„Ga aanstaanden Woensdag,†behelsde het, „van zeven tot acht uur des avonds, een wandeling langs den weg vanChaillotdoen, en zie nauwkeurig in de koetsen, die u voorbij zullen rijden. Maar als gij op uw eigen leven en op dat van hen, die u liefhebben, gesteld zijt, maak dan niet de minste beweging, welke zou kunnen doen gelooven, dat gij haar hebt herkend, die zich aan alles blootstelt om u een oogenblik te zien.â€Geen handteekening.
„Ga aanstaanden Woensdag,†behelsde het, „van zeven tot acht uur des avonds, een wandeling langs den weg vanChaillotdoen, en zie nauwkeurig in de koetsen, die u voorbij zullen rijden. Maar als gij op uw eigen leven en op dat van hen, die u liefhebben, gesteld zijt, maak dan niet de minste beweging, welke zou kunnen doen gelooven, dat gij haar hebt herkend, die zich aan alles blootstelt om u een oogenblik te zien.â€
Geen handteekening.
„Dat is een valstrik, d’Artagnan,†zeide Athos, „ga niet.â€â€”„Echter,†zeide d’Artagnan, „meen ik het schrift te herkennen.â€â€”„Dat kan nagemaakt zijn,†hernam Athos; „te zeven of acht uur is thans de wegnaarChaillotvolkomen eenzaam. Gij zoudt even verstandig doen in het woud vanBondyte gaan wandelen.â€â€”„Maar indien wij allen gingen,†merkte d’Artagnan op, „wat duivel! men zal ons vieren zoo gemakkelijk niet verslinden, en dan nog vier lakeien, de paarden en de wapens; het zou hen al te slecht bekomen.â€â€”„Bovendien is het een gelegenheid om onze uitrusting te vertoonen,†merkte Porthos op.—„En indien het een vrouw is, die schrijft,†zeide Aramis, „en deze vrouw niet begeerde gezien te worden, wees dan voorzichtig, d’Artagnan! haar in ongelegenheid te brengen, hetgeen een edelman niet fraai zou staan.â€â€”„Wij zullen ons achteraf houden,†zeide Porthos, „en hij alleen zal voorgaan.â€â€”„Goed,†verklaarde Athos, „maar een pistoolschot is spoedig gelost uit een koets, die snel voorbijrijdt.â€â€”„Och,†zeide d’Artagnan, „men zal mij niet treffen, en dan zullen wij de koets aanvallen en hen, die er in zijn, verdelgen. Dat zal dan altijd zooveel vijanden minder wezen.â€â€”„Hij heeft gelijk,†riep Porthos uit, „welaan, een gevecht; wij moeten buitendien onze wapens nog beproeven.â€â€”„Wel ja, laten wij ons dat pretje gunnen,†zeide Aramis op zachten en lossen toon.—„Zooals gij wilt,†hernam Athos, „heeren, het is nu half vijf, en nauwelijks kunnen wij tijdig genoeg op den weg vanChaillotzijn.â€â€”„Ook indien wij te laat vertrekken,†zeide Porthos, „zal men ons niet zien, wat wel jammer zou zijn. Maken wij ons dus gereed, heeren!â€
„Maar gij vergeet dien tweeden brief,†zeide Athos. „Ik meen echter, dat het zegel genoeg aanduidt, dat hij wel verdient te worden opengebroken. Wat mij betreft, ik verklaar, mijn waarde d’Artagnan, dat ik er meer aan hecht, dan aan dat kleine reepje papier, hetwelk gij op uw hart drukt.â€
D’Artagnan bloosde.—„Welnu, heeren!†zeide de jongeling, „zien wij eens, wat Zijne Eminentie van ons begeert.â€
D’Artagnan verbrak het zegel en las den brief:
„De heer d’Artagnan, garde des konings, bij de kompagnie des Essarts, wordt heden avond te acht uur in het paleis verwacht.La HoudinièreKapitein der gardes.â€
„De heer d’Artagnan, garde des konings, bij de kompagnie des Essarts, wordt heden avond te acht uur in het paleis verwacht.
La HoudinièreKapitein der gardes.â€
La HoudinièreKapitein der gardes.â€
„Duivelsch!†riep Athos uit, „ziedaar een meer verontrustende samenkomst dan de andere.â€â€”„Ik zal het tweede bezoek doen, na het eerste te hebben afgelegd,†zeide d’Artagnan; „het eene is te zeven en het andere te acht uur. Dus wij hebben den tijd voor beide.â€â€”„Hm! ik zou niet gaan,†zeide Aramis, „een fatsoenlijk ridder kan van een door een vrouw gegeven samenkomst niet afzien; maar een voorzichtig edelman kan zich verontschuldigen, zijn opwachting bij Zijne Eminentie te maken, vooral wanneer hij reden heeft te gelooven, dat het niet is, om er gelukwenschen te gaan ontvangen.â€â€”„Ik ben van het gevoelen van Aramis,†zeide Porthos.—„Heeren!†antwoordde d’Artagnan, „ik heb reeds door den heer de Cavois een dergelijke uitnoodiging van Zijne Eminentie ontvangen, ik heb daaraan niet voldaan, en den volgenden dag is mij een groote ramp overkomen. Constance was verdwenen; wat er ook van moge komen, ik ga.â€â€”„Als gij er toe hebt besloten, doe het dan,†zeide Athos.—„Maar de Bastille?†riep Aramis.—„Och! daar haalt gij mij wel uit,†zeide d’Artagnan.—„Zeker,†hernamen Aramis en Porthos met een bewonderenswaardig zelfvertrouwen en alsof het de eenvoudigste zaak der wereld was; „zeker zullen wij er u uithalen. Maar intusschen, daar wij overmorgen moeten vertrekken, zoudt gij beter doen u aan de Bastille niet te wagen.â€
„Laat ons het beter aanleggen,†stelde Athos voor, „verlaten wij hem den geheelen avond niet meer; elk onzer zal hem aan een der deuren van het paleis wachten, met drie musketiers achter zich. Zien wij dan een gesloten koets er uit komen, die ons verdacht voorkomt, dan vallen wij ze aan. Het is lang geleden, dat wij met de gardes van den kardinaal niets te vereffenenhebben gehad en de heer de Tréville zal meenen, dat wij dood zijn.â€â€”„Ongetwijfeld, Athos!†zeide Aramis, „gij zijt geschapen om veldheer te zijn. Wat zegt gij van het plan, heeren?â€â€”„Voortreffelijk!†riepen de jongelieden eenparig.—„Welnu,†zeide Porthos, „dan zal ik naar het hotel ijlen en onze krijgsmakkers verwittigen zich tegen acht uur gereed te houden; de samenkomst zal op het plein van het kardinaals-paleis plaats hebben; geef gij intusschen de lakeien bevel de paarden te zadelen.â€â€”„Ik heb geen paard,†zeide d’Artagnan; „maar ik zal er een van den heer de Tréville laten halen.â€
„Dat is niet noodig,†hernam Aramis, „gij kunt een der mijne krijgen.â€â€”„Hoeveel hebt gij er dan?†vroeg d’Artagnan.—„Drie,†antwoordde Aramis glimlachende.—„Mijn waarde!†zeide Athos, „gij zijt waarschijnlijk de best betaalde dichter van geheelFrankrijkenNavarre. Luister, Aramis! gij weet zeker niet, wat gij met drie paarden zult uitvoeren, niet waar? Ik begrijp zelfs niet eens om welke reden gij drie paarden hebt gekocht?â€â€”„Ik heb er slechts twee gekocht.â€â€”„Is dan het derde uit de wolken gevallen?â€â€”„Neen; het derde is mij heden morgen gebracht geworden door een knecht zonder livrei, die mij niet wilde zeggen, van wien het kwam, maar mij verzekerde, het bevel van zijn meester ontvangen te hebben....â€â€”„Of van zijn meesteres,†viel d’Artagnan in de rede.—„Dat doet niets ter zake,†zeide Aramis blozende; „en die mij verzekerde, zeg ik, het bevel van zijn meester of van zijn meesteres te hebben ontvangen, om dat paard in mijn stal te brengen, zonder mij te zeggen van wien het kwam.â€â€”„Alleen aan poëten gebeuren dergelijke zaken,†hernam Athos ernstig.—„Welnu, dan zullen wij iets beters doen,†zeide d’Artagnan. „Welk der twee paarden wilt gij berijden? dat, wat gij gekocht, of dat, wat men u gegeven heeft?â€â€”„Wel, zonder twijfel dat, wat men mij heeft gegeven. Gij begrijpt wel, d’Artagnan! dat ik zoo onbeleefd niet kan zijn....â€â€”„Jegens den onbekenden gever,†hernam d’Artagnan.—„Ofjegens de geheimzinnige geefster,†zeide Athos.—„Dat wat gij hebt gekocht wordt u dus tot last?â€â€”„Ten naasten bij.â€â€”„Gij hebt het zelf gekozen?â€â€”„En met de meeste zorg; want gij weet, de zekerheid van den ruiter hangt bijna altijd van zijn paard af.â€â€”„Welnu, sta het mij dan af voor den prijs, dien het u kost.â€â€”„Ik wilde het u juist aanbieden, mijn waarde d’Artagnan! u al den tijd latende, dien gij mocht noodig hebben, om mij die kleinigheid terug te geven.â€â€”„En hoeveel kost het u?â€â€”„Achthonderd franken.â€â€”„Ziedaar veertig dubbele pistolen, mijn waarde vriend!†zeide d’Artagnan, die som uit zijn zak halende; „ik weet, dat het de munt is, waarmede men u uw dichtwerken betaalt.â€â€”„Gij hebt dus geld?†vroeg Aramis.—„Rijk, schatrijk, beste vriend!â€â€”En d’Artagnan liet het overschot van het geld in zijn zak klinken.—„Zend uw zadel naar het hotel der musketiers, en men zal u uw paard met de onze hier brengen.â€â€”„Best, maar het is dra vijf uur.â€â€”„Haasten wij ons.â€
Een kwartieruurs later verscheen Porthos aan het einde der straat Férou op een prachtigen hengst. Mousqueton volgde hem op een Auvergneesch paard, klein, maar sterk. Porthos blonk van vreugd.
