HOOFDSTUK XI.

„Dewijl gij het spoor dezer vrouw hebt verloren en zij thans in zekerheid in dat klooster is, waarin gij haar nooit hadt moeten doen binnengaan, tracht nu ten minste den man niet te missen; zoo ja, dan weet gij dat ik lange armen heb, en dat u de honderd louis d’or, die gij van mij hebt ontvangen, duur te staan zullen komen.”

„Dewijl gij het spoor dezer vrouw hebt verloren en zij thans in zekerheid in dat klooster is, waarin gij haar nooit hadt moeten doen binnengaan, tracht nu ten minste den man niet te missen; zoo ja, dan weet gij dat ik lange armen heb, en dat u de honderd louis d’or, die gij van mij hebt ontvangen, duur te staan zullen komen.”

Geen onderteekening. Nochtans was het blijkbaar, dat de brief van milady was. Hij bewaarde dien bijgevolg als een bewijsstuk, en daar hij zich veilig achter den hoek der loopgraaf bevond, begon hij den gekwetste te ondervragen. Deze beleed, dat hij zich met zijn makker had verbonden een jonge vrouw te ontvoeren, dieParijsdoor de poort van la Villette moest verlaten; maar dewijl zij zich te lang in een herberg met drinken hadden opgehouden, was het rijtuig hen tien minuten vóór geweest.

„En wat zoudt gij met die vrouw gedaan hebben?” vroeg d’Artagnan in doodsangst.—„Wij moesten haar naar een hotel op het Koningsplein voeren,” antwoordde de gekwetste.—„Ja, ja,” mompelde d’Artagnan, „zoo is het wel, ten huize van milady zelve.”

Toen dacht de jongeling bevende aan de vreeselijke wraakzucht, welke die vrouw aanspoorde hem niet alleen, maar al degenen, die hem beminden, in het verderfte storten, en hoe goed zij met de hofzaken moest bekend zijn, daar zij alles had ontdekt. Zonder twijfel had zij deze mededeelingen aan den kardinaal te danken. Maar daarentegen begreep hij ook met een innig gevoel van blijdschap, dat het der koningin eindelijk was gelukt de gevangenis te ontdekken, waar de ongelukkige juffrouw Bonacieux haar toewijding boette, doch waaruit zij haar had bevrijd.

Toen werd de brief hem duidelijk, dien hij van de jonge vrouw had ontvangen, en ook haar voorbijrijden op den weg vanChaillot, dat veel van een geestverschijning had.—Van dat oogenblik af, zooals Athos had gezegd, was het mogelijk juffrouw Bonacieux weer te vinden, en een klooster was niet ondoordringbaar. Dat denkbeeld voltooide zijn stemming tot barmhartigheid, en hij wendde zich tot den gekwetste, die angstig al de veranderingen volgde, welke zich op zijn gelaat vertoonden.

„Welaan,” dacht hij, „ik wil hem op die wijze niet verlaten. Steun op mij en keeren wij naar het legerkamp terug.”—„Ja,” zeide de gewonde, die aan zooveel edelmoedigheid niet kon gelooven, „maar is het niet ommijte doen hangen?”—„Gij hebt mijn woord,” zeide hij, „en voor de tweede maal schenk ik u het leven.”

De gewonde liet zich op zijn knieën glijden en kuste opnieuw de voeten van zijn redder; maar d’Artagnan, die hoegenaamd geen reden meer had zoo dicht in de nabijheid des vijands te blijven, brak dadelijk die betuigingen van dankbaarheid af.

De garde, die bij het eerste vuur was teruggekeerd, had het sneuvelen zijner vier makkers aangekondigd; men was derhalve zeer verwonderd en tevens verheugd bij het regiment, toen men den jongeling springlevend zag terugkeeren. D’Artagnan verklaarde den degensteek het gevolg van een uitval, dien hij verzon. Hij verhaalde den dood van den anderen soldaat en de gevaren, die zij hadden geloopen. Het gevolg van dat verhaal was voor hem een wezenlijke zegepraal.

Geheel het leger sprak over deze onderneming gedurendeeen geheelen dag, enMonsieurliet hem van zijnentwege geluk wenschen. Overigens, daar elke goede daad haar belooning medebrengt, had de schoone daad van d’Artagnan het gevolg hem de rust weder te geven, die hij verloren had. Inderdaad, de jongeling meende nu gerust te kunnen zijn, dewijl van zijn twee vijanden de eene gedood, de andere aan zijn belangen was verbonden. Die gerustheid bewees, dat d’Artagnan milady volstrekt nog niet kende.

De Anjou-wijn.

Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis zou aanvaarden. Onderwijl voerdeMonsieur, die wist, dat hij alle oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden, hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende wagen, om de Engelschen van het eilandRé, uit hetwelk zij de citadelSt. Martijnbestookten, en uit het fortde la Préete verjagen, terwijl de Franschen van hun kantla Rochellebelegerden. D’Artagnan, zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is, wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te zijn.

Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uitVilleroy.

„Mijnheer d’Artagnan!De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn flesschen van mijn wijn vanAnjoute zenden, waarvan zij groote liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,Godeau,Kastelein der H.H. Musketiers.”

„Mijnheer d’Artagnan!

De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn flesschen van mijn wijn vanAnjoute zenden, waarvan zij groote liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.

Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,

Godeau,Kastelein der H.H. Musketiers.”

Godeau,Kastelein der H.H. Musketiers.”

„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken, zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.”—En d’Artagnan begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn vanAnjoute komen drinken, dien hij vanVilleroyhad ontvangen.

Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later bepaald.

D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde te brengen.

Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven, peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden zijnsmeesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.

Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.

Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes, meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht. Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien duizend man aan.

Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde. Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier vrienden spoedig vereenigd.

