D’Artagnan had nog geen twintig schreden afgelegd, of hij was verzekerd, dat die vrouw juffrouw Bonacieux was en de man Aramis. Tegelijkertijd voelde hij al de vermoedens, die de jaloezie doet ontstaan, in zijn hart opwellen. Hij was van weerskanten verraden: vooreerst door zijn vriend en vervolgens door haar, die hij reeds als zijn minnares beminde. Juffrouw Bonacieux had bij alle goden gezworen Aramis niet te kennen, en een kwartier na hem dien eed gedaan te hebben, ontmoet hij haar aan den arm van Aramis. D’Artagnan overwoog niet eens, dat het slechts drie uren geleden was, dat hij met de schoone koopmansvrouw had kennis gemaakt, dat zij hem niets anders was verschuldigd, dan een weinig erkentelijkheid, omdat hij haar bevrijd had uit de handen der zwarte mannen, die haar wilden wegvoeren en dat zij hem niets had beloofd. Hij beschouwde zich echter als een gehoonden, verraden en bespotten minnaar; bloed en toorn kleurden zijn aangezicht en hij besloot de zaak op te helderen.
De jonge vrouw en de jongeling, bemerkende dat zij gevolgd werden, hadden hun schreden bespoedigd. D’Artagnan nam een vaart, liep hen voorbij en kwam hen weder tegemoet, toen zij voor deSamaritainewaren, verlicht door het schijnsel eener straatlantaarn, die over dat gedeelte der brug haar licht liet vallen. D’Artagnan bleef voor hen staan en zij bleven voor hem staan.
„Wat wilt gij, mijnheer?” vroeg de musketier, een schrede achteruit tredende, met een vreemden tongval, die d’Artagnan bewees, dat hij zich ten minste in een gedeelte zijner veronderstellingen bedrogen had.—„Het is Aramis niet!” riep hij.—„Neen, mijnheer! het is Aramis niet en volgens uw uitdrukking bespeurik, dat gij mij voor een anderen hebt aangezien, en ik verontschuldig u.”—„Gij verontschuldigt mij?” riep d’Artagnan.—„Ja,” antwoordde de onbekende, „laat mij dus voorbij, dewijl ik het niet ben, met wien gij iets te doen hebt.”—„Gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „het is niet met u, dat ik iets uitstaande heb, maar wel met mejuffrouw.”—„Met mejuffrouw? gij kent haar niet,” zeide de vreemdeling.—„Gij bedriegt u, mijnheer! ik ken haar.”—„O,” zeide juffrouw Bonacieux op verwijtenden toon, „o, mijnheer! gij hebt mij, op uwkrijgsmanseer, op uw woord van edelman beloofd.... ik had gehoopt er op te kunnen rekenen....”—„En ik, mejuffrouw!” hernam d’Artagnan verlegen, „gij hadt mij beloofd....”—„Geef mij den arm, mejuffrouw! en gaan wij onzen weg.”
Intusschen bleef d’Artagnan, ontsteld, als verplet door al hetgeen hem wedervoer, met over elkander geslagen armen voor den musketier en mejuffrouw Bonacieux staan. De musketier deed twee schreden vooruit en verwijderde d’Artagnan met de hand. D’Artagnan sprong achteruit en trok den degen. Tegelijkertijd en met bliksemsnelheid trok de vreemdeling den zijne.—„In ’s hemels naam, mylord!” riep juffrouw Bonacieux, zich tusschen de strijders werpende en de degens met beide handen grijpende.—„Mylord?” riep d’Artagnan, door een plotseling denkbeeld verlicht; „mylord! mijnheer! ik vraag u om vergiffenis! zoudt gij zijn de....”—„Mylord, hertog van Buckingham!” zeide juffrouw Bonacieux half luid; „en thans kunt gij ons beiden in het verderf storten.”—„Mylord! mejuffrouw; vergeeft mij, ik vraag u duizendmaal om vergiffenis! Ik bemin haar, mylord! en ik was jaloersch: gij weet wat liefde is, mylord! vergeef mij dus, en zeg mij, op wat wijze ik u mijn leven kan ten offer brengen.”—„Gij zijt een dapper jongeling!” zeide Buckingham, d’Artagnan zijn hand reikende, die deze eerbiedig drukte; „gij biedt mij uw diensten, ik neem ze aan, volg ons op twintig schreden afstands,tot aan het Louvre, en indien iemand ons bespiedt, stoot hem dan neder.”
D’Artagnan nam zijn blooten degen onder den arm, liet juffrouw Bonacieux en den hertog twintig schreden vooruitgaan en volgde hen, gereed naar de letter de bevelen van den edelen en schoonen minister van Karel I te volvoeren. Maar gelukkig vond de jonge geestdrijver niet de minste gelegenheid, om aan den hertog dat bewijs zijner toewijding te geven; en de jonge vrouw en de schoone musketier traden het Louvre binnen, door het poortje der Ladderstraat, zonder verontrust te zijn geworden.
D’Artagnan begaf zich toen onmiddellijk naar de herbergde Pijnappel, waar hij Porthos en Aramis vond, die hem wachtten. Maar zonder hun eenige andere inlichtingen te geven omtrent de stoornis, die hij hen had veroorzaakt, zeide hij, dat hij alléén de zaak had ten einde gebracht, voor welke hij een oogenblik gemeend had hun hulp noodig te zullen hebben.
En nu, medegesleept door ons verhaal, zullen wij onze drie vrienden elk naar hun woning laten gaan en den hertog van Buckingham en zijn gids in de kronkelingen van het Louvre volgen.
George Villiers, hertog van Buckingham.
Juffrouw Bonacieux en de hertog werden zonder de minste zwarigheid het Louvre binnengelaten, dewijl juffrouw Bonacieux bekend stond tot de dienaressen der koningin te behooren, en omdat de hertog het kostuum der musketiers aanhad, die, zooals wij gezegd hebben, dien avond de wacht hadden. Bovendien was Germain de belangen der koningin toegedaan, en mocht er iets zijn voorgevallen, dan zou juffrouw Bonacieux beschuldigd zijn geworden, haar minnaarin het Louvre te hebben binnengebracht, en alles zou zich daarbij bepaald hebben; zij nam de schuld op zich: zij zou, wel is waar, onteerd zijn, maar welke waarde hechtte de wereld aan de eer eener geringe winkeliersvrouw? Eenmaal op de binnenplaats gekomen, volgden de vrouw en de hertog den muur langs een uitgestrektheid van vijf en twintig schreden; waarop juffrouw Bonacieux een kleine achterdeur opende, welke op den dag geopend, doch gewoonlijk ’s nachts gesloten was, en den bedienden tot doorgang verstrekte. Beiden gingen de deur binnen en bevonden zich in de duisternis; maar juffrouw Bonacieux kende al de kronkelingen en omwegen van dat gedeelte van het Louvre, hetwelk voor de bedienden bestemd was. Zij sloot de deur achter haar, nam den hertog bij de hand, deed al tastende eenige schreden voorwaarts, greep een leuning, zette den voet op een trede en begon een trap op te klimmen; de hertog telde twee verdiepingen.—Toen sloeg zij links om, volgde een lange gang, daalde een verdieping lager, deed nog eenige schreden, stak een sleutel in een slot, opende een deur en stiet den hertog in een vertrek, dat slechts door een nachtlamp verlicht werd, hem zeggende: „Blijf hier, mylord! men zal dadelijk bij u zijn.”
Toen verwijderde zij zich door dezelfde deur, welke zij op slot draaide, zoodat de hertog letterlijk gevangen was.
Wij moeten bekennen, dat, hoe eenzaam ook, de hertog niet de minste vrees ondervond; het meest uitkomende in zijn karakter was zucht naar avonturen en liefde voor het romaneske. Dapper, stoutmoedig, ondernemend, was het niet voor de eerste maal, dat hij zijn leven in een omstandigheid van den aard als deze waagde; immers, hij had vernomen, dat die voorgewende boodschap van Anna van Oostenrijk, waarop hij vertrouwd had, en dus naarParijswas gekomen, een lokaas was, en, in plaats van naarEngelandterug te keeren, had hij van de omstandigheid, waarin men hem geplaatst had, misbruik makende,der koningin verklaard, dat hij niet vertrekken zou zonder haar eerst gezien te hebben. De koningin had aanvankelijk stellig geweigerd, doch eindelijk vreesde zij, dat de opgewondenheid des hertogs hem tot de een of andere dwaasheid zou brengen. Reeds was zij tot het besluit gekomen hem te ontvangen en hem te smeeken dadelijk weer te vertrekken, toen op denzelfden avond van dat besluit juffrouw Bonacieux, die belast was geworden den hertog te halen en hem naar het Louvre te geleiden, ontvoerd werd. Gedurende twee dagen wist men volstrekt niet, wat van haar geworden was; zoodat alles in denzelfden toestand bleef. Maar eenmaal in vrijheid, eenmaal in verstandhouding met de la Porte, hadden de dingen hun loop hervat en zij bracht haar gevaarvolle onderneming ten einde, die, zonder haar ontvoering, reeds drie dagen vroeger volvoerd zou zijn geworden.
