug snelde hij naar den heer de Tréville; doch in plaats van in de zaal te gaan, waar het gezelschap bij elkaar was, verzocht hij in zijn kabinet te worden binnengelaten. Aan d’Artagnan, als een der huisvrienden bekend, werd zonder moeilijkheden zijn verzoek toegestaan, en men ging den heer de Tréville verwittigen, dat zijn jeugdige landgenoot, die hem iets gewichtigs had mede te deelen, een afzonderlijk gesprek met hem verlangde te hebben. Vijf minuten later vroeg de heer de Tréville aan d’Artagnan, waarin hij hem van dienst kon zijn, en wat de reden van zijn zoo laat bezoek was.
„Ik verzoek u verschooning, mijnheer!” zeide d’Artagnan, die van het oogenblik gebruik had gemaakt, dat hij alleen was geweest, om de pendule drie vierde uurs na te zetten; „maar ik dacht: daar het pas vijf minuten voor half tien was, dat ik mij nog gevoegelijk tot ukonde begeven.”—„Vijf minuten voor half tien!” riep de heer de Tréville op de pendule ziende; „maar dat is niet mogelijk.”—„Zie slechts, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „daar is het bewijs.”—„Het is zoo,” hernam de heer de Tréville; „ik dacht dat het later was. Maar laat hooren, wat is er van uw begeerte?”
Toen sprak d’Artagnan den heer de Tréville wijdloopig over de koningin. Hij gaf hem de vrees te kennen, die hij voor Hare Majesteit koesterde; hij verhaalde hem, hetgeen hij had gehoord omtrent de plannen des kardinaals jegens Buckingham, en dat alles met een kalmte en een gevatheid door welke de heer de Tréville te meer werd misleid, daar hij zelf, zooals wij gezegd hebben, had opgemerkt, dat er iets nieuws tusschen den kardinaal, den koning en de koningin plaats had. Op slag van tien uur verliet d’Artagnan den heer de Tréville, die hem bedankte voor zijn mededeelingen, hem aanbevelende, steeds den dienst des konings en der koningin ter harte te nemen, en die daarop in de zaal terugkeerde. Maar beneden aan de trap herinnerde zich d’Artagnan zijn rottingstok te hebben vergeten; en bijgevolg liep hij overhaast weer naar boven, trad het kabinet binnen, en in een oogwenk draaide hij den wijzer der pendule op het behoorlijke uur, opdat men den volgenden morgen niet mocht bemerken, dat ze niet goed ging; en nu verzekerd, dat hij een getuige had om zijn tegenwoordigheid te bewijzen, ging hij de trap weder af en was spoedig op straat.
De intrigue verwikkelt zich.
Na het bezoek bij den heer de Tréville gedaan, sloeg d’Artagnan peinzende den langsten weg in, om naar zijn woning terug te keeren.—Waaraan dachtd’Artagnan, die, dus van zijn weg afwijkende, nu eens zuchtende, dan weder glimlachende, de sterren des hemels aanschouwde?—Hij dacht aan juffrouw Bonacieux. Voor den kadet-musketier was de jonge vrouw een bijna ideale geliefde. Bekoorlijk, geheimzinnig, ingewijd in bijna al de hofgeheimen, die op haar bevallig gelaat een zoo bekoorlijken ernst verspreidden, vermoedde men, dat zij niet ongevoelig kon zijn, iets, dat voor pasbeginnende verliefden een onweerstaanbare aantrekkingskracht bezit; daarenboven had d’Artagnan haar uit de klauwen dier duivels verlost, welke haar wilden doorzoeken en mishandelen, en die gewichtige dienst had tusschen hem en haar een dier gevoelens van dankbaarheid doen ontstaan, welke zoo gereedelijk van meer teederen aard worden. D’Artagnan zag zich zelven reeds,—zoo snel gaan de droomen voort op de vleugels der verbeelding,—door een boodschapper der jonge vrouw aangesproken, die hem een minnebrief, een gouden ketting of een juweel overbracht.
Wij zeiden, dat de jonge edellieden, zonder zich daarvoor te schamen, van hun koning geschenken aannamen; voegen wij er bij, dat, in dien tijd van gemakkelijke zeden, zij zich voor hun minnaressen niet schaamden, wanneer deze hun gewoonlijk kostbare en blijvende geschenken gaven, alsof zij trachtten de veranderlijkheid hunner gevoelens door de duurzaamheid harer giften te vergoeden. Men maakte toen zijn fortuin door middel der vrouwen, zonder hiervoor te blozen. Zij, die slechts schoon waren, gaven haar schoonheid, en van daar zeker het spreekwoord, dat: het schoonste meisje der wereld niet in staat is meer te geven, dan zij heeft. Zij, die rijk waren, gaven bovendien een gedeelte van hun geld, en men zou een groot aantal helden van dien galanten tijd kunnen aanwijzen, die vooreerst hun sporen niet zouden gewonnen hebben, noch later hun veldslagen, zonder de min of meer gevulde beurs, die hun minnaressen aan den zadelknop hingen.