„Pardieu!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geenbeter oogenblik gekomen zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde.—„Ha! ha! het schijnt dat wij smullen,” zeide Porthos.—„Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen vrouw aan tafel is?”—„Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg Athos.—„Wel, de uwe,pardieu!beste vriend!” antwoordde d’Artagnan.—„Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren.—„Ja, dien gij mij gezonden hebt.”—„Hebben wij u wijn gezonden?”—„Wel ja, gij weet immers wel, dien lichten wijn vanAnjou?”—„Ja, ik ken den wijn heel wel, dien gij bedoelt.”—„Het is die wijn, van welken gij zooveel houdt.”—„Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.”—„Welnu, bij gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden stellen.”—„Gij hebt dus wijn vanAnjoulaten komen, gij lekkerbek?” vroeg Porthos.—„Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is gezonden.”—„Van onzentwege?” riepen de musketiers.—„Zijt gij het, Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?”—„Neen.”—„Indien gij het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan.—„Onze kastelein?”—„Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der musketiers.”—„Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem drinken.”—„Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij den oorsprong niet kennen.”—„Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan. „Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te zenden?”—„Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam gezonden?”—„Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het biljet aan zijn vrienden.—„Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.”—„Het is een valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest gehad.”—„D’Artagnan!” zeide Aramisop berispenden toon, „hoe hebt gij kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”

D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn leden.—„Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch gebeurd?”—„Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak dier vrouw zijn?”—Nu verbleekte Athos op zijn beurt.

D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau, bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.

„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk, gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt mij!”—„Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij zeggen?”—„Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het afgrijselijk is.”—„Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan. „Geloof het niet, ik bezweer u.”—„O! maar God is daar! God zal u straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.”—„Op het evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals gij hem zou gedronken hebben.”—„Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van smarten.—„IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een biechtvader te gaan halen.

„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven gered; niet alleen het mijne, maarook dat van die heeren. Mijne heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op ons neerkomen.”—„Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.”—„Ha, knaap!” riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!”—„Op de gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen, indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.”—„Helaas!” zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen om alleen te drinken.”—„Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een anderen dag uit te stellen.”

De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken zij.

Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren, beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het gevaarlijke van hun toestand beseften.

„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van een lijk is niet zeer aangenaam.”—„Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.”—En de vier vrienden verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan Brisemont de laatste eer te bewijzen.

De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken bekend te maken.

„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het een strijd op leven en dood is.”—Athos schudde het hoofd.—„Ja, ik zie het wel, maar gelooft gij dat zij het is?”—„Ik ben er zeker van.”—„Ik moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.”—„Maar die lelie op den schouder?”—„Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.”—„Athos! het is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan niet, hoe beide signalementen overeenkomen?”—„Ik meende echter, dat de andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”

Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde.—„Maar wat zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij.—„Inderdaad, wij kunnen niet eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”

„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen. Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning, ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman, dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden hond doodschieten.’”

„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?”—„De tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en giftmengers....”—„Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed,God zal ons nog langer behoeden.”—„Ja, wij, wij zijn in elk geval mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen; maar zij....” voegde hij er half luid bij.—„Wie zij?” vroeg Athos.—„Constance.”—„Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”

„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg vanla Rochellezal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij betreft....”—„Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis! wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.”—„Ik ben slechts musketierad interim,” zeide Aramis nederig.—„Het schijnt, dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,” zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.”—„Welnu,” zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel is.”—„Welk?” vroeg d’Artagnan.—„Zij is in een klooster, zooals gij zegt?” hernam Porthos.—„Ja.”—„Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.”—„Maar men moet eerst weten in welk klooster zij is.”—„Dat is waar,” zeide Porthos.—„Maar ik herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?”—„Ja, ik geloof het althans.”—„Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen helpen.”—„Hoe dat, als ik u mag verzoeken?”—„Wel, door uw markiezin, uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.”—„Stil!” zeide Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.”—„Dan,” zeide Aramis, „belast ik mij haar te vinden.”—„Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij, en hoe dat?”—„Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.

En op die verzekering scheidden de vier vrienden,die, na hun soberen maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun kwartieren hadden doen gereed maken.

De herberg De Roode Duiventoren.

Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden, vooreerst om de Engelschen van het eilandRéte verjagen, en ten tweede om het beleg vanla Rochellete bespoedigen, maar ondanks zich zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken....

De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken vanFrankrijk, eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners vanla Rochelle, zijn geloofsgenooten,zoubestoken, droeg daarentegen den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.

Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van afLaleutot aanDompierre, de hertog van Angoulême het zijne ten oosten vanDompierretot aanPérigny, en de heer Schomberg ten zuiden vanPérignytot aanAngoulin.

Het kwartier vanMonsieurwas teDompierre. Dat van den koning nu eens teEstrédan weer tela Jarrie. Eindelijk was het hoofdkwartier van den kardinaal op de duinen, bij de brugde la Pierre, in een eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, datMonsieurBassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de Engelschen van het eilandRéte verjagen.

De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee—in dat jaargetijde langs geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk—vele kleine vaartuigen, zoodat de kust, van de puntde l’Aiguillontot aan de loopgraven, letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham, die slechts uit stijfhoofdigheid op het eilandRébleef, genoodzaakt zou zijn het beleg op te breken.

Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de noodige bevelen tot een beslissenden slag.

Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen, welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen, verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf kolonels, drie luitenant-kolonels,tweehonderd vijftig kapiteins en twintig voorname edellieden, vier stukken geschut en zestig vlaggen, die door Claude de Saint Simon naarParijsgebracht, met groote praal aan de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen.Te Deumswerden gezongen en vonden weerklank door geheelFrankrijk. De kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar, zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.

Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap tusschenDuitschland,Spanje,EngelandenLotharingentegenFrankrijk. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham, hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.

De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging, welke zich in een of ander der groote rijken vanEuropaverhief. De kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het bondgenootschap, datFrankrijkbedreigde, zegevierde, was Richelieu’s invloed vernietigd.

De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende, hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de dubbele wraak vanMonsieuren de koningin over. Hij was verloren,en misschienFrankrijkmet hem; en dat alles moest worden voorkomen.

Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brugde la Pierre, waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon zien, dat zij vooral tot destrijdende kerkbehoorden; dan weder vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen. Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond, ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.

Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten, nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.

Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te blijven.

Op zekeren avond, dat d’Artagnan, die de wacht bij de loopgraven had, hen niet had kunnen vergezellen, kwamen Athos, Porthos en Aramis, op hun strijdpaarden gezeten en in hun krijgsmantels gewikkeld, een hand op den knop van hun pistool latende rusten, van een herberg terug, die Athos een paar dagen te voren had ontdekt op den weg vanla Jarrieen diede Roode Duiventorenheette. Zij volgden den weg naar het legerkamp, zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van het dorpBoisneaupaardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden, en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem: „Werda!”—„Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters.—„Dat is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen aan!”—„Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te voeren.

„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”

„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon; „antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen bekomen.”—„Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had.—„Welke kompagnie?”—„Kompagnie van Tréville.”—„Treedt voorwaarts en geeft rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”

De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger,want zij waren nu alle drie overtuigd, dat zij met machtiger dan zij waren te doen hadden. Men liet overigens aan Athos het woord over. Een der twee ruiters, hij die na den eersten het woord had opgenomen, was ongeveer tien schreden van zijn tochtgenoot verwijderd. Athos gaf aan Porthos en Aramis een teeken om ook achter te blijven en naderde alleen.

„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.”—„Uw naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn aangezicht bedekte.—„Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te ondervragen.”—„Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot.—„Zijne Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld.—„Uw naam!” herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie.—„Athos,” antwoordde de musketier.

De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad.—„Die drie musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet, dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”

„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te bewaren.”

De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen spreker.—„Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee gezellen de heeren Porthos en Aramis?”—„Ja, Uwe Eminentie!” zeide Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den hoed in de hand naderden.—„Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat gij juist niet tot mijn vrienden behoort,en dat doet mij leed; doch ik weet, dat gij moedige, trouwe edellieden zijt, en men zijn vertrouwen in u kan stellen. Mijnheer Athos! bewijs mij dus de eer mij te vergezellen, gij en uw twee vrienden, en ik zal een geleide hebben, waarop Zijne Majesteit zou afgunstig zijn, indien wij hem mochten ontmoeten.”

De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden.—„Op mijn eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met vier er van inde Roode Duiventorentwist gehad.”—„Twist! en waarom, mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen twistzoeken houd.”—„Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.”—„En wat zijn de gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen fronsende.—„Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn, indien Uwe Eminentie dit beveelt.”—„Maar gij zijt niet van die lieden, welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te geven.”

„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.”—„Zoo, zoo!” riep de kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”

„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem, geloof ik,den schouder heeft verbrijzeld.”—„Fraai!” zeide de kardinaal, „en gij, mijnheer Aramis?”

„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben, en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”

„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak ontstond die twist?”—„Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos.... „bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren openbreken.”—„En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal met zekere ongerustheid.—„Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos.—„Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te verdedigen, en dewijl het naarde Roode Duiventorenis, dat ik mij begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”

„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.”—„Ook twijfel ik geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik, maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was die dame dan alleen?”—„Die dame had zich met een cavalier in haar kamer opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard is.”—„Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de kardinaal.—Aramis boog het hoofd.—„En thans, mijne heeren, is het wel,ik weet, wat ik verlangde te weten,” ging Zijne Eminentie voort, „volgt mij nu.”

De drie musketiers plaatsten zich achter den kardinaal, die opnieuw zijn aangezicht met den mantel bedekte en zijn paard aansporende, acht of tien schreden voor zijn vier geleiders voortreed.

Men bereikte spoedig de stille, eenzame herberg. Zonder twijfel wist de kastelein, welken doorluchtigen bezoeker hij zoude ontvangen; bijgevolg had hij de nieuwsgierigen verwijderd. Op drie schreden van de deur gaf de kardinaal aan zijn stalmeester en aan de drie musketiers een wenk te blijven staan. Een gezadeld paard was aan den ring van een vensterluik vastgemaakt; de kardinaal klopte drie malen op een bijzondere wijze. Een man in een mantel gewikkeld kwam onmiddellijk buiten en wisselde haastig eenige woorden met den kardinaal, waarna hij te paard steeg en in de richting vanSurgèresop den weg naarParijsverdween.

„Nadert, heeren!” riep de kardinaal. „Gij hebt de waarheid gezegd, edellieden!” zeide hij, zich tot de drie musketiers wendende, „en het zal aan mij niet liggen, dat onze ontmoeting van heden u niet tot voordeel strekke.... Intusschen volgt mij.”

De kardinaal steeg af, de drie musketiers deden evenzoo, toen wierp de kardinaal den toom van zijn paard aan zijn stalmeester toe, terwijl de drie musketiers hun paarden aan de vensterluiken vastmaakten.

De kastelein bleef voor de deur staan, voor hem was de kardinaal niets meer dan een officier, die een dame kwam bezoeken.

„Hebt gij ook een benedenkamer, waar de heeren mij bij een goed vuur kunnen wachten?” vroeg de kardinaal.—De kastelein opende de deur van een groot vertrek, in hetwelk men juist een slechte kachel door een grooten flinken schoorsteen had vervangen.—„Deze is beschikbaar.”—„Dat is goed,” zeide de kardinaal. „Gaat daar binnen, heeren, en wacht mij, ik zal niet langer dan een half uurtje wegblijven.”

En terwijl de drie musketiers het benedenvertrekbinnentraden, ging de kardinaal, zonder iets verder te vragen, de trap op, als iemand dien men den weg niet behoeft te wijzen.

Het nut der kachelpijpen.

Het is blijkbaar, dat, zonder het te weten en alleen gedreven door hun ridderlijken en avontuurlijken aard, onze drie vrienden een dienst hadden bewezen aan iemand, die door den kardinaal met zijn bijzondere bescherming werd vereerd. Maar wie was die iemand?