Buckingham, nu alleen zijnde, plaatste zich voor een spiegel. Het musketiersgewaad stond hem voortreffelijk. Op dat tijdstip was hij vijf en dertig jaar oud en werd met recht voor een der bevalligste edellieden en den bekoorlijksten cavalier vanFrankrijkenEngelandgehouden. Gunsteling van twee koningen, schatrijk, en alvermogend in een rijk, dat hij naar willekeur beroerde en naar zijn luimen weer tot rust bracht, had George Villiers, hertog van Buckingham, een dier fabelachtige levens, welke, gedurende eeuwen, de bewondering van het nageslacht gaande maken.—Steunende op zijn kracht, van zijn macht verzekerd, wetende, dat de wet, waaronder anderen zich bogen, hem niet bereiken kon, ging hij steeds rechtstreeks op het doel af, dat hij zich voorstelde, al was dit doel ook nog zoo ver verwijderd, nog zoo schitterend, dat het voor anderen reeds een dwaasheid zou zijn geweest er slechts aan te denken. Op die wijze was het hem gelukt meermalen de schoone en fiere Anna van Oostenrijk te naderen en zich door zijn schitterende hoedanigheden van haar te doen beminnen.
George de Villiers plaatste zich dan, zooals wij zeiden,voor een spiegel en gaf aan zijn fraai blond hoofdhaar de golvende lokken weder, die de zwaarte van zijn hoed het hadden doen verliezen; hij krulde zijn knevel op, en het hart van blijdschap vervuld, gelukkig en trotsch het oogenblik te zullen bereiken, dat hij zoo lang gewenscht had, glimlachte hij tot zich zelven van hoogmoed en hoop.—Op dit oogenblik werd een in het behangsel verborgene deur geopend, en een vrouw verscheen. Buckingham ontwaarde deze verschijning in den spiegel; hij slaakte een kreet.... het was de koningin!
Anna van Oostenrijk was toen zes of zeven en twintig jaar en bevond zich derhalve in al den glans harer schoonheid. Haar tred geleek dien eener koningin of eener godin; haar oogen, die een smaragdkleurigen gloed van zich wierpen, waren van een volkomen schoonheid en tevens vol zachtheid en majesteit. Haar mond was klein en rood, en hoewel haar onderlip, zooals die van al de vorsten van het huis van Oostenrijk, een weinig voor de andere uitstak, was haar glimlach uiterst bevallig, maar, wanneer afkeer dien vertrok, diep verachtend. Haar vel werd geroemd wegens de fluweelachtige zachtheid er van; haar handen en armen, van een bewonderenswaardige schoonheid, werden door de dichters van dien tijd als iets onovertrefbaars bezongen.—Eindelijk haar hoofdhaar, dat in haar eerste jeugd blond was en nu kastanjebruin was geworden, omringde, in luchtige en zwaar gepoederde lokken, op bevallige wijze haar gezicht, op hetwelk de strengste bediller niets zou hebben kunnen aanmerken, dan dat het met een weinig te veel blanketsel was bedekt, terwijl de nauwkeurigste beeldhouwer slechts een iets minder groven neus zou hebben verlangd.
Buckingham bleef een oogenblik als verblind; nooit was hem Anna van Oostenrijk zoo schoon voorgekomen, te midden der bals, der feesten, der caroussels, dan nu zij hem verscheen, gekleed in een eenvoudig gewaad van wit satijn, vergezeld door Donna Estefana, de eenige der vrouwen, die de jaloezie des konings en devervolgingen van Richelieu niet hadden verjaagd.
Anna van Oostenrijk trad een paar schreden voort; Buckingham wierp zich voor haar op de knieën, en voordat de koningin zulks kon beletten, kuste hij den zoom van haar kleed.—„Hertog! het is u reeds bekend, dat ik het niet ben geweest, die aan u heeft doen schrijven?”—„O ja, mevrouw! ja, Uwe Majesteit!” riep de hertog, „ik weet, dat ik een dwaas, een ijlhoofdige ben geweest, te gelooven, dat de sneeuw zich zou verlevendigen, en het marmer zich zou verwarmen; maar wat wilt gij, wanneer men bemint, vertrouwt men gemakkelijk op wederliefde; bovendien, ik heb niet alles door deze reis verloren; want ik zal u....”—„Ja,” antwoordde Anna; „maar gij weet waarom, en op welke wijze gij mij ziet, mylord! Ik vertoon mij aan u uit medelijden voor u; ik vertoon mij aan u, omdat gij ongevoelig voor al mijn verdriet, halsstarrig in een stad zijt gebleven, waar gij in gevaar zijt het leven te verliezen, en gij mijn eer in de waagschaal stelt; ik vertoon mij aan u, om u te zeggen, dat alles ons scheidt: de diepte der zee, de vijandschap der koninkrijken, de heiligheid der eeden! Het zoude heiligschennis zijn, mylord! tegen die beletselen te worstelen. Ik vertoon mij eindelijk aan u, om u te zeggen, dat wij elkander niet mogen wederzien.”—„Spreek, mevrouw, spreek, koningin!” zeide Buckingham, „de zachtheid uwer stem bedekt de hardheid uwer woorden.... Gij spreekt van heiligschennis; maar heiligschennis bestaat alleen in de scheiding der harten, welke God voor elkander geschapen heeft.”—„Mylord! gij vergeet!” riep de koningin, „dat ik u nooit gezegd heb, dat ik u beminde.”—„Maar gij hebt mij ook niet gezegd, dat gij mij niet bemindet, en waarlijk, mij iets dergelijks te zeggen, zou, van den kant Uwer Majesteit, een zeer groote ondankbaarheid zijn. Want, zeg mij, waar een liefde te vinden zooals de mijne; een liefde, die verwijdering, wanhoop, noch tijd hebben kunnen uitdooven, een liefde, die zich tevreden stelt met een verloren lint, een enkelen blik, een onbedacht woord.... Nu drie jaren geleden,mevrouw! zag ik u voor de eerste maal, en sedert drie jaren is het, dat ik u op die wijze bemin. Wilt gij, dat ik u zeg, hoe gij gekleed waart, toen ik u het eerst zag? Wilt gij, dat ik al de versierselen van uw gewaad opsom? O, ik zie u nog: Gij waart, op Spaansche wijze, op kussens gezeten; gekleed in een groen satijnen kleed met gouden en zilveren borduursels, met wijde, opgestroopte mouwen op uw schoone, op uw zoo wonderschoone armen met groote diamanten versierd; een nauwe halskraag omsloot uw hals en een klein mutsje met een reigersveer, en van dezelfde kleur als uw kleed, hadt gij op het hoofd. Luister! wanneer ik de oogen sluit, aanschouw ik u zooals gij toen waart, en die weer openende, zie ik u, zooals gij thans voor mij staat, namelijk: honderdmaal schooner!”
„Wat dwaasheid!” lispte Anna van Oostenrijk, die echter niet verstoord was, dat hij zoo lang haar beeltenis in zijn hart had bewaard; „wat dwaasheid! een zoo nutteloozen hartstocht door dergelijke herinneringen te voeden.”—„En waarmede wilt gij dan, dat ik mijn leven slijt? mij blijven niets dan herinneringen over. Zij bevatten mijn geluk, mijn schat, mijn toekomst. Telkens, wanneer ik u zie, is het een diamant te meer, dien ik in het juweelkistje mijns harten sluit. Deze is de vierde, dien gij laat ontvallen en dien ik opraap, want gedurende drie jaren, mevrouw! heb ik u slechts vier malen mogen zien: den eersten keer, zooals ik u daareven zeide. De tweede maal bij mevrouw de Chevreuse, de derde maal in den tuin vanAmiëns.”—„Hertog!” zeide de koningin, „spreek niet meer over dien avond.”—„O, spreken wij er integendeel van; het is de gelukkigste, de heilrijkste avond mijns levens geweest. Herinnert gij u dien heerlijken avondstond niet meer? Hoe zacht en balsemgeurig was de lucht, hoe blauw de met sterren bezaaide hemel.... O, toen, mevrouw! had ik een oogenblik met u alleen kunnen zijn; toen waart gij gereed mij alles te vertrouwen: de eenzaamheid uws levens, uw harteleed. Gij hingt aan mijn arm. Zie, aan dezen. Ik voelde, mijn hoofdnaar uw zijde neigende, uw schoone lokken mijn gezicht streelen, en telkens, wanneer ze mij raakten, voelde ik een trilling mijn gansche lichaam doorloopen. O, mevrouw! Uwe Majesteit weet niet, wat hemelsche zaligheid, wat aardsch geluk zoodanig oogenblik bevat. Zie, mijn schatten, mijn roem, mijn overige levensdagen zou ik voor een dergelijk oogenblik, voor zulk een nacht willen geven; want in dien nacht, mevrouw! in dien nacht, ik bezweer het u, bemindet gij mij.”—„Mylord! ja, het is mogelijk, dat de indruk, het romantisch oord, de bekoorlijke avondstond, de tooverkracht van uw blik, kortom, dat die duizenden bijzonderheden, welke zich vaak vereenigen om een vrouw ten verderve te brengen, mij in dien noodlottigen nacht bestormden; maar gij hebt het gezien, mylord! de koningin kwam de zich zelve vergetende vrouw te hulp; op het eerste woord, dat ik moest beantwoorden, op de eerste stoutheid, die gij u veroorloofdet, heb ik geroepen.”—„O, ja, ja, dat is waar, een andere liefde dan de mijne zou door deze proef bezweken zijn; maar de mijne, mijn liefde werd er te vuriger, te onverdelgbaarder door. Gij meendet mij te ontgaan door naarParijsterug te keeren; gij meendet, dat ik den schat, waarover mijn meester mij had belast te waken, niet zou hebben durven verlaten. O, wat raken mij al de schatten der wereld, al de koningen der aarde! Acht dagen later was ik terug, mevrouw! Toen kondet gij mij niets zeggen; ik had de gunst des konings, mijn leven er aan gewaagd, om u één seconde te zien; ik mocht zelfs uw hand niet drukken, en gij hebt mij vergiffenis geschonken, mij zoo onderworpen, zoo berouwvol ziende.”