Tegelijkertijd verscheen Aramis aan het andere einde der straat op een kostelijk Engelsch paard. Bazijn volgde hem op een Rouaansch paard en hield bij den toom een sterken Mecklenburger, die voor d’Artagnan was bestemd. Beide musketiers ontmoetten elkander voor de deur. Athos en d’Artagnan zagen hen van uit het venster.
„Duivelsch!†zeide Aramis, „gij hebt daar een prachtig paard, mijn waarde.â€â€”„Ja,†antwoordde Porthos, „dat is dat, wat men mij dadelijk had moeten zenden. Een ellendige grap van den echtgenoot had het andere er voor in de plaats gesteld; maar de echtgenoot is er voor gestraft; ik heb een volkomen genoegdoening verkregen.â€
Nu verscheen Grimaud, bij den toom het paard van zijn meester leidende; d’Artagnan en Athos gingen naarbeneden, sprongen in den zadel, en de vier vrienden begaven zich naar de kade; Athos op het paard, dat hij aan zijn vrouw had te danken; Aramis op het paard, dat hij van zijn minnares had ontvangen; Porthos op het paard, dat hij van de procureursvrouw had gekregen; en d’Artagnan op het paard, dat hem zijn fortuin had bezorgd, de beste van alle minnaressen. De lakeien volgden.
Zooals Porthos had gedacht, maakte de stoet een grootsche vertooning, en indien mevrouw Coquenard op den weg van Porthos ware geweest, dan zou zij hebben kunnen zien, hoe trotsch hij op zijn heerlijken Spaanschen hengst zat, en zich niet hebben beklaagd over de bres in de geldkist van haar man gemaakt.
Nabij het Louvre ontmoetten de vier vrienden den heer de Tréville, die vanSt. Germainterugkwam; hij hield hen staande, om hen over hun uitrusting zijn kompliment te maken, hetgeen in een oogenblik eenige honderden ledigloopers rondom hen lokte. D’Artagnan nam deze gelegenheid waar, om den heer de Tréville over den brief met het roode hertogelijke zegel te spreken. Het spreekt vanzelf, dat hij van het briefje niet repte.
De heer de Tréville keurde het door hem genomen besluit goed en verzekerde hem dat, indien hij den volgenden morgen niet zou zijn teruggekomen, hij hem wel zou vinden, waar hij ook mocht wezen. Op dit oogenblik sloeg het uurwerk der Samaritaine zes uur. De vier vrienden verontschuldigden zich wegens een af te leggen bezoek en namen van den heer de Tréville afscheid.
Een korte galop bracht hen op den weg vanChaillot. De avond begon te vallen en rijtuigen reden heen en weer. D’Artagnan, op eenigen afstand van zijn vrienden en door deze bewaakt, wierp zijn blikken in de koetsen, maar bespeurde daarin niet één gezicht, dat hij kende.
Eindelijk, na een kwartieruurs wachten, en terwijl de avondschemering al meer en meer zich uitbreidde,naderde een rijtuig in vollen galop, op den weg vanSèvres. Een voorgevoel fluisterde d’Artagnan dadelijk in, dat dit het rijtuig was, hetwelk de persoon bevatte, die hem een samenkomst had bepaald. De jongeling verwonderde zich over het hevig kloppen van zijn hart. Bijna onmiddellijk stak een vrouw het hoofd uit het portier en legde twee vingers op haar mond, als om voorzichtigheid aan te bevelen en tevens een kus te zenden.
D’Artagnan slaakte een flauwen vreugdekreet. Die vrouw, of liever die verschijning,—want het rijtuig vloog als een schaduw voorbij,—was juffrouw Bonacieux....
Door een onwillekeurige beweging en ondanks de hem gedane aanbeveling, zette d’Artagnan zijn paard in galop, en in weinig sprongen bereikte hij het rijtuig; maar de opening van het portier was geheel gesloten en de verschijning verdwenen.
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan die aanbeveling: „Indien gij uw leven en dat van hen, die u beminnen, liefhebt, blijf dan onbeweeglijk alsof gij niets gezien hadt.†Hij bleef dus staan, bevende, niet voor zich zelven, maar voor de arme vrouw, die blijkbaar aan een groot gevaar was blootgesteld, door met hem een samenkomst af te spreken. Het rijtuig vervolgde zijn weg met dezelfde snelheid, reedParijsin en verdween.
D’Artagnan was als vastgenageld op dezelfde plaats blijven staan, niet wetende wat te denken. Indien het juffrouw Bonacieux was geweest en zij naarParijsterugkeerde, waartoe dan die vluchtige samenkomst, die eenvoudige oogwenk, die verloren kus? Indien, van den anderen kant, zij het niet was geweest,—hetgeen ook mogelijk kon zijn, want de avondschemering maakte een vergissing gemakkelijk;—indien zij het niet was geweest, zou het dan niet het begin van een aanslag op zijn persoon kunnen zijn, door de vrouw, voor welke men zijn liefde kende, als een lokaas te doen dienen?
De drie vrienden naderden hem. Alle drie haddenduidelijk een vrouwenhoofd door het portier zien verschijnen, maar geen hunner, behalve Athos, kende juffrouw Bonacieux. De meening van Athos was trouwens, dat zij het was geweest; maar minder dan d’Artagnan door dat fraaie gezicht afgetrokken, had hij zich verbeeld een tweede hoofd, een mannenhoofd in het rijtuig te zien.
„Als dat zoo is,†zeide d’Artagnan, „dan voeren zij haar van de eene naar de andere gevangenis. Maar wat wil men dan toch van dat ongelukkige schepsel, en hoe zal ik ooit mij met haar kunnen vereenigen?â€â€”„Vriend!†zeide Athos ernstig, „herinner u, dat de dooden de eenigen zijn, die men niet is blootgesteld op aarde te ontmoeten. Gij weet hiervan zoowel als ik te spreken, niet waar? Derhalve, is uw minnares niet dood, en is zij het geweest, die wij hebben gezien, dan zult gij haar den een of anderen dag wedervinden. En misschien, mijn God!†voegde hij er bij op dien menschenhatenden toon, die hem eigen was, „misschien eer dan het u lief is.â€
Het sloeg half acht; ingevolge de afspraak had het rijtuig nu reeds een twintigtal minuten daar moeten zijn. D’Artagnan’s vrienden herinnerden hem, dat hij nog een bezoek had af te leggen, hem tevens doende opmerken, dat het nog tijd was er van af te zien. Maar d’Artagnan was stijfhoofdig en nieuwsgierig. Hij had eenmaal besloten, dat hij naar het kardinaals-paleis zou gaan en weten, wat Zijne Eminentie hem te zeggen had. Niets kon hem van besluit doen veranderen.
Men bereikte de straat St. Honoré en het kardinaals-paleis; men vond daar de twaalf genoodigde musketiers die, al wandelende, hun krijgsmakkers verbeidden. Slechts dáár gaf men hun kennis van hetgeen er te doen was.
D’Artagnan was zeer goed bekend in het eervol korps van ’s konings musketiers, waarin men wist, dat hij eenmaal een plaats zou vervullen, zoodat men hem reeds als een kameraad beschouwde. Hiervan was het gevolg, dat allen volkomen bereid waren den last te vervullen,waartoe zij waren uitgenoodigd. Buitendien, het betrof, volgens alle waarschijnlijkheid, den kardinaal en den zijnen een leelijken trek te spelen, en voor dergelijke ondernemingen waren die waardige edellieden steeds gereed.
Athos verdeelde hen in drie troepen, nam het bevel van den eenen troep op zich en stelde Aramis en Porthos aan het hoofd van de beide andere, en elke troep stelde zich in hinderlaag voor een der uitgangen. D’Artagnan trad van zijn kant moedig den hoofdingang binnen.
Hoewel hij op de krachtdadige ondersteuning zijner vrienden vertrouwde, was de jongeling echter niet zonder bekommering, toen hij voet voor voet de breede trap opging. Zijn gedrag jegens milady had wel iets van verraad, en hij geloofde bijna met zekerheid aan een staatkundige gemeenzaamheid tusschen die vrouw en den kardinaal; te meer, de Wardes, dien hij zoo deerlijk had gewond, was een der vertrouwelingen van den kardinaal, en d’Artagnan wist dat, indien Zijne Eminentie vreeselijk voor haar vijanden was, zij zeer aan haar vrienden was gehecht.
„Indien de Wardes de geheele toedracht onzer ontmoeting aan den kardinaal heeft verhaald, waaraan niet te twijfelen is, en hij mij herkend heeft, hetgeen waarschijnlijk is, moet ik mij zoo goed als voor veroordeeld beschouwen,†zeide d’Artagnan bij zich zelven, het hoofd schuddende. „Maar waarom heeft hij tot vandaag gewacht? Wel, dat is zeer eenvoudig: milady zal zich over mij hebben beklaagd met die huichelachtige smart, die haar zoo belangwekkend maakt, en die laatste misdaad zal den kelk hebben doen overloopen. Gelukkig zijn mijn goede vrienden waakzaam, en deze zullen niet, zonder mij te hulp te komen, mij gevankelijk laten wegvoeren. Maar de kompagnie der musketiers van den heer de Tréville kan niet alleen den oorlog tegen den kardinaal volhouden, die over al de machten vanFrankrijkbeschikt en voor wien de koningin zonder macht, de koning zonder wil is. D’Artagnan! mijn vriend! gij zijt dapper, gij zijt voorzichtig, gij bezit voortreffelijkehoedanigheden, maar de vrouwen zullen u ten verderve strekken!â€
Hij kwam tot dat treurig besluit, toen hij de voorkamer binnentrad.
Hij stelde zijn brief den dienstdoenden kamerbewaarder ter hand, die hem in de receptiezaal geleidde en toen dieper het paleis binnenging. In de zaal bevonden zich vijf of zes gardes van den kardinaal, die, d’Artagnan herkennende en wetende dat hij het was, die Jussac had gekwetst, hem met een zonderlingen glimlach beschouwden. Die glimlach was voor d’Artagnan een slecht voorteeken; maar dewijl onzen Gaskonjer niet gemakkelijk vrees aan te jagen was, of liever, dewijl hij, dank zij den nationalen hoogmoed, zoo eigen aan zijn landslieden, niet spoedig liet zien wat er in zijn ziel omging, vooral wanneer zulks naar vrees zweemde, bleef hij trotsch voor de heeren gardes staan en wachtte met de hand op de heup en in een houding, die van fierheid niet was ontbloot.
De kamerdienaar kwam weder binnen en wenkte d’Artagnan hem te volgen. De jongeling meende, dat de gardes, toen zij hem zagen vertrekken, onder elkander fluisterden. Hij ging door een gang, trad een zaal en vervolgens de bibliotheek binnen, waar hij voor zich een man zag, die aan een tafel zat te schrijven. De kamerbewaarder leidde hem binnen en verwijderde zich zonder één woord te spreken.
D’Artagnan bleef staan en beschouwde dien man. Hij meende aanvankelijk in hem een rechter te zien, die processtukken onderzocht; maar hij bespeurde dra, dat de man schreef, of liever, regels van verschillende lengte verbeterde, terwijl hij lettergrepen op zijn vingers telde; nu zag hij, dat hij zich in de tegenwoordigheid eens dichters bevond.
Na verloop van een oogenblik sloeg de poëet zijn manuscript, op welks omslagMirame,Treurspel in vijf bedrijven, stond geschreven, toe en richtte het hoofd op.
D’Artagnan herkende den kardinaal.
Een vreeselijke gebeurtenis.
Richelieu zette den elleboog op zijn manuscript en liet de wang op zijn hand rusten, terwijl hij d’Artagnan een oogenblik beschouwde. Geen oog was doordringender dan dat van den kardinaal, en de jongeling voelde zijn blik als een koortsachtige rilling door zijn aderen loopen. Nochtans hield hij zich goed, en met den hoed in de hand wachtte hij, zonder te veel trotschheid, ook niet met te veel nederigheid, de bevelen van Zijne Eminentie.
„Mijnheer!†vroeg hem de kardinaal, „zijt gij zekere d’Artagnan, uitBearn?â€â€”„Ja, Uwe Eminentie.â€â€”„Er zijn verschillende geslachten van d’Artagnans teTarbesen in de omstreken; tot welk behoort gij?â€â€”„Ik ben de zoon van hem, die met den grooten koning Hendrik, den vader Zijner Genadige Majesteit, de godsdienst-oorlogen heeft medegemaakt.â€â€”„Dien bedoel ik.... Gij zijt, zeven of acht maanden geleden, uit uw land vertrokken, om in de hoofdstad fortuin te zoeken?â€â€”„Ja, Uwe Eminentie!â€â€”„Gij zijt langsMeunggekomen, waar u iets is overkomen; ik weet niet juist wat, maar er heeft toch iets plaats gehad?â€â€”„Eminentie! zie hier wat mij is overkomen....â€â€”„Onnoodig, onnoodig!†hernam de kardinaal met een glimlach, die bewees, dat hem de geschiedenis even goed bekend was als hem, die ze wilde verhalen. „Gij waart den heer de Tréville aanbevolen, niet waar?â€â€”„Ja Eminentie! maar juist bij die ongelukkige ontmoeting teMeung....â€â€”„Is de aanbevelingsbrief verloren geraakt,†hernam Zijne Eminentie; „ja, dat is mij bekend. De heer de Tréville is een goed gelaatkundige, die de menschen op het eerste gezicht weet te schatten; hij heeft u in de kompagnie van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, doen aannemen, u de hoop gevende, vroeg of laat bij de musketiers te worden ingelijfd?â€â€”„Uwe Eminentie is volkomen goed onderricht.â€â€”„Sedertdien tijd is u nog al wat gebeurd. Gij zijt op zekeren dag achter het Karthuiser-klooster gaan wandelen, terwijl het beter ware geweest elders te zijn; vervolgens hebt gij met uw vrienden een reisje naar de baden teForgesgedaan. Zij zijn op weg achtergebleven, maar gij hebt uw reis voortgezet. Dat is zeer natuurlijk, want gij hadt inEngelandzaken te doen.â€â€”„Eminentie!†zeide d’Artagnan, geheel ontroerd, „ik ging....â€â€”„naar de jacht teWindsorof elders, dat raakt niemand. Ik weet het, omdat het mijn beroep is, alles te weten. Bij uw terugkomst werdt gij door een doorluchtig persoon ontvangen; en ik zie met genoegen, dat gij het aandenken, hetwelk zij u heeft gegeven, bewaard hebt.â€
D’Artagnan bracht de hand aan den diamant, dien hij van de koningin had gekregen, en keerde haastig den steen naar binnen; maar het was te laat.
„Den dag daarna hebt gij het bezoek van den heer de Cavois ontvangen, die u kwam verzoeken, aan het paleis te komen. Aan die uitnoodiging hebt gij niet beantwoord, en gij hebt niet wel gedaan.â€â€”„Ik vreesde mij het ongenoegen Uwer Eminentie op den hals te hebben gehaald.â€â€”„En waarom dat, mijnheer? Omdat gij de bevelen uwer meerderen met meer moed en beleid hadt uitgevoerd, dan een ander zou hebben gedaan? Mijn ongenade op den hals halen, wanneer gij lof verdient? Het zijn de lieden, die niet gehoorzamen, welke ik straf, en niet hen, die, zooals gij, te goed.... gehoorzamen.... En om u te bewijzen, dat gij niet wel hebt gedaan, behoeft gij u slechts den dag te herinneren, dat ik u liet noodigen; herinner u, wat dienzelfden avond is voorgevallen.â€
Het was op dienzelfden avond, dat juffrouw Bonacieux was ontvoerd geworden. D’Artagnan beefde, en hij herinnerde zich, dat een half uur te voren de arme vrouw hem was voorbijgereden, waarschijnlijk nog door dezelfde macht voortgesleept, die haar had doen verdwijnen.
„Kortom,†ging de kardinaal voort, „dewijl ik sederteenigen tijd niet meer van u hoorde spreken, wilde ik weten, wat gij uitvoerdet. Bovendien, gij zijt mij nog wel eenigen dank verschuldigd; immers, gij moet gezien hebben, hoe men u bij alle gelegenheden heeft gespaard.â€
D’Artagnan maakte een eerbiedige buiging.
„Zulks,†vervolgde de kardinaal, „ontsproot niet alleen uit een gevoel van billijke rechtvaardigheid, maar nog meer ten gevolge van een plan, dat ik te uwen aanzien had beraamd.â€â€”D’Artagnan was al meer en meer verwonderd.—„Ik wilde,†hernam de kardinaal, „u dat plan voorleggen op den dag, toen gij mijn eerste uitnoodiging ontvingt; maar gij kwaamt niet. Gelukkig is nog niets door dat uitstel verloren, en heden zult gij mijn plan vernemen. Ga daar zitten, mijnheer d’Artagnan! gij zijt een te goed edelman om staande naar mij te luisteren.â€
En de kardinaal wees een stoel aan den jongeling, die zoozeer verwonderd was over hetgeen er voorviel, dat hij, alvorens te gehoorzamen, een tweeden wenk van Zijne Eminentie wachtte.
„Gij zijt moedig, mijnheer d’Artagnan!†ging de kardinaal voort, „en daarbij voorzichtig, dat nog beter is. Ik, ik houd veel van stoutmoedige en verstandige lieden. Wees niet bevreesd,†zeide hij glimlachende, „onder stoutmoedige mannen versta ik mannen zooals gij; intusschen hebt gij, hoe jong ook, en hoe kort geleden gij in de wereld verkeert, vermogende vijanden. Indien gij niet voorzichtig zijt, zullen zij u ten verderve brengen.â€â€”„Helaas, Uwe Excellentie,†hernam de jongeling, „zij zullen dit voorwaar gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen; want zij zijn sterk en goed ondersteund, terwijl ik alleen ben.â€â€”„Dat is waar; maar alleen hebt gij echter reeds veel verricht, en gij zoudt nog meer doen, hieraan twijfel ik niet. Echter geloof ik, dat gij een gids noodig hebt in deze avontuurlijke loopbaan, die gij u gekozen hebt; want, indien ik mij niet vergis, zijt gij teParijsgekomen met het eerzuchtig oogmerk om fortuin te maken.â€â€”„Ik ben in den ouderdomder dwaze hoop, Excellentie!†zeide d’Artagnan.—„Alleen voor de dwazen bestaat er een dwaze hoop, mijnheer! en gij zijt verstandig. Wel, wat zoudt gij zeggen, indien ik u een vaandrigsplaats bij mijn gardes aanbood, en een kompagnie na den veldtocht?â€
„O, Excellentie!â€â€”„Gij neemt aan, niet waar?â€â€”„Eminentie!†hernam d’Artagnan met een verlegene houding.—„Hoe, gij weigert?†riep de kardinaal verwonderd.—„Ik behoor bij de gardes Zijner Majesteit, Eminentie! en heb geen reden ontevreden te zijn.â€â€”„Maar ik meen,†zeide de kardinaal, „dat mijn garde ook die Zijner Majesteit is, en dat, in welk corps men diene, men den koning dient.â€â€”„Uwe Eminentie heeft mijn woorden kwalijk verstaan.â€â€”„Gij verlangt een voorwendsel, niet waar? Ik begrijp zulks; maar gij hebt een voorwendsel. Het avancement, de aanstaande veldtocht, de gelegenheid, die ik u aanbied, dat is voldoende voor het oog der wereld; en wat u betreft, gij hebt een zekere bescherming noodig. Want gij moet weten, mijnheer d’Artagnan! dat mij ernstige klachten tegen u zijn ingebracht. Gij wijdt uw dagen en nachten niet uitsluitend den dienst des konings.â€â€”D’Artagnan bloosde.
„Overigens,†vervolgde de kardinaal, de hand op een pak papieren leggende, „hier heb ik een verzameling van stukken, u betreffende. Maar alvorens ze te lezen, heb ik met u eens willen praten. Ik weet, dat gij iemand van een vasten wil zijt, terwijl uw diensten, goed geleid, u, in plaats van tot nadeel, tot groot voordeel zouden strekken. Kom! overweeg en neem een besluit.â€â€”„Uw goedheid, Excellentie! maakt mij beschaamd,†antwoordde d’Artagnan, „en ik erken in Uwe Eminentie een grootheid van ziel, die mij als een aardworm zoo klein maakt; maar dewijl Uwe Eminentie mij in ieder geval veroorlooft mij rondborstig te verklaren....â€â€”D’Artagnan zweeg.
„Ja, spreek!â€â€”„Welnu, dan moet ik aan Uwe Eminentie zeggen, dat al mijn vrienden tot de musketiers en de garde des konings behooren, en mijn vijanden,door een onbegrijpelijke noodlottigheid, in den dienst Uwer Eminentie zijn.... Ik zou dus hier zeer slecht ontvangen worden, indien ik het aanbod Uwer Eminentie aannam.â€â€”„Zoudt gij u reeds trotschelijk verbeelden, dat ik u niet aanbied, wat gij waard zijt, mijnheer?†vroeg de kardinaal met een verachtelijken glimlach.—„Uwe Eminentie is honderdmaal te goed jegens mij, en integendeel, ik geloof nog niet genoeg gedaan te hebben, om die goedheid te verdienen. Het beleg vanla Rochelleis aanstaande, Excellentie! ik zal onder uw oogen dienen, en indien ik het geluk heb, mij bij dat beleg derwijze te gedragen, van door u te worden onderscheiden, welnu, dan zal ik ten minste de een of andere kloekmoedige daad hebben verricht, de bescherming waardig, waarmede gij mij wel wilt vereeren. Alles heeft zijn tijd. Later zal ik misschien het recht hebben mij te geven, terwijl ik op dit oogenblik den indruk zou wekken mij te verkoopen.â€â€”„Hetgeen wil zeggen, dat gij weigert in mijn dienst te gaan, mijnheer!†zeide de kardinaal spijtig, hoewel eenig blijk van achting in zijn woorden doorstraalde. „Blijf dan vrij, en getrouw aan uw haat en uw vriendschap.â€â€”„Eminentie!....â€â€”„Het is wel,†zeide de kardinaal, „ik ben u niet vijandig, maar gij begrijpt: men heeft genoeg te doen met zijn vrienden te verdedigen en te beloonen; en aan zijn vijanden is men niets verschuldigd. En nochtans wil ik u een raad geven: wees op uw hoede, d’Artagnan! want van het oogenblik, dat ik mijn hand van u heb afgetrokken, geef ik geen oortje meer voor uw leven.â€â€”„Ik zal trachten, Eminentie!†antwoordde de Gaskonjer met nederig zelfvertrouwen.—„Herinner u later, en op zeker oogenblik, indien u een ongeluk mocht overkomen,†zeide Richelieu met opzet, „dat ik het ben geweest, die u heb doen halen, en dat ik al het mogelijke heb gedaan, om u voor dat ongeluk te behoeden.â€â€”„Ik zal, wat er ook gebeure,†zeide d’Artagnan, de hand op zijn hart leggende en zich buigende, „steeds een eeuwige dankbaarheid voor Uwe Eminentie bewaren, voor hetgeen zij op dit oogenblikwel jegens mij wil doen.â€â€”„Welnu, zooals gezegd is, wij zullen ons na den veldtocht weer ontmoeten. Mijn blik zal op u gevestigd zijn, want ook ik zal daar wezen,†vervolgde de kardinaal, terwijl hij met zijn vinger aan d’Artagnan een prachtige wapenrusting toonde, die voor hem was bestemd. „En na onze terugkomst, welnu, dan zullen wij afrekenen.â€â€”„Ach, Eminentie!†riep d’Artagnan, „spaar mij voor het gewicht uwer ongenade, blijf onpartijdig, Uwe Excellentie! indien gij ziet, dat ik als een edelman handel.â€â€”„Jongeling!†zeide Richelieu, „indien ik u nogmaals datgene kan zeggen, wat ik u heden zeide, dan beloof ik u zulks te doen.â€
Die laatste woorden van Richelieu drukten een vreeselijken twijfel uit; zij verschrikten d’Artagnan meer dan een bedreiging had kunnen doen, want zij bevatten een waarschuwing. De kardinaal trachtte hem dus voor een ongeluk te behoeden, dat hem bedreigde? Hij opende den mond, om te antwoorden, maar met een trotschen wenk gaf de kardinaal hem zijn afscheid.
D’Artagnan vertrok, maar aan de deur begon zijn moed hem te verlaten, en hij was gereed naar binnen terug te keeren. Onderwijl verscheen hem het ernstige en strenge gelaat van Athos voor den geest. Indien hij met den kardinaal het verbond aanging, dat deze hem voorstelde, zou Athos hem de hand niet meer toereiken, Athos zou hem als zijn vriend verloochenen.
Deze vrees weerhield hem. Zoo vermogend is de invloed van een waarlijk groot karakter op alles, wat het omringt.
D’Artagnan ging dezelfde trap af, langs welke hij was opgekomen; voor de deur vond hij Athos en de vier musketiers, die zijn terugkomst wachtten en ongerust begonnen te worden. Met een enkel woord stelde d’Artagnan hen gerust, terwijl Planchet de anderen ging berichten, dat het niet meer noodig was langer de wacht te houden, daar zijn meester gezond en wel uit het kardinaals-paleis was teruggekomen.
Bij Athos teruggekeerd, vroegen Aramis en Porthos naar de reden van die zonderlinge uitnoodiging; maard’Artagnan bepaalde zich er toe hun te zeggen, dat Richelieu hem ontboden en hem een vaandrigsplaats in zijn garde had willen geven, maar dat hij had geweigerd.
„En gij hebt gelijk!†riepen eenparig Porthos en Aramis.
Athos verzonk in een diepe mijmering en antwoordde niet. Maar toen hij alleen met d’Artagnan was, zeide hij hem: „Gij hebt gedaan, wat gij moest doen; doch wellicht hebt ge ongelijk gehad.â€
D’Artagnan slaakte een zucht; want die stem paarde zich aan een geheime stem zijner ziel, die hem toefluisterde, dat hij aan groote ongelukken was blootgesteld.... De volgende dag ging voorbij in het maken van toebereidselen voor het vertrek. D’Artagnan ging naar den heer de Tréville, om afscheid te nemen. Op dat oogenblik meende men nog, dat de scheiding der gardes en der musketiers slechts kortstondig zou zijn, daar de koning denzelfden dag het parlement zou voorzitten en den volgenden dag vertrekken. De heer de Tréville bepaalde zich dus, aan d’Artagnan te vragen, of hij hem ook van dienst kon zijn; maar d’Artagnan antwoordde fier, dat hij van alles was voorzien, wat hij noodig had. Des nachts vereenigden zich al de krijgsmakkers van de kompagnie der gardes van den heer des Essarts, en der kompagnie musketiers van den heer de Tréville, die met elkander vriendschap hielden. Men verliet elkander tot weerziens, wanneer en als het Gode behaagde.
Het was dan ook, zooals men kan denken, een vrij ruwe nacht; want in dergelijke omstandigheden kan men slechts de uiterste bezorgdheid door een uiterste onverschilligheid verdringen. Den volgenden dag verlieten de vrienden elkander op het eerste trompetgeschal; de musketiers begaven zich naar het hotel van den heer de Tréville; de gardes naar dat van den heer des Essarts. Elk der kapiteins voerde onmiddellijk hierop zijn kompagnie naar het Louvre, waar de koning hen in oogenschouw zou nemen.
De koning was droefgeestig en scheen ongesteld te zijn, hetgeen hem in gestalte kleiner deed schijnen. En inderdaad, den vorigen dag was hem de koorts, te midden der zitting van het parlement dat hij voorzat, overvallen. Hij had desniettemin besloten dienzelfden avond te vertrekken, en ondanks de aanmerkingen, welke men had gedaan, had hij het leger willen in oogenschouw nemen, in de hoop door een dadelijke krachtsontwikkeling de ziekte te overwinnen, die zich van hem meester maakte.
Toen de revue geëindigd was, namen de gardes alleen den tocht aan, daar de musketiers met den koning zouden vertrekken, hetgeen Porthos veroorloofde in zijn schitterende uitrusting een wandeling te paard naar de Berenstraat te doen.
De procureursvrouw zag hem voorbijrijden in zijn nieuwe uniform en op zijn fraai paard gezeten. Zij beminde Porthos te veel, om hem zóó te laten vertrekken, en wenkte hem af te stijgen en in huis te komen. Porthos was prachtig: zijn sporen klonken, zijn harnas blonk, en zijn zwaard sloeg kletterend tegen zijn beenen. Nu hadden de klerken niet den minsten lachlust, zoozeer zag Porthos er als een koppenhakker uit.
De musketier werd bij den heer Coquenard binnengeleid, wiens kleine oogen van woede fonkelden, zijn gewaanden neef zoo blinkend te zien; echter troostte hem iets inwendigs: immers men zeide algemeen, dat de veldtocht ruw zou zijn, hij hoopte derhalve van harte, dat Porthos mocht sneuvelen.
Porthos maakte meester Coquenard zijn kompliment en nam van hem afscheid. Meester Coquenard wenschte hem allerlei soort van voorspoed. Wat mevrouw Coquenard betrof, deze kon haar tranen niet weerhouden, maar men gaf niet de minste kwade uitlegging aan haar smart, men wist, dat zij aan haar bloedverwanten zeer was gehecht, welke teergevoeligheid de aanleiding was tot voortdurenden twist met haar echtgenoot. Zoo lang de procureursvrouw haar schoonen neef met haar oogen kon volgen, wuifde zij met een zakdoek, zichuit het venster zoover voorover buigende, dat zij gevaar liep er uit te vallen. Porthos ontving al haar bewijzen van teederheid als iemand, die aan dergelijke betuigingen gewoon is. Alleen toen hij om den hoek der straat verdween, lichtte hij den hoed op en wuifde er mede ten teeken van afscheid.
Aramis schreef een langen brief. Aan wien? Niemand wist het. In de aangrenzende kamer wachtte Ketty, die nog dienzelfden dag naarToursmoest vertrekken, op dien geheimzinnigen brief. Athos dronk met kleine teugen de laatste flesch van zijn Spaanschen wijn.
Onderwijl toog d’Artagnan met zijn kompagnie voort. In de voorstadSaint Antoinegekomen, wendde hij het hoofd om, lachend de Bastille beschouwende, die hij tot hiertoe ontkomen was. Daar het alleen de Bastille was, waarop hij zijn oog vestigde, zag hij milady niet, die, op een Isabelkleurig paard gezeten, hem aan twee mannen van een zeer slecht voorkomen aanwees, welke mannen onmiddellijk de gelederen naderden, om hem van dichtbij te zien. Op een vragenden blik, dien zij op milady wierpen, antwoordde deze met een bevestigend knikje, dat hij het was. Toen, verzekerd dat er geen vergissing in de uitvoering harer bevelen kon plaats hebben, reed zij spoorslags heen.
Beide mannen volgden toen de kompagnie, en de voorstadSt. Antoineverlatende, sprongen zij op twee gezadelde paarden, welke een hen wachtende knecht zonder livrei bij den toom hield.
Het beleg van la Rochelle.
Het beleg van la Rochelle was een der gewichtigste gebeurtenissen tijdens de regeering van Lodewijk XIII. De staatkundige inzichten van den kardinaal, bij hetondernemen der belegering, waren zeer uitgebreid. Van de door Hendrik IV aan de Hugenooten afgestane steden bleef slechtsla Rochelleover. De kardinaal wilde dat laatste toevluchtsoord van hetCalvinismevernietigen.La Rochelle, dat door de verdelging der andere Calvinistische steden een nieuwe belangrijkheid verkregen had, was buitendien de laatste ingangspoort der Engelschen inFrankrijk, en door die poort voorEngeland,Frankrijkseeuwigen vijand, te sluiten, voltooide de kardinaal het werk, door Jeanne d’Arc en den hertog de Guise begonnen.
Ook Bassompierre, die tegelijk protestant en katholiek was: protestant uit overtuiging en katholiek als commandeur der Orde van den H. Geest; Bassompierre, Duitscher van geboorte, maar Franschman van harte, Bassompierre eindelijk, die een bijzonder commando bij de belegering vanla Rochellehad, zeide, toen hij aan het hoofd van eenige andere edellieden, evenals hij protestant, een aanval deed: „Gij zult zien, heeren, dat wij dom genoeg zijnla Rochellein te nemen.â€
En Bassompierre had gelijk. De kanonnade van het eilandRévoorspelde hem de dragonnades der Cévennes; de inneming vanla Rochellewas het voorspel van de herroeping van het Edict vanNantes. Maar bij dat algemeen overzicht van den gelijkmakenden en vereenvoudigenden minister, dat tot de geschiedenis behoort, is de kroniekschrijver wel verplicht de kleine oogmerken van den verliefden en ijverzuchtigen medeminnaar aan te stippen.
Richelieu, zooals algemeen is bekend, was op de koningin verliefd geweest; was die liefde bij hem slechts staatkunde, of wel een dier hartstochten, welke Anna van Oostenrijk diegenen wist in te boezemen, die haar omringden? Dat kunnen wij niet bepalen, maar men heeft in alle geval door de voorafgaande bijzonderheden dezer geschiedenis gezien, dat Buckingham op hem de overwinning had behaald, en in twee of drie omstandigheden en vooral bij gelegenheid der diamanten haken, dank zij de toewijding der drie musketiers enden moed van d’Artagnan, hem bitter had misleid. Richelieu had dus niet alleen belangFrankrijkvan een vijand te bevrijden, maar zich ook op een medeminnaar te wreken. Overigens, de wraak moet groot en schitterend zijn, waardig een man, die al de krachten eens koninkrijks als een degen in zijn hand heeft.
Richelieu wist, dat doorEngelandte bestrijden, hij over Buckingham zoude zegevieren; immers, doorEngelandvoor het oog van geheelEuropate vernederen, vernederde hij Buckingham in de oogen der koningin.
Van zijn kant werd Buckingham, tegelijk de eer vanEngelandop den voorgrond stellende, door volkomen dezelfde belangen gedreven als de kardinaal; ook Buckingham streefde naar de vervulling eener persoonlijke wraak. Onder geen voorwendsel hoegenaamd had Buckingham als ambassadeur naarFrankrijkkunnen terugkeeren; nu wilde hij er als overwinnaar binnendringen. Hieruit volgde, dat de inzet van dit spel, hetwelk de twee machtige staten ten pleziere van twee verliefde mannen speelden, niets meer dan eenvoudig een blik van Anna van Oostenrijk was.
Het eerste voordeel was voor den hertog van Buckingham geweest; onverwachts in het gezicht van het eilandRémet negentig schepen en ongeveer twintig duizend man gekomen zijnde, had hij den graaf de Toiras overvallen, die op het eiland in naam des konings het bevel voerde, en na een bloedig gevecht had hij zijn ontscheping bewerkstelligd. Melden wij in het voorbijgaan, dat in dat gevecht de baron Chantal sneuvelde. De baron Chantal liet als wees een jong meisje van achttien maanden na. Dat meisje was later mevrouw de Sévigné. De graaf de Toiras trok zich met het garnizoen terug in de citadelSt. Martijnen bemande een klein fort, dat men het fortde la Préenoemde, met een honderdtal soldaten. Die gebeurtenis deed den kardinaal zijn plan bespoedigen, en in afwachting dat de koning en hij het opperbevel der belegering vanla Rochelle, waartoe besloten was, op zich zouden nemen, had hij reedsMonsieurdoen vertrekken, omde eerste werkzaamheden te besturen, en naar het tooneel des oorlogs al de troepen gezonden, over welke hij had kunnen beschikken. Het was bij deze afdeeling, die de voorhoede uitmaakte, dat onze vriend d’Artagnan zich bevond.
De koning, zooals wij hebben gezegd, zou volgen, zoodra hij zijn parlement had gehouden. Van de zitting opstaande had hij de koorts gevoeld, doch niettemin willen vertrekken; intusschen verergerde zijn toestand en was hij genoodzaakt teVilleroyte blijven. En dewijl de musketiers bleven, waar de koning zich ophield, was hiervan het gevolg, dat d’Artagnan, die eenvoudig bij de garde behoorde, zich voor een oogenblik van zijn goede vrienden, Athos, Porthos en Aramis, vond gescheiden. Die scheiding, welke voor hem slechts een onaangenaamheid was, zou hem zeker grootelijks hebben verontrust, indien hij de onbekende gevaren had kunnen raden, welke hem omgaven. Hij kwam desniettemin behouden in het legerkamp voorla Rochelleaan.
Alles was in denzelfden toestand. De hertog van Buckingham en zijn Engelschen, meester van het eilandRé, gingen voort, maar zonder voordeel, de citadelSt. Martijnen het fortla Préete belegeren, en de vijandelijkheden metla Rochellewaren sedert twee of drie dagen begonnen, bij gelegenheid van het opwerpen van een fort in de nabijheid der stad, door den hertog d’Angoulême.
De gardes, onder bevel van den heer des Essarts, waren in het klooster der Minderbroeders gelegd. Maar zooals ons bekend is, had d’Artagnan, steeds vervuld met het denkbeeld om tot de musketiers over te gaan, weinig vriendschap met zijn krijgsmakkers onderhouden; hij vond zich dan ook alleen aan zijn denkbeelden overgegeven. Zijn beschouwingen waren van geen aangenamen aard. Sedert een jaar, dat hij teParijswas gekomen, had hij zich met de openbare zaken bezig gehouden, terwijl zijn eigen zaken niet zeer waren vooruitgegaan, evenmin wat liefde als wat fortuin betrof. Immers de eenige vrouw, die hij waarlijkhad bemind, was juffrouw Bonacieux, en zij was verdwenen, zonder dat het hem mocht gelukken te ontdekken, wat er van haar geworden was. En wat zijn fortuin betreft, had hij, een zoo nietig wezen, zich den kardinaal tot vijand gemaakt, den man, voor wien de aanzienlijksten van het koninkrijk, te beginnen met den koning, beefden. Die man had hem kunnen vernietigen, en toch had hij het niet gedaan. Voor een zoo vooruitzienden geest als d’Artagnan was die goede gezindheid hem als een licht, dat hem een betere toekomst deed zien. Vervolgens had hij zich nog een vijand gemaakt, wel minder te vreezen, dacht hij, maar die echter niet te verachten was. Die vijand was milady. Daar tegenover stond, dat hij de bescherming en de gunst der koningin genoot; maar de gunst der koningin was in die oogenblikken een reden te meer om vervolgd te worden, en haar bescherming, zooals men weet, beschermde zeer slecht, getuige hiervan Chalais en juffrouw Bonacieux. Wat hij eigenlijk bij dat alles gewonnen had, was de diamant van vijf of zes duizend franken, dien hij aan den vinger had; maar in de veronderstelling dat d’Artagnan dien diamant voor zijn eerzuchtige plannen wilde bewaren, om er zich den een of anderen dag als herkenningsteeken bij de koningin van te bedienen, had die intusschen voor het oogenblik even weinig waarde als de keisteenen, welke hij betrad.
Wij zeggen als de keisteenen, die hij betrad; want d’Artagnan maakte deze opmerking, terwijl hij een fraaien kleinen weg bewandelde, die van het legerkamp naar een naastbijgelegen dorp leidde. Maar die beschouwingen hadden hem verder gebracht dan hij dacht, de dag begon te tanen, toen hij in de laatste zonnestralen achter een heg den loop van een musket meende te zien blinken.
D’Artagnan bezat een vluggen blik en ging steeds spoedig tot een besluit over; hij begreep, dat het musket daar niet alleen was gekomen, en hij, die het droeg, zich niet achter een heg had verscholen met vredelievendebedoelingen. Hij besloot zich uit de voeten te maken, toen hij aan de andere zijde achter een rots den loop van een tweede musket bespeurde. Hij was ongetwijfeld in een hinderlaag gevallen. De jongeling wierp een blik op het eerste musket en zag met zekeren angst, dat het in de richting waar hij was nederdaalde; maar zoodra hij bemerkte, dat de opening van den loop onbeweeglijk bleef, wierp hij zich voorover op den grond. Tegelijkertijd ging het schot af, en hij hoorde het fluiten van den kogel, die hem over het hoofd vloog. Er was geen tijd te verliezen, d’Artagnan was in één sprong overeind, toen op hetzelfde oogenblik de kogel van het andere musket de keisteenen deed opspringen, juist op de plek waar hij zich met het gezicht ter aarde had geworpen.
D’Artagnan was niet een dier onzinnige dapperen, die een dwazen dood tegemoet gaan, opdat men van hen kunne zeggen, dat zij geen schrede achteruit zijn gegaan; bovendien was hier geen moed te toonen, d’Artagnan was in een moordkuil gevallen.
„Indien het derde schot afgaat, ben ik dood,†dacht hij. En onmiddellijk vlood hij, met de snelheid zijner wegens hun vlugheid beroemde landslieden, in de richting van het legerkamp, maar hoe snel zijn vlucht ook was, had hij, die het eerst zijn musket had afgeschoten, den tijd gehad het weder te laden en zoo juist te mikken, dat de kogel d’Artagnan’s hoed doorboorde en hem tien schreden ver deed wegvliegen. D’Artagnan, geen anderen hoed hebbende, raapte hem al loopende op, kwam hijgende en bleek te huis, zette zich zonder aan iemand iets te zeggen neder en begon na te denken.
Dat voorval kon drieërlei oorzaken hebben: de eerste, meest waarschijnlijke, kon een hinderlaag der vijanden uitla Rochellezijn, aan wie het niet onaangenaam zou zijn geweest een der gardes Zijner Majesteit neer te schieten, daar zulks een vijand minder ware geweest en die vijand een goed gevulde beurs in zijn zak had kunnen hebben. D’Artagnan bekeek zijn hoed, beschouwde het door den kogel gemaakte gat en schuddehet hoofd. De kogel was niet van een musket, het was die van een bus: de juistheid van het schot had hem reeds doen vermoeden, dat het door een bijzonder geweer gelost was geworden; bijgevolg kon het geen krijgsaanval geweest zijn, daar de kogel niet van het gewone kaliber was.
Het kon ook een herinnering aan den kardinaal zijn. Men weet, dat op hetzelfde oogenblik, toen die heilrijke zonnestraal hem den loop des geweers deed bemerken, hij zich verwonderde over de goede gezindheid van Zijne Eminentie jegens hem. Maar d’Artagnan schudde twijfelachtig het hoofd. Jegens lieden, voor welke hij slechts den arm behoefde uit te strekken, ging de kardinaal zelden tot dergelijke middelen over.
Het kon ook een wraakoefening van milady zijn geweest. Die veronderstelling was waarschijnlijker. Hij trachtte zich tevergeefs de gelaatstrekken of de kleeding der moordenaars te herinneren; zijn haastige vlucht had hem in de onmogelijkheid gesteld iets op te merken.
„Ach, mijn arme vrienden!†zuchtte d’Artagnan, „waar zijt gij? O! hoe ontbeer ik u!â€
D’Artagnan bracht een zeer slechten nacht door. Drie of vier malen ontwaakte hij verschrikt, zich verbeeldende dat iemand zijn bed naderde om hem met een dolk te doorsteken. Intusschen daagde de ochtend, zonder dat de duisternis iets bijzonders had aangebracht. Doch d’Artagnan was verzekerd dat, wat was uitgesteld, daarom niet was opgegeven. Hij bleef den geheelen dag te huis; het slechte weer strekte hem voor zich zelven ter verontschuldiging.
Den daaropvolgenden dag werd te negen uur de ban geslagen. De hertog van Orleans inspecteerde de wachtposten. De gardes stelden zich in slagorde; en d’Artagnan nam in hun gelederen plaats.Monsieurging het front voorbij; vervolgens naderden hem al de hoofdofficieren om hem te complimenteeren. De heer des Essarts, kapitein der gardes, naderde gelijk de overigen. Na verloop van een oogenblik meende d’Artagnan, datde heer des Essarts hem wenkte; hij wachtte een nieuwen blik van zijn bevelhebber, en toen de wenk hernieuwd werd, trad hij uit de gelederen en naderde om de bevelen te ontvangen.
„Monsieur,†zeide de heer des Essarts, „verlangt eenige vrijwilligers ter uitvoering eener gevaarlijke onderneming, maar die tot eer zal verstrekken aan diegenen, welke haar zullen vervuld hebben; ik heb u daarom een wenk gegeven, ten einde u gereed te houden.â€â€”„Ik dank u, kapitein!†zeide d’Artagnan, die niets liever wenschte dan zich voor het oog van den luitenant-opperbevelhebber te onderscheiden.
Het was dan ook tengevolge van een uitval der bezetting vanla Rochelle, die het bolwerk had hernomen van hetwelk het koninklijke leger zich twee dagen te voren meester maakte, dat tot het doen van een looze verkenning, om te zien op welke wijze dat bolwerk bewaard werd, moest worden overgegaan. Eenige oogenblikken daarna verhiefMonsieurde stem en zeide: „Ik heb voor die onderneming drie of vier vrijwilligers noodig, aangevoerd door iemand, waarop men kan rekenen.â€â€”„Wat den laatsten betreft, Uwe Excellentie! dezen heb ik bij de hand,†zeide de heer des Essarts, d’Artagnan aanwijzende; „en wat de vier of vijf vrijwilligers aangaat, Uwe Excellentie heeft slechts zijn bedoeling te doen kennen, en er zullen hem geen manschappen ontbreken.â€â€”„Vier vrijwilligers om met mij den dood te trotseeren?†riep d’Artagnan, zijn degen omhoog stekende. Twee zijner krijgsmakkers traden onmiddellijk voor en twee soldaten voegden zich bij hen, zoodat het vereischte getal aanwezig was. D’Artagnan wees dan ook al die zich nog aanboden af, hen niet voorbij willende gaan, die de eersten waren geweest.
Men was niet zeker, of na de herneming van het bolwerk de belegerden het verlaten of er een bezetting in gelegd hadden; de plaats moest dus tamelijk van nabij onderzocht worden om zich van de zaak te verzekeren. D’Artagnan vertrok met zijn vier manschappenen volgde de loopgraaf; de twee gardes gingen naast hem, terwijl de twee soldaten volgden. Zij waren tot op ongeveer een honderdtal schreden het bolwerk genaderd, gedekt door de bemanteling, toen d’Artagnan, omziende, bemerkte, dat de twee soldaten verdwenen waren. Hij meende, dat zij uit vrees waren achtergebleven, en hij vervolgde zijn weg. Aan den hoek der loopgraaf bevond men zich op zestig schreden van het bolwerk. Men bespeurde niemand en het bolwerk scheen verlaten te zijn. De drie waaghalzen raadpleegden met elkander of zij nog verder zouden gaan, toen eensklaps een wolk van rook den reusachtigen steenhoop omringde en een twaalftal kogels rondom d’Artagnan en zijn makkers vlogen. Zij wisten nu wat zij wilden weten: het bolwerk werd bewaakt; een langer oponthoud op die gevaarlijke plek zou een nuttelooze onvoorzichtigheid zijn geweest.
D’Artagnan en de twee gardes keerden terug en begonnen een aftocht, die veel naar een vlucht geleek. Aan den hoek der loopgraaf gekomen, die hun tot verschansing zou strekken, viel een der gardes, door een kogel in de borst getroffen; de andere, wien niets deerde, zette zijn loop naar het legerkamp voort.
D’Artagnan wilde op die wijze zijn krijgsmakker niet verlaten en boog zich over hem om hem in het opstaan behulpzaam te zijn en hem naar het legerkamp terug te voeren; maar op dat oogenblik werden er twee schoten gelost; een kogel verbrijzelde het hoofd van den gekwetste, terwijl de andere tegen de rots vloog, na twee duim bezijden d’Artagnan te zijn voorbijgesnord. De jongeling wendde zich haastig om, want die aanval kon niet van het bolwerk komen, wijl hij door den hoek der loopgraaf gedekt was.
De twee soldaten, die hem verlaten hadden, kwamen hem voor den geest en herinnerden hem de twee moordenaars van twee dagen te voren; hij besloot dus nu te onderzoeken, waaraan hij zich te houden had, en liet zich op het lichaam van zijn makker vallen, alsof hij dood ware geweest. Hij zag toen onmiddellijk tweehoofden boven een verlaten verschansing uitkomen, die op dertig schreden afstands was. Het waren die van onze twee soldaten.
D’Artagnan had zich niet bedrogen; die mannen waren hem slechts gevolgd om hem te vermoorden, in de hoop dat de dood des jongelings op rekening van de vijanden zou worden gesteld. Daar het echter kon zijn, dat hij enkel gekwetst was, en derhalve hun misdaad kon openbaren, naderden zij om hem af te maken. Gelukkig werden zij door de list van d’Artagnan misleid en zij verzuimden hun geweren weer te laden.
Toen zij op tien schreden afstands van hem waren, stond d’Artagnan, die vallende gezorgd had zijn degen niet los te laten, eensklaps overeind en was in één sprong hen genaderd. De moordenaars begrepen dat, indien zij naar het legerkamp vloden zonder hun man te hebben gedood, zij door hem zouden worden aangeklaagd; daarom was hun eerste denkbeeld tot den vijand over te loopen. Een hunner nam het geweer bij den loop en bediende er zich van als eenknots, d’Artagnan een geweldigen slag toebrengende; doch deze ontweek hem door op zijde te springen; maar tengevolge dezer beweging liet hij den bandiet een vrijen doorgang, die hiervan gebruik maakte om naar het bolwerk te vlieden.
Daar de belegerden vanla Rochelle, die het bolwerk bewaakten, niet bekend waren met het oogmerk van hem, die naderde, gaven zij vuur, en hij viel door een kogel in de borst getroffen.
Intusschen had d’Artagnan zich tot den tweeden soldaat gewend en hem met den degen aangevallen. De strijd was van geen langen duur; de ellendeling had te zijner verdediging niets dan het afgeschoten vuurroer. De degen van den garde gleed langs den loop van het nutteloos geworden wapen en doorstak de dij van den moordenaar, die ter aarde viel.
D’Artagnan zette hem onmiddellijk de punt van het staal op de keel.—„Ach! dood mij niet!†riep de bandiet. „Genade, genade! mijn officier! en ik zal u alleszeggen.â€â€”„Is uw geheim waard dat ik u het leven laat?†vroeg de jongeling.—„Ja, indien gij het leven van eenige waarde beschouwt voor iemand, die, zooals gij, twee en twintig jaar oud is, en die tot alles kan geraken, daar hij schoon en dapper is.â€â€”„Ellendeling!†zeide d’Artagnan; „welaan, spreek; haast u! Wie heeft u den last gegeven mij te vermoorden?â€â€”„Een vrouw, die ik niet ken, maar welke men milady noemt.â€â€”„Maar indien gij die vrouw niet kent, hoe weet gij dan haar naam?â€â€”„Mijn makker kent haar en noemt haar zoo; zij heeft met hem en niet met mij onderhandeld. Hij heeft bovendien in zijn zak een brief van die vrouw, welke voor u van het grootste belang moet zijn, naar hetgeen ik hem heb hooren zeggen.â€â€”„Maar hoe komt gij dan deelgenoot te zijn in dien sluipmoord?â€â€”„Hij heeft mij voorgeslagen gezamenlijk den slag te doen, en ik heb aangenomen.â€â€”„En hoeveel heeft zij u voor die fraaie onderneming gegeven?â€â€”„Honderd louis d’or.â€â€”„Welzoo! dat is vrij wat,†zeide de jongeling glimlachende; „zij schat mij toch iets waard te zijn. Honderd louis d’or! dat is een goede som voor twee ellendelingen, zooals gij. Ik begrijp daarom, dat gij hebt aangenomen, en ik schenk u genade op één voorwaarde.â€â€”„Welke?†vroeg de soldaat angstig, ziende dat alles nog niet geëindigd was.—„Dat is, mij den brief te halen, dien uw makker in zijn zak heeft.â€â€”„Maar!†riep de bandiet, „dat is een ander middel om mij het leven te ontnemen. Hoe wilt gij, dat ik den brief krijg onder het vuur van het bolwerk?â€â€”„Gij moet er echter toe besluiten hem te gaan halen, of ik zweer u, dat gij door mijn hand zult sterven.â€â€”„Genade! mijnheer! barmhartigheid! in naam dier jonge vrouw, welke gij bemint, die gij misschien dood waant, doch die nog leeft!†riep de bandiet, knielende en zich met zijn hand ondersteunende; want hij begon met zijn bloed zijn krachten te verliezen.—„En hoe weet gij, dat ik een jonge vrouw bemin, en dat ik geloofde, dat die vrouw dood was?†vroeg d’Artagnan.—„Door dien brief, dien mijn makkerin zijn zak heeft.â€â€”„Gij ziet dus wel, dat ik dien brief moet hebben,†hernam d’Artagnan. „Derhalve geen langer uitstel, geen aarzeling meer, of, hoe groot mijn afkeer ook zij om ten tweeden male mijn degen in het bloed van een ellendeling als gij te doopen, ik zweer u op mijn woord van eerlijk man....â€â€”En bij die woorden maakte d’Artagnan een zoo dreigend gebaar, dat de gekwetste opstond en, door angst gedreven, zijn moed verzamelende uitriep: „Wacht!.... wacht!.... ik zal gaan!.... ik zal gaan!....â€
D’Artagnan nam het vuurroer van den soldaat, liet hem voorgaan en duwde hem naar zijn makker, door hem met zijn degen in de zijde te prikken.
Het was vreeselijk om te zien, hoe de rampzalige op den weg, langs welken hij ging, een lange streep bloed achterliet; bleek door den hem naderenden dood, trachtte hij zich, zonder gezien te worden, tot aan het lichaam van zijn medeplichtige te sleepen, die op twintig schreden afstands van daar lag. De vrees was zoo akelig op zijn aangezicht, waarlangs een koud zweet vloeide, uitgedrukt, dat d’Artagnan medelijden met hem had en hem met verachting beschouwde.
„Welaan!†zeide hij, „ik zal u het onderscheid toonen, dat er tusschen een moedige en een lafaard, zooals gij, bestaat. Blijf, ik zal gaan!â€â€”En met snelle schreden, met een waakzaam oog de bewegingen des vijands gade slaande en van de gesteldheid van den weg voordeelig gebruik makende, naderde d’Artagnan den tweeden soldaat.
Er bleven hem twee middelen over om zijn doel te bereiken: hem te onderzoeken ter plaatse waar hij was, of hem weg te dragen en zich van zijn lichaam als van een schild te bedienen, om hem daarna in de loopgraaf te onderzoeken. D’Artagnan ging tot het tweede middel over en laadde den moordenaar op zijn schouder, op hetzelfde oogenblik dat de vijand vuur gaf. Een lichte schok, een laatste snik, het sidderen van den doodsstrijd, dat alles bewees aan d’Artagnan, dat hij, die hem had willen vermoorden, hem het leven had gered.
D’Artagnan trad weder de loopgraaf in en wierp het lijk naast den als den doode zoo bleeken gekwetste. Onmiddellijk deed hij onderzoek en vond een lederen brieventasch, een beurs, waarin blijkbaar een gedeelte der som was, die de bandiet had ontvangen, een dobbelkoker en dobbelsteenen; dat was alles, waaruit de erfenis van den gesneuvelde bestond. Hij liet den dobbelkoker en de dobbelsteenen liggen, waar zij gevallen waren, wierp de beurs den gekwetste toe en opende begeerig de brieventasch. Onder eenige niets beteekenende papieren vond hij den volgenden brief, welken hij met gevaar zijns levens had gehaald.