HOOFDSTUK XV.

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.Richelieu.”3 Augustus 1628.

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„En thans,” zeide Athos, zich in zijn mantel hullende en zijn hoed op het hoofd drukkende, „thans, nu ik u de tanden heb uitgebroken, bijt nu als gij kunt.”—En hij verliet de kamer, zonder zelfs om te zien.

Voor de deur vond hij de beide mannen en het paard, dat zij bij den toom hielden.—„Mijne heeren!” zeide hij, „gij weet, dat Zijne Eminentie bevolen heeft zonder tijdverlies die vrouw naar het fortla Pointete voeren, en haar niet te verlaten, alvorens zij aan boord is.”—Daar deze woorden volkomen met het bevel, dat zij hadden ontvangen, overeenstemden, bogen zij het hoofd, ten teeken van gehoorzaamheid.

Wat Athos betreft, deze sprong vlug in den zadel en vertrok in galop. Maar in plaats van den weg te volgen, ging hij het veld over, zijn paard geweldig aansporendeen van tijd tot tijd stilhoudende om te luisteren.

Gedurende een dier halten hoorde hij op den weg het getrappel van eenige paarden. Hij twijfelde er niet aan, dat het de kardinaal en zijn geleide was. Hij begaf zich dan ook onmiddellijk weer op weg, en na eenigen tijd te hebben voortgedraafd, bleef hij staan, wreef zijn paard met mos en boombladeren en ging ongeveer tweehonderd schreden van het kamp dwars op den weg staan.

„Werda!” riep hij in de verte, toen hij de ruiters bespeurde.—„Dat is onze moedige edelman, geloof ik,” zeide de kardinaal.—„Ja, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, „hij is het.”—„Mijnheer Athos!” zeide Richelieu, „ontvang mijn welgemeenden dank voor de goede waakzaamheid, die gij ons hebt betoond. Mijne heeren! wij zijn aangekomen; gaat de poort ter linkerzijde binnen; het wachtwoord is:Koning en Ré.”—Dit zeggende, groette de kardinaal met een hoofdknik de drie vrienden en ging rechts, gevolgd door zijn stalmeester; want dien nacht zou hij in het legerkamp slapen.

„Wel?” vroegen eenparig Porthos en Aramis, toen de kardinaal ver genoeg vertrokken was om niet meer te kunnen hooren; „welnu, hij heeft het papier geteekend, dat zij hem vroeg.”—„Ik weet het wel,” antwoordde Athos bedaard, „want ik heb het.”—En de drie vrienden spraken geen enkel woord vóór zij in hun kwartieren waren gekomen, behalve dat zij aan de schildwachten het wachtwoord zeiden. Alleen zond men Mousqueton naar Planchet om dezen te zeggen, dat zijn meester verzocht werd, zoodra hij van de wacht in de loopgraven zou zijn afgelost, zich onmiddellijk naar het kwartier der musketiers te begeven.

Van den anderen kant, en zooals Athos had voorzien, maakte milady, toen zij de mannen aantrof, die haar voor de deur wachtten, niet de minste moeilijkheid hen te volgen. Zij was wel een oogenblik van meening geweest zich voor den kardinaal te doen voeren en dezen alles te verhalen; maar een openbaring van haarzou er eene van Athos ten gevolge hebben gehad. Zij zou wel kunnen zeggen, dat Athos haar had opgehangen, maar daarentegen zou Athos zeggen, dat zij gebrandmerkt was; zij geloofde daarom, dat het nog beter was het stilzwijgen te bewaren, stilletjes te vertrekken en met haar gewone behendigheid de moeilijke zending te volbrengen, waarmede zij zich had belast. Vervolgens, na alles volkomen naar het genoegen van den kardinaal te hebben volvoerd, zou zij van dezen haar wraak komen eischen.

Bijgevolg was zij, na den geheelen nacht te hebben doorgereisd, te zeven uur des ochtends aan het fortde la Pointegekomen, te acht uur was zij scheep gegaan en te negen uur lichtte het vaartuig het anker en ging onder zeil naarEngeland.

Het bolwerk Saint Gervais.

Toen d’Artagnan bij zijn drie vrienden kwam, vond hij ze in dezelfde kamer vereenigd. Athos overwoog, Porthos krulde zijn knevel, Aramis las zijn getijden in een fraai klein, in blauw fluweel gebonden kerkboek.

„Pardieu!” riep d’Artagnan, „ik hoop, mijne heeren! dat hetgeen gij mij te zeggen hebt de moeite waard is, ik zou u anders nooit vergeven mij alleen een bolwerk te hebben laten verdedigen, het was er heet!”—„Wij waren ook ergens, waar het niet koud was,” antwoordde Porthos, aan zijn knevel een hem bijzondere krulling gevende.—„Stil!” zeide Athos.—„Oh! oh!” riep d’Artagnan, het licht fronsen der wenkbrauwen van Athos begrijpende, „er schijnt hier iets nieuws te zijn gebeurd?”—„Aramis!” zeide Athos, „gij hebt gisteren in de herberghet Geuzennestontbeten, geloof ik?”—„Ja.”—„Wel, hoe is het daar?”—„Ik heb er wat mij betreft zeer slecht gegeten, want eergisteren was hetvastendag en er was niets dan vleesch voorhanden.”—„Wat!” riep Athos, „hebben zij in een zeehaven geen visch?”—„Zij zeggen,” hernam Aramis, zijn vrome lectuur hervattende, „dat de dijk, dien de kardinaal laat maken, al de visch in zee jaagt.”—„Maar dat is het niet, wat ik u vraag, Aramis!” hernam Athos, „ik wenschte te weten of gij alleen waart en niemand u is komen hinderen?”—„Wel, ik geloof, dat wij over te veel nieuwsgierigen niet te klagen hebben gehad. Wel ja, voor hetgeen gij bedoelt, Athos, zullen wij tamelijk wel inhet Geuzennestzijn.”—„Gaan wij dan naarhet Geuzennest,” zeide Athos, „want hier zijn de muren zoo dik als papier.”

D’Artagnan, die aan de handelwijze van zijn vriend gewoon was en dadelijk aan één woord, aan één gebaar, aan één teeken van hem begreep, dat de omstandigheden netelig waren, nam Athos bij den arm en vertrok met hem zonder iets te zeggen. Porthos volgde al pratende met Aramis.

Op weg ontmoette men Grimaud; Athos wenkte hem, dat hij zou volgen. Grimaud gehoorzaamde, volgens gewoonte zonder te spreken; de arme jongen had bijna het spreken verleerd. Men bereikte de herberghet Geuzennest. Het was zeven uur des ochtends en het werd licht; de vier vrienden bestelden een ontbijt en traden een kamer binnen, waar zij, volgens zeggen van den herbergier, niet zouden gehinderd worden.