„Ja, maar de laster heeft zich bij al die dwaasheden gemengd, waaraan ik geen deel had, dat immers weet gij, mylord! de koning, door den kardinaal aangehitst, heeft er een vreeselijke ruchtbaarheid aan gegeven; mevrouw de Vernet is weggejaagd geworden, Putange gebannen, mevrouw de Chevreuse is in ongenade gevallen, en toen gij als ambassadeur naarFrankrijkwildet terugkeeren, heeft de koning, herinner het u wel, mylord! heeft de koning zich hiertegen verzet.”—„Ja,Frankrijkzal met een oorlog de weigering zijns konings boeten. En dewijl ik u niet meer mag zien, mevrouw! wil ik, dat elke dag u van mij doet hooren spreken. Wat oogmerk, vooronderstelt gij, dat die onderneming opRéen dat bondgenootschap met de protestanten vanla Rochelle, welke ik tracht te bewerken, hebben? Alleen het genot u te zien: Ik heb de macht niet om gewapenderhandParijsbinnen te dringen, dat weet ik wel; maar op dien oorlog zal een vrede volgen; die vrede zal een onderhandeling vereischen, en de onderhandelaar zal ik zijn.... Dan zal men mij niet meer durven weigeren, en ik zal teParijsterugkeeren, ik zal u wederzien en een oogenblik gelukkig zijn. Het is waar, duizenden menschen zullen mijn geluk met hun leven betaald hebben; wat raakt mij dat, wanneer ik u slechts wederzie. Dat alles is misschien zeer dwaas, zeer onverstandig; maar, zeg mij, welke vrouw heeft ooit een meer verliefden minnaar, welke koningin ooit vuriger dienaar gehad?”
„Mylord! mylord! gij brengt te uwer verdediging zaken te berde, die uw schuld nog vergrooten; mylord! al de liefdebewijzen, welke gij mij wilt geven, zijn bijna misdaden.”—„Omdat gij mij niet bemint, mevrouw! indien gij mij bemindet, zoudt gij ze alle met een geheel ander oog beschouwen; indien gij mij bemindet, ach! indien gij mij bemindet, zou ik te gelukkig zijn en krankzinnig worden. O, mevrouw de Chevreuse, van wie gij daareven spraakt, mevrouw deChevreuseis minder wreedaardig dan gij zijt.... Lord Holland beminde haar, en zij heeft zijn liefde beantwoord.”—„Mevrouw de Chevreuse is geen koningin,” lispte Anna van Oostenrijk, onwillekeurig overwonnen door de uitdrukking eener zoo innige liefde.—„Gij zoudt mij dan beminnen, indien gij het niet waart, mevrouw! Spreek, gij zoudt mij dan beminnen? Ik kan dus gelooven, dat alleen de waardigheid van uw rang u wreed voor mij doet zijn; ik kan dus mij vleien dat, wanneer gij in de plaatsvan mevrouw de Chevreuse waart geweest, de arme Buckingham had mogen hopen? Ik dank u voor die zoete woorden, mijn schoone koningin! ik dank u honderd malen.”—„Ach, mylord! gij hebt kwalijk verstaan, kwalijk begrepen; dat heb ik niet willen zeggen....”—„Stil! stil!” hernam de hertog, „indien een dwaling mij gelukkig maakt, wees dan zoo wreed niet mij die te ontnemen.—Gij hebt het zelve gezegd, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik zal er het leven misschien in verliezen; want, zonderling, sedert eenigen tijd heb ik een voorgevoel, dat ik weldra zal ophouden te leven.”
En de hertog glimlachte, treurig en tevens bevallig.—„Ach, mijn God!” riep Anna van Oostenrijk op verschrikten toon, die bewees, dat haar belangstelling in den hertog grooter was dan zij het wilde doen schijnen.—„Ik zeg u zulks niet om u angst aan te jagen, mevrouw! o neen; het is zelfs belachelijk, dat ik er over spreek; geloof, dat ik mij met soortgelijke droomerijen niet bezig houd; de woorden intusschen, welke gij mij hebt doen hooren, die hoop, welke gij mij bijna hebt gegeven, is mij alles waard, zelfs het offer mijns levens.”—„Welnu,” zeide Anna van Oostenrijk, „ook ik, hertog! heb voorgevoelens, ook ik heb droomen. Ik droomde u in uw bloed wentelende gewond ter aarde te zien uitgestrekt.”—„Aan de linkerzijde, niet waar, een messteek?” viel Buckingham haar in de rede.—„Ja, juist, mylord! juist, in de linkerzijde, een messteek. Wie heeft u kunnen zeggen, dat ik dus gedroomd heb? Ik heb het alleen aan God vertrouwd en slechts in mijn gebed.”—„Het is mij om het even, mevrouw! gij bemint mij, en dat is voor mij genoeg.”—„Ik, ik bemin u!”—„Ja, gij! zou God u dezelfde droomen zenden als aan mij, indien gij mij niet bemindet? Zouden wij dezelfde voorgevoelens hebben, indien onze harten niet met elkander overeenstemden? Gij bemint mij, o koningin! en gij zult mij betreuren!”—„O, mijn God! het is meer dan mijn krachten gedoogen. Hoor, hertog, in ’s hemels naam! verwijder u; ik weet niet of ik u al dan niet bemin; maar wat ik weet is,dat ik niet meineedig wil wezen. Heb dus medelijden met mij en ga.... Ach! indien gij inFrankrijkgetroffen werdt, indien gij inFrankrijkhet leven verloort, indien ik kon veronderstellen dat uw liefde voor mij de oorzaak van uw dood moest zijn, o, ik zou mij nimmer kunnen troosten; ik zou krankzinnig worden. Vertrek dus, smeek ik u.”—„O, wat zijt gij schoon, hoe vurig bemin ik u zóó!” riep Buckingham.—„Vertrek, vertrek, ik smeek u en kom later terug; kom terug als ambassadeur, als minister; kom terug, omgeven van een lijfwacht, die u zal verdedigen; van dienaren, die over u zullen waken; en dan, dan zal ik niet meer voor uw leven vreezen, en ik zal mij gelukkig achten u weer te zien.”—„O, is het wel waar wat gij mij zegt?”—„Ja.”—„Welnu, geef mij dan een bewijs uwer toegevendheid, een voorwerp dat van u komt, iets dat mij verzekert niet gedroomd te hebben; iets wat gij gedragen hebt en ik op mijn beurt kan dragen: een ring, een halssnoer, een keten.”—„En zult gij vertrekken, indien ik u geef wat gij verlangt?”—„Ja.”—„Oogenblikkelijk?”—„Ja.”—„Gij zultFrankrijkverlaten, naarEngelandterugkeeren?”—„Ja, ik zweer het u.”—„Wacht dan.... Wacht dan even.”
En Anna van Oostenrijk begaf zich naar haar kamer en kwam na een kort oogenblik weer terug, in de hand een klein rozenhouten kistje houdende, waarop haar naamcijfer in goud was ingelegd.—„Ziedaar, mylord!” zeide zij, „bewaar dit te mijner gedachtenis.”—Buckingham nam het kistje aan en viel voor de tweede maal op de knie.—„Gij hebt mij beloofd te vertrekken,” zeide de koningin.—„En ik zal woord houden; uw hand, mevrouw! uw hand, en ik ga.”