Het was deze vraag, die de musketiers elkander het eerst deden, vervolgens, toen zij zagen dat geen der antwoorden, welke hun verstand hun ingaf, voldoende was, riep Porthos den kastelein en vroeg om dobbelsteenen. Porthos en Aramis zetten zich aan tafel en begonnen te spelen. Athos wandelde, al peinzende, heen en weer. Alzoo peinzende en wandelende, ging Athos telkens de half afgebroken kachelpijp voorbij, van welke het andere einde in de bovenkamer uitkwam, en telkens als hij er voor heen en weer ging, hoorde hij een fluisterend gesprek, dat eindelijk zijn aandacht wekte. Athos naderde en onderscheidde eenige woorden, die hem ongetwijfeld zoo belangrijk schenen, dat hij zijn vrienden een wenk gaf stil te houden, terwijl hij, zijn oor voor de opening der pijp houdende, luisterend bleef staan.

„Luister, milady!” zeide de kardinaal, „de zaak is van het grootste belang. Ga zitten en praten wij eens....”

„Milady!” mompelde Athos.

„Ik luister naar Uwe Eminentie met de grootste aandacht,” antwoordde een vrouwenstem, die den musketier deed ontroeren.—„Een klein vaartuig,met Engelschen bemand en welks kapitein tot mijn orders is, wacht u aan den mond derCharente, nabij het fortla Pointe; het zal morgenochtend onder zeil gaan.”—„Ik moet dus nog hedennacht mij derwaarts begeven?”—„Oogenblikkelijk, dat is, na mijn voorschriften te hebben ontvangen. Twee mannen, die gij, hier uitgaande, voor de deur zult vinden, zullen u tot geleide verstrekken; ik zal het eerst vertrekken, vervolgens zult gij u een half uur daarna op uw beurt verwijderen.”—„Goed, Uwe Eminentie! Gelieve mij de zending mede te deelen, waarmede gij mij wilt belasten, en daar ik er prijs op stel, voortdurend met het vertrouwen van Uwe Eminentie vereerd te worden, zoo zou ik ze gaarne duidelijk, in bepaalde woorden van Uwe Eminentie vernemen, opdat er geen vergissing kan plaats hebben.”

Er ontstond voor eenige oogenblikken een diepe stilte tusschen de beide sprekers; blijkbaar overdacht de kardinaal de woorden, welke hij zou bezigen, terwijl milady al haar verstandvermogens inspande, om de zaken te begrijpen, die hij gereed was haar toe te vertrouwen, en na die gehoord te hebben, in haar geheugen te prenten.

Athos nam deze gelegenheid waar, om zijn vrienden te verzoeken de deur van binnen te sluiten, waarna hij hun een teeken gaf met hem te komen luisteren. De twee musketiers, die van hun gemak hielden, namen elk een stoel en een voor Athos. Alle drie zetten zich neder, de hoofden luisterend bij elkander stekende.

„Gij moet naarLondenvertrekken,” hernam de kardinaal; „daar gekomen zult gij Buckingham een bezoek brengen.”—„Ik moet Uwe Eminentie doen opmerken,” zeide milady, „dat sedert de zaak der diamanten haken, welke des hertogs vermoeden op mij heeft doen vallen, Zijne Genade mij wantrouwt.”—„Ook betreft het niet meer zijn vertrouwen te winnen, maar eerlijk en rondborstig in onderhandeling te treden.”—„Eerlijk en rondborstig?” herhaalde milady op een toon van onuitsprekelijke valschheid.—„Ja, rondborstig,”hernam de kardinaal op denzelfden toon; „die geheele zaak moet openlijk worden behandeld.”—„Ik zal letterlijk de voorschriften van Zijne Eminentie nakomen en wacht ze te ontvangen.”—„Gij zult Buckingham een bezoek brengen en hem van mijnentwege zeggen, dat ik al de toebereidselen ken, welke hij maakt, dat ik er mij evenwel weinig om bekommer, dewijl ik bij de eerste daad, die hij zal wagen, de koningin in het verderf stort.”—„Gelooft Uwe Eminentie, dat zij in staat is die bedreiging te vervullen?”—„Ja, want ik heb bewijzen.”—„Ik moet hem die bewijzen kunnen blootleggen.”—„En gij zult hem zeggen, dat ik het verslag van Bois Robert en van den markies de Beautru zal openbaar maken over de samenkomst, welke de hertog bij de vrouw van den konnetabel met de koningin heeft gehad, op den avond dat die dame een gemaskerd bal gaf; gij zult hem zeggen, opdat hij aan niets twijfele, dat hij er zich begeven heeft in het kostuum van denGrooten Mogol, dat de ridder de Guise moest hebben aan gehad, en hij het voor een som van drie duizend pistolen heeft gekocht.”—„Goed, Uwe Eminentie!”—„Al de bijzonderheden van zijn intrede en zijn uitgang des nachts, toen hij zich in het gewaad van een Italiaanschen waarzegger had verkleed, zijn mij bekend; gij zult hem zeggen, opdat hij wederom niet twijfele aan de echtheid mijner narichten, dat hij onder zijn mantel een ruim wit kleed aan had, bezaaid met zwarte tranen en doodshoofden op kruiselings gelegde doodsbeenderen, ten einde in geval van verrassing als de geest der Witte Dame te verschijnen, die, zooals algemeen bekend is, in hetLouvreterugkeert, telkens wanneer een groote gebeurtenis ophanden is.”—„Is dat alles, Uwe Eminentie?”