Ongelukkig was het oogenblik voor een geheim gesprek zeer slecht gekozen. Men had juist de réveille geslagen en overal wreef men den slaap uit de oogen, en voor de vochtigheid van de ochtendlucht ging men naar de herberg een slokje drinken; dragonders, Zwitsers, gardes, musketiers en lichte kavalleristen volgden elkander onophoudelijk en moesten den waard niet weinig voordeel aanbrengen; maar dat strookte zeer slecht met de oogmerken der vier vrienden, ook beantwoordden zij op zeer onvergenoegden toon de begroetingen, de gezondheidsdronken en de kwinkslagen hunner krijgsmakkers.

„Zoo,” zeide Athos, „zullen wij ons een twist op den hals halen, en dit zou ons voor het oogenblik zeer ongelegen komen. D’Artagnan! verhaal ons eens, wat u hedennacht is overkomen, daarna zullen wij u vertellen, hoe onze nacht is afgeloopen.”—„Inderdaad,” zeide een ruiter, die geen oogenblik stilstond, terwijl hij langzaam een glas brandewijn opslurpte, „inderdaad, gij waart in de loopgraven, heeren gardes! en ik geloof, dat gij met de belegerden vanla Rochelleiets te doen hebt gehad.”

D’Artagnan wierp een vragenden blik op Athos om te weten, of hij dien indringer, die zich in het gesprek mengde, moest antwoorden.—„Wel!” riep Athos, „verstaat gij den heer de Busigny niet, die u de eer aandoet u toe te spreken? Vertel wat er dezen nacht is voorgevallen, daar die heeren verlangend zijn het te weten.”

„Haben Sie kein Bollwerk genommen?” vroeg een Zwitser, die uit een bierglas rum dronk.—„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan buigende, „wij hebben die eer gehad, wij hebben zelfs, zooals ge hebt kunnen hooren, onder een der hoeken een ton buskruit gelegd, die, losbarstende, een fraaie bres heeft gemaakt, zoodat het geheele bolwerk, dat niet van gisteren meer was, deerlijk is geschud geworden.”—„En welk bolwerk is dat?” vroeg een dragonder, die aan zijn sabel een gans had gestoken, welke hij had meegebracht om te braden.—„Het bolwerkSt. Gervais,” antwoordde d’Artagnan, „van waaruit de belegerden onze werklieden verontrusten.”—„En is het er heet toegegaan?”—„Welzeker! wij hebben vijf en de belegerden acht of tien man verloren.”—„Palsambleu!” riep de Zwitser, die, ondanks de bewonderenswaardige verzameling van vloeken, welke de Duitsche taal bezit, echter de gewoonte had aangenomen in het Fransch te vloeken.—„Maar waarschijnlijk zullen zij hedenochtend schansgravers afzenden om het bolwerk weder in goeden staat te brengen.”—„Ja, dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan.

„Mijne heeren!” zeide Athos, „ik stel u een weddenschap voor.”—„Ah ja, ein barie,” herhaalde de Zwitser.—„Welke?” vroeg de ruiter.—„Wacht,” zeide de dragonder, die zijn sabel als een spit op de twee haardijzers legde, tusschen welke het vuur brandde, „ik wed mede. Ellendige kastelein, geef mij dadelijk een braadpan, opdat er geen droppel vet van dat achtenswaardige gevogelte verloren ga....”—„Er hat recht, Gänsefett ist ganz gut mit Confituren.”—„Welnu? laat hooren de weddenschap. Wij luisteren, mijnheer Athos!”—„Ja, zeg ons de weddenschap,” zeide de lichte kavallerist.

„Luister, mijnheer de Busigny! ik wed met u,” zeide Athos, „dat mijn drie vrienden, de heeren Porthos, Aramis, d’Artagnan en ik, in het bolwerkSaint Gervaiszullen ontbijten en er één uur in blijven, op klokslag af, wat de vijand ook moge doen om ons er uit te drijven.”—Porthos en Aramis keken elkander aan, zij begonnen te begrijpen.—„Maar,” fluisterde d’Artagnan Athos in het oor, „gij zult ons zonder genade doen om hals brengen?”—„Men zal ons wel op een andere wijze om hals brengen!”—„Wel, heeren!” zeide Porthos, zich achterover op zijn stoel werpende en zijn knevel opstrijkende, „ik meen, dat dit een fraaie weddenschap is?”—„Ik neem ze dan ook aan,” zeide de heer de Busigny. „Wij moeten nu slechts weten, waarom wij wedden.”—„Gij zijt met u vieren, mijne heeren!” zeide Athos, „wij ook, een nader te bepalen diner voor acht personen, wat denkt gij daarvan?”—„Kostelijk!” hernam de Busigny.—„Best,” zeide de dragonder.—„Das geht,” zeide de Zwitser. De vierde, die gedurende dat gansche gesprek geen woord had gesproken, knikte met het hoofd, ten teeken dat hij met het voorstel genoegen nam.

„Het ontbijt der heeren is gereed,” kwam de kastelein berichten.—„Welnu, breng het dan,” zeide Athos. De herbergier gehoorzaamde. Athos riep Grimaud, toonde hem een groote mand, die in een hoek stond en gaf hem een teeken de gebrachte vleeschspijzen in eenservet te wikkelen. Grimaud, begrijpende dat men in het gras wilde ontbijten, nam de mand, pakte het vleesch er in, voegde de flesschen er bij en hing de mand aan zijn arm.

„Maar waar gaat gij ontbijten?” vroeg de kastelein.—„Wat raakt u dat, als gij betaald wordt?”—En hij wierp trots twee pistolen op tafel.—„Moet ik u teruggeven, mijn officier?” vroeg de kastelein.—„Neen voeg er slechts twee flesschen Champagne bij, het overschot is voor de servetten.”

De kastelein maakte een minder goede zaak dan hij aanvankelijk meende; maar hij stelde zich schadeloos, door de vier gasten twee flesschen Anjou-wijn in plaats van Champagne in de hand te stoppen.

„Mijnheer de Busigny!” zeide Athos, „wilt gij wel zoo goed zijn uw horloge naar het mijne te regelen, of mij veroorloven het mijne naar het uwe te zetten?”—„Met plezier, mijnheer!” zeide de ruiter, uit zijn zak een zeer fraai, met diamanten omzet horloge halende; „half acht,” zeide hij.—„Vijf minuten over half acht, wij weten nu, dat ik vijf minuten vóór ben, mijnheer!”—En de verbaasde omstanders groetende, sloegen de vier jongelieden den weg naar het bolwerkSaint Gervaisin, door Grimaud gevolgd, die de mand droeg, niet wetende werwaarts men ging; maar aan lijdelijke gehoorzaamheid gewoon, dacht hij er niet eens aan er naar te vragen.

Zoo lang zij zich nog binnen de grenzen van het legerkamp bevonden, wisselden de vrienden met elkander geen enkel woord; te meer daar zij gevolgd werden door de nieuwsgierigen, die van de weddenschap kennis droegen en wilden weten, hoe zij er zich zouden uitredden; maar eenmaal de grenslijn over en zich in de vrije lucht bevindende, meende d’Artagnan, die volstrekt niet wist waarvan er sprake was, dat het nu tijd was een nadere verklaring te vragen.