D’Artagnan bezat niets; de ingetogenheid van den landelijken jongeling was als een licht vernis, als een bloem, als het dons der perzik door den wind der weinig zedelijke raadgevingen, die de drie musketiers hun jongen vriend gaven, weggevaagd. D’Artagnan, volgens de zonderlinge gewoonten van dien tijd, beschouwde zich teParijsals in een legerkamp, en de vrouwen als zijn buit, en zulks, alsof hij inVlaanderentegenover den Spanjaard stond; overal was een aangeboren vijand te bestrijden en was er buit te maken.
Maar zeggen wij het, d’Artagnan was op dat oogenblik door een meer edel en minder baatzuchtig gevoel bezield. De winkelier had hem gezegd, dat hij rijk was; de jongeling had kunnen begrijpen, dat met een onnoozele, zooals de heer Bonacieux, het de vrouw moest zijn, die den sleutel van de geldkist had. Maar dit had niet dien minsten invloed uitgeoefend op den indruk, dien de aanblik van juffrouw Bonacieux bij hem had teweeggebracht: en het belang bleef bijna vreemd aan dat begin van liefde, dat het gevolg van dien indruk was. Wij zeggenbijna; want wij verbeelden ons, dat als een jonge, bevallige, geestige vrouw tevens rijk is, dit laatste niet aan een ontluikende liefde in den weg staat, maar die liefde integendeel meer ontwikkelt. Welgesteldheid doet een aantal zorgen en aristocratische luimen ontstaan, die aan de schoonheid veel voordeel doen. Fijne, witte kousen, een zijden kleed, een kanten halsdoek, een fraaie schoen aan den voet, een nieuw lint op het hoofd maken een schoone vrouw niet leelijk, noch een leelijke vrouw schoon, zonder daarbij de handen te rekenen, die bij dat alles winnen: immers de handen der vrouwen moeten niets doen om fraai te blijven.... Daarbij was d’Artagnan, zooals het den lezer, dien wij den staat zijner geldmiddelen niet hebben ontveinsd, trouwens bekend is, bij lange geen millionnair, hij hoopte zulks, wel is waar, den een of anderen dag te worden; maar de dag, dien hij bij zich zelven voor deze gelukkige verandering had bepaald, was nog tamelijk ver verwijderd. Hoe smartelijkvalt het intusschen, de vrouw, die men bemint, die duizenden snuisterijen te zien verlangen, waaruit de vrouwen haar geluk samenstellen, en haar die duizenden snuisterijen niet te kunnen geven.... Althans indien de vrouw rijk, en de minnaar het niet is, bezorgt zij zich zelve datgene, wat hij haar niet kan aanbieden; en hoewel gewoonlijk het geld des echtgenoots wordt besteed, om zich dat genoegen te verschaffen, is het echter zeldzaam, dat hij er dankbaarheid voor inoogst. Vervolgens, gaarne de teederste minnaar willende zijn, was d’Artagnan, in afwachting, reeds een zeer dienstvaardig vriend. Te midden zijner verliefde plannen op de vrouw van den winkelier vergat hij de zijne niet. De mooie juffrouw Bonacieux was een vrouw, zeer geschikt om daarmede in de vlakte vanSt. Denisof langs de kermis vanSt. Germainin gezelschap van Athos, Porthos enAramiste gaan wandelen, aan wie d’Artagnan met trotschheid een dergelijke verovering zou vertoonen. En na een vermoeiende wandeling begint de honger te prikkelen; d’Artagnan had zulks ook reeds sedert eenigen tijd opgemerkt. Men zou dan aan die kleine, bekoorlijke maaltijden plaats nemen, waarbij men aan de eene zijde de hand eens vriends, en aan de andere den voet eener minnares drukt. Kortom, in oogenblikken van nood en gevaar zou d’Artagnan de redder zijner vrienden zijn.
En de heer Bonacieux, dien d’Artagnan in de handen der politiedienaren overgeleverd had door hem luid te verloochenen, maar dien hij beloofd had te zullen redden? Wij moeten onze lezers bekennen, dat d’Artagnan aan hem volstrekt niet dacht, en zoo al, dat hij zich zelven verzekerde, dat die man, waar hij was, zich zeer goed bevond, onverschillig op welke plaats ook. De liefde is de baatzuchtigste aller hartstochten.
Intusschen gelieven onze lezers zich gerust te stellen; hoewel d’Artagnan zijn huisheer vergeet, of hem schijnt te vergeten, onder het voorwendsel niet te weten werwaarts men hem heeft gevoerd, wij vergeten hem niet, en wij weten zeer goed, waar hij is. Maar doen wijvoor het oogenblik, zooals de verliefde Gaskonjer; wij zullen later op den waardigen winkelier terugkomen.