„Zeg hem, dat ik al de bijzonderheden ken van zijn avontuur teAmiëns, dat ik er een kleinen, geestigen roman van zal doen schrijven met een platten grond van den tuin en de portretten der voornaamste acteurs van dat nachtelijk tooneel.”—„Ik zal het hem zeggen.”—„Zeg hem nog, dat Montaigu in mijn macht en in deBastille is, dat men wel geen brieven bij hem heeft gevonden, maar dat de pijnbank hem alles zal doen zeggen wat hij weet, en zelfs.... wat hij niet weet.”—„Zeer goed.”—„Voeg er eindelijk bij, dat Zijne Genade, in de overhaasting waarmede hij het eilandRéheeft verlaten, zekeren brief van mevrouw de Chevreuse in zijn kwartier heeft laten liggen, die op zonderlinge wijze de koningin verdacht maakt, daar hij niet alleen bewijst, dat Hare Majesteit de vijanden des konings kan beminnen, maar tevens dat zij met de vijanden vanFrankrijksamenspant. Gij hebt alles, wat ik u gezegd heb, goed onthouden, niet waar?”

„Uwe Eminentie zal er over oordeelen: het bal van de vrouw des konnetabels, de nacht in hetLouvre, de avond teAmiëns, de gevangenneming van Montaigu, de brief van mevrouw de Chevreuse.”—„Zoo is het,” zeide de kardinaal, „gij hebt een zeer goed geheugen, milady!”—„Maar,” hernam zij, tot wie de kardinaal dat compliment had gemaakt, „indien, ondanks al die redenen, de hertog zich niet onderwerpt en voortgaatFrankrijkte bedreigen?”—„De hertog is verliefd als een dwaas, of liever, als een onnoozele,” hernam Richelieu met bitterheid. „Zooals de oude ridders, heeft hij alleen dezen oorlog ondernomen om een blik zijner schoone te verkrijgen. Indien hij weet, dat die oorlog de eer en misschien de vrijheid van de dame zijner gedachten, zooals hij haar noemt, kan kosten, dan verzeker ik u zal hij zich bedenken.”—„En,” zeide milady met een aandrang, die bewees, hoe zij begeerde haar zending tot aan het einde helder in te zien, „en wanneer hij volhardt?”—„Indien hij volhardt!” zeide de kardinaal.... „dat is niet waarschijnlijk.”—„Dat is mogelijk,” hernam milady.—„Wanneer hij volhardt....”

De kardinaal zweeg een oogenblik en vervolgde toen: „Indien hij volhardt, welnu! dan zal ik op een dier gebeurtenissen hopen, welke het aanzicht der rijken veranderen.”—„Indien Uwe Eminentie mij uit de geschiedenis eenige dier gebeurtenissen wilde aanhalen,”zeide milady, „ik zou dan wellicht in zijn vertrouwen op de toekomst deelen.”

„Welnu! ziehier bijvoorbeeld,” zeide Richelieu: „Toen in 1610, voor een zaak bijna gelijk aan die, welke thans den hertog doet handelen, Hendrik IV, glorierijker gedachtenis, gelijktijdigVlaanderenenItaliëaanviel omOostenrijkvan beide zijden te treffen, welnu! is er toen niet iets gebeurd, waardoorOostenrijkwerd gered? Waarom zou de koning vanFrankrijkniet een even goede kans hebben als de keizer vanOostenrijk?”—„Uwe Eminentie bedoelt den messteek in de straat la Féronnerie?”—„Ja,” zeide de kardinaal.—„Vreest Uwe Eminentie niet, dat de straf van Ravaillac hen zal afschrikken, die een oogenblik de gedachte mochten hebben hem na te volgen?”—„Er zijn in alle tijden en in alle landen, vooral wanneer die landen door verschillende godsdienstige sekten worden verdeeld, geestdrijvers, die niets liever begeeren dan als martelaars te sterven. En ziedaar, ik herinner mij juist, dat de Puriteinen woedend zijn op den hertog van Buckingham, en dat hun predikanten hem als denAntichristvoorstellen.”—„Welnu?” vroeg milady.

„Welnu,” ging de kardinaal op ongedwongen toon voort, „men zou voor het oogenblik, bijvoorbeeld, slechts een jonge, schoone, behendige vrouw moeten kennen, die zich op den hertog zou willen wreken. Zoodanige vrouw kan gevonden worden. De hertog is in de liefde een zeer gelukkig man, en indien hij door zijn belofte van eeuwige trouw veel liefde heeft gezaaid, heeft hij tevens veel haat moeten zaaien door zijn eeuwigdurende ongetrouwheden.”—„Zeker,” zeide milady koel, „een dergelijke vrouw kan gevonden worden.”—„Welnu! zoodanige vrouw, door het mes van Jacques Clement of van Ravaillac in de handen van een geestdrijver te stellen, zouFrankrijkredden.”—„Ja, maar zij zou de medeplichtige van een moordenaar zijn.”—„Heeft men ooit de medeplichtigen van Ravaillac of van Jacques Clement gekend?”—„Neen, want zij waren misschien te hooggeplaatst om hen te durvenzoeken, waar zij waren. Men zal het gerechtshof niet voor iedereen in den brand steken, Uwe Eminentie!”—„Gelooft gij dan dat de brand van het gerechtshof door een andere oorzaak dan het toeval heeft plaats gehad?” vroeg Richelieu op den toon, alsof hij een vraag van niet het minste belang zou hebben gedaan.—„Ik, Uwe Eminentie!” antwoordde milady, „ik geloof niets. Ik haal een daadzaak aan, meer niet. Ik wil alleen zeggen, indien ikMademoisellede Montpensier of Maria deMédicisheette, ik minder voorzorgen zou nemen dan ik doe, omdat ik eenvoudig lady de Winter heet.”—„Dat is waar,” zeide Richelieu. „Wat begeert gij dan?”

„Ik begeer een volmacht, die vooraf alles goedkeurt, wat ik tot het welzijn vanFrankrijknoodzakelijk acht te doen.”—„Maar ik zou eerst de vrouw moeten hebben gevonden, waarvan ik spreek, eene, die zich op den hertog zoude willen wreken.”—„Deze is gevonden,” zeide milady.—„Vervolgens zou die ellendige geestdrijver moeten worden gevonden, die der rechtvaardigheid Gods tot een werktuig moet strekken.”—„Men zal hem vinden.”—„Welnu!” zeide de kardinaal, „dan is het tijd genoeg de volmacht te vragen, die gij verlangt.”