„En nu, mijn waarde Athos! doe mij nu eens het genoegen mij te zeggen, werwaarts wij gaan?”—„Gij ziet het,” zeide Athos, „wij gaan naar het bolwerk.”—„Maarwat gaan wij er doen?”—„Gij weet het immers, wij gaan er ontbijten.”—„Maar waarom niet inhet Geuzennestontbeten?”—„Omdat wij elkander belangrijke zaken hebben te zeggen, en het onmogelijk was in die herberg vijf minuten vertrouwelijk te spreken in tegenwoordigheid van al die nieuwsgierigen, die heen en weer gingen, ons groetten en aanspraken. Hier ten minste,” ging Athos voort, het bolwerk aanwijzende, „zal men ons niet komen storen.”—„Het komt mij voor,” hernam d’Artagnan met die voorzichtigheid, welke zich bij hem zoo wèl en zoo natuurlijk aan een uitstekenden moed paarde, „het komt mij voor, dat wij een afgelegene plek in de duinen of aan den oever der zee hadden kunnen vinden.”—„Waar men ons alle vier had kunnen in gesprek zien, zoodat na verloop van een kwartier de kardinaal door zijn spionnen verwittigd zou zijn geweest, dat wij met elkander raad hielden.”—„Ja,” zeide Aramis, „Athos heeft gelijk:Animadvertunt in desertis.”—„Een woestijn zou zoo kwaad niet zijn geweest,” zeide Porthos, „maar waar die te vinden?”—„Er is geen woestijn, of een vogel kan er ons over het hoofd vliegen, een visch er uit het water springen, een konijn er uit zijn leger komen; en ik geloof, dat vogels, visschen, konijnen, zich allen tot spionnen van den kardinaal hebben gemaakt. Het is daarom beter, dat wij onze onderneming ten uitvoer brengen, van welke wij zonder schande toch niet meer kunnen afzien. Wij hebben een weddenschap aangegaan, een onmogelijk te voorziene weddenschap, van welke ik iedereen tart de ware beweegreden te doorgronden. Wij zullen, om haar te winnen, één uur in het bolwerk blijven. Of wij zullen worden aangevallen, òf wij zullen het niet worden. Indien wij niet worden aangevallen, zullen wij genoeg tijd hebben om te praten, en niemand zal ons hooren; want ik verzeker u, dat de muren van deze sterkte geen ooren hebben; indien wij worden aangevallen, zullen wij toch nog over zaken spreken en bovendien door ons te verdedigen ons met roem bedekken; gij ziet wel, dat alles winst is.”—„Maar,”zeide d’Artagnan, „wij zullen ongetwijfeld getroffen worden.”—„Ja, mijn waarde!” hernam Athos, „maar gij weet wel, dat de gevaarlijkste kogels niet die des vijands zijn.”—„Ik meen echter,” zeide Porthos, „dat wij voor een dergelijke onderneming onze musketten hadden moeten medenemen.”—„Gij zijt een onnoozele, vriend Porthos! waarom ons met een nuttelooze vracht te belasten?”—„Ik vind tegenover den vijand een goed musket met twaalf patronen en een kruithoorn geen onnoodige zaken.”—„Welnu,” hernam Athos, „hebt gij dan niet gehoord, wat d’Artagnan heeft gezegd?”—„Wat heeft d’Artagnan gezegd?” vroeg Porthos.—„D’Artagnan heeft gezegd, dat bij den aanval van heden nacht acht of tien Franschen en evenveel vijanden waren gesneuveld.”—„En verder?”—„Men heeft den tijd niet gehad hen uit te kleeden, niet waar? dewijl men voor het oogenblik iets meer gewichtigs te doen had.”—„Welnu?”—„Welnu, wij zullen hun kruithoorns en patronen gaan zoeken, en in plaats van vier musketten en twaalf kogels zullen wij vijftien stuks geweren en een honderdtal patronen hebben.”—„O, Athos!” zeide Aramis, „waarlijk, gij zijt een groot man!”

Porthos boog het hoofd, ten teeken van toestemming. D’Artagnan was de eenige, die nog niet volkomen overtuigd scheen. Grimaud deelde ongetwijfeld in de onzekerheid van den jongeling; want toen hij bemerkte, dat men op den weg van het bolwerk bleef voortgaan, iets waarvan hij tot hiertoe niet zeker was geweest, trok hij zijn meester bij de slip van zijn kleed.—„Waarheen gaan wij?” vroeg hij met een gebaar.—Athos toonde hem het bolwerk.—„Maar,” zeide in dezelfde taal de zwijgende Grimaud, „wij zullen er ons vel laten.”

Athos hief de oogen en den vinger hemelwaarts, Grimaud zette zijn mand op den grond en ging, zwijgend het hoofd schuddende, er bij zitten. Athos haalde een pistool uit zijn gordel, onderzocht de pan, haalde den haan over en zette den loop tegen het oor van Grimaud. Grimaud stond op zijn voeten, als dooreen springveer bewogen. Athos beduidde hem toen met een wenk, dat hij de mand zou opnemen en vooruitgaan. Grimaud gehoorzaamde. Al wat de arme jongen bij die kortstondige pantomime had gewonnen was, van de achterhoede naar de voorhoede te zijn verplaatst.

Aan het bolwerk gekomen, keerden de vier vrienden zich om. Meer dan driehonderd soldaten van allerlei wapen stonden voor den ingang van het legerkamp, en in een afgezonderde groep bespeurde men den heer de Busigny, den dragonder, den Zwitser en den vierden wedder. Athos nam zijn hoed af, zette hem op de punt van zijn degen en wuifde er mede. Al de aanschouwers beantwoordden zijn groet, deze beleefdheid aan een luid hoera parende, dat hun ooren bereikte; waarna zij alle vier in het bolwerk verdwenen, waarin Grimaud hen was voorgegaan.

De vergadering der musketiers.

Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.

„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”—„Maar wij zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”—„Ja,” hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”—„Welnu dan,” zeide d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur werpen.”—„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons nog dienen.”—„Kunnendie dooden ons nog dienen?” vroeg Porthos. „Maar waarlijk, gij wordt gek, beste vriend!”—„Oordeel niet lichtzinnig, zegt het Evangelie en de kardinaal,” antwoordde Athos. „Hoeveel geweren zijn er, heeren?”—„Twaalf,” antwoordde Aramis.—„Dat is juist zooveel als wij noodig hebben; laden wij de geweren.”

De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was, en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een flesch wijn mede te nemen.

„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.

De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken of kleermakers, op den grond.

„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult mededeelen!”—„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk gelijken.”—„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.—„Het geheim,” antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”

D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om den inhoud niet te storten.

„Gij hebt uw vr....”—„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”—„En waar dat?” vroeg d’Artagnan.—„Ongeveer twee uren van hier, in deherbergde Roode Duiventoren.”—„In dat geval ben ik verloren,” zeide d’Artagnan.—„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur moet zij de kust vanFrankrijkhebben verlaten.”—D’Artagnan haalde adem.—„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die milady?”—„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas schuimenden wijn ledigde.

„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn vanAnjouin plaats vanChampagnegegeven, in de meening dat wij het niet zouden bemerken.”