D’Artagnan, al peinzende over zijn toekomstige liefde, met den nacht in gesprek en de sterren toelonkende, liep de straat Cherche-midi of Chasse-midi, zooals men die toen noemde, door. Daar hij zich in de nabijheid der woning van Aramis bevond, kwam het denkbeeld in hem op, zijn vriend een bezoek te brengen en hem een nadere verklaring te geven der reden, die hem Planchet had doen zenden om hem te verzoeken zich zonder verwijl naar de muizenval te begeven. Want, zoo redeneerde hij bij zich zelf, als Aramis thuis was, toen Planchet hem de boodschap kwam brengen, was hij ongetwijfeld naar de Doodgraversstraat gegaan en niemand daar aantreffende dan zijn twee andere vrienden, zou hij noch een van drieën geweten hebben, wat die boodschap beteekende. Die zaak moest worden opgehelderd; ziedaar, wat d’Artagnan zich zelven overluid zeide, maar in stilte dacht hij, dat het tevens voor hem een gelegenheid zou zijn, om van de kleine, lieve juffrouw Bonacieux te spreken, van wie zijn geest, zoo niet zijn hart, reeds geheel vervuld was.
Het is niet van een eerste liefde, dat men geheimhouding moet verwachten. Een eerste liefde gaat vergezeld van een zoo groote blijdschap, dat zij moet overloopen, wil men er niet door stikken.
Sedert twee uren wasParijsin duisternis gehuld, en begon het in de stad eenzaam te worden. Elf uur sloeg het op al de uurwerken van de voorstadSt. Germain; het weder was zacht. D’Artagnan ging een steeg door, ter plaatse waar thans de straat d’Ansas is, de welriekende uitwasemingen inademende, die de wind hem van de straat Vaugirard overbracht, en die voortkwamen uit de door den avonddauw en de koelte des nachts verkwikte tuinen. In de verte hoorde men het gerucht, dat uit eenige in de vlakte verstrooide herbergen voortkwam, ondanks hun zware vensterluiken.
Toen hij het einde der steeg bereikt had, sloeg d’Artagnan links om. Het huis, dat Aramis bewoonde, bevondzich tusschen de straat Casette en de straat Servandoni. D’Artagnan was voorbij de straat Casette en ontwaarde reeds de deur der woning zijns vriends, verscholen achter een groep moerbezie-, vijgeboomen en meelbloemen, die er boven een dicht ineengegroeide kruin vormden, toen hij een menschelijke schim uit de straat Servandoni zag verschijnen. Die schim was in een mantel gehuld, en d’Artagnan hield ze aanvankelijk voor een man, maar aan de kleinheid der gestalte, aan den onzekeren en waggelenden gang, herkende hij spoedig een vrouw. En alsof die vrouw niet zeker was geweest van het huis, dat zij zocht, liet zij de oogen rondwaren, ten einde zich van de omgeving op de hoogte te stellen; nu stond zij stil, ging dan weder achteruit en keerde op haar schreden terug. D’Artagnan wist niet, wat hij hiervan moest denken.
„Indien ik haar eens mijn dienst ging aanbieden!” dacht hij. „Aan haar gestalte ziet men, dat zij jong is, misschien is zij daarbij wel mooi. Stellig! maar een vrouw, die op dit uur op straat is, gaat gewoonlijk niet uit dan om haar minnaar te zoeken.... Duivelsch! indien ik die samenkomst ging storen, zou het een slechte inleiding zijn, om kennis met haar te maken.”
Intusschen vervolgde de jonge vrouw steeds haar weg, de huizen en vensters tellende. Dit vereischte trouwens niet veel tijd, noch veel moeite. Slechts drie hotels bevonden zich in dat gedeelte dier straat, en twee vensters, die op de straat uitkwamen; het eene was van een paviljoen, dat aan datgene grensde, hetwelk Aramis bewoonde; het andere was dat van Aramis zelf.
„Pardieu!” zeide d’Artagnan bij zich zelven, die zich de nicht van den Theologant herinnerde, „pardieu!het zou raar zijn, als die nachtelijke tortelduif het huis van onzen vriend zocht. Maar bij mijn ziel! het schijnt waarachtig zoo. O, mijn waarde Aramis! voor dezen keer wil ik er het mijne van hebben!”—En d’Artagnan, zich zooveel mogelijk inkrimpende, begaf zich naar het donkerste gedeelte van de straat, dicht bij een steenen bank, en verborg zich daar in een nis.
De jonge vrouw ging steeds voorwaarts, en behalve de vlugheid van haar gang, die haar jonkheid aanduidde, liet zij een zwak gekuch hooren, dat een allerzuiverste stem verried. D’Artagnan hield dien hoest voor een afgesproken teeken.—Intusschen, hetzij men op dien hoest door een overeenkomstig teeken, dat de aarzeling der nachtelijke zwerfster deed ophouden, had geantwoord, hetzij dat zij, zonder vreemde hulp, de plaats harer bestemming herkende, zij naderde stoutmoedig het vensterluik van Aramis en klopte met haar kromgebogen vinger driemaal met gelijke tusschenpoozen.
„Het is wel bij Aramis,” mompelde d’Artagnan. „O, mijnheer de huichelaar! ik betrap u in uw godgeleerde studiën.”
Nauwelijks had zij drie malen geklopt, of het binnenraam werd geopend, en licht blonk door de opening van het luik.
„Ha, ha,” dacht de luistervink. „Zoo, zoo, het is afgesproken. Komaan, het luik zal nu wel geopend worden, en de dame, door inklimming, binnen geraken.... Heerlijk!”