Anna van Oostenrijk reikte hem haar hand, terwijl zij de oogen sloot, met de andere op Estefana leunende; want zij voelde, dat haar krachten haar gingen verlaten. Buckingham drukte hartstochtelijk zijn lippen op de schoone hand; toen zich oprichtende, zeide hij: „Voor er zes maanden zullen verloopen zijn, en indien ik nogin leven ben, dan zal ik u hebben weergezien, al moest ik de wereld daarvoor omkeeren.”
En getrouw aan de belofte, die hij had gedaan, snelde hij de kamer uit.—In de gang ontmoette hij juffrouw Bonacieux, die hem wachtte en hem met dezelfde voorzorgen en even gelukkig buiten het Louvre bracht.
De heer Bonacieux.
Intusschen was er onder dit alles, zooals men heeft kunnen bemerken, een persoon, omtrent wien men, ondanks de vele gevaren die hem omringden, zich tamelijk weinig scheen te bekommeren; dat personage was de heer Bonacieux, de eerbiedwaardige martelaar der politieke- en liefde-intrigues, die zoo wèl bij elkander pasten in die tevens ridderlijke en galante dagen.—Gelukkig, of de lezer het zich herinnere of niet, gelukkig hebben wij beloofd, hem niet uit het oog te zullen verliezen.
De gerechtsdienaars, die hem hadden gevangen genomen, geleidden hem rechtstreeks naar de Bastille, waar men hem bevende voorbij een troep soldaten voerde, die hun musketten laadden. Van daar in een half onderaardsche gang gebracht, werd hij het voorwerp der gemeenste beleedigingen en der wreedaardigste behandelingen van de zijde van hen, die hem gebracht hadden. De politiemannen, ziende dat zij met geen edelman te doen hadden, leefden met hem als de kat met de muis.—Nadat dit ongeveer een half uur geduurd had, kwam een griffier aan deze folteringen, maar niet aan zijn ongerustheid, een einde maken door het bevel, den heer Bonacieux in de verhoorkamer te geleiden. Gewoonlijk ondervroeg men de gevangenen in hun huis, maar met den heer Bonacieux werden nietzooveel plichtplegingen gemaakt. Twee dienaren maakten zich meester van den winkelier, brachten hem in een gang, waar drie schildwachten stonden, openden een deur en stieten hem in een benedenkamer, waarin geen ander huisraad was dan één tafel, één stoel en één commissaris. De commissaris zat op den stoel en schreef op de tafel.
De twee dienaren geleidden den gevangene voor de tafel, en op een wenk van den commissaris verwijderdendezenzich tot buiten het gehoor.
De commissaris, die tot hiertoe zijn gezicht op de voor hem liggende papieren had gehouden, richtte het hoofd op, om te zien met wien hij te doen had. Die commissaris was een man van een zeer onbehagelijk voorkomen, met een puntigen neus, gele, uitstekende oogbeenderen, kleine, maar levendige en doordringende oogen, en een gezicht, waarin tevens iets van den vos en van den marter lag. Zijn hoofd, staande op een langen, rekbaren hals, stak uit een zwart gewaad en waggelde bijna als een schildpad, die den kop uit de schaal steekt.—Hij begon den heer Bonacieux zijn naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats af te vragen.—De beschuldigde antwoordde, dat hij Jacques Michel Bonacieux heette, 51 jaar oud was, vroeger winkelier, thans van zijn renten leefde en in de Doodgraversstraat, No. 11, woonde.
De commissaris, in plaats van met het verhoor voort te gaan, hield hem een lange rede over het gevaar, dat er voor een eenvoudigen burger in was gelegen, om zich met staatkundige zaken te bemoeien. Hij vervolgde deze voorafspraak met een voorstelling, in welke hij de macht en de daden des kardinaals deed uitblinken, van dien onvergelijkelijken minister, van dien al de vorige ministers overtreffenden minister, en van dat voorbeeld der toekomstige ministers: van wien de macht en daden nooit door iemand ongestraft gehoond werden. Na dit tweede gedeelte zijner rede, terwijl hij zijn sperwersblik op den armen Bonacieux vestigde, noopte hij dezen het gewicht van zijn toestand te overwegen.
De winkelier had alles reeds diep doordacht; hij wenschte het oogenblik naar den duivel, dat bij den heer de la Porte het denkbeeld ontstond hem zijn pleegdochter ten huwelijk te geven; en vooral dat oogenblik, toen die pleegdochter als opzichtster over het lijnwaad in dienst der koningin was getreden. De grondtrek van meester Bonacieux’s karakter was alleen baatzucht en verregaande gierigheid. De liefde, welke hem zijn jonge vrouw had ingeboezemd, was slechts een bijkomend gevoel, dat niet in staat was zich te verheffen boven de hartstochten, die wij vermeld hebben. Bonacieux overwoog inderdaad hetgeen hem gezegd werd.
„Maar mijnheer de commissaris!” zeide hij schroomvallig, „wees verzekerd, dat ik de verdiensten van den onvergelijkelijken kardinaal, door wien wij de eer hebben geregeerd te worden, ken en naar waarde schat.”—„Zoo?” vroeg de commissaris op twijfelenden toon: „maar als dat waar is, hoe komt gij dan in de Bastille?”—„Hoe ik er kom, of liever, waarom ik er ben!” hernam Bonacieux, „ziedaar iets, dat mij niet mogelijk is u te zeggen, omdat ik het zelf niet weet; maar dit verzeker ik u, dat het niet is omdat ik den kardinaal, althans bij mijn weten, mishaagd heb.”—„Gij moet een misdaad hebben bedreven, omdat gij hier zijt beschuldigd van hoogverraad.”—„Van hoogverraad!” riep Bonacieux verschrikt uit, „van hoogverraad! en hoe wilt gij, dat een arme winkelier, die de Hugenooten verfoeit en voor de Spanjaarden den grootsten afschuw heeft, van hoogverraad kan worden beschuldigd? Overweeg, mijnheer! de zaak is tastbaar onmogelijk.”—„Mijnheer Bonacieux!” zeide de commissaris, den beschuldigde aanziende, alsof zijn kleine oogen de macht hadden in het diepste des harten te dringen: „Mijnheer Bonacieux! gij hebt een vrouw?”—„Ja, mijnheer!” antwoordde de winkelier bevende, reeds vooruitziende dat dit het punt was, waar de knoop lag; „dat is te zeggen, ik had er eene.”—„Hoe? gij hadt er eene? Wat hebt gij met haar gedaan, indien gij ze niet meer hebt?”—„Men heeft ze mij ontvoerd,mijnheer!”—„Men heeft ze u ontvoerd!” herhaalde de commissaris. „Zoo!”
Bonacieux begreep op dat: Zoo! dat de zaken hoe langer hoe meer zich verwikkelden.—„Men heeft ze u ontvoerd,” hernam de commissaris, „en kent gij den man, die dien roof heeft bedreven?”—„Ik meen hem te kennen.”—„Wie is hij?”—„Bedenk, dat ik niets bevestig en ik slechts vermoed, mijnheer de commissaris!”—„Wien verdenkt gij? Kom, antwoord openhartig!”
De heer Bonacieux bevond zich in de grootste verlegenheid: moest hij alles ontkennen of alles openbaren? Door alles te ontkennen, zou men hebben kunnen denken, dat hij al te veel wist, om iets te bekennen; door alles te zeggen, gaf hij blijk van een goeden wil. Hij besloot dus alles te zeggen.
„Ik heb vermoeden op een grooten, bruinen man, van een trotsch voorkomen en die al het uiterlijke van een edelman heeft,” zeide hij, „hij heeft ons menigmaal gevolgd, naar het mij toescheen, wanneer ik mijn vrouw voor de poort van het Louvre wachtte, om haar naar huis te brengen.”—De commissaris scheen eenige ongerustheid te koesteren.—„En zijn naam?” vroeg hij.—„O, zijn naam ken ik volstrekt niet; maar als ik hem ooit weer ontmoet, zal ik hem dadelijk herkennen, dat verzeker ik u, al was hij onder duizend.”—Het gelaat van den commissaris verduisterde.—„Gij zoudt hem onder duizend herkennen, zegt gij?” ging hij voort.—„Dat is te zeggen,” hernam Bonacieux, die bemerkte, dat hij een verkeerden weg insloeg; „dat is te zeggen....”—„Gij hebt geantwoord, dat gij hem zoudt herkennen,” zeide de commissaris, „dat is goed, en nu voor vandaag hebben wij gedaan. Alvorens verder te gaan dient er iemand bericht te worden, dat gij den ontvoerder uwer vrouw kent.”—„Maar ik heb u niet gezegd dat ik hem kende!” riep Bonacieux, tot wanhoop gebracht. „Ik heb u het tegendeel gezegd.”
„Brengt den gevangene weg,” zeide de commissaris tot de beide gardes.—„En waarheen moet hij gebrachtworden?” vroeg de griffier.—„In een cachot.”—„In welk?”—„Och, mijn God! in het eerste het beste, als het maar goed sluit,” antwoordde de commissaris met een onverschilligheid, die den armen Bonacieux van schrik deed verstijven.