„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd vroeg.”—„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek van schrik.—„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb het met mijn beide ooren gehoord.”—„Ik ook,” zeide Aramis.—„Dan,” zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen, „is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”—„Dat is de laatste dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan niets meer te veranderen is.”—„Maar ik zal nooit de handen van dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn onbekende vanMeung, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”—„Welnu! dat zijn er niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één,pardieu!Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken, mijn vriend! maar wees kort enzakelijk, als ’t u blieft. Wat ziet gij?”—„Een bende.”—„Van hoeveel personen?”—„Van twintig mannen.”—„Welke mannen?”—„Zestien schansgravers en vier soldaten.”—„Op hoeveel schreden afstands zijn zij?”—„Op vijfhonderd schreden.”—„Goed, wij hebben den tijd nog dat hoen af te kluiven en een glas wijn te drinken. Op uw gezondheid, d’Artagnan!”—„Op uw gezondheid!” herhaalden Porthos en Aramis.—„Het zij dan zoo, op mijn gezondheid, hoewel ik niet geloof, dat uw wenschen mij veel zullen baten.”—„Och!” zeide Athos, „God is groot, zooals de belijders van Mahomeds leer zeggen, en de toekomst is in zijn handen.”

En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.

Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.

„Pardieu!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust hadden gelaten.”—„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig. Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier, met musketten gewapend.”—„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide Athos.—„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme duivels van burgers.”—„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met ketters medelijden heeft.”—„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”—„Wat duivel gaat gij doen?” riep d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”

Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, enop de bres klimmende, in de eene hand zijn geweer en in de andere zijn hoed houdende, riep hij, beleefd groetende, tot de naderende werklieden en soldaten, die, verwonderd over deze verschijning, op vijftig schreden van het bolwerk waren blijven staan: „Mijne heeren! ik en eenige mijner vrienden zijn op dit oogenblik in dit bolwerk bezig met te ontbijten. En dewijl gij weet, dat er niets onaangenamers is dan gedurende het ontbijt gestoord te worden, verzoeken wij u, indien gij hier volstrekt iets te doen mocht hebben, zoo lang te wachten, totdat de maaltijd geëindigd zal zijn, of later terug te keeren, althans indien gij het heilrijke voornemen niet hebt de partij des oproers te verlaten en met ons op de gezondheid van den koning vanFrankrijkte komen drinken.”

„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op u aanleggen?”—„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”

En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder en een der werklieden werd gekwetst.

„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.

Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de vlucht.

„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.

En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner overwinning medevoerende.

„Laad opnieuw de geweren, Grimaud!” beval Athos, „terwijl wij, heeren! met ontbijten zullen voortgaan en ons gesprek vervolgen. Hoe ver waren wij gekomen?”—„Ik herinner het mij,” zeide d’Artagnan, „gij zeidet, dat, toen milady mijn hoofd aan den kardinaal had gevraagd, zij de kust vanFrankrijkging verlaten.—En werwaarts begeeft zij zich?” voegde d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest volgen.—„Zij steekt naarEngelandover,” antwoordde Athos.—„En met welk oogmerk?”—„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen vermoorden.”

Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en verontwaardiging.—„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.—„Och! wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers vanla Rochellekunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen hebben.”

Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het legerkamp stond voor den ingang.

„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend is?”—„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die ledige flesch.”

En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental passen ver.

„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”—„En vooral zeer fraaiezadels,” zeide Porthos, die op dat oogenblik de franje van het zijne aan zijn mantel had.—„En daarbij,” zeide Aramis, „God wil de bekeering en niet den dood des zondaars.”—„Amen,” zeide Athos, „en wij zullen hierop later terugkomen, indien u zulks aangenaam is; maar wat op dat oogenblik mijn eerste zorg was, en gij, d’Artagnan! hiervan ben ik zeker, zult het begrijpen, was, van die vrouw een soort van volmacht af te persen, die zij den kardinaal had weten te ontwringen, en waarmede zij ongestraft u en misschien ons uit den weg zou hebben geruimd.”—„Maar dat schepsel is dan de duivel,” riep Porthos, zijn bord aan Aramis aanbiedende, die bezig was een hoen voor te snijden.—„En die volmacht,” vroeg d’Artagnan, „is die in haar handen gebleven?”—„Neen, ze is in de mijne overgegaan; ik zal niet zeggen zeer gemakkelijk, dan voorzeker zou ik liegen.”—„Mijn waarde Athos,” zeide d’Artagnan, „ik kan niet meer tellen, hoe dikwijls ik u het leven te danken heb.”—„Het was dus om tot haar terug te keeren, dat gij ons verliet?” vroeg Aramis.—„Zeker.”—„En hebt gij dat briefje van den kardinaal?” vroeg d’Artagnan.—„Hier is het,” antwoordde Athos. En hij haalde het kostbaar papier uit den zak van zijn gewaad.

D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.Richelieu.”3 Augustus 1628.

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„Inderdaad,” zeide Aramis, „dat is een absolutie in den volsten zin.”—„Dit papier moet verscheurd worden,” zeide d’Artagnan, die zijn doodvonnis meende te lezen.—„Volstrekt niet,” hernam Athos, „het moet zorgvuldig worden bewaard, en ik zou dat papier niet geven, al wilde men het met goudstukken bedekken.”—„En wat zal zij nu gaan doen?” vroeg de jongeling.—„Wel,”zeide Athos losweg, „zij zal waarschijnlijk den kardinaal schrijven, dat een vervloekte musketier, Athos genaamd, haar gewelddadig de volmacht heeft ontweldigd; zij zal bij die gelegenheid hem tevens aanraden, zich zoowel van dezen als van diens twee vrienden, Porthos en Aramis, te ontdoen. De kardinaal zal zich dan herinneren, dat het altijd mannen zijn, welke hij op zijn weg ontmoet; en op zekeren schoonen morgen zal hij d’Artagnan in hechtenis laten nemen, en opdat deze zich niet geheel alleen vervele, zal hij ons hem in de Bastille doen gezelschap houden.”—„Wel zoo! maar het schijnt mij, dat uw scherts niet om te lachen is, mijn waarde!” zeide Porthos.—„Ik scherts niet,” zeide Athos.—„Weet gij wel,” hernam Porthos, „dat het minder kwaad zou zijn die vervloekte milady den hals om te draaien, dan die arme duivels van Hugenooten, die nooit een andere misdaad hebben bedreven dan in het Fransch de Psalmen te zingen, die wij in het Latijn zingen.”—„Wat zegt hiervan de abt?” vroeg Athos bedaard.—„Ik zeg, dat ik met Porthos van dezelfde denkwijze ben,” antwoordde Aramis.—„En ik!” riep d’Artagnan.—„Gelukkig dat zij veraf is, want ik beken, dat zij mij hier vreeselijk zou hinderen,” hernam Porthos.—„Zij hindert mij inEngelandevenveel als inFrankrijk,” zeide Athos.—„Zij hindert mij overal,” zeide d’Artagnan.—„Maar dewijl gij haar in uw macht hadt,” zeide Porthos, „waarom hebt gij haar dan niet verzopen, verworgd, gehangen? Alleen de dooden komen niet terug.”—„Meent gij dat, Porthos?” antwoordde de musketier met een somberen glimlach, dien d’Artagnan alleen begreep.—„Ik bedenk iets,” zeide d’Artagnan.—„Laat hooren!” riepen de musketiers.