„Uwe Eminentie heeft gelijk,” hernam milady, „en ik had ongelijk in de zending, waarmede zij mij vereert, iets anders te zien dan hetgeen werkelijk het geval is, namelijk: aan Zijne Genade vanwege Zijne Eminentie te berichten, dat gij de verschillende vermommingen kent, met behulp van welke hij er in geslaagd is de koningin te naderen gedurende het door de echtgenoot van den konnetabel gegeven feest; dat gij het bewijs hebt der samenkomst, door de koningin aan zekeren Italiaanschen waarzegger vergund, die niemand anders dan de hertog van Buckingham was; dat gij een zeer geestigen, kleinen roman hebt besteld, het avontuur teAmiënstot onderwerp hebbende, met den platten grond van den tuin, waar het is voorgevallen, en de portretten der voornaamste acteurs, die er zichop hebben vertoond; dat Montaigu in de Bastille is en de pijnbank hem zaken kan doen openbaren, welke hij zich herinnert, en zelfs die, welke hij vergeten heeft; eindelijk, dat gij zekeren brief van mevrouw de Chevreuse bezit, in het hoofdkwartier van Zijne Genade gevonden, die niet alleen de schrijfster er van blootstelt, maar ook haar, in wier naam hij is geschreven. Als hij nu ondanks dit alles mocht volharden, blijft mij, dewijl mijn last zich niet verder uitstrekt, niets anders te doen over dan Gode te bidden een mirakel te doen, ter redding vanFrankrijk. Het is immers wel alles, Uwe Eminentie, en ik heb niets anders te doen?”—„Dat is alles,” hernam de kardinaal droogjes.

„En nu,” zeide milady, zonder den schijn aan te nemen de toonsverandering van den kardinaal jegens haar op te merken, „nu ik de voorschriften Uwer Eminentie ten aanzien zijner vijanden heb ontvangen, zal het mij wel veroorloofd zijn Uwe Eminentie twee woorden over de mijnen te zeggen?”—„Gij hebt dus vijanden?” vroeg Richelieu.—„Ja, Uwe Eminentie! vijanden tegen welke ik uw bijstand noodig heb; want zij zijn zulks jegens mij in uw dienst geworden.”—„En wie zijn dat?” vroeg de kardinaal.—„Vooreerst een kleine intriguante, zekere juffrouw Bonacieux.”—„Zij is in de gevangenis teMantes.”—„Ja, zij is er geweest,” hernam milady; „maar de koningin heeft van den koning een bevelschrift weten te krijgen, met welks hulp zij haar naar een klooster heeft doen vervoeren.”—„In een klooster?” vroeg de kardinaal.—„Ja, in een klooster.”—„En in welk?”—„Dat weet ik niet; men heeft het geheim zeer goed bewaard.”—„Maar ik zal het weten.”—„En zal Uwe Eminentie mij dan zeggen in welk klooster die vrouw is?”—„Hierin zie ik geen bezwaar,” antwoordde de kardinaal.

„Goed, nu heb ik nog een anderen vijand, voor wien ik oneindig meer ben bevreesd dan voor dat juffertje Bonacieux.”—„En wie?”—„Haar minnaar.”—„Hoe heet hij?”—„O! Uwe Eminentie kent hem!” riep milady, door gramschap vervoerd; „dat is onsbeider kwade geest; hij is het, die in een gevecht met uw gardes de overwinning naar de zijde der musketiers heeft doen overhellen; hij is het, die de Wardes, uw zendeling, vier degensteken heeft toegebracht en de zaak der diamanten haken heeft doen mislukken; hij is het eindelijk, die, wetende dat ik het was, die juffrouw Bonacieux deed ontvoeren, mij den dood heeft gezworen.”—„Ha! ha! nu weet ik van wien gij wilt spreken.”—„Ik bedoel dien ellendigen d’Artagnan.”—„Dat is een stoutmoedige knaap,” zei de kardinaal.—„En juist wegens zijn stoutmoedigheid is hij het meest te vreezen.”—„Men moest,” hernam de kardinaal, „slechts één bewijs hebben van zijn verstandhouding met Buckingham.”—„Eén bewijs!” riep milady, „ik zal er tien krijgen!”—„Welnu! dan is het de eenvoudigste zaak der wereld; bezorg mij dat bewijs en ik zend hem naar de Bastille.”—„Goed, Uwe Eminentie! maar verder?”—„Wanneer men in de Bastille is, is er niets verder,” hernam de kardinaal op doffen toon.

„O,pardieu!” vervolgde hij, „ware het mij even gemakkelijk mij van mijn vijand te ontslaan als het gemakkelijk valt u van den uwen te bevrijden, en gij mij jegens dergelijke lieden straffeloosheid verzocht....”—„Uwe Eminentie!” hernam milady, „ruilen wij; leven voor leven, man voor man, geef mij hem, ik geef u den anderen.”—„Ik weet niet, wat gij wilt zeggen, en ik wil het ook niet weten,” zeide de kardinaal, „maar ik wensch u aangenaam te zijn en ik zie volstrekt geen beletsel u toe te staan, wat gij verlangt ten aanzien van een zoo nietig schepsel, te meer daar, zooals gij mij zegt, de jonge d’Artagnan een losbol, een voorvechter, een verrader is.”—„Een eerlooze! Uwe Eminentie! een eerlooze!”—„Geef mij dan papier, pen en inkt,” zeide de kardinaal.—„Ziehier, Uwe Eminentie!”—„Goed.”

Er heerschte een oogenblik stilte, welke bewees, dat de kardinaal bezig was de woorden te zoeken, welke het briefje, dat hij wilde schrijven, moest behelzen,of dat hij het werkelijk schreef. Athos, wien geen woord van het gesprek was ontgaan, nam zijn beide vrienden elk bij de hand en geleidde hen naar het andere einde der kamer.

„Welnu!” zeide Porthos, „wat wilt gij en waarom laat gij ons niet naar het einde van het gesprek luisteren?”—„Stil,” zeide Athos, „wij hebben alles gehoord, wat wij noodig hadden te hooren; buitendien, ik belet u niet naar het overige te luisteren, maar ik moet vertrekken.”—„Gij moet vertrekken?” zeide Porthos; „en indien de kardinaal naar u vraagt, wat zullen wij antwoorden?”—„Gij zult niet wachten, totdat hij u vraagt; gij zult hem dadelijk zeggen, dat ik ter verkenning vooruit ben gegaan, dewijl eenige den kastelein ontvallen woorden mij hebben doen vermoeden, dat de weg niet veilig was; ik zal er overigens een paar woorden aan den stalmeester van den kardinaal over zeggen; laat het andere aan mij over; weest niet ongerust.”—„Wees voorzichtig, Athos!” zeide Aramis.—„Wees gerust,” hernam Athos, „gij weet, ik ben koelbloedig.”

Porthos en Aramis hernamen hun plaatsen bij de kachelpijp. Athos vertrok zonder de minste geheimhouding; ging zijn paard, dat met die zijner vrienden aan de vensterluiken was gebonden, losmaken, verzekerde den stalmeester van de noodzakelijkheid eener voorhoede om terug te keeren, onderzocht met geveinsde nauwkeurigheid de pan van zijn pistool, nam den degen tusschen de tanden en begaf zich als een verloren kind op den weg, die naar het legerkamp leidde.

Huwelijkstooneel.

Zooals Athos had voorzien, duurde het niet lang, of de kardinaal ging naar beneden. Hij opende de deurder kamer, waarin zich de musketiers bevonden, en zag Porthos en Aramis zeer druk samen dobbelen. Met een snellen blik had hij de geheele zaal overzien en bespeurde, dat een zijner manschappen ontbrak.

„Waar is de heer Athos gebleven?” vroeg hij.—„Eminentie!” antwoordde Porthos, „op eenige woorden, die de kastelein heeft laten ontvallen, is hij ter verkenning uitgegaan, in de veronderstelling, dat de weg niet veilig was.”—„En wat hebt gij gedaan, mijnheer Porthos?”—„Ik heb vijf pistolen van Aramis gewonnen.”—„En kunt gij thans met mij terugkeeren?”—„Wij zijn gereed, Uwe Eminentie te gehoorzamen.”—„Te paard dan, heeren! want het wordt laat.”

De stalmeester was voor de deur en hield het paard van den kardinaal bij den toom. Wat verder in de schaduw vertoonde zich een groep van twee mannen en drie paarden; die beide mannen waren zij, die milady naar het fortla Pointe, moesten geleiden en over haar bij haar inscheping waken.

De stalmeester bevestigde den kardinaal, hetgeen de twee musketiers hem omtrent Athos hadden gezegd. De kardinaal gaf zijn goedkeuring door een gebaar te kennen en nam den terugweg aan, dezelfde voorzorgen nemende, die hij, komende, had in acht genomen. Laten wij hem zijn weg naar het kamp vervolgen, en keeren wij tot Athos terug.

Een honderdtal schreden had hij in denzelfden stap voortgereden, maar zoodra hij buiten het gezicht was, wendde hij zijn paard rechts, maakte een omweg en keerde een twintigtal schreden op zijn weg terug, waar hij, in het kreupelhout verborgen, de kleine bende afwachtte; na de met galon bezette hoeden zijner vrienden en de gouden franje van des kardinaals mantel te hebben herkend, bleef hij zoo lang stil, totdat de ruiters den hoek van den weg achter zich hadden, en toen zij uit het gezicht waren verdwenen, keerde hij in vollen galop naar de herberg terug, die men voor hem, zonder eenige moeilijkheid, opende.—De kastelein herkende hem.

„Mijn officier!” zeide Athos, „heeft vergeten de dame der eerste verdieping iets zeer gewichtigs aan te bevelen, en hij zendt mij om zijn vergissing te herstellen.”—„Ga boven,” zeide de kastelein, „zij is nog in haar kamer.”

Athos maakte van het verlof gebruik, klom de trap zoo zacht mogelijk op, kwam in het portaal, en door de half geopende deur zag hij milady, die haar hoed opzette. Hij trad haar kamer binnen en sloot de deur achter zich. Athos stond voor de deur in zijn mantel gehuld en zijn hoed in de oogen gedrukt. Die stomme, onbeweeglijke gestalte ziende, werd milady angstig.

„Wie zijt gij, en wat wilt gij?” riep zij.

„Ja, zij is het wel,” mompelde Athos. En zijn mantel latende vallen en zijn hoed uit de oogen zettende, naderde hij milady.—„Herkent gij mij, mevrouw?” vroeg hij.

Milady naderde een schrede en trad vervolgens achteruit, alsof zij een slang had gezien.—„Goed,” zeide Athos, „ik zie, dat gij mij herkent.”—„De graaf de laFère?” mompelde milady, verbleekende en terugdeinzende, totdat de muur haar belette verder te gaan.—„Ja, milady!” antwoordde Athos, „de graaf de laFèrein persoon, die om geen andere reden uit de andere wereld komt, dan om het pleizier te hebben u te zien.... Nemen wij ons gemak en praten wij eens, zooals de kardinaal zegt.”

Milady, door een onuitsprekelijken angst beheerscht, ging zitten, zonder één woord te spreken.