„O wee! o wee!” zeide hij bij zich zelven, „het ongeluk is op mij gevallen; mijn vrouw zal de een of andere verschrikkelijke misdaad hebben bedreven; men houdt mij voor den medeplichtige; zij zal bekend hebben mij alles te hebben vertrouwd; een vrouw is zoo zwak. In een cachot! in het eerste het beste! fraai! Een nacht is spoedig voorbij en morgen op het rad, aan de galg! Ach, mijn God! mijn God! heb medelijden met mij!”
Zonder in het minst naar de jammerlijke weeklachten van meester Bonacieux te luisteren, weeklachten trouwens, waaraan zij gewoon waren, vatten de twee dienaars den gevangene elk bij een arm en voerden hem weg, terwijl de commissaris overhaast een brief schreef, waarop zijn griffier wachtte. Bonacieux sloot geen oog, niet omdat zijn kerker hem te onaangenaam, maar omdat zijn angst te groot was. Hij bleef den geheelen nacht op zijn bankje zitten, schrikkende bij het minste gerucht; en toen het eerste daglicht in zijn gevangenis drong, scheen hem de zon in floers gehuld. Eensklaps hoorde hij de grendels verschuiven en hij deed een verschrikkelijken sprong. Hij dacht dat men hem kwam halen om hem naar het schavot te voeren; toen hij dan ook, in plaats van den scherprechter, den commissaris en den griffier van den vorigen dag zag verschijnen, was hij op het punt hen om den hals te vallen.
„Uw zaak is niet weinig verward geworden sedert gisterenavond, mijn beste man!” zeide hem de commissaris, „en ik raad u, de oprechte waarheid te zeggen; want uw berouw kan alleen den toorn des kardinaals doen bedaren.”—„Wel, ik ben bereid alles te zeggen,” riep Bonacieux, „althans al wat ik weet. Ondervraag mij, als het u belieft.”—„Vooreerst, waar is uw vrouw?”—„Maar ik heb u immers gezegd, dat men haar ontvoerdheeft.”—„Ja, maar sedert gisteren namiddag vijf uur is zij, door u geholpen, ontvlucht.”—„Is mijn vrouw ontvlucht?” riep Bonacieux. „O, de rampzalige! mijnheer! ik bezweer u, dat indien zij ontvlucht is, zulks mijn schuld niet is!”—„Wat gingt gij dan toch bij den heer d’Artagnan, uw buurman, met wien gij u dien dag zoo lang hebt onderhouden, doen?”—„Och ja, mijnheer de commissaris! dat is waar en ik beken mijn ongelijk. Ja, ik ben bij den heer d’Artagnan geweest.”—„Wat was het doel van dat bezoek?”—„Hem te verzoeken mij in het wedervinden mijner vrouw de behulpzame hand te bieden. Ik meende het recht te hebben, haar terug te eischen; het schijnt, dat ik mij bedrogen heb, en ik vraag u er vergiffenis voor.”—„En wat heeft de heer d’Artagnan geantwoord?”—„De heer d’Artagnan heeft mij zijn hulp beloofd; maar spoedig bemerkte ik, dat hij mij verried.”—„Gij maakt de justitie leugens wijs! De heer d’Artagnan heeft een overeenkomst met u gemaakt, en ten gevolge dier overeenkomst heeft hij de lieden der politie op de vlucht gejaagd, die uw vrouw hadden in hechtenis genomen en haar aan haar nasporingen onttrokken.”—„Heeft de heer d’Artagnan mijn vrouw ontvoerd? Wel zoo! wat zegt gij mij daar!”—„Gelukkig is de heer d’Artagnan in onze handen en men zal hem in uw tegenwoordigheid brengen.”—„O, mijn God! ik vraag niet beter!” riep Bonacieux, „het zal mij niet onaangenaam zijn een bekende te zien.”
„Laat den heer d’Artagnan binnen,” zeide de commissaris tot de drie dienaren, die Athos binnenlieten. „Mijnheer d’Artagnan,” zeide de commissaris, zich tot Athos wendende, „verklaar, wat er tusschen u en mijnheer is voorgevallen.”—„Wel!” riep Bonacieux, „dat is de heer d’Artagnan niet, dien gij mij voorstelt!”—„Hoe! is dat de heer d’Artagnan niet!” riep de commissaris.—„Volstrekt niet!” antwoordde Bonacieux.—„Hoe heet mijnheer?” vroeg de commissaris.—„Ik kan het u niet zeggen, ik ken hem niet.”—„Hoe! gij kent hem niet?”—„Neen.”—„Hebtgij hem nooit gezien?”—„Jawel, maar ik weet niet hoe hij heet.”—„Uw naam,” vroeg de commissaris.—„Athos,” antwoordde de musketier.—„Maar dat is geen menschennaam, dat is de naam van een berg!” riep de arme ondervrager, die in de war begon te raken. „Maar gij hebt gezegd, dat gij d’Artagnan heette.”—„Ik?”—„Ja, gij!”—„Dat is te zeggen, men heeft mij gezegd: Gij zijt de heer d’Artagnan, en ik heb geantwoord: Zoudt ge denken? De gardes hebben daarop uitgeroepen, dat zij er zeker van waren. Ik heb hen niet willen tegenspreken. Bovendien, ik had mij kunnen bedriegen.”—„Mijnheer! gij beleedigt de majesteit der justitie!”—„In geenen deele,” antwoordde Athos rustig.—„Gij zijt de heer d’Artagnan!”—„Ziet gij nu wel, gij zegt het mij immers zelf?”—„Maar,” riep op zijn beurt de heer Bonacieux, „ik zeg u, mijnheer de commissaris! dat er geen oogenblik te twijfelen valt. De heer d’Artagnan heeft van mij kamers gehuurd en bijgevolg, hoewel hij mij de huur niet betaalt en juist om die reden, dien ik hem wel te kennen. De heer d’Artagnan is een jongeling van nauwelijks negentien of twintig jaar en deze heer is ten minste dertig. De heer d’Artagnan dient bij de gardes van den heer des Essarts en mijnheer behoort tot de kompagnie musketiers van den heer de Tréville; bezie de uniform maar eens, mijnheer de commissaris! bezie ze maar eens!”—„Dat is waar,” mompelde de commissaris, „dat is,pardieu!waar.”
Op dat oogenblik werd de deur haastig geopend en een boodschapper, door een der sleuteldragers der Bastille binnengeleid, stelde den commissaris een brief ter hand.—„O, die rampzalige!” riep de commissaris.—„Hoe? wat zegt gij? van wien spreekt gij? Ik hoop niet, dat het mijn vrouw betreft?”—„Integendeel, het is over haar. Nu, uw zaken staan goed, ik verzeker u.”—„Maar, stil!” riep de winkelier, buiten zich zelven gebracht, „doe mij het genoegen en zeg mij eens, mijnheer! hoe mijn zaak kan verslimmeren door hetgeen mijn vrouw uitvoert, terwijl ik in degevangenis ben?”—„Omdat hetgeen zij bedrijft het gevolg is van een plan, een helsch plan, dat tusschen u en haar is ontworpen!”—„Ik zweer u, mijnheer de commissaris! dat gij u schromelijk bedriegt; dat ik volstrekt niets weet van hetgeen mijn vrouw voornemens was te doen; dat ik volstrekt onbekend ben met hetgeen zij heeft gedaan, en dat, indien zij dwaasheden heeft begaan, ik haar verloochen, ik haar ontken, ik haar vervloek!”
„Hoe is het,” vroeg Athos den commissaris, „als gij mij hier niet meer noodig hebt, zendt mij dan naar elders; want die mijnheer Bonacieux is vrij vervelend.”—„Brengt de gevangenen weder in hun cachotten,” zeide de commissaris, gelijktijdig op Athos en Bonacieux wijzende, „en dat men hen strenger dan ooit bewake.”—„Intusschen,” zeide Athos met zijn gewone bedaardheid, „indien gij met den heer d’Artagnan iets uitstaande hebt, zie ik niet in, waarom ik in zijn plaats moet treden.”—„Doe wat ik beveel!” riep de commissaris, „en de volstrektste geheimhouding. Verstaat gij?”
Athos volgde zijn bewakers en haalde de schouders op, terwijl de heer Bonacieux een geklaag aanhief, in staat het hart van een tijger te vermurwen. Men bracht den winkelier in hetzelfde cachot, waarin hij den nacht had doorgebracht en hij bleef er den geheelen dag. Geheel dien dag schreide Bonacieux als een oprecht winkelier, daar hij volstrekt geen krijgsman was, hetgeen hij ons zelf heeft gezegd.