„Te wapen!” riep Grimaud. De jongelieden stonden haastig op en grepen hun geweren. Nu naderde een kleine krijgsbende van twintig of vijf en twintig man; doch het waren nu geen schansgravers, maar soldaten van het garnizoen.

„Willen wij naar het kamp terugkeeren?” zeide Porthos,„ik geloof, dat de partij niet gelijk staat.”—„Onmogelijk! om drie redenen,” antwoordde Athos. „Vooreerst hebben wij nog niet gedaan met ontbijten, ten tweede hebben wij elkander nog veel belangrijks te zeggen, ten derde moeten er nog tien minuten verloopen, alvorens het uur voorbij is.”—„Welaan!” zeide Aramis, „maar wij dienen van te voren een verdedigingsplan te maken.”—„Dat is zeer eenvoudig,” zeide Athos. „Zoodra de vijand onder het bereik van ons schot zal zijn gekomen, geven wij vuur; wanneer hij blijft voortgaan, geven wij nogmaals vuur, en dat zoo lang als er nog geladen geweren overblijven; indien dan, hetgeen van den troep overblijft, mocht willen stormloopen, laten wij de belegeraars tot in de gracht dalen, en dan begraven wij hen onder een brok van dien muur, die slechts door een wonder van evenwicht is staande gebleven.”—„Bravo!” riep Porthos, „waarachtig, Athos! gij zijt tot generaal geboren, en de kardinaal, die zich een groot veldheer waant, is niets bij u vergeleken.”—„Mijne heeren!” zeide Athos, „mikt op twee voorwerpen tegelijk, dat verzoek ik u, dat elk schot slechts voor één man zij.”—„Ik heb den mijnen al,” zeide d’Artagnan.—„En ik den mijnen.”—„En ik idem,” zeide Aramis.—„Vuur!” riep Athos.

De vier geweerschoten vormden slechts één losbranding en vier mannen vielen. Dadelijk hierop werd de trom geroerd en de kleine bende naderde in den stormpas. Toen volgden de geweerschoten elkander onregelmatig op, maar steeds troffen die der vrienden met juistheid het doel; intusschen bleef de vijand, alsof hij het zwakke getal der vrienden gekend had, stormloopend naderen. Drie andere geweerschoten troffen weder twee mannen, de nadering der ongekwetsten werd daarom niet langzamer.

Aan den voet van het bolwerk gekomen, was de vijand nog twaalf of vijftien in getal, een laatste losbranding begroette hen, maar hield hen niet staande; zij sprongen in de gracht en beproefden de bres te beklimmen.

„Welaan, vrienden!” zeide Athos, „maken wij er een einde aan. Naar den muur!”—En de vier vrienden, door Grimaud bijgestaan, begonnen met de loopen hunner geweren tegen een ontzaglijk grooten brok van den muur te duwen, die zich boog, alsof hij door den wind bewogen werd, en van deszelfs voetstuk losrakende met een vreeselijk geraas in de gracht viel; daarop hoorde men een hard geschreeuw, een stofwolk rees ten hemel en alles was gedaan.

„Zouden wij hen van den eersten tot den laatsten verplet hebben?” vroeg Athos.—„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan, „het schijnt wel zoo.”—„Neen,” zeide Porthos, „zie, daar vluchten er twee of drie, geheel verminkt.”—En waarlijk, een viertal dier rampzaligen, met bloed en slijk bedekt, vloden langs den hollen weg stadwaarts; dat was alles, wat van de kleine bende overbleef.

Athos zag op zijn horloge.—„Mijne heeren!” zeide hij, „het is nu een uur, dat wij hier zijn, en de weddenschap is gewonnen; maar wij moeten toonen wat spelers wij zijn, en daarenboven heeft d’Artagnan ons nog zijn denkbeeld mede te deelen.”—En met zijn gewone koelbloedigheid zette zich de musketier voor het overschot van het ontbijt neder.

„Gij wilt mijn plan kennen?” zeide d’Artagnan tot zijn drie vrienden, toen, na de schermutseling, welke voor die kleine bende een zoo rampzalig einde had genomen, zij aan het ontbijt hun plaatsen hadden hernomen.—„Ja,” hernam Athos, „gij zeidet een denkbeeld te hebben.”—„O ja, ik herinner mij,” zeide d’Artagnan, „welnu, ik ga voor de tweede maal naarEngeland, bezoek den hertog van Buckingham en waarschuw hem voor den aanslag tegen zijn leven.”—„Gij zult dat niet doen, d’Artagnan!” zeide Athos koel.—„En waarom niet, heb ik het niet reeds gedaan?”—„Ja, maar destijds waren wij niet in oorlog, de hertog van Buckingham was toen een bondgenoot en geen vijand, wat gij wilt doen, zou als verraad worden beschouwd.”

D’Artagnan gevoelde de gegrondheid dier redeneering en zweeg.—„Maar,” zeide Porthos, „ik geloof, dat ik ook een denkbeeld heb.”—„Stilte voor het denkbeeld van den heer Porthos!” riep Aramis.—„Ik vraag verlof aan den heer de Tréville, onder een of ander voorwendsel, dat gij wel zult vinden; ik ben in het vinden van voorwendsels niet zeer handig. Milady kent mij niet, ik nader haar, zonder dat zij voor mij de minste vrees koestert, en wanneer ik haar onder mijn bereik heb, draai ik haar den hals om.”—„Wel,” zeide Athos, die voor den jongen musketier zeer veel onderscheiding koesterde. „Men moet de koningin verwittigen.”—„Inderdaad, dat is waar ook!” riepen eenparig Porthos en d’Artagnan; „ik geloof, dat wij bijna het middel raken. De koningin verwittigen, en op wat wijze? Staan wij in de minste aanraking met het hof? Kunnen wij iemand naarParijszenden, zonder dat het in het legerkamp bekend wordt? Van hier naar Parijs is een afstand van honderd veertig mijlen; en voor onze brief teAngerszou wezen, zouden wij reeds in de gevangenis zijn.”—„Wat betreft aan Hare Majesteit met zekerheid een brief te doen geworden,” zeide Aramis blozende, „hiermede zal ik mij belasten; ik ken teTourseen zeer behendig persoon.”

Aramis zweeg, Athos ziende glimlachen.—„Wel, vindt gij dat middel niet doelmatig, Athos?” vroeg d’Artagnan.—„Ik verwerp het niet geheel,” zeide Athos, „maar ik wilde alleen aan Aramis doen opmerken, dat hij het legerkamp niet kan verlaten, en elk ander dan wij niet zeker is, dat twee uren, nadat onze bode zal zijn vertrokken, al de Kapucijners, al de gerechtsdienaars, al de zwartmutsen van den kardinaal uw brief van buiten zullen kennen, en men u en uw behendigen vriend in hechtenis zal nemen.”—„Zonder daarbij te rekenen,” zeide Porthos, „dat de koningin wel den hertog van Buckingham, maar volstrekt ons niet zal redden.”—„Mijne heeren,” zeide d’Artagnan, „de tegenwerping van Porthos is zeer juist.”