Maar tot d’Artagnan’s grootste verwondering bleef het luik gesloten; het licht, dat een oogenblik had geschenen, verdween, en alles keerde weder in de duisternis terug. D’Artagnan meende, dat dit van korten duur zou zijn, en hij ging voort met al zijn zintuigen te zien en te hooren.—Hij had gelijk; na verloop van een paar seconden werden er van binnen twee harde slagen gehoord. De jonge vrouw klopte eenmaal tot antwoord, en het luik werd een weinig geopend.... Men oordeele over de nieuwsgierigheid, waarmede d’Artagnan zag en luisterde. Ongelukkiglijk was het licht in een ander vertrek gebracht; maar des jongelings oogen hadden zich aan de duisternis gewend; bovendien, zooals men zegt, bezitten de oogen der Gaskonjers, gelijk die der katten, het vermogen om in het donker te zien. D’Artagnan zag dan, dat de jonge vrouw uit haar zak een wit voorwerp haalde, hetwelk zij haastigopensloeg, en dat toen den vorm van een neusdoek aannam.... Van dit opengevouwen voorwerp vertoonde zij een punt aan dengene, die het luik geopend had. Dit herinnerde d’Artagnan den zakdoek, dien hij aan de voeten van juffrouw Bonacieux had gezien, en welke hem dien had herinnerd, welken hij onder den voet van Aramis vond.
„Wat duivel moet die zakdoek toch beteekenen?”—Van de plaats, waar d’Artagnan stond, kon hij het gezicht van Aramis niet zien;—wij zeggen van Aramis, omdat de jongen niet twijfelde, of het was zijn vriend, die van binnen met de dame van buiten in gesprek was;—de nieuwsgierigheid won het eindelijk van de voorzichtigheid, en van de afgetrokkenheid gebruik makende, in welke het zien des zakdoeks beide personen, die wij ten tooneele voeren, scheen te dompelen, verliet hij zijn schuilplaats, en met bliksemsnelheid drong hij zich tegen den hoek des muurs, van waar hij met zijn blik volkomen de kamer van Aramis kon overzien. Dáár aangekomen, ontglipte d’Artagnan bijna een kreet van verbazing; het was Aramis niet, die in gesprek was met de nachtelijke bezoekster, het was een vrouw.... D’Artagnan zag genoeg om de soort van haar kleederdracht te herkennen, maar niet genoeg om haar gelaatstrekken te onderscheiden. Op hetzelfde oogenblik haalde de vrouw in het vertrek een tweeden zakdoek te voorschijn en ruilde hem voor dien, welken men haar vertoond had. Vervolgens wisselden beide vrouwen eenige woorden met elkander; toen werd het blind weder gesloten, en de vrouw, die op straat was, keerde zich om en ging d’Artagnan op vier schreden voorbij, de kap van haar mantel neerlatende; maar deze voorzorg kwam te laat, want d’Artagnan had juffrouw Bonacieux reeds herkend.
„Mejuffrouw Bonacieux!”—Het vermoeden, dat zij het was, had zijn geest reeds vervuld, toen zij den zakdoek uit haar zak haalde; maar het was immers niet waarschijnlijk, dat juffrouw Bonacieux, die den heer de la Porte had laten roepen om haar naar hetLouvre te geleiden, nu alleen de straten vanParijsom half twaalf des nachts doorliep op gevaar af van voor de tweede maal te worden ontvoerd.... Het moest dus voor een zeer gewichtige zaak zijn;—en wat is voor een vrouw van vijf en twintig jaar de gewichtigste zaak?.... De liefde.—Maar was het in haar eigen belang, òf in dat van iemand anders, dat zij zich aan zooveel gevaar blootstelde?.... Dit waren de vragen, die zich de jongeling deed, wiens hart reeds door den duivel der jaloezie werd gekweld, alsof hij reeds tot erkenden minnaar aangenomen ware.... Overigens, er bleef hem een eenvoudig middel over, om zich te verzekeren, waarheen juffrouw Bonacieux zich begaf; dit middel was, haar te volgen. Een middel zoo eenvoudig, dat d’Artagnan het natuurlijkerwijze en werktuigelijk te baat nam. Maar op het zien van den jongeling, die zich van den muur los maakte als een standbeeld uit zijn nis, en op het gerucht der voetstappen, welke zij achter zich hoorde weergalmen, liet juffrouw Bonacieux een zwakken kreet ontglippen en ging op de vlucht. D’Artagnan achtervolgde haar en het was voor hem niet moeilijk een vrouw in te halen, die in haar loop door een wijden mantel gehinderd werd.... Hij bereikte haar dan ook op het derde gedeelte der straat, die zij was ingeloopen. De ongelukkige was uitgeput, niet door vermoeidheid, maar door angst en toen d’Artagnan zijn hand op haar schouder legde, viel zij op de knieën en riep met gesmoorde stem: „Breng mij om het leven, zoo gij wilt, maar gij zult niets weten!”
D’Artagnan richtte haar op, zijn arm om haar middel slaande; maar daar hij aan het gewicht, dat op zijn arm drukte, voelde, dat zij op het punt was in onmacht te vallen, haastte hij zich door betuigingen van dienstaanbieding haar gerust te stellen. Deze betuigingen waren voor juffrouw Bonacieux van niet de minste waarde, immers dergelijke betuigingen kunnen met de slechtste bedoelingen der wereld gedaan worden; maar de stem was voor haar van meer waarde. De jonge vrouw meendeden klank dier stem te herkennen; zij opende de oogen weder, sloeg haar blik op den man, die haar zoo grooten schrik had aangejaagd en d’Artagnan herkennende, slaakte zij een vreugdekreet.
„O, zijt gij het!” riep zij; „ik dank u, mijn God!”—„Ja, ik ben het,” zeide d’Artagnan; „ik, dien God heeft gezonden om over u te waken.”—„Was het met dat voornemen, dat gij mij volgdet?” vroeg met een koketten glimlach de jonge vrouw, wier spotlustige aard weder boven kwam en bij wie het denkbeeld van vrees geheel was verdwenen, van het oogenblik dat zij een vriend herkende in dengene, dien zij voor een vijand had aangezien.
„Neen,” hernam d’Artagnan, „neen, ik beken, dat alleen het toeval mij op uw weg heeft gevoerd; ik zag een vrouw aan het venster van een mijner vrienden kloppen.”—„Van een uwer vrienden?” viel juffrouw Bonacieux hem in de rede.—„Zeker; Aramis is een mijner beste vrienden.”—„Aramis? wie is dat?”—„Komaan, wilt gij mij nu wijs maken, dat gij Aramis niet zoudt kennen?”—„Het is de eerste maal, dat ik dien naam hoor noemen.”—„Was het dan voor het eerst, dat gij naar dat huis gingt?”—„Ja.”—„En gij wist niet, dat het door een jongeling werd bewoond?”—„Neen.”—„Door een musketier?”—„Volstrekt niet.”—„Hij was het niet, dien gij gingt bezoeken?”—„In het minste niet. Daarenboven, gij hebt dit moeten zien: de persoon, met wie ik heb gesproken, was een vrouw.”—„Dat is waar, maar die vrouw zal een vriendin van Aramis zijn geweest?”—„Dat weet ik niet.”—„Wel, zij was immers in zijn huis.”—„Dat kan wel zijn.”—„Maar wie is zij?”—„O, dat mag ik niet zeggen.”—„Lieve mejuffrouw Bonacieux; gij zijt allerbekoorlijkst; maar tevens zijt gij de geheimzinnigste dame der wereld.”—„Ben ik hierom minder in uw oog?”—„Neen, integendeel, gij zijt aanbiddelijk.”—„Geef mij dan uw arm.”—„Gaarne, en nu?”—„Ga met mij.”—„Waarheen?”—„Waar ik heen ga.”—„Maar waarheen gaat gij?”—„Gij zult het zien,dewijl ik u aan de deur zal laten.”—„Moet ik wachten?”—„Dat is niet noodig.”—„Gij zult dan alleen terugkeeren?”—„Misschien wel, misschien niet.”—„Maar zal de persoon, die u vervolgens zal geleiden, een man of een vrouw zijn?”—„Dat weet ik zelve nog niet.”—„Dan zal ik het weten.”—„Hoedat?”—„Ik zal wachten, totdat gij er uit komt.”—„In dat geval, vaarwel!”—„Waarom?”—„Ik heb u niet noodig.”—„Maar gij hebt mij verzocht.”—„Ik heb om de hulp eens edelmans, maar niet de beloering eens spions verzocht.”—„Het woord is niet zacht.”—„Hoe noemt men hen, die de lieden tegen hun wil volgen?”—„Nieuwsgierigen.”—„Dat woord is te zacht.”—„Welaan, mejuffrouw! ik zie wel, dat men zich aan u moet onderwerpen.”—„Waarom hebt gij u de verdienste ontzegd zulks onmiddellijk te doen?”—„Is het er dan niet eene, berouw te hebben?”—„En hebt gij wezenlijk berouw?”—„Dat weet ik zelf niet; maar wat ik weet, is, dat ik u beloof alles te zullen doen, wat gij begeert, indien gij mij veroorlooft u te vergezellen tot dáár, waarheen gij gaan wilt.”—„En zult gij mij daarna verlaten?”—„Ja.”—„Zonder mij verder te bespieden?”—„Ja.”—„Op uw woord van eer?”—„Op mijn woord van edelman!”—„Geef mij den arm en laat ons gaan.”