Des avonds tegen negen uur, op het oogenblik dat hij zich ter ruste wilde leggen, hoorde hij voetstappen in de gang. Die voetstappen naderden zijn cachot; zijn deur werd geopend en wachten traden binnen.—„Volg mij,” zeide een deurwaarder, die achter de wachten binnenkwam.—„U volgen?” riep Bonacieux, „en op dit uur! en waarheen, mijn God!”—„Waar wij bevolen zijn u te geleiden.”—„Maar dat antwoord beteekent niets.”—„Dat is echter het eenige, dat wij u kunnen geven.”—„Ach, mijn God! mijn God!” mompelde de arme winkelier, „thans ben ik verloren.”—En hijvolgde werktuigelijk en zonder tegenstand te bieden de wachten, die hem kwamen halen.
Hij betrad dezelfde gang, die hij reeds was doorgegaan, ging eerst een binnenplaats over, vervolgens een tweede gebouw binnen; eindelijk vond hij op het ingangsplein een rijtuig, omringd door vier gardes te paard. Men liet hem in het rijtuig stappen, de deurwaarder zette zich naast hem; men deed het portier op slot, en beiden bevonden zich in een voortrollende gevangenis. Het rijtuig zette zich in beweging, maar zoo langzaam, alsof het een lijkkoets ware. Door de traliën zag de gevangene de huizen en de straat; dat was alles; maar als een echt Parijzenaar herkende Bonacieux de straten aan de palen, de uithangborden en de lantaarns. Op het oogenblik dat hij St. Paul bereikte, waar de gevonnisten der Bastille ter dood werden gebracht, meende hij in onmacht te zullen vallen en hij kruiste zich tweemaal. Hij verbeeldde zich, dat het rijtuig dáár zou stilhouden. Het rijtuig vervolgde zijn weg. Wat verder overviel hem wederom een hevige angst; het was toen hij het kerkhof van St. Jan voorbijkwam, waar de staatsmisdadigers begraven werden. Een enkele omstandigheid stelde hem eenigszins gerust; het was, dat men hun, alvorens hen te begraven, het hoofd afhieuw, en dat zijn hoofd nog op zijn schouders zat. Maar toen hij bemerkte, dat het rijtuig den weg naar het plein de Grève insloeg en hij de spitse daken van het stadhuis bespeurde, het rijtuig het gewelf doorreed, meende hij dat het met hem gedaan was, en hij wilde den deurwaarder zijn biecht spreken; maar op de weigering van dezen begon hij zulke erbarmelijke kreten uit te galmen, dat de deurwaarder hem dreigde den mond te stoppen, indien hij voortging hem op die wijze het oorvlies te verscheuren.... Deze bedreiging stelde Bonacieux opnieuw een weinig gerust; indien men hem op het plein de Grève had willen ter dood brengen, was het niet meer de moeite waard hem een bal in den mond te stoppen, daar men bijna op het gerechtsplein gekomenwas. Inderdaad, het rijtuig reed het akelige plein over zonder op te houden. Nu bleef er nog slechts de Croix du Trahoir te vreezen over, en juist sloeg het rijtuig dien weg in. Er was nu geen twijfel meer; de plaats Croix du Trahoir diende tot gerechtsplaats voor de minste klasse van misdadigers; Bonacieux had zich zelven gevleid door zich St. Paul of het plein de Grève waardig te achten. Het was aan de Croix du Trahoir dat zijn tocht en zijn lot een einde zouden nemen. Hoewel hij dat noodlottige kruis nog niet ontwaarde, voelde hij het om zoo te zeggen hem tegemoet komen. Niet meer dan een twintigtal schreden er van verwijderd hoorde hij een groot rumoer en het rijtuig bleef staan. Dat was meer dan de arme Bonacieux kon doorstaan, reeds verplet door de elkander opvolgende schokken, die hij ondervonden had; hij slaakte een flauw gekerm, alsof het de laatste snik eens stervenden ware geweest, en viel in onmacht.
De man van Meung.
Dat rumoer werd veroorzaakt, niet door de verwachting der volksmenigte naar een patiënt, die gehangen moest worden, maar door de beschouwing van een gehangene. Het rijtuig, een oogenblik opgehouden, zette weder zijn tocht voort te midden van den volksoploop, reed de straat St. Honoré en daarop de Brave Kinderstraat in en hield voor een kleine deur stil. Die deur werd geopend, twee gardes ontvingen Bonacieux in hun armen; door den deurwaarder ondersteund, werd hij in een gang gestooten, waarna men een trap opging en hem in een voorkamer bracht. Al deze bewegingen had hij slechts werktuigelijk ondergaan en als iemand, die in den droom voorttreedt; hij onderscheidde de voorwerpen slechts als door eennevel, terwijl zijn ooren klanken hoorden zonder ze te verstaan; men zou hem op dat oogenblik hebben kunnen ter dood brengen, zonder dat hij de minste poging ter verdediging beproefd had, of een genadekreet geslaakt zou hebben. Hij bleef onbeweeglijk, met den rug tegen den muur geleund zitten, en met neerhangende armen, zooals de gardes hem daar hadden neergezet.
Eindelijk liet hij zijn oogen rondwaren, maar hij bespeurde niet het minste voorwerp, dat hem schrik kon aanjagen, terwijl niets aanduidde, dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. De bank was behoorlijk gepolijst, de muur met een fraai, Cordovaansch lederen behangsel bedekt, en voor de vensters hingen groote, roode damasten gordijnen, die door gouden knoppen werden opgehouden, zoodat hij begreep, dat zijn angst ongegrond was, en hij van lieverlede het hoofd links en rechts en de armen van beneden naar omhoog begon te bewegen. Op die beweging, welke niemand belette, vatte hij moed en waagde eerst het eene, toen het andere been tot zich te trekken; eindelijk, zich met beide handen ondersteunende, stond hij van de bank op en bevond zich op zijn voeten. Tegelijkertijd lichtte een officier van zeer goed voorkomen het voorhangsel eener deur op, bleef nog eenige woorden wisselen met den persoon, die zich in het naaste vertrek bevond, en wendde zich daarop tot den gevangene.
„Zijt gij het, die Bonacieux heet?”—„Ja, mijnheer de officier!” stamelde de winkelier meer dood dan levend, „om u te dienen.”—„Ga binnen,” zei de officier. En hij ging ter zijde om Bonacieux door te laten. Deze gehoorzaamde zonder eenige tegenspraak en ging de kamer binnen, waar hij scheen verwacht te worden....
Het was een groot vertrek, welks muren voorzien waren van allerhande soort van wapens, dicht besloten en zeer warm, daar er reeds vuur brandde, ofschoon men nauwelijks tegen het einde der maand September was. Een vierkante tafel, met boeken en papierenbeladen, en waarop een zeer groote plattegrond der stadla Rochellelag uitgespreid, stond midden in het vertrek. Voor den schoorsteen stond een man van middelbare grootte, van een zeer forsch en fier voorkomen, met doordringende oogen, breed voorhoofd, vermagerd gezicht, dat nog verlengd werd door een snorbaard en een paar knevels. Hoewel die man nauwelijks zes of zeven en dertig jaar oud was, begonnen snor en baard te vergrijzen. Die man, zonder degen aan, had het voorkomen van een krijgsman, en zijn buffellederen laarzen, nog eenigszins met stof bedekt, duidden aan, dat hij dien dag te paard had gereden. Die man was Armand Jean Duplessis, kardinaal de Richelieu, niet zooals men hem ons voorstelt, gebukt als grijsaard, lijdende als een martelaar met verbrijzeld lichaam, zwakke stem en begraven in een grooten leuningstoel, als in een voorafgaand graf, alleen metEuropa, zich staande houdende enkel door de onafgebroken inspanning zijner denkkracht; maar zooals hij werkelijk op dat tijdstip was, een aardig en smaakvol cavalier, wel reeds verzwakt van lichaam, maar ondersteund door die zielskracht, die hem tot een der meest buitengewone menschen maakte, die er ooit bestaan hebben; eindelijk zich voorbereidende, om, na den hertog de Nemours in zijn hertogdom vanMantuate hebben bevestigd, naNîmes,CastresenUzèste hebben ingenomen, de Engelschen van het eilandRéte verdrijven en de belegering vanla Rochelleaan te vangen.
Op het eerste gezicht deed niets den kardinaal vermoeden, en het was hun niet mogelijk, die zijn gelaat niet kenden, te raden wien zij voor hadden.... De arme winkelier bleef voor de deur staan, terwijl de blik van den persoon, dien wij hebben beschreven, zich op hem vestigde en in het diepste zijner gedachten scheen te willen doordringen.—„Is dat die Bonacieux?” vroeg hij na een oogenblik zwijgens.—„Ja, Excellentie!” hernam de officier.—„Het is wel; geef mij zijn papieren en laat ons alleen.”
De officier nam van de tafel de gevraagde papieren,stelde ze den vrager ter hand, boog zich tot den grond en vertrok. Bonacieux herkende in deze papieren zijn verhooren der Bastille. Van tijd tot tijd hief de man, die voor den schoorsteen stond, de oogen van de papieren op en liet ze als een paar dolken in het hart van den winkelier dringen. Na verloop van tien minuten lezing en tien seconden beschouwing, was de kardinaal in zijn denkbeeld bevestigd.—„In dat hoofd heeft nooit een samenzwering gebroeid,” mompelde hij; „maar om het even, laten wij eens zien.”