„Maar luistert eens: wat gebeurt er in de stad?” riep Athos.—„Men slaat alarm.”—De vier vrienden luisterden, en het tromgeroffel bereikte werkelijk hun oor.—„Gij wilt toch niet een geheel regiment weerstand bieden?” vroeg Porthos.—„Waarom niet?” antwoordde Athos; „ik ben aan den gang, en ik zou mij tegen een geheel leger verzetten, indien wij slechts de voorzorg hadden genomen een dozijn flesschen meer mede te nemen.”—„Op mijn woord, de trom nadert,” zeide d’Artagnan.—„Laat ze naderen,” zeide Athos, „een kwartier zijn wij hier van de stad verwijderd, en bijgevolg ligt de stad een kwartier van hier; wij hebben dus genoegzaam tijd om ons plan te beramen; eenmaal van hier vertrokken, zullen wij nooit gunstiger plek vinden. En zie, daar komt juist het rechte denkbeeld in mij op.”—„Spreek dan.”—„Veroorloof mij eerst eenige onvermijdelijke bevelen aan Grimaud te geven.”

Athos wenkte zijn knecht te naderen.—„Grimaud!” zeide hij, op de dooden wijzende, die in het bolwerk lagen, „gij zult die heeren opnemen en tegen den muur zetten, met de hoeden op het hoofd en het geweer in de hand.”—„O, groote man!” riep d’Artagnan, „nu begrijp ik u!”—„Gij begrijpt?” vroeg Porthos.—„En gij, Grimaud! hebt gij mij verstaan?” vroeg Athos.—Grimaud knikte van ja.—„Dan is het wel,” zeide Athos. „Keeren wij tot mijn denkbeeld terug.”—„Ik wilde toch wel eerst begrijpen,” zeide Porthos.—„Dat is niet noodig.”—„Neen, eerst het denkbeeld van Athos!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en Aramis.—„Die milady, die vrouw, dat schepsel, die duivelin heeft, zooals gij mij hebt gezegd, d’Artagnan! een schoonbroeder, niet waar?”—„Ja, dezen ken ik zeer goed, en ik geloof zelfs, dat hij zijn schoonzuster ook niet zeer genegen is.”—„Dat kan geen kwaad,” zeide Athos, „en al verfoeide hij haar, dat zou er niet te slechter om zijn.”—„In dat geval zijn wij naar wensch bediend.”—„Maar,” hernam Porthos, „ik wilde toch wel eens weten, wat Grimaud uitvoert.”—„Stil, Porthos,” zeide Aramis.—„Hoe heet die schoonbroeder?”—„Lordde Winter.”—„Waar is hij thans?”—„Op het eerste oorlogsgerucht is hij naarLondenteruggekeerd.”—„Welnu,” zeide Athos, „dat is juist de man, die ons lijkt. Hij is het, dien wij moeten waarschuwen. Wij laten hem weten, dat zijn schoonzuster op het punt is iemand te vermoorden, en wij verzoeken hem haar niet uit het oog te verliezen. Er zal teLondenwel een inrichting zijn, zooals die derMadelonnettesen derboetvaardige zusters,12) daarin laat hij zijn schoonzuster plakken en wij zijn gerust.”—„Ja, zoo lang tot zij er weer uitkomt,” zeide d’Artagnan.—„Op mijn woord,” hernam Athos, „gij vergt te veel van mij, d’Artagnan! ik heb u gegeven, wat ik had, en ik verzeker u, dat het alles is, wat mij overblijft.”—„Het komt mij voor, dat zulks het beste is,” zeide Aramis. „Wij zullen tegelijkertijd de koningin en lord de Winter verwittigen.”—„Ja, maar door wien zullen wij den brief naarToursen naarLondendoen bezorgen?”—„Ik ben voor Bazijn verantwoordelijk,” zeide Aramis.—„En ik voor Planchet,” zeide d’Artagnan.—„Inderdaad,” zeide Porthos, „indien wij het legerkamp niet mogen verlaten, kunnen het onze knechts.”—„Zeker,” zeide Aramis, „en nog heden schrijven wij de brieven en geven hun reisgeld.”—„Hebt gij dan geld?” hernam Athos.

12) Twee kloosters, waarin de politie vrouwen van slecht gedrag opsluit, en waarin toen ter tijd ook wel eens verdachte of politieke misdadigers werden gevoerd.

De vier vrienden zagen elkander aan, een wolk verdreef den glans, die een oogenblik te voren op hun aangezicht blonk.—„Opgepast!” riep d’Artagnan, „ik zie in de verte roode en zwarte stippen, die zich bewegen. Wat zeidet gij toch van een regiment, Athos? het is een leger!”—„Het is op mijn eer waar!” hernam Athos, „daar zijn ze. Ziet eens, die veinzaards! zij naderen met stille trom en trompet. Ha! ha! zijt gij gereed, Grimaud?”

Grimaud knikte van ja en toonde een twaalftal lijken, die hij in de bevalligste houdingen tegen den muur had geplaatst, eenige met het geweer op denschouder, hun geweer aanleggende en wederom andere met den degen in de hand.

„Bravo!” zeide Athos, „dat doet uw vindingrijkheid eer aan.”—„Wat er van zij, ik wenschte toch wel te begrijpen.”—„Vertrekken wij eerst, daarna zult gij begrijpen.”—„Een oogenblikje, mijne heeren, een oogenblikje; geven wij Grimaud den tijd om de tafel af te nemen.”—„Ha! de roode stippen beginnen goed zichtbaar te worden,” zeide Aramis, „en ik vereenig mij met den raad van d’Artagnan, ik geloof, dat er ons maar weinig tijd meer overblijft, om het legerkamp te bereiken.”—„Welnu!” zeide Athos, „ik ben er volstrekt niet tegen, dat wij heengaan, wij hebben gewed een uur hier te zullen blijven, en het is nu reeds anderhalf uur, er valt dus niets op aan te merken; vertrekken wij dus, heeren! vertrekken wij.”

Grimaud had zich reeds met de mand en het overige tafelgoed vooruitgespoed. De vier vrienden vertrokken achter hem en deden een tiental schreden.

„Wel!” riep Athos, „duivelsch! wat gaan wij doen, heeren?”—„Hebt gij iets vergeten?” vroeg Aramis.—„En de vlag,morbleu!men mag geen vlag in de macht des vijands laten, al is die vlag slechts een servet.”—En Athos snelde in het bolwerk terug, klom op den wal en nam de vlag; intusschen waren de aanvallers tot op een geweerschot het bolwerk genaderd en gaven een geweldig vuur op dien man, die als uit vermaak er zich aan ging blootstellen. Maar het was, alsof Athos kogelvrij was; de kogels snorden fluitend rondom hem; doch niet één enkele raakte hem.