D’Artagnan bood zijn arm aan juffrouw Bonacieux, die, half lachende, half bevende, hem aannam. Beiden bereikten alzoo het einde der straat la Harpe. Dáár scheen de jonge vrouw te aarzelen, zooals in de straat Vaugirard. Echter meende zij aan zekere kenteekenen een deur te herkennen en haar naderende, zeide zij: „Hier, mijnheer! is het, waar ik zijn moet; duizendmaal dank voor uw vereerend gezelschap, dat mij gevrijwaard heeft voor al de gevaren, waaraan ik alleen zou zijn blootgesteld; het oogenblik is nu gekomen uw woord te houden. Ik ben ter plaatse mijner bestemming.”—„En hebt gij, terugkeerende, niets meer te vreezen?”—„Niets anders dan de dieven.”—„Is dat dan niets?”—„Wat kunnen zij mij ontnemen? ik heb geen penningin den zak.”—„Gij vergeet dien fraaien, met een wapen geborduurden zakdoek.”—„Welken?”—„Dien ik aan uw voeten gezien en in uw zak gestoken heb.”—„Zwijg, zwijg, ongelukkige!” riep de jonge vrouw; „wilt gij mij in het verderf storten?”—„Gij ziet wel, dat er nog gevaar voor u aanwezig is; want één enkel woord doet u beven en gij bekent, dat, indien hetzelve gehoord werd, gij verloren zoudt zijn. O! zie, mejuffrouw!” ging d’Artagnan voort, haar hand nemende en op haar een gloeienden blik vestigende. „Zie, wees edelmoediger, stel in mij vertrouwen; hebt gij dan niet in mijn oogen kunnen lezen, dat alleen van liefde en toewijding aan u mijn hart is vervuld?”—„O, ja!” antwoordde juffrouw Bonacieux, „vraag mij daarom ook naar mijn geheimen en ik zal ze u zeggen; maar die van anderen, dat is iets anders.”—„Het is wel,” zeide d’Artagnan, „ik zal ze ontdekken; omdat deze geheimen invloed op uw leven kunnen hebben, moeten die geheimen de mijne worden.”—„Wacht er u wel voor!” riep de jonge vrouw, met een ernst, die d’Artagnan onwillekeurig een huivering op het lijf joeg. „O, bemoei u met niets, wat mij betreft; tracht mij niet te helpen in hetgeen ik wil ten uitvoer brengen; ik vraag u dit in naam van het belang, dat ik u inboezem, in naam van den dienst, welken gij mij hebt bewezen en dien ik zoo lang ik leef niet zal vergeten. Geloof liever aan hetgeen ik u zeg. Bemoei u niet meer met mij, laat ik voor u niet meer bestaan en laat het zijn, alsof gij mij nimmer gezien hebt.”—„Moet Aramis even zoo doen als ik, mejuffrouw?” vroeg d’Artagnan verstoord.—„Ziedaar reeds twee of drie malen, dat gij dien naam hebt genoemd, mijnheer! ik heb u echter gezegd, dat ik hem niet kende.”—„Kent gij hem niet, aan wiens venster gij hebt geklopt? Kom, mejuffrouw! gij beschouwt mij toch niet voor al te lichtgeloovig.”—„Beken dat het is, om mij uit te hooren, dat gij dien naam en die historie verzint.”—„Ik verzin niets, mejuffrouw! ik spreek de zuivere waarheid.”—„En gij zegt, dat een uwer vrienden in dat huis woont?”—„Ik zeg en herhaal het voor dederde maal, in dat huis woont mijn vriend en die vriend heet Aramis.”—„Dit alles zal zich later ophelderen,” lispte de jonge vrouw; „zwijg er nu over, mijnheer!”—„Indien gij in mijn hart kondet lezen,” zeide d’Artagnan, „zoudt gij er zooveel nieuwsgierigheid in zien, dat gij medelijden met mij zoudt gevoelen en zooveel liefde, dat gij onmiddellijk die nieuwsgierigheid zoudt voldoen. Men heeft niets te vreezen van hen, door wie men bemind wordt.”—„Gij spreekt al zeer spoedig van liefde, mijnheer!” zeide de jonge vrouw, het hoofd schuddende.—„Het is, omdat mij de liefde eensklaps overvallen is en voor de eerste maal en omdat ik nog geen twintig jaar oud ben.”
De jonge vrouw zag hem van ter zijde aan.—„Luister,” hernam d’Artagnan, „ik ben reeds op het spoor. Drie maanden geleden had ik bijna een tweegevecht aangegaan met Aramis, uit hoofde van een zakdoek, op dien gelijkende, welken gij die vrouw hebt vertoond, die zich in zijn kamer bevond en die, ik ben er zeker van, even zoo gemerkt was.”—„Mijnheer!” zeide de jonge vrouw, „gij verveelt mij erg, dat verzeker ik u, met al die praatjes.”—„Maar gij, mejuffrouw, die zoo voorzichtig zijt, zoudt gij, wanneer gij met dien zakdoek werdt aangehouden, niet in gevaar verkeeren?”—„Waarom, is het naamcijfer het mijne niet: C. B. Constance Bonacieux?”—„Of Camille de Bois-Tracy?”—„Stil mijnheer! nogmaals stil! Maar, dewijl de gevaren, die ik voor mij zelve loop, u niet weerhouden, denk dan aan die, welke gij kunt loopen.”—„Ik?”—„Ja, gij! Gij waagt in de gevangenis te komen, gij waagt zelfs uw leven, door mij te kennen.”—„Dan verlaat ik u niet meer.”—„Mijnheer!” smeekte de jonge vrouw met gevouwen handen, „mijnheer! in ’s hemels naam! op uw eer als krijgsman en uw beleefdheid als edelman! ik bid u, verwijder u! Zie, daar slaat het middernacht, het uur, waarop men mij wacht.”—„Mejuffrouw!” zeide de jongeling, zich buigende, „wees gerust, ik verwijder mij.”—„En gij zult mij niet volgen, mij niet bespieden?”—„Ik ga onmiddellijknaar huis.”—„O! ik wist wel, dat gij een braaf jongeling waart,” riep juffrouw Bonacieux, hem de eene hand toereikende, terwijl zij de andere op den klopper der kleine, bijna onzichtbare deur van den muur, voor welken zij stonden, legde. D’Artagnan greep de hand, die men hem aanbood en drukte er vurige kussen op.
„O! ik had u liever nooit gezien!” riep d’Artagnan met die eenvoudige heftigheid uit, welke de vrouwen gewoonlijk boven een gemaakte wellevendheid verkiezen, omdat zij de inwendige gedachte bloot legt en ten bewijs strekt, dat het gevoel het verstand beheerscht.—„Welnu,” hernam juffrouw Bonacieux met bijna vleiende stem en de hand van d’Artagnan drukkende, die de hare nog vasthield, „welnu, ik wil dan zeggen: wat heden is uitgesteld, is voor het vervolg niet verloren. Wie weet of, indien ik eenmaal van mijn geheim ontbonden zal zijn, ik uwnieuwsgierigheidniet zal voldoen.”—„En doet gij mij dezelfde belofte ten aanzien mijner liefde?” riep d’Artagnan, ten toppunt van vreugd.—„O! wat dat betreft, ik kan mij niet verbinden, dat zal van de gevoelens afhangen, die gij mij zult weten in te boezemen.”—„Dus voor heden, mejuffrouw!”—„Voor heden, mijnheer, kan ik mij slechts tot erkentelijkheid bepalen.”—„Ach! gij zijt al te bekoorlijk!” zeide d’Artagnan treurig, „en gij maakt misbruik van mijn liefde.”—„Neen, ik maak gebruik van uw edelmoedigheid; ziedaar alles! Maar wees verzekerd, met zekere lieden komt alles terecht.”—„O! gij maakt mij tot den gelukkigste der menschen! Vergeet dezen avond, vergeet deze belofte niet!”—„Wees gerust, te bekwamer uur zal ik mij alles herinneren. En nu, verwijder u, vertrek in ’s hemels naam! Men wachtte mij op klokslag van middernacht en het is er nu reeds over.”—„Vijf minuten!”—„Ja, maar in zekere omstandigheden zijn vijf minuten vijf eeuwen.”—„Wanneer men bemint.”—„Welnu, wie zegt u, dat ik met geen verliefde te doen heb?”—„Het is een man, die u wacht!” riep d’Artagnan.—„Een man! komaan! zie, daar begint gij weer,” zeide juffrouwBonacieux met een flauwen glimlach, die eenigszins naar ongeduld zweemde.—„Neen, neen! ik ga, ik verwijder mij, ik vertrek, ik geloof u, en ik wil mij opofferen, al zou deze opoffering een dwaasheid zijn. Vaarwel, mejuffrouw! vaarwel!”
En alsof hij zich niet krachtig genoeg voelde, zich van haar hand los te maken, dan door er zich van los te rukken, verwijderde hij zich hard loopende, terwijl juffrouw Bonacieux driemaal, zooals op het venster, langzaam en met tusschenpoozen klopte. Toen d’Artagnan aan den hoek der straat was gekomen, keerde hij zich om: de deur was geopend en weder gesloten geworden, de schoone koopmansvrouw was verdwenen.
D’Artagnan vervolgde zijn weg, hij had zijn woord gegeven juffrouw Bonacieux niet te zullen bespieden en al had zijn leven er van afgehangen, om te weten, werwaarts zij zich moest begeven, of den man te kennen, die haar moest geleiden, d’Artagnan zou naar huis zijn gegaan, omdat hij het beloofd had. Vijf minuten later was hij in de Doodgraversstraat.
„Die arme Athos!” zeide hij, „zal niet weten, wat het te beduiden heeft. Hij zal, mij afwachtende, in slaap gevallen zijn of naar zijn huis teruggekeerd zijn en te huis komende, zal men hem gezegd hebben, dat er een vrouw op zijn kamer is geweest. Een vrouw bij Athos! Maar er was er wel eene bij Aramis!” ging d’Artagnan bij zich zelven voort. „Dat alles is zeer vreemd en ik ben zeer nieuwsgierig te weten, hoe het zal afloopen.”—„Slecht, mijnheer! slecht!” antwoordde een stem, die de jongeling voor die van Planchet herkende; want overluid tot zich zelven sprekende, zooals lieden, die zeer afgetrokken zijn, ging hij de gang door, aan het einde van welke de trap was, die naar zijn kamers leidde.—„Hoedat slecht? Wat wilt gij zeggen, lomperd?” vroeg d’Artagnan; „wat is u dan gebeurd?”—„Allerlei rampen.”—„Welke?”—„Vooreerst is de heer Athos in hechtenis genomen.”—„Athos in hechtenis genomen! en waarom?”—„Men heeft hem in uw kamer gevonden en hem voor u aangezien.”—„En door wien is hij inhechtenis genomen?”—„Door de wacht, welke de zwarte mannen, die gij op de vlucht hebt gejaagd, hebben gehaald.”—„Waarom heeft hij zich niet genoemd? waarom niet gezegd, dat hij van de zaak niets wist?”—„Daarvoor heeft hij zich wel gewacht, mijnheer! integendeel, mij naderende, zeide hij:
„‚Uw meester heeft op dit oogenblik zijn vrijheid noodig, en ik niet, omdat hij met alles bekend is en ik met niets. Men zal meenen, hem gevangen genomen te hebben, en dat zal hem tijd doen winnen; binnen drie dagen zal ik zeggen wie ik ben en men zal mij wel moeten in vrijheid stellen.’”
„Bravo, Athos! welk een edel hart!” mompelde d’Artagnan; „ja, ik herken hem hieraan! En wat hebben de justitiesoldaten gedaan?”—„Vier hebben hem weggevoerd, ik weet niet waarheen, misschien naar de Bastille of naar het fortl’Evêque; twee zijn bij de zwarte mannen gebleven, die alles doorsnuffeld en zich van al de papieren meester gemaakt hebben. En de twee laatsten hebben gedurende dien tijd voor de deur schildwacht gehouden; vervolgens, toen alles was afgeloopen, zijn zij vertrokken, het huis ledig en open latende.”—„En Porthos en Aramis?”—„Die heb ik niet gevonden, en zij zijn ook niet gekomen.”—„Maar zij kunnen alle oogenblikken komen, want gij hebt hun immers doen weten, dat ik hen wachtte?”—„Ja, mijnheer!”—„Welnu, verwijder u niet van hier; wanneer zij komen, deel hun dan mede, wat gebeurd is; zij kunnen mij in de herbergde Pijnappelwachten; hier is het te gevaarlijk; men zal het huis bespieden. Nu begeef ik mij naar den heer de Tréville, om hem van een en ander kennis te geven; en dan ga ik hen opzoeken.”—„Goed, mijnheer!” antwoordde Planchet.—„Maar zult gij blijven, zult gij niet bang worden?” vroeg d’Artagnan, op zijn schreden terugkeerende, om den lakei moed in te spreken.—„Wees gerust, mijnheer!” antwoordde Planchet, „gij kent mij niet; ik ben dapper, als ik er mij toe zet; maar om er mij toe te zetten, dat is niet gemakkelijk;daarenboven ik ben een Picardiër.”—„Dus overeengekomen?” zeide d’Artagnan; „gij zult u liever laten doodslaan, dan u van hier te verwijderen?”—„Ja, mijnheer! er is niets, of ik wil het doen om mijnheer te bewijzen, dat ik hem genegen ben.”—„Best,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat de leerwijze, die ik omtrent dien jongen heb in acht genomen, onweersprekelijk de goede is; bij gelegenheid zal ze mij te pas komen.”—En met al den spoed, dien hij zijn beenen kon geven, die reeds min of meer vermoeid waren door de tochten van dien dag, sloeg d’Artagnan den weg naar de straat Vieux-Colombier in.
De heer de Tréville was niet te huis; zijn kompagnie had de wacht aan het Louvre, waar hij zich ook bevond. Intusschen moest d’Artagnan den heer de Tréville spreken, het was allernoodzakelijkst, dat deze van het gebeurde onderricht werd. Hij overwoog nu op wat wijze binnen het Louvre te geraken. Zijn kostuum van garde der kompagnie des heeren des Essarts moest hem tot paspoort verstrekken. Hij ging dus de straat der Petits-Augustins door en de kade langs, om den Pont-Neuf over te gaan; een oogenblik was hij voornemens van de overzetpont gebruik te maken; maar aan den oever gekomen, had hij werktuigelijk de hand in zijn zak gestoken en bemerkt, dat hij niet eens zooveel geld had om den veerman te betalen. Toen hij op de hoogte der straat Guénégaud gekomen was, zag hij uit de straat Dauphine een groep komen, bestaande uit twee personen, wier houding hem opmerkzaam maakte. Van de twee personen, waaruit deze groep bestond, was de eene een man, de andere een vrouw. De vrouw had de gestalte van juffrouw Bonacieux en de man geleek als twee droppels water op Aramis. Bovendien was de vrouw gehuld in dienzelfden zwarten mantel, welken d’Artagnan zich nog voorstelde, zooals die op het vensterluik van het huis in de straat Vaugirard en op de deur in de straat la Harpe zich had afgeteekend. Wat den man betreft, deze droeg het musketiersgewaad.De kap der vrouw hing over haar aangezicht: de man hield een zakdoek voor het zijne; die dubbele voorzorg gaf duidelijk te kennen, dat beiden belang hadden niet herkend te worden. Zij gingen de brug over; dat was d’Artagnan’s weg, omdat hij zich naar het Louvre begaf; hij volgde hen.