„Gij zijt van hoogverraad beschuldigd,” zeide de kardinaal langzaam.—„Men heeft mij dit reeds gezegd, Excellentie!” riep Bonacieux, aan zijn ondervrager den titel gevende, dien hij van den officier had gehoord; „maar ik zweer u, dat ik er niets van wist.”
De kardinaal onderdrukte een glimlach.—„Gij hebt samengespannen met uw vrouw, met mevrouw de Chevreuse en met Mylord den hertog van Buckingham.”—„Inderdaad, Excellentie!” antwoordde de winkelier, „ik heb haar al die namen hooren noemen.”—„En bij welke gelegenheid?”—„Zij zeide, dat de hertog de Richelieu den hertog van Buckingham teParijshad gelokt, om hem te verderven en met hem de koningin.”—„Zij zeide dat?” riep de kardinaal met hevigheid.—„Ja, Uwe Excellentie! maar ik antwoordde, dat zij ongelijk had dergelijke gesprekken te voeren, en dat Zijne Eminentie niet in staat was....”—„Zwijg! gij zijt een dwaas!” hernam de kardinaal.—„Dat is juist wat mijn vrouw mij heeft geantwoord, Uwe Excellentie!”—„Weet gij, wie uw vrouw heeft ontvoerd?”—„Neen, Uwe Excellentie!”—„Gij verdenkt echter iemand?”—„Ja, Uwe Excellentie! maar dat vermoeden schijnt den heer commissaris onaangenaam te zijn geweest en nu vermoed ik niets meer.”—„Wist gij, dat uw vrouw ontvlucht was?”—„Neen, Uwe Excellentie! ik heb dit niet eer gehoord dan in de gevangenis en altijd door tusschenkomst van den heer commissaris, een zeer beminnelijk man.”
De kardinaal onderdrukte een tweeden glimlach.—„Dusgij weet niet, wat er van uw vrouw is geworden sedert haar vlucht?”—„Volstrekt niet, Excellentie! maar zij moet naar het Louvre zijn teruggekeerd.”—„Te één uur na middernacht was zij er nog niet.”—„Maar, mijn God! wat is er dan van haar geworden?”—„Men zal dit wel vernemen, wees gerust, men verbergt den kardinaal niets; de kardinaal weet alles.”—„Als dat zoo is, Uwe Excellentie! gelooft gij dan, dat het den kardinaal zal believen mij te zeggen, wat er van mijn vrouw geworden is?”—„Misschien, maar alvorens behoort gij alles te vertellen, wat gij nopens de betrekkingen van uw vrouw met mevrouw de Chevreuse weet.”—„Maar, Uwe Excellentie! ik weet er niets van, ik heb haar nooit gezien.”—„Wanneer gij uw vrouw van het Louvre gingt halen, keerdet gij dan rechtstreeks naar huis terug?”—„Bijna nooit, zij had altijd zaken met linnenkoopers, bij wie ik haar geleidde.”—„En bij hoeveel linnenkoopers begaf zij zich wel?”—„Bij twee, Excellentie!”—„Waar wonen ze?”—„De een in de straat Vaugirard, de andere in de straat la Harpe.”—„Volgdet gij haar in huis?”—„Nooit, Excellentie! ik wachtte haar voor de deur.”—„En wat voor reden gaf zij u, om dus alleen binnen te gaan?”—„Zij gaf mij geen reden en zeide mij alleen, dat ik zou wachten, en ik wachtte.”—„Gij zijt een zeer toegevend echtgenoot, mijn waarde heer Bonacieux!” zeide de kardinaal.
„Hij heeft mij waarde heer genoemd,” dacht de winkelier bij zich zelven, „duivelsch! de zaken nemen een goede wending.”
„Zoudt gij die huizen herkennen?”—„Ja.”—„Weet gij de nummers?”—„Ja.”—„Welke zijn ze?”—„No. 25 in de straat Vaugirard; No. 76 in de straat la Harpe.”—„Goed,” zeide de kardinaal.
Bij deze woorden nam hij een zilveren tafelschel, en een officier trad binnen.—„Ga,” zeide hij halfluid, „ga Rochefort roepen: dat hij dadelijk kome, indien hij te huis is.”—„De graaf wacht,” antwoordde de officier, „en verzoekt dringend Uwe Eminentie te spreken.”
„Uwe Eminentie,” pruttelde Bonacieux, die wist, dat dit de titel was, dien men gewoonlijk den kardinaal gaf.
„Dat hij kome, dat hij onverwijld kome,” zeide Richelieu driftig.—De officier snelde het vertrek uit met een overhaasting, welke de dienaren des kardinaals gewoonlijk in acht namen, om hem te gehoorzamen.
„Uwe Eminentie!” mompelde Bonacieux, groote, verschrikte oogen opzettende.—Vijf seconden waren er niet verloopen, sedert het vertrek van den officier, of de deur werd geopend en een nieuw personage trad binnen.—„Hij is het!” riep Bonacieux.—„Wie?” vroeg de kardinaal.—„Hij, die mijn vrouw heeft ontvoerd.”
De kardinaal schelde voor de tweede maal. De officier verscheen opnieuw.—„Stel dien man in de handen zijner twee bewakers, en dat hij wachte, totdat ik hem terug doe roepen.”—„Neen, Excellentie! neen, hij is het niet!” riep Bonacieux, „neen, ik heb mij bedrogen, het is een ander, die hem volstrekt niet gelijkt: mijnheer is een fatsoenlijk man!”—„Breng dien dwaas weg!” zeide de kardinaal.
De officier nam Bonacieux bij den arm en bracht hem in de voorkamer, waar hij zijn twee bewakers wedervond. De persoon, dien men had binnengeleid, volgde met een ongeduldigen blik Bonacieux, totdat deze vertrokken was; toen zeide hij, den kardinaal driftig naderende:
„Zij hebben elkander gesproken.”—„Wie?” vroeg Zijne Eminentie.—„Zij en hij.”—„De koningin en de hertog?” riep Richelieu.—„Ja.”—„En waar dat?”—„In het Louvre.”—„Zijt gij er zeker van?”—„Volkomen.”—„Wie heeft het u gezegd?”—„Mevrouw de Lannoy, die, zooals gij weet, Uwe Eminentie volkomen is toegedaan.”—„Waarom heeft zij het niet eer gezegd?”—„Hetzij toevallig of uit wantrouwen, heeft de koningin mevrouw de Sargis in haar kamer doen slapen en den geheelen dag bij zich gehouden.”—„Het is wel, wij zijn overwonnen! Laat ons trachtenweerwraak te nemen.”—„Ik zal Uwe Eminentie uit al mijn vermogen helpen, wees hieromtrent gerust.”—„Maar hoe heeft het zich toegedragen?”—„Te middernacht bevond zich de koningin bij haar vrouwen.”—„Waar?”—„In haar slaapkamer.”—„Goed.”—„Toen is men haar een zakdoek vanwege haar lijnwaad-opzichtster komen ter hand stellen.”—„Daarna?”—„Onmiddellijk daarop ontwaarde men aan de koningin een hevige ontroering, en ondanks het blanketsel, dat haar gelaat bedekte, zag men haar verbleeken.”—„Vervolgens?”—„Echter stond zij op, en met een gebroken stem zeide zij: ‚Dames! wacht mij hier gedurende tien minuten, dan zal ik terug wezen.’ En de deur harer alcove openende, verdween zij er door.”—„Waarom is mevrouw de Lannoy u hiervan niet op hetzelfde oogenblik komen verwittigen?”—„Er was geen genoegzame zekerheid; bovendien, de koningin had gezegd: Dames! wacht mij, en zij durfde de koningin niet ongehoorzaam wezen.”