Athos zwaaide met zijn vlag, den lieden der stad den rug keerende, en die van het legerkamp begroetende. Van weerszijden verhief zich een luid geschreeuw; van den eenen kant een kreet van woede, van den anderen kant een kreet van verwondering.—Een tweede losbranding volgde op de eerste, en drie kogels, die het servet doorboorden, maakten er een wezenlijke vlag van.

Men hoorde door het gansche legerkamp den kreetvan: „Klim af! klim af!” aanheffen.—Athos klom af, en zijn vrienden, die hem met angst wachtten, zagen hem met vreugd verschijnen.

„Kom, Athos! kom,” zeide d’Artagnan, „maken wij van onze beenen gebruik, spoeden wij ons; thans, nu wij alles, behalve geld hebben gevonden, zou het dom zijn ons te laten doodschieten.”

Maar Athos bleef majestueus voortwandelen, en zijn vrienden, ziende dat alle aanmaningen vruchteloos waren, regelden hun schreden naar de zijne. Grimaud en zijn mand waren vooruit en beiden schotvrij. Na een kort oogenblik hoorde men geweerschoten.

„Wat is dat?” vroeg Porthos, „en waarop schieten zij? Ik hoor de kogels niet fluiten, en ik zie niemand.”—„Zij schieten op de gesneuvelden,” zeide Athos.—„Maar onze dooden zullen niet antwoorden?”—„Neen, en daarom zullen zij een hinderlaag vermoeden en met elkander raadplegen; zij zullen een parlementair zenden, en wanneer zij de grap zullen hebben bemerkt, zijn wij buiten bereik. Ziedaar, waarom het onnoodig is, ons een pleuris op den hals te halen door overhaasting.”—„Ha, nu begrijp ik,” zeide Porthos vol bewondering.—„Dat is wel gelukkig,” hernam Athos, de schouders ophalende.

Toen de Franschen nu de vier vrienden bedaard zagen aankomen, hieven zij een luid vreugdegejuich aan.—Eindelijk werd er een nieuw geweervuur gehoord, en de kogels pletten zich tegen de keisteenen van den weg, rondom de vier vrienden, en floten akelig langs hun ooren. De belegerden hadden zich eindelijk van het bolwerk meester gemaakt.

„Dat zijn toch zeer onhandige lieden,” zeide Athos. „Hoeveel hebben wij er doen sneuvelen?”—„Twaalf tot vijftien.”—„Hoeveel hebben wij er verplet?”—„Acht of tien.”—„En daarentegen geen schram. Maar ja, wat deert u toch aan de hand, d’Artagnan? zij bloedt, geloof ik?”—„Het is niets,” antwoordde d’Artagnan.—„Een schampschot?”—„Niet eens.”—„Wat dan?”—Wij hebben gezegd, dat Athos d’Artagnanals zijn zoon beminde, en hoewel somber en onwrikbaar van aard, was hij vaak voor den jongeling goed als een vader.—„Een schram,” hernam d’Artagnan: „mijn vingers zijn tusschen twee steenen beklemd geraakt, tusschen dien van den muur en dien van mijn ring, zoodat het vel opengescheurd is.”—„Ziedaar de gevolgen van diamanten te dragen,” zeide Athos verachtelijk.—„Maar het is waar ook!” riep Porthos, „er is inderdaad een diamant; en wat duivel! klagen wij dan geen geld te hebben, wijl er een diamant is.”—„Wel, inderdaad,” zeide Aramis, „gij oppert daar waarlijk een goed denkbeeld, Porthos!”—„Zeker,” hernam Porthos, trotsch op het kompliment van Aramis, „dewijl er een diamant is, verkoopen wij hem.”—„Maar,” zeide d’Artagnan, „die diamant komt van de koningin!”—„Een reden te meer,” hernam Athos. „Niets billijker, dan dat de koningin den hertog van Buckingham, haar minnaar, redt, niets redelijker, dan dat de koningin ons, haar vrienden, redt. Verkoopen wij den diamant. Wat denkt mijnheer de abt er van? Ik vraag niet naar de denkwijze van Porthos, hij heeft ze medegedeeld.”—„Wel, ik denk,” zeide Aramis, „dat, wijl zijn ring niet van een minnares afkomstig en bijgevolg geen liefdepand is, d’Artagnan hem mag verkoopen.”—„Mijn waarde! gij spreekt als de levende Theologie.... Dus gij besluit?”—„Den diamant te verkoopen,” antwoordde Aramis.—„Welnu, verkoopen wij den diamant, en laat ons er niet meer over spreken.”

Het geweervuur bleef aanhouden, maar de vrienden waren buiten schot, en de lieden vanla Rochelleschoten alleen ter voldoening van hun geweten.

„Op mijn woord,” hernam Athos, „het was tijd, dat Porthos dat denkbeeld kreeg, wij zijn het kamp genaderd.... Dus, heeren! geen enkel woord meer over die zaak. Men slaat ons gade, men komt ons tegemoet, en wij zullen in zegepraal worden rondgevoerd.”

En waarlijk, zooals wij zeiden, het geheele kamp was in opschudding. Meer dan twee duizend personen hadden, als bij een tooneelvoorstelling, het goed afgeloopenwaagstuk der vier vrienden bewonderd, een snoeverij, van welke men verre was het eigenlijke oogmerk te vermoeden. Men hoorde niets anders dan het geroep van: „Leven de gardes! leven de musketiers!”

De heer de Busigny was het eerst genaderd, om Athos de hand te drukken en te erkennen, dat hij de weddenschap had verloren. De dragonder en de Zwitser hadden zijn voorbeeld gevolgd en de overige krijgsmakkers dat van deze. Het was een oneindige reeks van gelukwenschingen, handdrukken en omhelzingen, een onuitputtelijk gelach, ten koste van de lieden vanla Rochelle, kortom, een zoo geweldig leven, dat de kardinaal in de meening verkeerde, dat er een oproer plaats had, zoodat hij la Houdinière, kapitein zijner gardes, zond, ten einde te vernemen, wat er gaande was. De zaak werd den afgezondene met de meeste geestvervoering verhaald.

„Wel?” vroeg de kardinaal, la Houdinière ziende.—„Wel, Uwe Eminentie! het zijn drie musketiers en een garde, die met den heer de Busigny een weddenschap hadden aangegaan om in het bolwerkSaint Gervaiste gaan ontbijten, en die gedurende hun ontbijt twee uren lang de vijanden uitla Rochelletegengehouden en ik weet niet hoeveel hunner gedood hebben.”—„Hebt gij naar de namen der drie musketiers onderzoek gedaan?”—„Ja, Uwe Eminentie!”—„Wie zijn zij?”—„De heeren Athos, Porthos en Aramis.”—„Altijd mijn drie dapperen,” mompelde de kardinaal. „En de garde?”—„De heer d’Artagnan.”—„Altijd mijn jonge knaap! Het is besloten; die vier mannen moeten mij behooren.”

Dienzelfden avond sprak de kardinaal den heer de Tréville over de heldendaad van dien ochtend, welke het onderwerp van al de gesprekken in het legerkamp was; de heer de Tréville, die het verhaal van dat avontuur uit den mond der uitvoerders zelf had gehoord, deelde het in al zijn bijzonderheden den kardinaal mede, zonder de episode van het servet te vergeten.

„Het is wel, mijnheer de Tréville!” zeide de kardinaal,„bezorg mij dat servet, als het u belieft, ik zal er drie gouden leliën in doen borduren en het als standaard aan uw kompagnie geven.”—„Uwe Eminentie!” zeide de heer de Tréville, „men zou onbillijk jegens de garde zijn. De heer d’Artagnan behoort niet mij, maar den heer des Essarts.”—„Welnu, neem hem!” zeide de kardinaal; „dewijl de vier dappere krijgslieden elkander zoo liefhebben, is het billijk, dat hij in dezelfde kompagnie wordt ingelijfd.”

Dienzelfden avond berichtte de heer de Tréville dat goede nieuws aan de drie musketiers en aan d’Artagnan, hen alle vier voor den volgenden ochtend aan het ontbijt noodigende.

D’Artagnan was zich van blijdschap geen meester meer. Immers men weet, dat de droom zijns levens was eenmaal musketier te worden. De drie vrienden waren ook zeer verblijd.

„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan tot Athos, „gij hebt daar een zeer gelukkigen inval gehad, en zooals ge zeidet, hebben wij roem behaald en een allerbelangrijkst gesprek kunnen houden.”—„Dat wij thans kunnen hervatten, zonder dat iemand eenig kwaad vermoeden op ons zal hebben, want met Gods hulp zullen wij voortaan voor kardinalisten worden gehouden.”

Dienzelfden avond ging d’Artagnan den heer des Essarts begroeten en hem zijn bevordering mededeelen. De heer des Essarts, die d’Artagnan zeer genegen was, bood hem zijn goede diensten aan, ter tegemoetkoming in de onkosten, welke die verandering van korps na zich sleepte. D’Artagnan weigerde, maar de gelegenheid gunstig vindende, verzocht hij hem de waarde van den diamant te bepalen, dien hij hem ter hand stelde, en welken hij te gelde wilde maken. Den volgenden morgen te acht uur trad de knecht van den heer des Essarts bij d’Artagnan binnen en stelde hem een zak met zeven duizend franken ter hand. Dat was de som, die de diamant der koningin had opgebracht.

Familiezaken.

Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van Buckingham eenfamiliezaakte maken. Immers, een familiezaak zou niet aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden: den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den diamant gevonden.

Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde, had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.

Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.

D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat men aan dien knappen persoon vanTourszou schrijven. En wie de lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheidvan Grimaud, die dan alleen sprak, wanneer zijn meester hem den mond opende; Porthos roemde de kracht van Mousqueton, die tegen vier mannen, van gewone grootte, was opgewassen; Aramis, in de slimheid van Bazijn volkomen vertrouwen stellende, weidde uit in loftuitingen op zijn kandidaat; d’Artagnan ten slotte wees op den moed van Planchet en herinnerde aan de wijze, op welke hij zich in de zoo moeilijke zaak vanBoulognehad gedragen. Die vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen mededeelen.

„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”—„Maar waar een dergelijken dienaar te vinden?”—„Die is niet te vinden,” zeide Athos, „dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”—„Neem Mousqueton.”—„Neem Bazijn.”—„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”—„Mijne heeren!” zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van geld houdt.”—„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een groot zedenmeester!”—„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet het hoofd van den lakei....”—„Spreek zachter, Aramis!” zeide Athos.—„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”—„Wel,” zeide d’Artagnan, „ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”—„Welnu, mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede som, die hemeenig genot kan geven, en dan, in plaats van eenmaal voor hem verantwoordelijk te zijn, wees het dan twee malen.”

„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos, dieOptimistwas wanneer het zaken, enPessimistwanneer het menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn kinderen! Om naarEngelandte gaan (Athos begon zachter te spreken) moet men geheelFrankrijkdoor, dat wemelt van spionnen en aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om inLondenden weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer moeilijk.”—„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf,parbleu!dat wanneer men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal schrijft....”—„Spreek toch zachter,” zeide Athos.—„Intrigues en staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil, vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij inEngelandaankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal hem een brief in dien zin schrijven.”—„Laat hooren,” zeide Aramis, reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.

„Mijnheer en waarde vriend!....”

„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”—„Welnu, dan zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”—„Gij kunt wel mylord zeggen,” hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.—„Mylord! herinnert gij u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij hetLuxembourg?”—„Nog fraaier! Nu hetLuxembourg! men zal gelooven, dat menop de koningin-moeder zinspeelt! zeer slim inderdaad!” zeide Athos.—„Welnu, dan zullen we eenvoudig zetten: Mylord! herinnert gij u nog wel zekere omheinde weide, waar men u het leven redde?”—„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide Athos, „gij zult nooit anders dan een slecht briefsteller zijn. Waar men u het leven redde! wel foei! dat is onwaardig! men herinnert dergelijke zaken niet aan een edelman. Een herinnerde weldaad wordt een beleediging.”—„Ach, mijn waarde!” zeide d’Artagnan, „gij zijt onverdragelijk; en indien men onder uw toezicht moet schrijven, dan zie ik er van af.”—„En gij doet wel. Ga met het musket en den degen om, mijn vriend! gij bedient u van beide wapens voortreffelijk; maar geven wij de pen aan Aramis, ze behoort hem.”—„Wel ja,” zeide Porthos, „geef Aramis de pen in de hand; immers hij schrijft zijn thesis in het Latijn.”—„Goed, het zij zoo,” zeide d’Artagnan, „stel ons dien brief op, Aramis! Maar bij onzen Heiligen Vader den Paus, pas op! want op mijn beurt zal ik u mijn aanmerkingen niet onthouden, dat verzeker ik u.”—„Ik begeer niets anders,” zeide Aramis, met dat onnoozel vertrouwen, hetwelk ieder poëet in zich zelven stelt; „maar men moet mij met de zaken bekend maken. Ik heb wel hier en daar gehoord, dat die schoonzuster een zeer slechte vrouw is, en er zelfs het bewijs van gekregen, toen ik naar haar gesprek met den kardinaal luisterde.”—„Spreek toch zoo luid niet,sacrebleu!” hernam Athos.—„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij ontgaan.”—„En mij ook,” zeide Porthos.

D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij mocht spreken.

„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder nietgehuwd zijn, daar zij reeds inFrankrijk....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te zoeken, terwijl hij Athos aanzag.—„Door haar man was weggejaagd,” zeide Athos.—„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.—„Och!” riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen vermoorden?”—„Ja.”—„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.—„Ja.”—„En heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep Porthos.—„Ja.”—Driemaal had Athosjagezegd, met een trapsgewijze verdooving zijner stem.—„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg Aramis.—„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.—„En leeft dat afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.—„Het leeft nog.”—„Zijt gij er zeker van?”—„Ik ben er zeker van.”

Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder, volgens zijn aard, den indruk voelde.

„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij vooreerst moeten schrijven.”—„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!” hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”

Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware overwogen, het volgende:


Back to IndexNext