„Gij zijt een op de aarde gezonden duivel,” zeide Athos. „Uw macht is groot, dat weet ik, maar gij weet ook, dat met Gods hulp de menschen vaak de vreeselijkste duivels hebben overwonnen. Gij hebt u reeds op mijn weg gesteld, en ik meende u geveld te hebben, mevrouw! óf ik heb mij bedrogen, óf de hel heeft u weder uitgebraakt.”—Milady liet bij die woorden, welke haar zoo vreeselijke herinneringen voor den geest brachten, het hoofd met een gesmoorden zucht op de borst zinken.—„Ja, de hel heeft u weder uitgebraakt,” hernam Athos, „de hel heeft u rijk gemaakt, de helheeft u een anderen naam gegeven, de hel heeft u zelfs bijna een ander aangezicht geschonken, maar zij heeft noch de smet van uw ziel, noch de vlek van uw lichaam gewischt.”

Milady stond als door een springveer bewogen op, en haar oogen schoten bliksemstralen.—Athos bleef zitten.

„Gij waandet mij dood, niet waar? zooals ik u dood waande; de naam van Athos heeft den naam des graven de laFèrebedekt, zooals de naam van milady de Winter dien van Anna de Breuil! Was het niet dus, dat gij u noemdet, toen uw eerwaardige broeder ons den huwelijkszegen gaf?—Onze wederzijdsche gesteldheid,” ging Athos lachende voort, „is waarlijk zonderling; wij hebben de een zoowel als de andere tot hiertoe geleefd, omdat wij elkander dood waanden, en omdat een herinnering minder grieft dan een schepsel, hoewel een herinnering soms knagend is.”

„Maar,” zeide milady, met gesmoorde stem, „wat voert u tot mij; en wat wilt gij eigenlijk?”—„Ik wil u zeggen, dat, ofschoon voor uw oogen steeds onzichtbaar, ik u echter niet uit het oog heb verloren.”—„Gij weet, wat ik heb gedaan?”—„Ik kan u dag voor dag uw daden verhalen, sedert den dag, dat gij in dienst van den kardinaal zijt getreden, tot op heden avond.”

Een glimlach van ongeloovigheid vertrok de lippen van milady.—„Luister! gij zijt het, die de diamanten haken van den schouder des hertogen van Buckingham hebt gesneden; gij zijt het, die juffrouw Bonacieux hebt doen ontvoeren; gij zijt het, die, op de Wardes verliefd en in de meening hem te ontvangen, uw deur voor den heer d’Artagnan opendet; gij zijt het, die, meenende dat de Wardes u had bedrogen, hem door zijn medeminnaar hebt willen doen om het leven brengen; gij zijt het, die, toen die medeminnaar uw schandelijk geheim had ontdekt, hem op zijn beurt door twee huurlingen, die gij hem hadt achterna gezonden, wildet doen vermoorden; gij zijt het, die, hoorende dat de kogels hun doel hadden gemist, vergiftigden wijn hebt gezonden, met eenvalschen brief, die uw slachtoffer moest doen gelooven, dat die wijn van zijn vrienden kwam;—gij zijt het eindelijk, die hier in deze kamer, op den stoel waarop ik zit, u jegens den kardinaal de Richelieu hebt verbonden den hertog van Buckingham te doen vermoorden, waarvoor hij u de belofte heeft gedaan, d’Artagnan aan uw moordzucht over te laten.”

Milady was lijkkleurig.—„Maar gij zijt dan Satan?” zeide zij.

„Misschien,” hernam Athos, „maar hoe het ook zij, luister goed; vermoord den hertog van Buckingham, dat is mij volkomen onverschillig, ik ken hem niet; en bovendien hij is een vijand vanFrankrijk; maar raak aan geen enkel haar van het hoofd van d’Artagnan, die een getrouw vriend van mij is, dien ik bemin en bescherm, of ik zweer u bij het hoofd mijns vaders, de misdaad, die gij mocht beproeven te plegen, of gepleegd mocht hebben zal de laatste zijn.”—„De heer d’Artagnan heeft mij beleedigd,” zeide milady met een gesmoorde stem, „de heer d’Artagnan zal sterven.”—„Hoe is het mogelijk, mevrouw! dat men u kan beleedigen,” zeide Athos glimlachende; „hij heeft u beleedigd, en hij zal sterven?”—„Zij eerst en hij daarna.”

Athos werd als door een duizeling verblind; het gezicht van dat schepsel, hetwelk niets eener vrouw had, herinnerde hem iets vreeselijks; hij dacht aan den dag, toen hij in een minder gevaarlijk oogenblik dan dat, waarin hij zich thans bevond, haar reeds aan zijn eer had willen offeren; moordzucht overviel hem gloeiend als de koorts. Op zijn beurt stond hij op, haalde een pistool uit zijn gordel te voorschijn en trok den haan over.

Milady, bleek als een lijk, wilde om hulp roepen, maar haar verstijfde tong veroorloofde haar slechts een dof geratel voort te brengen, dat niets van een menschelijke stem had, en het gebrom van een wild dier scheen; tegen het donkerkleurig behangsel gedrongen, verhief zij zich met verwilderde haren als een levend schrikbeeld.

Athos hief langzaam het pistool op, strekte den arm uit, zoodat het wapen bijna het voorhoofd van milady raakte, en toen zeide hij met een stem, die vreeselijker was door de verheven kalmte van zijn onwrikbaar besluit: „Mevrouw! stel mij oogenblikkelijk het papier ter hand, door den kardinaal geteekend en u gegeven, of, bij mijn ziel, ik schiet u door de hersens.”

Tegenover een ander dan Athos zou milady eenigen twijfel hebben kunnen koesteren; maar zij kende hem. Zij bleef echter onbeweeglijk.—„Een seconde blijft u over om een besluit te nemen,” zeide hij.—Milady zag aan de vertrekking van zijn gelaat, dat het schot zou losgaan; zij bracht de hand aan haar boezem, haalde er een papier uit te voorschijn en reikte het Athos over.—„Ziedaar,” zeide zij, „en wees vervloekt.”

Athos nam het papier, stak het pistool weder in zijn gordel, naderde de lamp, ten einde zich te verzekeren, dat het wel het rechte was, ontvouwde het en las:


Back to IndexNext