„En hoe lang is zij uit de kamer afwezig geweest?”—„Drie kwartieruurs.”—„Vergezelde haar niet de een of andere harer vrouwen?”—„Alleen Donna Estefana.”—„En is zij weer teruggekomen?”—„Ja, maar om een klein, met haar naamcijfer prijkend rozenhouten kistje te halen, waarmede zij onmiddellijk zich weer verwijderd heeft.”—„En later terugkeerende, bracht zij toen het kistje mede?”—„Neen.”—„Wist mevrouw de Lannoy wat dat kistje bevatte?”—„Ja: de diamanten haken, die de koning aan de koningin ten geschenke heeft gegeven.”—„En zij is zonder dat kistje teruggekeerd?”—„Ja.”—„Mevrouw de Lannoy vermeent zeker, dat zij ze aan den hertog van Buckingham heeft gegeven.”—„Zij is er zeker van.”—„Hoedat?”—„In den loop van den dag heeft mevrouw de Lannoy, in haar hoedanigheid van bewaarster der kostbaarheden van de koningin, het kistje gezocht, veinzende over het gemis er van ongerust te zijn, zoodat zij eindelijk de koningin er naar vroeg.”—„En wat zeide de koningin?”—„De koningin werd bloedrood en antwoordde,dat aangezien den vorigen dag een harer diamanten haken gebroken was, zij die ter herstelling naar een goudsmid had doen brengen.”—„Men moet dáár aangaan en zich verzekeren, of het waar is of niet.”—„Ik ben er reeds geweest.”—„En de goudsmid?”—„Weet van niets.”—„Goed, goed, Rochefort! alles is nog niet verloren, en misschien is alles ten beste.”—„Het is waar, ik twijfel niet, dat het genie Uwer Eminentie....”—„De domheid van zijn agent herstelle, niet waar?”—„Dat was mijn meening, indien Uwe Eminentie mij niet in de rede ware gevallen.”—„Maar nu, weet gij waar de hertogin de Chevreuse en de hertog van Buckingham zich verborgen hielden?”—„Neen, Uwe Eminentie! mijn lieden hebben mij daaromtrent niets stelligs kunnen mededeelen.”—„Ik weet het.”—„Gij, Uwe Excellentie?”—„Ja, ik veronderstel ten minste het te weten. Zij bevonden zich, de eene in de straat Vaugirard, No. 25, en de andere in No. 76 der straat la Harpe.”—„Verkiest Uwe Excellentie, dat ik ze beiden in hechtenis doe nemen?”—„Het zal te laat zijn, en zij zullen wel reeds vertrokken zijn.”—„Om het even, men kan er zich van verzekeren.”—„Neem tien mijner gardes en doorzoek beide huizen.”—„Ik ga, Uwe Excellentie!”—En Rochefort spoedde zich voort.
De kardinaal, nu alleen zijnde, bleef een oogenblik in overpeinzing en schelde voor de derde maal. Dezelfde officier trad binnen.
„Laat den gevangene binnenkomen,” beval de kardinaal.
Bonacieux werd opnieuw binnengeleid, en op een wenk van den kardinaal verwijderde zich de officier.—„Gij hebt mij bedrogen,” zeide de kardinaal toornig.—„Ik!” riep Bonacieux, „ik, Uwe Eminentie bedriegen?”—„Uw vrouw, naar de straten Vaugirard en la Harpe gaande, begaf zich niet naar linnenkoopers.”—„En waarheen dan? gerechte Hemel!”—„Zij begaf zich tot de hertogin de Chevreuse en tot den hertog van Buckingham.”—„Ja,” zeide Bonacieux; „ja, het iszoo, Uwe Eminentie heeft gelijk. Ik heb dikwijls aan mijn vrouw gezegd, dat het verwonderlijk was, dat linnenkoopers in dergelijke huizen woonden, in huizen, waarvoor geen uithangbord is; maar telkens begon mijn vrouw dan te lachen. O, Uwe Excellentie!” ging de heer Bonacieux voort, zich voor de voeten van Zijne Eminentie werpende. „O, gij zijt wel de kardinaal, de groote kardinaal, de man van genie, dien de geheele wereld eert!”
De kardinaal, hoe gering de zegepraal ook was, die hij op een zoo nietig wezen als Bonacieux had behaald, was er echter niettemin door gevleid; vervolgens en bijna tegelijkertijd, alsof een nieuwe gedachte in hem was opgekomen, zweefde er een glimlach op zijn lippen, en zijn hand den winkelier reikende, zeide hij hem: „Sta op, mijn vriend! gij zijt een braaf man.”—„De kardinaal heeft mij de hand gedrukt! ik heb de hand des grooten mans gedrukt!” riep Bonacieux. „De groote man heeft mij zijn vriend genoemd!”—„Ja, mijn vriend! ja,” hernam de kardinaal op dien goedhartigen toon, welken hij vaak wist aan te nemen, en die alleen hen bedroog, die hem niet kenden; „en dewijl men u ten onrechte heeft beschuldigd, welnu, daarvoor moet gij worden schadeloos gesteld. Ziedaar, neem dien zak met tweehonderd pistolen, en vergeef mij,”—„U vergeven, Uwe Eminentie!” zeide Bonacieux, die aarzelde den zak aan te nemen, zeker vreezende, dat deze onbegrijpelijke gift slechts scherts was. „Het stond u immers wel vrij, mij te doen in hechtenis nemen, gij kondet mij immers vrijelijk doen folteren, mij doen hangen, gij zijt de meester, en ik zou geen woord te zeggen hebben gehad. U te vergeven, Uwe Eminentie! O, dat meent gij niet.”—„Wel, mijnheer Bonacieux! gij toont u zeer edelmoedig, naar ik zie; ik ben er u erkentelijk voor. Alzoo, gij neemt dien zak, en gij vertrekt, zonder van vreugde al te onvergenoegd te zijn?”—„Ik vertrek opgetogen, Uwe Excellentie!”—„Vaarwel dan, of liever tot weerziens, want ik hoop, dat wij elkander nog zullenzien.”—„Zoo dikwijls Uwe Eminentie het begeert, en ik stel mij volkomen ter beschikking Uwer Eminentie.”—„Wees gerust, dat zal menigmaal het geval zijn; want waarlijk, uw onderhoud heeft mij ten zeerste bekoord.”—„O, Uwe Eminentie!”—„Tot weerziens, mijnheer Bonacieux! tot weerziens!”
En de kardinaal gaf hem met de hand een wenk, dien Bonacieux met een diepe buiging beantwoordde; vervolgens ging hij, achteruit tredende, de kamer uit, en toen hij in de voorkamer was, hoorde de kardinaal hem in zijn geestdrift luidkeels uitroepen: „Leve Zijne Eminentie! Leve Zijne Hoogheid! Leve de groote kardinaal!”
De kardinaal luisterde glimlachende naar deze luidruchtige, geestdriftvolle ontboezeming van Bonacieux; en toen het gejuich in de verte wegstierf, zeide hij tot zich zelven: „Goed zoo, dat is een man, die voor mij in den dood zal gaan.”—En de kardinaal zette zich neder, om met de grootste nauwkeurigheid den platten grond der stadla Rochellete bestudeeren, welke, zooals wij zeiden, op tafel lag uitgespreid, met een potlood een lijn trekkende, waarlangs de vermaarde dijk moest loopen, die, achttien maanden later, de haven der belegerde stad insloot.
Terwijl hij verdiept was in zijn krijgskundige studiën, werd de deur geopend, en Rochefort trad binnen.—„Wel?” vroeg de kardinaal, met een drift opstaande, die de mate van gewicht aanduidde, die hij aan de boodschap hechtte, waarmede hij den graaf had belast. „Wel?”—En deze antwoordde: „Een vrouw van zes tot acht en twintig jaar en een man van vijf en dertig tot veertig jaar hebben werkelijk, de eene vier, de andere vijf dagen, in de door Uwe Eminentie aangeduide huizen gelogeerd; maar de vrouw is heden nacht, en de man heden ochtend vertrokken.”—„Dat waren zij!” riep de kardinaal, die tegelijkertijd op de pendule zag; „maar nu,” ging hij voort, „is het te laat om hen te vervolgen; de hertogin is teTours, en de hertog teBoulogne. Wij moeten ze teLondenbereiken.”—„Wat beveelt Uwe Excellentie?”—„Geen woord omtrent het voorgevallene; dat de koningin in de meest volkomene gerustheid blijve! laat zij niet vernemen, dat wij haar geheim kennen; laat haar gelooven, dat wij de een of andere samenzwering op het spoor zijn. En doe nu den zegelbewaarder Séguier bij mij komen.”—„En met dien man? Wat heeft Uwe Eminentie met dezen gedaan?”—„Met wien?” vroeg dekardinaal.—„Met dien Bonacieux.”—„Ik heb met hem gedaan wat er mede te doen was, en van hem den spion zijner vrouw gemaakt.”
De graaf de Rochefort maakte een buiging als voor de meerdere begaafdheid des meesters, en hij verwijderde zich. Alleen gebleven, ging de kardinaal opnieuw zitten, schreef een brief, dien hij met zijn bijzonder zegel zegelde; vervolgens schelde hij. De officier kwam voor de vierde maal.—„Laat Vitray komen,” beval hij, „en zeg hem, dat hij zich voor de reis gereed maakt.”
Een oogenblik later stond de man voor hem, gelaarsd en gespoord.—„Vitray!” zeide hij, „gij moet in allerijl naarLonden. Geen oogenblik moogt gij u op weg ophouden, en onmiddellijk na uw aankomst dezen brief aan milady ter hand stellen. Ziedaar een briefje van tweehonderd pistolen; vervoeg u bij mijn rentmeester en doe u betalen. Gij kunt even veel ontvangen, indien gij binnen zes dagen terug zijt en gij mijn boodschap goed hebt verricht.”—De Vitray, zonder een enkel woord te antwoorden, boog, nam den brief, denbonvoor tweehonderd pistolen en vertrok.
Ziehier den inhoud van den brief: