Milady!„Begeef u naar het eerste bal, waarop zich de hertog van Buckingham zal bevinden. Hij zal aan zijn gewaad twaalf diamanten haken hebben; tracht hem te naderen en snijd er twee af. Zoodra deze diamanten in uw bezit zullen zijn, meld mij dan zulks.”
Milady!
„Begeef u naar het eerste bal, waarop zich de hertog van Buckingham zal bevinden. Hij zal aan zijn gewaad twaalf diamanten haken hebben; tracht hem te naderen en snijd er twee af. Zoodra deze diamanten in uw bezit zullen zijn, meld mij dan zulks.”
Tabbaard en degen.
Den dag na dien, op welken het verhaalde was voorgevallen en Athos nog niet was teruggekeerd, werd den heer de Tréville door d’Artagnan en Porthos van zijn verdwijning kennis gegeven. Wat Aramis betreft, deze had een verlof van vijf dagen verzocht en bevond zich teRouaan, zooals men zeide wegens familiezaken.
De heer de Tréville was de vader zijner soldaten. De geringste, de minst bekende van hen was, eenmaal in het gewaad der kompagnie gehuld, even zeker van zijn hulp en zijn ondersteuning, als zijn broeder zelf zou hebben kunnen zijn. Hij begaf zich dus oogenblikkelijk naar den luitenant-geweldiger.
Men liet den officier komen, die den post van het Roode Kruis kommandeerde en de verkregen inlichtingen bevestigden, dat Athos voor het oogenblik in het fortl’Evêquegevangen zat. Athos had alles doorstaan, hetgeen wij Bonacieux hebben zien ondergaan. Wij hebben het tooneel van het in tegenwoordigheid stellen van beide gevangenen bijgewoond. Athos, die tot hiertoe niets had gezegd, uit vrees dat d’Artagnan, op zijn beurt verontrust wordende, de noodige tijd zou ontbreken, verklaarde van af dat oogenblik, dat hij Athos heette en niet d’Artagnan. Hij voegde er bij, dat hij noch den heer, noch mejuffrouw Bonacieux kende en nooit een van beiden gesproken had; dat hij tegen tien uur des avonds naar den heer d’Artagnan, zijn vriend, was gegaan, om hem een bezoek te brengen en dat hij tot dat uur ten huize van den heer de Tréville was geweest, zijnde daar ten middagmaal genoodigd; twintig getuigen, voegde hij er bij, konden dit bevestigen; en hij noemde verschillende voorname edellieden, onder anderen den hertog de la Trémouille.
De tweede commissaris was in even groote verlegenheid als de eerste tengevolge der eenvoudige en standvastige verklaring van den musketier, op wien hij welhet overwicht had willen doen gelden, dat de tabbaard zoo gaarne op den degen behield, maar de naam van den heer de Tréville en die van den hertog de Trémouille verdienden in aanmerking genomen te worden. Athos werd naar den kardinaal gebracht, doch ongelukkigerwijze was de kardinaal in het Louvre bij den koning. Dit was juist het oogenblik, waarop de heer de Tréville, den luitenant-geweldiger en den gouverneur van het fortl’Evêqueverlatende, zonder Athos gevonden te hebben, bij Zijne Majesteit binnentrad.
Als kapitein der musketiers was het den heer de Tréville geoorloofd zich altijd voor den koning te vertoonen. Men kent de vooringenomenheid des konings tegen de koningin, een vooringenomenheid die behendig door den kardinaal werd gevoed, daar deze, in zaken van intrigues, oneindig meer de vrouwen dan de mannen vreesde. Een der voornaamste oorzaken dezer vooringenomenheid was de vriendschap van Anna van Oostenrijk voor mevrouw de Chevreuse. Die twee vrouwen verwekten hem meer ongerustheid, dan de oorlog met Spanje, de twist met Engeland en de geldelijke verlegenheid, waarin men zich toen bevond. In zich zelven was hij overtuigd, dat mevrouw de Chevreuse niet alleen der koningin in haar politieke intrigues de behulpzame hand bood, maar, hetgeen hem nog meer hinderde, ook in haar verliefde intrigue.
Op de eerste woorden van den kardinaal, die hij den koning toesprak en door welke hij hem berichtte, dat mevrouw de Chevreuse, die men meende dat teTours, de plaats harer ballingschap, zich ophield, naarParijswas gekomen en gedurende de vijf dagen van haar verblijf aldaar de politie het spoor bijster had weten te maken, geraakte de koning in hevigen toorn. Grillig en ontrouw, wilde de koning echter Lodewijk de Rechtvaardige en Lodewijk de Kuische worden genoemd. Het nageslacht zal moeilijk zich een denkbeeld van dat karakter kunnen vormen, hetwelk de geschiedenis alleen door daden, maar nooit door redeneeringen zalkunnen verklaren. Maar toen de kardinaal er bijvoegde, dat niet alleen mevrouw de Chevreuse teParijswas gekomen, maar dat ook de koningin opnieuw in verstandhouding met haar was geraakt door middel van een dier geheimzinnige briefwisselingen, welke men in die tijden eenkabaalnoemde; toen de kardinaal bevestigde dat, op het oogenblik van de fijnste draden van het weefsel te ontwarren en, voorzien van al de bewijzen, den zendeling der koningin bij de bannelinge op heeter daad te betrappen, een musketier gewelddadig den loop der justitie had gestuit, door met ontblooten degen eenige brave gerechtslieden aan te vallen, die belast waren met onpartijdigheid de geheele zaak te onderzoeken, ten einde ze aan Zijne Majesteit, Lodewijk XIII, voor te leggen, naderde deze een schrede het vertrek der koningin met die bleeke en stomme verontwaardiging, die, wanneer zij uitbarstte, den jongen vorst tot de verregaandste wreedaardigheid bracht. Echter, bij dit alles had de kardinaal niet eens den naam van den hertog van Buckingham genoemd.
Het was op dat oogenblik, dat de heer de Tréville binnentrad, koel, beleefd en in een onberispelijke kleederdracht. Door de tegenwoordigheid des kardinaals en door de ontstelde gelaatstrekken des konings verwittigd van hetgeen er had plaats gehad, gevoelde zich de heer de Tréville sterk als Simson tegenover de Philistijnen. Lodewijk XIII had reeds de hand op den knop der deur gelegd. Op het gerucht, door de komst des heeren de Tréville veroorzaakt, wendde hij het hoofd om.
„Gij komt juist te goeder ure, mijnheer!” riep de koning, die, wanneer zijn drift tot zekere hoogte was gestegen, niet kon veinzen, „ik hoor daar fraaie zaken van uw musketiers.”—„En ik,” zeide de heer de Tréville koel, „heb er Uwe Majesteit fraaie te verhalen van uw gerechtslieden.”—„Wat belieft?” vroeg de koning op hoogen toon.—„Ik heb de eer Uwer Majesteit ter kennis te brengen,” ging de Tréville op denzelfden toon voort, „dat een zwerm van procureurs,commissarissen en politiedienaars, overigens allen zeer achtenswaardige lieden, maar die, naar het schijnt, het krijgsgewaad zeer vijandig zijn, zich veroorloofd hebben een mijner musketiers, of liever een der uwe, Sire! in zeker huis, op straat te brengen en naar het fortl’Evêquete voeren en dat alles op een bevelschrift, hetwelk men mij heeft geweigerd te vertoonen, een man van een onberispelijk gedrag en van een bijna beroemd geslacht, die aan Uwe Majesteit bovendien gunstig bekend is: den heer Athos.”—„Athos!” zeide de koning werktuigelijk, „inderdaad, ik ken dien naam.”—„Dat Uwe Majesteit zich herinnere,” hernam de heer de Tréville, „de heer Athos is de musketier, die in dat noodlottig tweegevecht, hetwelk u bekend is, het ongeluk heeft gehad, den heer de Cahussac een zoo gevaarlijke wonde toe te brengen. A propos!” ging de heer de Tréville voort, zich tot den kardinaal wendende, „de heer de Cahussac is geheel hersteld, niet waar?”—„Ik dank u,” zeide de kardinaal, van toorn op zijn lippen bijtende.—„De heer Athos was een zijner vrienden gaan bezoeken,” hernam de heer de Tréville, „een jongen Bearneeschen kadet bij de gardes Uwer Majesteit, in de kompagnie van mijnheer des Essarts, doch de kadet was op dat oogenblik afwezig; nauwelijks had hij zich in de kamer zijns vriends, hem afwachtende, tot lezen neergezet, of een zwerm van gerechtsdienaars en soldaten kwam het huis belegeren en de deuren openstooten.”
De kardinaal gaf den koning een teeken, dat beteekende: „Het betreft de zaak, waarover ik u heb gesproken.”—„Wij weten dit altemaal wel,” hernam de koning; „want zulks heeft op ons bevel plaats gehad.”—„Dan is het ook voor den dienst Uwer Majesteit, dat men een zijner musketiers onschuldig heeft gevangen genomen, als een misdadiger tusschen twee gerechtsdienaars geplaatst, en te midden eener brutale volksmenigte dien eervollen man heeft vervoerd, die tienmaal zijn bloed in den dienst Uwer Majesteit heeft vergoten en gereed is hetzelve nog te storten!”—„Welzoo!” riep de koning, reeds aan het wankelen gebracht, „heeft zich de zaak aldus toegedragen?”—„De heer de Tréville voegt er niet bij,” hernam de kardinaal met de grootste bedaardheid, „dat die fatsoenlijke man een uur te voren vier commissarissen, door mij ter onderzoek eener zeer gewichtige zaak afgezonden, met blooten degen heeft aangevallen en verjaagd.”—„Ik tart Uwe Excellentie het te bewijzen,” riep de heer de Tréville met zijn Gaskonjische vrijmoedigheid en krijgsmansruwheid, „want een uur te voren bewees mij de heer Athos, die, ik wil het aan Uwe Majesteit toevertrouwen, van zeer hoogen rang is, mij de eer, na bij mij het middagmaal te hebben genoten, zich in gesprek te begeven met den hertog de la Trémouille en den graaf de Châlus, die zich in de zaal van mijn hotel bevonden.”
De koning zag den kardinaal aan.—„Een procesverbaal strekt tot bewijs,” zeide de kardinaal, luide de stomme vraag Zijner Majesteit beantwoordende, „en de beleedigde personen hebben dit opgesteld, wat ik de eer heb Uwer Majesteit aan te bieden.”—„Een procesverbaal van gerechtslieden, is dat wichtiger dan het eerewoord eens krijgsmans?”—„Kom, kom, Tréville, zwijg!” zeide de koning.—„Indien Zijne Eminentie eenig vermoeden heeft op een mijner musketiers,” zeide de Tréville, „wil ik zelf een onderzoek uitlokken en mij aan de geroemde rechtvaardigheid van den kardinaal onderwerpen.”—„In dat huis,” ging de kardinaal even bedaard voort, „waar de justitie zich heeft begeven, woont, geloof ik, een Bearnees, een vriend der musketiers.”—„Uwe Eminentie bedoelt den heer d’Artagnan?”—„Ik bedoel een jongeling, dien gij beschermt, mijnheer de Tréville!”—„Ja, Uwe Eminentie! dezelfde.”—„Vermoedt gij niet, dat die jongeling een slechten raad heeft gegeven?....”—„Aan den heer Athos, aan iemand, die eens zoo oud is als hij?” viel de heer de Tréville hem in de rede; „neen, Uwe Eminentie! Daarenboven, de heer d’Artagnan heeft den avond bij mij doorgebracht. Zou ZijneEminentie aan mijn woord twijfelen?” vroeg de Tréville, terwijl het rood des toorns zijn voorhoofd kleurde.—„Neen, God beware mij!” zeide de kardinaal, „maar ik zou gaarne willen weten, hoe laat hij bij u was.”—„O, wat dat betreft, dat kan ik Uwe Eminentie nauwkeurig opgeven; want op het oogenblik, dat hij binnentrad, wees de pendule half tien, hoewel ik meende dat het later was.”—„En hoe laat heeft hij uw hotel verlaten?”—„Te half elf, juist een uur na het gebeurde.”—„Maar, eindelijk,” hernam de kardinaal, die niet een oogenblik de waarheidsliefde van de Tréville in twijfel trok, doch tevens gevoelde, dat de overwinning hem ontglipte; „maar, in alle geval, Athos is in dat huis der Doodgraversstraat gevonden geworden.”—„Is het een vriend verboden zijn vriend te bezoeken? een musketier mijner kompagnie, met een garde der kompagnie van den heer des Essarts zich te verbroederen?”—„Ja, wanneer het huis, waarin die vriend woont, verdacht is.”
„Dat huis is verdacht, Tréville!” zeide de koning; „misschien wist gij het niet.”—„Inderdaad, Sire! het was mij onbekend. In alle geval, het kan in elk gedeelte van hetzelve verdachte lieden bevatten: maar ik ontken, dat zulks het geval is in dat gedeelte, hetwelk de heer d’Artagnan bewoont, dit kan ik u bevestigen, Sire! want indien ik zijn woorden kan gelooven, bestaat er geen trouwer onderdaan Uwer Majesteit of grooter bewonderaar van den kardinaal.”—„Is het niet die zekere d’Artagnan, die eenigen tijd geleden Jussac een wonde toebracht, bij gelegenheid van een tweegevecht in de nabijheid van het Barrevoeter-Karmelieten klooster?” vroeg de koning, den kardinaal aanziende, die van spijt dacht te barsten. „En den volgenden dag Bernajoux?”—„Ja, Sire! ja, dezelfde. Uwe Majesteit heeft een goed geheugen.”—„Welaan, wat besluiten wij?” vroeg de koning.—„Dat hangt van Uwe Majesteit meer af dan van mij,” zeide de kardinaal; „ik zou de schuld durven bevestigen.”—„En ik ontken ze,” zeide de Tréville. „MaarUwe Majesteit heeft rechters, en die rechters moeten beslissen.”—„Dat is het!” hernam de koning, „geven wij de zaak den rechter in handen, deze behoort te oordeelen en hij zal oordeelen.”
„Intusschen,” ging de Tréville voort, „is het zeer treurig, dat in dezen jammerlijken tijd het reinste leven, de onloochenbaarste deugd niet iemand voor schande en vervolging kan vrijwaren. Ook zal het leger niet zeer tevreden wezen, dit kan ik verzekeren, blootgesteld te zijn aan strenge behandelingen wegens politiezaken.”
Dit was een gewaagd gezegde, maar de Tréville uitte het, van zijn zaak zeker. Hij wilde een uitbarsting uitlokken, omdat er alsdan vuur ontstaat, en het vuur licht geeft.—„Politiezaken!” riep de koning, op de woorden van de Tréville drukkende, „politiezaken! en hoe weet gij dat? Bemoei u met uw musketiers en breek mij het hoofd niet. Het schijnt, naar u te hooren, dat wanneer men een musketier in hechtenis neemt,Frankrijkin gevaar zou zijn. Wat geweld voor één musketier! Ik zal,ventrebleu!tien, honderd, ja, de geheele kompagnie in hechtenis doen nemen, zonder dat men één woord zal spreken!”—„Van af het oogenblik dat Uwe Majesteit hen verdacht houdt,” zeide de Tréville, „zijn de musketiers schuldig; daarom ook, Sire! ben ik bereid u mijn degen over te geven; want, na mijn soldaten beschuldigd te hebben, zal, hieraan twijfel ik niet, de kardinaal er toe overgaan mij zelven te beschuldigen, het is daarom beter dat ik mij gevangen stel met den heer Athos, die reeds in hechtenis is, en den heer d’Artagnan, dien men ongetwijfeld in hechtenis zal nemen.”—„Koppige Gaskonjer! wilt gij zwijgen!” riep de koning.—„Sire!” hernam de Tréville, zonder in het minst zich aan dat bevel te storen, „beveel dat men mijn musketier in vrijheid, of dat men hem terechtstelle.”—„Men zal hem terechtstellen,” zeide de kardinaal.—„Welnu, des te beter! want in dat geval zal ik aan Zijne Majesteit het verlof verzoeken om voor hem te pleiten.”
De koning vreesde voor ruchtbaarheid.—„Indien Zijne Eminentie,” zeide hij, „geen persoonlijke redenen had....”—De kardinaal begreep des konings meening en voorkwam hem: „Vergeef mij,” zeide hij, „van het oogenblik dat Uwe Majesteit een partijdigen rechter vermoedt, verwijder ik mij.”—„Laat hooren,” hernam de koning, „zweert gij mij bij mijn vader, dat de heer Athos ten uwent was, toen het voorval plaats had, en hij er geen deel aan heeft genomen?”—„Bij uw roemrijken vader en ook bij u zelven, dien ik bemin en hoogacht boven alles wat er op aarde is, ik zweer het!”
„Overweeg, Sire!” merkte de kardinaal op, „dat indien wij den gevangene op die wijze ontslaan, wij de waarheid niet zullen ontdekken.”—„De heer Athos zal steeds tegenwoordig zijn,” hernam de Tréville, „om de gerechtspersonen te antwoorden, wanneer deze hem willen ondervragen. Hij zal niet deserteeren, mijnheer de kardinaal! wees gerust, ik ben voor hem verantwoordelijk.”—„Inderdaad, deserteeren zal hij niet,” zeide de koning; „en men zal hem altijd wel vinden, zooals de heer de Tréville zegt. Bovendien,” voegde hij er bij, met zachte stem tot Zijne Eminentie, dien hij smeekende aanzag, „stellen wij hen gerust, dat is staatkundiger.”
Die staatkunde van Lodewijk XIII deed op Richelieu’s gelaat een glimlach verschijnen.—„Beveel, Sire!” zeide hij, „gij hebt het recht gratie te verleenen.”—„Het recht van gratie is alleen van toepassing op schuldigen,” zeide de Tréville, die het laatste woord wilde behouden, „en mijn musketier is onschuldig. Het is dus geen gratie, die gij zult geven, maar recht.”—„En hij is op het fortl’Evêque?” vroeg de koning.—„Ja, Sire! afgezonderd, in een cachot als de grootste misdadiger.”—„Duivelsch, duivelsch!” mompelde de koning, „wat moet ik doen?”—„Het bevel tot invrijheidstelling teekenen en daarmede gedaan,” hernam de kardinaal; „ik geloof met Uwe Majesteit, dat de borgstelling des heeren de Tréville meer dan voldoende is.”
De Tréville boog eerbiedig, met een blijdschap, die niet onvermengd van vrees was; hij zou liever gezien hebben, dat de kardinaal halsstarrig weerstand had geboden, dan zoo gemakkelijk toe te geven. De koning teekende het bevel van invrijheidstelling en de Tréville nam het oogenblikkelijk mede.
Toen hij gereed was zich te verwijderen, glimlachte de kardinaal hem toe en zeide tot den koning: „Er heerscht een zeer goede verstandhouding tusschen de hoofden en de soldaten uwer musketiers, Sire! dat is zeer voordeelig voor den dienst en loffelijk voor allen.”—„Hij zal mij onvermijdelijk den een of anderen leelijken trek spelen,” dacht de Tréville; „men heeft nooit het laatste woord met zoo iemand. Doch laat ons haast maken, want de koning kan alle oogenblikken van denkwijze veranderen; en bij slot van rekening is het moeilijker iemand in deBastilleof het fortl’Evêquete brengen, die er uitkomt, dan er een gevangen in te houden, die er reeds in is.”
De heer de Tréville deed een zegevierenden intocht in het fortl’Evêque, waaruit hij den musketier bevrijdde, wiens kalme onverschilligheid hem niet één oogenblik verlaten had. Vervolgens, toen hij voor het eerst d’Artagnan wederzag, zeide hij tot dezen: „Gij zijt het aardig ontsnapt; uw degenstoot, Jussac toegebracht, is nu betaald. Nu blijft die van Bernajoux nog over, wees dus op uw hoede.”
Trouwens, de heer de Tréville had gelijk den kardinaal te wantrouwen en te gelooven, dat alles nog niet gedaan was; want nauwelijks had de kapitein der musketiers de deur achter zich gesloten, of Zijne Eminentie zeide tot den koning: „Thans, nu wij slechts alleen met ons beiden zijn, willen wij eens ernstig spreken, indien Uwe Majesteit dit behaagt, Sire! de hertog van Buckingham was sedert vijf dagen teParijsen is niet vóór heden ochtend vertrokken.”
Waarin wordt verhaald, hoe de grootzegelbewaarder Séguier meer dan eens de klok zocht, om die te luiden, zooals hij eertijds deed.
Het is niet mogelijk zich een denkbeeld te vormen van den indruk, welken deze weinige woorden op Lodewijk XIII teweegbrachten; hij werd beurtelings bleek en rood, en de kardinaal bemerkte al dadelijk, dat hij in eens alles herwon, wat hij verloren had.
„De hertog van Buckingham teParijs?” riep hij, „en wat komt hij hier doen?”—„Zeker samenspannen met uw vijanden: de Hugenooten en de Spanjaarden.”—„Neen,pardieu!neen! samenspannen tegen mijn eer met mevrouw de Chevreuse, met mevrouw de Longueville en de Condés.”—„O, Sire! wat denkbeeld! De koningin is te deugdzaam en bemint Uwe Majesteit hiervoor te veel.”—„De vrouw is zwak, mijnheer de kardinaal!” zeide de koning: „en wat haar groote liefde voor mij betreft, hieromtrent staat mijn denkwijze onwrikbaar vast.”—„Ik blijf intusschen volhouden, dat de hertog van Buckingham alleen met staatkundig oogmerk teParijsis gekomen.”—„En ik, ik ben zeker, dat hij voor geheel iets anders is gekomen, mijnheer de kardinaal! maar indien de koningin schuldig mocht zijn, dat zij dan beve!”—„Inderdaad,” zeide de kardinaal, „welken weerzin ik ook heb mijn geest op een dergelijk verraad te vestigen, maakt Uwe Majesteit er mij echter opmerkzaam op: Mevrouw de Lannoy, die ik, ingevolge het bevel Uwer Majesteit, meermalen heb ondervraagd, heeft mij heden morgen gezegd, dat den nacht voor dezen Hare Majesteit zeer laat was opgebleven; dat zij dezen morgen veel geweend en den geheelen dag geschreven had.”—„Dat is het!” riep de koning; „zeker aan hem, kardinaal! ik wil de papieren der koningin.”—„Maar hoe ze te krijgen, Sire! Het schijnt mij, dat ik, noch Uwe Majesteit, ons met een dergelijke boodschap kunnen belasten.”—„Hoeheeft men gehandeld met mevrouw d’Ancre?” riep de koning, in den hoogsten graad van toorn; „men heeft haar kasten doorzocht, en eindelijk haar zelve.”—„Mevrouw d’Ancre was niet meer dan de vrouw van een maarschalk, een Florentijnsche gelukzoekster, Sire! niets meer, terwijl de doorluchtige echtgenoot Uwer Majesteit, Anna van Oostenrijk, koningin van Frankrijk, dat is: een der grootste vorstinnen der wereld, is.”—„Zij is daarvoor niet minder schuldig, mijnheer de hertog! Hoe meer zij den hoogen rang uit het oog verliest, dien zij bekleedt, des te lager is zij gedaald. Reeds sinds lang, buitendien, heb ik besloten, een einde te maken aan al die nietige politie- en liefde-intrigues. Zij heeft ook in haar dienst zekeren la Porte....”—„Dien ik, ik beken het,” zeide de kardinaal „als het voornaamste werktuig van dat alles beschouw.”—„Gij denkt dus, zooals ik, dat zij mij bedriegt?” vroeg de koning.—„Ik geloof en ik herhaal het aan Uwe Majesteit, dat de koningin tegen de macht van haar koning samenzweert, maar ik heb niet gezegd tegen zijn eer.”—„En ik zeg u, dat zij een ander bemint; ik zeg u, dat zij dien schandelijken hertog van Buckingham bemint! Waarom hebt gij hem niet in hechtenis doen nemen, terwijl hij inParijswas?”—„Den hertog in hechtenis nemen? den eersten minister van Karel I? hoe komt het u in de gedachte, Sire! wat daad! En indien dan eens de vermoedens Uwer Majesteit, waaraan ik blijf twijfelen, eenigen grond hadden, wat vreeselijke ruchtbaarheid! wat noodlottig schandaal zou hieruit dan niet ontstaan!”—„Maar dewijl hij zich als een landlooper en dief blootstelt, moest men....”
Lodewijk XIII bleef eensklaps het stilzwijgen bewaren, verschrikt over hetgeen hij wilde zeggen, terwijl Richelieu, met vooruitstekenden hals, vruchteloos het woord wachtte, dat hem op de lippen zweefde.
„Men moest?”....—„Niets,” zeide de koning, „niets. Gij hebt hem intusschen, zoo lang hij teParijsis geweest, niet uit het oog verloren?”—„Neen,Sire!”—„Waar logeerde hij?”—„In de straat la Harpe, No. 76.”—„Waar is dat?”—„Omstreeks hetLuxembourg.”—„En gij zijt zeker, dat hij de koningin niet gesproken heeft?”—„Ik geloof, dat de koningin te zeer getrouw is aan haar plicht, Sire!”—„Maar zij hebben briefwisseling met elkander gehouden; het is aan hem, dat de koningin den geheelen dag heeft geschreven, mijnheer de hertog! ik wil de brieven!”—„Sire! echter....”—„Mijnheer de hertog! het koste wat het wil, ik begeer ze!”—„Ik moet echter Uwe Majesteit doen opmerken....”—„Verraadt gij mij dan ook, kardinaal! door u steeds tegen mijn wil te verzetten? Zijt gij het dan ook eens met den Spanjaard en den Engelschman, met mevrouw de Chevreuse en de koningin?”—„Sire!” antwoordde de kardinaal glimlachende, „ik meende voor een dergelijke beschuldiging gevrijwaard te zijn.”—„Mijnheer de kardinaal! gij hebt mij verstaan, ik wil die brieven.”—„Er is slechts één middel.”—„Welk?”—„Met die zending den grootzegelbewaarder Séguier te belasten. Die zaak behoort volkomen tot de plichten van zijn ambt.”—„Dat men hem oogenblikkelijk doe komen.”—„Hij moet ten mijnent wezen, Sire! dewijl ik hem heb doen verzoeken aan te komen, en naar het Louvre gaande, heb ik het bevel gegeven, indien hij kwam, hem te laten wachten.”—„Dat men hem oogenblikkelijk hale.”—„De bevelen Uwer Majesteit zullen volbracht worden; maar....”
„Maar wat?”—„Maar de koningin zal misschien weigeren te gehoorzamen.”—„Aan mijn bevelen?”—„Ja, indien zij niet weet, dat zij door Uwe Majesteit gegeven zijn.”—„Welnu, opdat zij er niet aan twijfele, zal ik haar in persoon gaan waarschuwen.”—„Uwe Majesteit moet niet uit het oog verliezen, dat ik alles heb gedaan, wat mogelijk is, om ongenoegen te voorkomen.”—„Ja, hertog! ik weet, dat gij misschien zeer toegevend zijt; en wij zullen hierover, ik verwittig u er van, later spreken.”—„Wanneer het Uwe Majesteit zal behagen; intusschen zal ik mij steeds gelukkig achtenen er trotsch op zijn, Sire, mij op te offeren ter bewaring der goede verstandhouding, die ik wensch tusschen den koning en de koningin van Frankrijk te zien heerschen.”—„Goed, kardinaal! goed, maar laat onderwijl den grootzegelbewaarder roepen; ik begeef mij tot de koningin.”
En Lodewijk XIII, de gemeenschapsdeur openende, begaf zich in de gang, die tot de vertrekken van Anna van Oostenrijk leidde. De koningin bevond zich te midden harer vrouwen: Mevrouw de Guitaut, mevrouw de Sablé, mevrouw de Montbazon en mevrouw de Guémené. In een hoek zat de Spaansche kamenier, die haar vanMadridgevolgd was. Mevrouw de Guémené las voor, en allen luisterden met aandacht naar de lezeres, behalve de koningin, die alleen deze voorlezing had uitgelokt, ten einde veinzende te luisteren, den draad van haar eigen denkbeelden te kunnen volgen.
Die denkbeelden, hoe verguld ook door een laatsten liefdegloed, waren er niet minder treurig om. Anna van Oostenrijk, van het vertrouwen van haar man beroofd, vervolgd door den haat des kardinaals, die haar niet kon vergeven een meer teeder gevoel te hebben afgewezen, voor haar oogen het voorbeeld der koningin-moeder hebbende, die deze haat gedurende haar gansche leven had gefolterd, hoewel Maria de Médicis (althans, zoo wij de gedenkschriften van dien tijd moeten gelooven) begonnen was den kardinaal het gevoel te schenken, dat Anna van Oostenrijk hem steeds bleef weigeren, Anna van Oostenrijk had haar trouwste dienaars, haar vertrouwdste vrienden, haar waardste gunstelingen zien vallen, en zooals die rampzaligen, met een noodlottige eigenschap begaafd, bracht zij ongeluk aan allen toe, die haar omringden; haar vriendschap was een onheilspellend teeken, dat vervolging tot zich lokte. Mevrouw de Chevreuse en mevrouw deVernetwaren reeds verbannen; en la Porte verborg het niet aan zijn meesteres, dat hij verwachtte, alle oogenblikken te worden in hechtenis genomen.
Op het oogenblik, dat zij verdiept was in de somberste beschouwingen, werd de deur der kamer geopend, en de koning trad binnen. De lezeres zweeg oogenblikkelijk, al de dames stonden van haar zitplaatsen op, en er heerschte een diepe stilte.—Wat den koning betreft, deze betuigde niet de minste beleefdheid; en voor de koningin blijvende staan, zeide hij met een ontroerde stem: „Gij zult het bezoek van den heer kanselier verwachten, die u eenige zaken zal mededeelen, waarmede ik hem heb belast.”
De ongelukkige koningin, die men herhaaldelijk met echtscheiding, verbanning en veroordeeling bedreigde, verbleekte onder haar blanketsel en kon zich niet weerhouden te zeggen:
„Maar waartoe dat bezoek, Sire? Wat heeft de heer kanselier mij te zeggen, wat Uwe Majesteit mij zelve niet kan mededeelen?”—De koning draaide zich, zonder antwoord te geven, op zijn hielen om, en bijna tegelijkertijd meldde de kapitein der Gardes, de heer de Guitaut, het bezoek des heeren kanseliers.
Toen de kanselier verscheen, was de koning reeds door een andere deur verdwenen. De kanselier trad half glimlachende, half blozende, zooals wij hem waarschijnlijk in den loop dezer geschiedenis zullen wedervinden, binnen; het kan geen kwaad, dat onze lezers nu met hem in kennis treden.
De kanselier was een koddige snaak. Het was des Roches le Masler, kanunnik vanNotre Dame, vroeger kamerdienaar van den kardinaal, die hem Zijne Eminentie voorstelde als een trouw dienaar. De kardinaal bevond er zich wel bij.
Men verhaalde van hem onderscheidene anekdoten, onder andere deze: Na een stormachtige jeugd te hebben doorgebracht, was hij in een klooster gegaan, om dáár ten minste gedurende zekeren tijd de dwaasheden zijner jeugd te boeten. Maar in dat heilige oord gekomen zijnde, was het den armen boeteling niet mogelijk zoo ras de deur te sluiten voor de hartstochten, die hij verzaakte en die er met hem binnenslopen. Onophoudelijkwerd hij er door vervolgd, en de prior, aan wien hij de kwelling had toevertrouwd, wilde zooveel mogelijk er hem voor behoeden en gaf hem dus den raad, ter bezwering des verzoekenden duivels tot het koord der klok zijn toevlucht te nemen en die zoo hard hij kon te luiden. Op dit geluid zouden de monniken verwittigd worden, dat de verleiding een broeder bestormde en zich gezamenlijk tot het gebed begeven. Die raad scheen den toekomstigen kanselier goed. Hij bezwoer den kwaden geest door de krachtige uitwerking van de gebeden der monniken; maar de duivel laat zich zoo gemakkelijk niet uit een vesting jagen, waarin hij zich in garnizoen heeft gelegd; naarmate men de bezweringen verdubbelde, verdubbelde hij de verzoekingen, zoodat dag en nacht de klok werd geluid, de buitengewone begeerte tot boetedoening aankondigende, die de boeteling ondervond. De monniken hadden geen oogenblik rust meer. Overdag hadden zij het druk met de trappen, die naar de kapel leidden, op en neder te klimmen, des nachts, behalve gedurende het lof en de metten, waren zij nog verplicht twintig malen het bed uit te springen en op de vloersteenen hunner cellen neder te knielen. Men weet niet, of het de duivel was, die losliet, of de monniken, die moede werden; maar na verloop van drie maanden keerde de boeteling in de wereld terug, met den naam de verschrikkelijkste bezetene te zijn, die er ooit bestaan had.
Het klooster verlatende, werd hij magistraatspersoon, daarna president van het parlement in plaats van zijn oom; hij omhelsde de partij van den kardinaal, hetgeen niet weinig wijsheid verried; vervolgens werd hij kanselier, diende Zijne Eminentie met ijver in diens haat jegens de koningin-moeder en zijn wraak tegen Anna van Oostenrijk; spoorde de rechters in de zaak van Chalais aan, moedigde de proefnemingen van den heer de Laffemas, groot galgenaasleverancier van Frankrijk aan; eindelijk, al het vertrouwen van den kardinaal bezittende, een vertrouwen, dat hij zoo wel had verdiend, werd hij belast met de zonderlinge zending, totwier uitvoering hij zich voor de koningin vertoonde.
De koningin stond nog overeind, toen hij binnentrad, maar nauwelijks had zij hem gezien, of zij zette zich opnieuw op haar leuningstoel en gaf een teeken aan haar vrouwen weer op haar kussens en bankjes plaats te nemen; en op een hoogen, trotschen toon vroeg Anna van Oostenrijk: „Wat begeert gij, mijnheer! en met welk oogmerk vertoont gij u hier?”—„Om, in naam des konings, mevrouw! en met al den eerbied, welken ik de eer heb mevrouw verschuldigd te zijn, een nauwkeurig onderzoek in al uw papieren te doen.”—„Hoe, mijnheer! een onderzoek in mijn papieren! Bij mij? maar dat is allerlaagst.”—„Vergeef het mij, mevrouw! doch in deze omstandigheid ben ik slechts het werktuig, waarvan de koning zich bedient. Is Zijne Majesteit niet hier geweest en heeft zij u niet in eigen persoon verzocht, u tot dat onderzoek voor te bereiden?”—„Volvoer dan uw nazoekingen, mijnheer! naar het schijnt ben ik een schuldige. Estefana! geef de sleutels mijner tafels en van mijn secretaire.”
De kanselier onderzocht voor den vorm het huisraad, maar hij wist wel, dat het niet in een meubelstuk was, dat de koningin den belangrijken brief zou gesloten hebben, dien zij in den loop van den dag geschreven had. Toen de kanselier twintig malen de laden der schrijftafel had geopend en wederom gesloten, moest hij wel, hoe hij ook aarzelde, moest hij wel, zeg ik, tot het eigenlijke der zaak overgaan, dat is: de koningin op haar persoon zelve onderzoeken.
De kanselier naderde dan Anna van Oostenrijk en op een zeer droevigen toon, met verlegene houding, zeide hij: „En thans blijft mij over tot het voornaamste onderzoek over te gaan.”—„Welk?” vroeg de koningin, die niet begreep, of liever niet wilde begrijpen.—„Zijne Majesteit is zeker, dat door u in den loop van den dag een brief is geschreven geworden: het is haar bekend, dat die nog niet aan het adres is bezorgd geworden. Die brief bevindt zich noch in uw tafel, noch in uw secretaire, en toch moet die brief ergens wezen.”—„Zoudtgij u durven verstouten de hand aan uw koningin te slaan?” vroeg Anna van Oostenrijk, van haar stoel in haar geheele lengte zich opheffende en op den kanselier een blik werpende, die naar een bedreiging zweemde!—„Ik ben een getrouwe onderdaan des konings, mevrouw! en al wat Zijne Majesteit zal bevelen, moet ik ten uitvoer brengen.”—„Welnu, het is waar,” hernam Anna van Oostenrijk, „de spionnen van den kardinaal hebben hem goed gediend. Ik heb heden een brief geschreven; die brief is niet verzonden; de brief is daar.”—En de koningin bracht haar schoone hand aan haar boezem.
„Geef mij dan dien brief, mevrouw!” zeide de kanselier.—„Ik zal dien aan niemand dan aan den koning geven,” zeide Anna.—„Indien de koning begeerd had, dat de brief hem werd overhandigd, mevrouw! zou hij dien in persoon hebben afgevraagd. Maar ik herhaal u, hij heeft mij belast dien van u te vorderen, en indien gij hem niet overgaaft....”—„Welnu?”—„Ben ik het wederom, dien hij heeft belast u dien te ontnemen.”—„Ha! wat wilt gij zeggen?”—„Dat mijn bevelen zeer ver gaan, mevrouw! en dat ik volmacht heb dien brief zelfs op de persoon Uwer Majesteit te zoeken.”—„Hoe afschuwelijk!” riep de koningin.—„Gelieve daarom, mevrouw! door dien te geven....”—„Dat is een afschuwelijke gewelddadigheid; weet gij dat, mijnheer!”—„De koning beveelt, mevrouw! verontschuldig mij.”—„Ik zal het niet ondergaan, neen, neen, liever sterven!” riep de koningin, bij wie het onstuimige Spaansche en Oostenrijksche bloed aan het gisten werd gebracht.
De kanselier maakte een diepe buiging, vervolgens met het blijkbaar besluit geen duimbreed te wijken in de vervulling van den last, dien men hem had opgedragen, en zooals een beulsknecht had kunnen doen in de folterkamer, naderde hij Anna van Oostenrijk, uit wier oogen men onmiddellijk tranen van woede zag ontspringen.
De koningin was, zooals wij bereids zeiden, van eenbuitengewone schoonheid. De last kon dus als iets zeer gevaarlijks voor de kieschheid worden beschouwd; maar de koning, tengevolge zijner jaloezie jegens Buckingham, was reeds zoover gekomen van op niemand meer jaloersch te zijn. Ongetwijfeld zocht de kanselier op dit oogenblik met zijn oogen de koord der beruchte klok; maar ze niet ontdekkende, nam hij zijn besluit en strekte de hand uit naar de plaats, waar de koningin had bekend dat zich het papier bevond. Anna van Oostenrijk deed een schrede achteruit, zoo bleek dat men zou hebben gemeend, dat zij zou sterven, en met haar linkerhand leunende op een tafel, die achter haar stond, ten einde niet te vallen, haalde zij met de rechterhand een papier uit haar boezem, dat zij den zegelbewaarder toereikte.
„Ziedaar, mijnheer! ziedaar den brief!” riep de koningin met een afgebrokene en bevende stem, „neem hem en bevrijd mij van uw verfoeilijke tegenwoordigheid.”
De kanselier, die van zijn kant een aandoening gevoelde, die hem deed beven, en welke men zich licht kan begrijpen, nam den brief, boog tot op den grond en verwijderde zich. Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de koningin viel half in onmacht in de armen harer vrouwen. De kanselier bracht den brief aan den koning zonder er één woord van gelezen te hebben. De koning nam dien aan met een bevende hand, zocht het adres, dat ontbrak, werd bleek, opende hem langzaam, vervolgens aan de eerste woorden bemerkende dat hij voor den koning van Spanje was bestemd, las hij dien vluchtig door. Hij bevatte een uitvoerig plan tegen den kardinaal! de koningin verzocht haar broeder en den keizer van Oostenrijk, door de staatkunde van Richelieu gekwetst, wiens eeuwig streven het was het huis van Oostenrijk te vernederen, den schijn aan te nemen Frankrijk den oorlog te verklaren, en als voorwaarde van vrede de verwijdering van den kardinaal te eischen; maar van liefde werd in dien brief geen enkel woord gerept.
Geheel verblijd deed de koning onderzoek, of dekardinaal nog in het Louvre was. Men zeide, dat Zijne Eminentie in het schrijfkabinet de bevelen Zijner Majesteit wachtte. De koning begaf zich onmiddellijk tot hem.—„Zie, hertog!” zeide hij hem, „gij hadt gelijk en ik was het, die mij bedroog; de geheele intrigue is van staatkundigen aard en er is volstrekt van geen liefde sprake in dezen brief. Maar in plaats hiervan wordt daarin veel over u gesproken.”
De kardinaal nam den brief en las dien met de grootste aandacht; vervolgens, toen hij dien voleind had, herlas hij hem voor de tweede maal.
„Welnu, Uwe Majesteit!” zeide hij, „gij ziet, hoe ver mijn vijanden gaan: men bedreigt u met twee oorlogen, wanneer gij mij niet wegzendt. Waarlijk, in uw plaats, Sire! zou ik aan zoo dringende aanzoeken gehoor geven, en van mijn kant, ik zou met wezenlijke vreugd van de zaken afzien.”—„Wat zegt gij daar, hertog?”—„Ik zeg, Sire! dat mijn gezondheid wordt ondermijnd in deze voor mij te vinnige worsteling en in die eeuwigdurende werkzaamheden. Ik zeg u, dat ik, volgens alle waarschijnlijkheid, de vermoeienissen vanla Rochelleniet zal kunnen doorstaan, en het beter is, dat gij den heer de Condé of den heer de Bassompierre of een ander moedig man, wiens vak het is oorlog te voeren, verkiest en niet mij, die priester ben, en dien men steeds van zijn roeping afkeert, om hem tot dingen te gebruiken, waartoe hij niet den minsten aanleg heeft. Gij zult in uw rijk gelukkiger zijn, Sire! en ik twijfel niet, of buitenslands zult gij er grooter door worden.”—„Mijnheer de hertog!” zeide de koning, „ik begrijp u, wees gerust; al die in dezen brief genoemd worden, zal men straffen, zooals zij verdienen, zelfs de koningin!”—„Wat zegt gij, Sire! God beware mij, dat te mijnen gevalle de koningin eenige onaangenaamheden ondervinde; zij heeft in mij altijd haar vijand meenen te zien, Sire! hoewel Uwe Majesteit kan getuigen, dat ik steeds met warmte haar belangen heb voorgestaan, zelfs tegen u zelven. O! indien zij Uwe Majesteit ten aanzien harer eer verried, dat ware iets anders, en ik zou de eerstezijn te zeggen: Geen genade, Sire! geen genade voor de schuldige! maar gelukkig is dit volstrekt het geval niet, en Uwe Majesteit heeft er een nieuw bewijs van verkregen.”
„Het is waar, mijnheer de kardinaal!” zeide de koning, „en gij hadt gelijk, zooals gewoonlijk; maar de koningin verdient niettemin al mijn gramschap.”—„Gij zijt het, Sire! die de hare verdient; en waarlijk, ik zou het kunnen begrijpen, indien zij verstoord op Uwe Majesteit ware; Uwe Majesteit heeft haar met gestrengheid behandeld.”—„Op die wijze zal ik steeds mijn vijanden en de uwe behandelen, hertog! hoe hoog zij ook mogen geplaatst zijn, en wat gevaar ik ook loope door mijn strengheid jegens hen.”—„De koningin is mijn vijandin, maar niet de uwe, Sire! integendeel, zij is een trouwe, onderdanige en onberispelijke echtgenoot: veroorloof mij dus, Sire! haar bij Uwe Majesteit tot voorspraak te zijn.”—„Dat zij mij het eerst tegemoet kome!”—„Integendeel, Sire! gij moet het voorbeeld geven; gij hebt het eerst ongelijk gehad, omdat gij het zijt, die de koningin verdacht hield.”—„Ik de eerste zijn?” zeide de koning, „nooit!”—„Sire! ik bid u.”—„Buitendien, hoe zou ik het doen?”—„Door iets te doen, waarmede gij weet haar aangenaam te zijn.”—„Wat?”—„Geef een bal, het is u bekend, hoeveel de koningin van dansen houdt; ik verzeker u, dat haar verstoordheid voor een dergelijke oplettendheid zal verdwijnen.”—„Mijnheer de kardinaal! gij weet wel, dat ik van die wereldsche vermaken niet houd.”—„De koningin zal er u te meer dankbaar voor zijn, daar zij uw afkeer voor dat vermaak kent; daarenboven is het voor haar een gelegenheid, zich met die fraaie diamanten haken te tooien, die gij haar op haar verjaardag hebt ten geschenke gegeven, en waarmede zij tot hiertoe zich nog niet heeft kunnen versieren.”
„Wij zullen zien, mijnheer de kardinaal! wij zullen zien,” zeide de koning, die verblijd was de koningin schuldig te vinden aan een misdaad, waarover hij zichweinig bekreunde, maar onschuldig ten aanzien van een misdrijf, voor hetwelk hij zeer bevreesd was; hij toonde zich geheel bereid zich met haar te verzoenen. „Wij zullen zien; maar op mijn woord, gij zijt al te toegevend.”—„Sire!” zeide de kardinaal, „laat de gestrengheid aan uw ministers over; vergevensgezindheid is een koninklijke deugd; beoefen die, en gij zult zien, dat gij u er wèl bij zult bevinden.”
En de kardinaal, na deze woorden, de pendule elf uur hoorende slaan, maakte een diepe buiging, vroeg verlof aan den koning om zich te mogen verwijderen, hem nogmaals verzoekende zich met de koningin te verzoenen.
Anna van Oostenrijk, die tengevolge van den bewusten brief eenige berisping verwachtte, verwonderde zich zeer den koning den volgenden dag eenige pogingen tot verzoening te zien aanwenden. Haar eerste gevoel was afkeer van hem; haar vrouwelijke trots en haar waardigheid als koningin waren beide zoo beleedigd, dat zij zich niet zoo dadelijk kon onderwerpen; maar door den raad der haar omringende dames overgehaald, hield zij zich eindelijk, alsof zij de zaak begon te vergeten. De koning maakte van dat eerste oogenblik van tegemoetkoming gebruik om haar te zeggen, dat hij voornemens was weldra een feest te geven. Een feest was zoo iets zeldzaams voor de arme Anna van Oostenrijk, dat, zooals de kardinaal had gedacht, de laatste zweem van verstoordheid verdween, zoo niet in haar hart, althans op haar gelaat. Zij vroeg naar den dag, op welken het feest zou plaats hebben, maar de koning antwoordde, dat hij zich te dien aanzien met den kardinaal moest verstaan. En inderdaad, dagelijks vroeg de koning den kardinaal naar den dag, op welken het feest moest plaats hebben, en alle dagen stelde de kardinaal het onder een of ander voorwendsel uit. Den achtsten dag na het tooneel, dat wij hebben verhaald, ontving de kardinaal een brief met het postmerk vanLonden, alleen deze weinige woorden behelzende:
„Ik heb ze, maar ik kanLondenniet verlaten, daar mij geld ontbreekt; zend mij vijfhonderd pistolen en binnen vier of vijf dagen, na die ontvangen te hebben, zal ik teParijszijn.”
„Ik heb ze, maar ik kanLondenniet verlaten, daar mij geld ontbreekt; zend mij vijfhonderd pistolen en binnen vier of vijf dagen, na die ontvangen te hebben, zal ik teParijszijn.”
Denzelfden dag, dat de kardinaal dien brief had ontvangen, richtte de koning tot hem zijn gewone vraag. Richelieu telde op zijn vingers en zeide bij zich zelven: „Zij zal hier zijn, zegt zij, vier of vijf dagen na de ontvangst van het geld: vier of vijf dagen zijn er toe noodig, om haar het geld te doen geworden en vier of vijf dagen heeft zij noodig om terug te keeren; dat maakt tien dagen; laat ons er nu eens bij rekenen: tegenwind, tegenspoed, vrouwelijke zwakheid, en stellen wij dat op twaalf dagen.”—„Welnu, mijnheer de hertog! hebt gij uw rekening gemaakt?”—„Ja, Sire! wij hebben vandaag den 20sten September; de schepens der stad geven den 3den October een feest. Dat zou zich heerlijk schikken; immers, gij zoudt den schijn dan niet hebben de koningin tegemoet te komen.” Vervolgens voegde de kardinaal er bij: „A propos, Sire! vergeet niet aan Hare Majesteit den dag voor dat feest te zeggen, dat gij zeer verlangend zijt te zien, hoe haar die diamanten haken staan.”
Het huishouden van Bonacieux.
Het was de tweede maal, dat de kardinaal op de diamanten haken bij den koning terugkwam. Lodewijk XIII werd dan ook getroffen door dat aanhouden en verbeeldde zich, dat deze aanbeveling een of ander geheim bedekte. Meer dan eens was de koning er door vernederd geworden, dat de kardinaal, wiens politie, zonder nochtans tot de volmaaktheid van de hedendaagsche te zijn gebracht, voortreffelijk was, beter onderricht was dan hij zelf met hetgeen er in zijn omgevingvoorviel. Hij hoopte in een gesprek met Anna van Oostenrijk eenig licht te verkrijgen en daarna tot Zijne Eminentie terug te keeren met een geheim, dat, of de kardinaal het wel of niet wist, hem echter zoowel in het een als in het ander geval in diens oogen zou verheffen.
Hij begaf zich dan tot de koningin en volgens gewoonte begroette hij haar met nieuwe bedreigingen tegen degenen, die haar omringden. Anna van Oostenrijk boog het hoofd, liet den stortvloed voorbijgaan zonder te antwoorden, hopende, dat die vanzelf wel zou eindigen; maar dat was niet hetgeen Lodewijk XIII begeerde: hij wilde een woordenwisseling, die hem het een of ander licht zou geven, verzekerd, dat de kardinaal een bijgedachte koesterde en deze hem een dier vreeselijke verrassingen bereidde, waarin Zijne Eminentie zoozeer uitmuntte. Hij bereikte dit doel door zijn volharding in het beschuldigen.
„Maar,” riep Anna van Oostenrijk, vermoeid door die onbepaalde aanvallen, „maar, Sire! gij zegt mij niet al wat u op het hart ligt. Wat heb ik toch gedaan? Spreek! welke misdaad heb ik gepleegd? Het is niet mogelijk, dat Uwe Majesteit zoo spreekt wegens den brief aan mijn broeder geschreven!”
De koning, nu op zijn beurt zoo rechtstreeks aangevallen, wist niet wat te antwoorden; hij meende, dat nu het oogenblik dáár was, de aanbeveling te doen, welke zij slechts den dag voor het feest mocht weten.—„Mevrouw!” zeide hij met majesteit, „er zal spoedig een bal in het stadhuis worden gegeven; ik begeer dat, om aan mijn brave schepenen eer te bewijzen, gij er in statiekleederen verschijnen zult en vooral getooid met de diamanten haken, die ik u op uw verjaardag ten geschenke heb gegeven. Ziedaar mijn antwoord.”
Dat antwoord was verschrikkelijk; Anna van Oostenrijk meende, dat Lodewijk XIII met alles bekend was, en dat de kardinaal hem tot dat lange zwijgen, gedurende zeven of acht dagen, overgehaald had, hetgeen trouwens in zijn karakter lag. Zij werd doodsbleek, liet haarwonderschoone hand, die toen een wassen hand geleek, op een console rusten en zag den koning aan met verschrikte oogen; zij antwoordde geen enkel woord.
„Gij hebt het gehoord, mevrouw?” zeide de koning, die van die verlegenheid het volste genot had, zonder er echter het gewicht van te vermoeden: „gij hebt het gehoord?”—„Ja, Sire, ik versta u,” stamelde de koningin.—„Gij zult op dat bal verschijnen?”—„Ja.”—„Met uw diamanten haken?”—„Ja.”
De bleekheid der koningin werd, zoo mogelijk, nog grooter. De koning ontwaarde zulks en genoot er van met de koele wreedheid, welke een der slechtste zijden van zijn inborst was.
„Dan is het wel,” zeide de koning, „dat is alles, wat ik u te zeggen had.”—„Maar op welken dag zal het bal plaats hebben?” vroeg Anna van Oostenrijk.
Lodewijk XIII voelde inwendig, dat hij hierop niet moest antwoorden, daar de koningin de vraag met een bijna stervende stem deed.—„Zeer spoedig, mevrouw!” zeide hij, „maar ik herinner mij den juisten dag niet meer; ik zal het den kardinaal vragen.”—„Het is dus de kardinaal, die u dat feest heeft aangekondigd?” riep de koningin.—„Ja, mevrouw!” antwoordde de koning verbaasd, „maar waartoe die vraag?”—„Hij is het, die u gezegd heeft, dat ik er getooid met mijn diamanten haken moest verschijnen.”—„Dat wil zeggen, mevrouw!....”—„Hij is het, Sire! hij is het!”—„Welnu, wat doet het er toe, dat hij het is of ik? Is deze uitnoodiging misdadig?”—„O, neen, Sire!”—„Dan zult gij verschijnen?”—„Ja, Sire!”—„Goed,” zeide de koning, zich verwijderende, „goed, ik reken er op.”
De koningin boog, minder uit welvoegelijkheid, dan wel omdat haar knieën onder haar knikten. De koning scheen opgetogen.
„Ik ben verloren,” mompelde de koningin, „verloren, want de kardinaal weet alles: hij is het, die den koning drijft, die nog wel niets weet, maar dra alles zal vernemen. Ik ben verloren! mijn God! mijn God! mijn God!”—Zijknielde op een kussen neder en bad, het hoofd in haar bevende handen verbergende.
Inderdaad, haar toestand was verschrikkelijk. Buckingham was naarLondenteruggekeerd, mevrouw de Chevreuse was teTours. Meer dan ooit gadegeslagen, begreep de koningin, dat een der dames, die haar omringden, haar verried, zonder echter te kunnen zeggen welke. La Porte mocht het Louvre niet verlaten, en geen ziel ter wereld was er, aan wie zij zich kon vertrouwen. Bedreigd door de ramp, die haar boven het hoofd hing en in haar verlatenheid, barstte zij in een luid gesnik uit.
„Kan ik Uwe Majesteit dan in niets van dienst zijn,” zeide eensklaps een stem vol zachtheid en medelijden. De koningin wendde zich haastig om, want er lag in die uitdrukking van die stem geen bedrog; het was de taal eener vriendin. En inderdaad, voor een der deuren, die in het vertrek der koningin uitkwamen, verscheen de lieve juffrouw Bonacieux. Zij was bezig kleederen en lijnwaad in een kleerkamer te bergen, toen de koning was binnengekomen, en wijl zij de kamer niet kon verlaten, had zij alles gehoord. De koningin slaakte een doordringenden kreet, zich verrast ziende, want in haar verwarring had zij de jonge vrouw niet herkend, die la Porte in haar dienst had doen treden.
„O, vrees niets, mevrouw!” zeide de jonge vrouw, de handen vouwende en zelve weenende over den angst der koningin, „ik behoor Uwe Majesteit met hart en ziel en hoe ver ik ook van haar verwijderd ben, hoe gering mijn stand ook zij, meen ik een middel gevonden te hebben, Uwe Majesteit uit den nood te redden.”—„Gij! o, hemel! gij!” riep de koningin: „maar welaan! zie mij aan. Van alle kanten word ik verraden; kan ik op u vertrouwen?”—„O, mevrouw!” riep de jonge vrouw, op de knieën vallende, „o, bij mijn ziel! ik ben bereid voor Uwe Majesteit te sterven.”
De kreet kwam voort uit de volheid des harten en men kon zich evenmin in dezen als in den vorigen bedriegen.—„Ja,” ging juffrouw Bonacieux voort,„ja, er zijn verraders hier, maar bij den heiligen naam der Maagd Maria zweer ik u, dat niemand aan Uwe Majesteit trouwer is dan ik. Die diamanten haken, welke de koning wenscht te zien, hebt gij den hertog van Buckingham gegeven, niet waar? De diamanten haken waren besloten in een kistje van rozenhout, dat hij onder den arm droeg. Bedrieg ik mij? Is het zoo niet?”—„O, mijn God! mijn God!” mompelde de koningin, wier tanden van angst klapperden.
„Welnu! die diamanten,” ging juffrouw Bonacieux voort, „men moet ze terug hebben.”—„O ja, ongetwijfeld, het moet!” riep de koningin: „maar wat te doen, hoe ze te krijgen?”—„Er moet iemand naar den hertog worden gezonden.”—„Maar wie?.... Wie?.... Aan wien mij te vertrouwen?”—„Stel in mij vertrouwen, mevrouw! doe mij die eer, koningin, en ik, ik zal dien bode weten te vinden.”—„Maar ik zal moeten schrijven.”—„O ja, dat is onvermijdelijk. Twee regels van uw hand en uw eigen zegel.”—„Maar in die twee regels ligt mijn veroordeeling, echtscheiding, verbanning.”—„Ja, indien zij in verraderlijke handen vallen, maar ik verzeker u, dat die beide regels aan hun adres zullen bezorgd worden.”—„Ach, mijn God! ik moet dan mijn leven, mijn eer, mijn goeden naam in uw handen stellen!”—„Ja, ja, mevrouw! gij moet, en ik, ik zal alles redden.”—„Maar hoe! zeg mij dat ten minste.”—„Mijn man is, twee of drie dagen geleden, in vrijheid gesteld; ik heb den tijd nog niet gehad hem te spreken. Hij is een braaf en eerlijk man, die haat noch liefde voor iemand gevoelt. Hij zal doen, wat ik begeer en op een bevel van mij vertrekken, zonder hetgeen, waarmee hij belast is, te kennen; hij zal alzoo den brief Uwer Majesteit aan het adres, dat zij zal aanwijzen, bezorgen, zonder zelfs te weten, dat die van Uwe Majesteit komt.”
De koningin vatte beide handen der jonge vrouw met vurige drift, beschouwde haar, alsof zij in het diepste van haar hart wilde lezen, en in haar schone oogen niets anders dan openhartigheid ziende, omhelsde zij haar teederlijk.—„Doe dat!” riep zij, „engij zult mij het leven, gij zult mij de eer hebben gered.”—„O! vergroot den dienst niet, welken ik het geluk heb u te kunnen bewijzen; ik heb niets van Uwe Majesteit te redden, die alleen het slachtoffer van een verraderlijk komplot is.”—„Het is waar, het is waar, mijn kind!” zeide de koningin, „gij hebt gelijk.”—„Geef mij dus dien brief, mevrouw! de tijd snelt voort.”
De koningin liep naar een tafeltje, waarop zich papier, pennen en inkt bevonden.... Zij schreef een paar regels, verzegelde het briefje met haar cachet en stelde het aan juffrouw Bonacieux ter hand.—„Maar nu,” zeide de koningin, „nu vergeten wij nog het voornaamste.”—„Wat?”—„Geld.”
Juffrouw Bonacieux bloosde.—„Ja, dat is ook waar,” zeide zij, „en ik moet Uwe Majesteit bekennen, dat mijn man....”—„Dat uw man het niet heeft, wilt gij zeggen, niet waar?”—„Integendeel, hij heeft geld, maar hij is zeer gierig, dat is zijn gebrek. Intusschen behoeft Uwe Majesteit zich hierover niet te bekommeren. Wij zullen wel een middel vinden.”—„Maar ik heb het ook niet,” zeide de koningin. (Zij, die de Gedenkschriften van mevrouw de Motteville gelezen hebben, zullen zich over dat antwoord niet verwonderen). „Maar wacht even en....” Anna van Oostenrijk liep naar haar juweelkistje. „Zie hier,” zeide zij, „een ring van groote waarde, naar men verzekert; mijn broeder, de koning vanSpanje, heeft mij dien gegeven, hij behoort mij en bijgevolg kan ik er over beschikken. Neem dien ring, verkoop hem en laat uw man op reis gaan.”—„Binnen één uur zult gij gehoorzaamd zijn.”—„Gij ziet het opschrift,” vervolgde de koningin, zoo zacht sprekende, dat men haar nauwelijks verstond. „Aan mylord, hertog van Buckingham, teLonden.”—„Die brief zal hem in persoon worden ter hand gesteld.”—„Edelmoedig kind!” riep Anna van Oostenrijk.
Juffrouw Bonacieux kuste de handen der koningin, verborg het papier in haar boezem en verdween met de vlugheid eens vogels.
Tien minuten later was zij thuis. Zooals zij aan de koningin had gezegd, had zij haar man, sedert zijn invrijheidstelling, niet gezien; zij wist dus niets van de verandering, welke er bij hem in zijn denkwijze omtrent den kardinaal was voorgevallen: een verandering, die de vleitaal en het geld Zijner Eminentie hadden teweeggebracht en welke de graaf de Rochefort in een paar bezoeken nog had versterkt; deze toch was de beste vriend van Bonacieux geworden, aan wien hij zonder veel moeite deed gelooven, dat niet één enkel misdadig oogmerk de oorzaak der ontvoering zijner vrouw was geweest, maar slechts een staatkundige voorzorg. Zij vond den heer Bonacieux alleen; de arme winkelier stelde met zeer veel moeite een weinig orde in zijn huis, waar hij bijna al het huisraad verbrijzeld en de kasten ledig had gevonden, daar het gerecht niet een der drie zaken is, welke koning Salomo aanduidt, als geen spoor van hun doorgang achterlatende. De meid was reeds gevlucht, toen haar meester in hechtenis werd genomen. De schrik had het arme kind zoo erg bevangen, dat zij, zonder zich op te houden, den weg vanParijsnaarBourgogne, haar geboorteland, achter elkander had afgelegd.
De waardige winkelier had, zoodra hij zich weer te huis bevond, aan zijn vrouw zijn gelukkige terugkomst gemeld, en zijn vrouw had hem geantwoord, hem gelukwenschende en hem zeggende, dat het eerste oogenblik, dat zij van haar dienst kon afnemen, geheel aan een bezoek aan hem zou zijn gewijd. Dat eerste oogenblik had zich vijf dagen laten wachten, hetgeen in elke andere omstandigheid meester Bonacieux wel wat lang zou hebben toegeschenen; maar hij had in het bezoek, door hem bij den kardinaal afgelegd en in de bezoeken van Rochefort, oneindige stof tot nadenken gevonden; en zooals men weet, niets verdrijft spoediger den tijd dan na te denken, te meer daar de overwegingen van Bonacieux alle verguld waren. Rochefort noemde hem zijn vriend, zijn waarden Bonacieux en hield niet op hem te zeggen, dat dekardinaal zeer veel werk van hem maakte. De winkelier meende reeds op weg te zijn om eer en fortuin in te oogsten.
Ook van haar kant had juffrouw Bonacieux nagedacht, maar wij moeten het zeggen, over geheel iets anders dan over eerzucht; onwillekeurig vestigden zich haar gedachten uitsluitend op dien schoonen, moedigen jongeling, die zoo verliefd scheen. Op haar achttiende jaar met den heer Bonacieux in den echt getreden en steeds geleefd hebbende te midden der vrienden van haar man, die weinig geschikt waren aan een jonge vrouw hartstocht in te boezemen, wier hart meer verheven was dan haar stand, was juffrouw Bonacieux ongevoelig gebleven voor de gewone verleidingsmiddelen; maar op dat tijdstip vooral had de titel van edelman een grooten invloed op den burgerstand, en d’Artagnan was edelman; daarenboven droeg hij de uniform der gardes, die, na de uniform der musketiers, het meest de vrouwen bekoorde. Hij was, wij herhalen het, schoon, jong, avontuurlijk; hij sprak over liefde als iemand, die bemint en naar liefde smacht; er was dus in hem meer dan genoeg, om een drie-en-twintig-jarig hoofd op hol te brengen, en juffrouw Bonacieux was juist in dat gelukkig tijdperk des levens getreden.
Beide echtgenooten, hoewel zij elkander in langer dan acht dagen niet hadden gezien, terwijl gedurende die week ernstige gebeurtenissen tusschen hen waren voorgevallen, ontmoetten elkander met zekere verstrooidheid; echter legde de heer Bonacieux een wezenlijke vreugd aan den dag en naderde zijn vrouw met open armen. Mejuffrouw Bonacieux bood hem haar voorhoofd.
„Ik heb u wat mede te deelen,” zeide zij.—„Wat mede te deelen?” zeide Bonacieux verwonderd.—„O ja, iets zeer gewichtigs.”—„Zoo, ik heb u eenige tamelijk ernstige vragen te doen. Verklaar mij eens uw ontvoering, als gij zoo goed wilt zijn.”—„Dat is voor het oogenblik de zaak niet,” zeide juffrouw Bonacieux.—„En wat dan? mijn inhechtenisneming?”—„Ikvernam die denzelfden dag, maar daar gij niet schuldig waart aan eenige misdaad, noch deel hadt genomen in een of andere samenzwering, kortom, dewijl gij volstrekt met alles onbekend waart, wat u of iemand anders in gevaar had kunnen brengen, hechtte ik aan die gebeurtenis slechts de waarde, welke zij verdiende.”—„Gij spreekt er zeer gemakkelijk over, mejuffrouw!” hernam Bonacieux, verstoord over de weinige belangstelling, die zijn vrouw hem betoonde; „weet gij wel, dat ik een dag en een nacht in een cachot der Bastille heb doorgebracht?”—„Een dag en een nacht zijn spoedig voorbij; laat ons dus niet verder over uw gevangenschap spreken en op hetgeen mij tot u voert terugkeeren.”—„Hoe, wat u tot mij voert? Is het dan niet het verlangen een echtgenoot weder te zien, van wien gij sedert acht dagen gescheiden zijt geweest?” vroeg de winkelier gebelgd.—„Vooreerst dat en dan wat anders.”—„Spreek!”—„Iets van het grootste gewicht en van hetwelk onze toekomstige fortuin afhangt.”—„Onze fortuin is zeer veranderd, sedert ik u het laatst heb gezien, mejuffrouw Bonacieux! en het zou mij niet verwonderen, dat zij binnen eenige maanden een aantal lieden afgunstig zal maken.”—„Ja, vooral indien gij de voorschriften wilt volgen, die ik u geven zal.”—„Aan mij?”—„Ja, aan u. Er is een goede en heilige zaak te verrichten, mijnheer! en tegelijkertijd veel geld te verdienen.”
Juffrouw Bonacieux, over geld tot haar man sprekende, wist, dat zulks was hem in zijn zwak te tasten. Maar iemand, al ware hij ook winkelier, wanneer hij met een kardinaal de Richelieu slechts tien minuten gesproken heeft, is dezelfde man niet meer.
„Veel geld te verdienen?” zeide Bonacieux, zijn lippen vooruitstekende.—„Ja, veel.”—„Hoeveel ongeveer?”—„Duizend pistolen misschien.”—„Wat gij van mij verlangt, is dan zeer belangrijk?”—„Ja.” „Wat moet ik doen?”—„Oogenblikkelijk op reis gaan; ik zal u een brief toevertrouwen, dien gij onder hoegenaamd geen voorwendsel moogt afgeven en in persoonzult ter hand stellen.”—„En werwaarts moet ik mij begeven?”—„NaarLonden.”—„Ik! naarLonden?”—„Ten behoeve van anderen.”—„Wie zijn die anderen? Ik zeg u van te voren, dat ik niets meer blindelings doe en ik wil weten, niet alleen waaraan ik mij blootstel, maar ook voor wien ik mij blootstel.”—„Een voornaam persoon zendt en een voornaam persoon wacht u; de belooning zal uw verwachting overtreffen, ziedaar al wat ik u kan zeggen.”—„Al wederom intrigues, altijd intrigues, ik dank u, ik zal er mij in het vervolg voor wachten; de kardinaal heeft mij hieromtrent eenige inlichtingen gegeven.”—„De kardinaal!” riep juffrouw Bonacieux, „hebt gij den kardinaal gesproken?”—„Hij heeft mij doen komen,” antwoordde de winkelier trotsch.—„En gij hebt aan zijn uitnoodiging beantwoord, onvoorzichtige! die gij zijt.”—„Ik moet u zeggen, dat mij de keuze niet overbleef om te weigeren of te gaan; want ik bevond mij tusschen twee gerechtsdienaars. Het is bovendien nog waar dat ik, Zijne Eminentie niet kennende, mij van dat bezoek gaarne zou hebben zien vrijgesteld, indien zulks mogelijk ware geweest.”—„Heeft hij u dan mishandeld of bedreigd?”—„Hij heeft mij de hand geboden en mij zijn vriend genoemd.”—„Zijn vriend!”—„Verstaat gij, juffrouw! ik ben de vriend van den grooten kardinaal!”—„Van den grooten kardinaal!”—„Zoudt gij hem bijgeval dien naam betwisten, mejuffrouw!”—„Ik betwist hem niets, maar ik zeg u, dat de gunst des kardinaals wankelbaar is en men gek moet zijn, zich aan een minister te hechten; er bestaan machten, die de zijne overtreffen en die niet van de grilligheid eens menschen of van den uitslag der gebeurtenissen afhangen; het is aan die machten, dat men zich moet hechten.”—„Het doet mij leed, mejuffrouw, maar ik ken geen andere macht dan die van den grooten man, dien ik de eer heb te dienen.”—„Dient gij den kardinaal?”—„Ja, mejuffrouw! en als zijn dienaar zal ik niet veroorloven, dat gij u in complotten mengt tegen de veiligheid van denstaat en dat gij, gij! de plannen dient eener vrouw, die geen Fransche is en een Spaansch hart omdraagt. Gelukkiglijk is de groote kardinaal aanwezig, zijn waakzaam oog dringt door alles heen en bespiedt het diepste van de harten.”
Bonacieux herhaalde woord voor woord een zinsnede, die hij van den graaf de Rochefort had gehoord; maar de arme vrouw, die op haar man had gerekend en in die hoop zich bij de koningin voor hem verantwoordelijk had gesteld, beefde niet alleen om het gevaar, waarin zij zich bijna had begeven, maar ook over de onmacht, in welke zij zich bevond. Intusschen, de zwakheid en vooral de geldzucht van haar man kennende, wanhoopte zij niet hem toch nog tot haar oogmerk over te halen.
„Ha, gij zijt kardinalist; mijnheer!” riep zij. „Ha! gij dient de partij van hen, die uw vrouw mishandelen en de koningin beleedigen!”—„De bijzondere belangen komen niet in aanmerking tegenover de belangen van het algemeen. Ik ben de partij toegedaan van hen, die den staat redden!” zeide Bonacieux op hoogdravenden toon. Dat was een andere zinsnede van den graaf de Rochefort, die hij onthouden had en welke hij nu gelegenheid vond te bezigen.
„En weet gij wat het is, die staat van welken gij spreekt?” vroeg juffrouw Bonacieux, de schouders ophalende. „Stel u tevreden, een burger zonder de minste arglistigheid te zijn, en schaar u aan die zijde, waar het meeste voordeel is te behalen.”—„Nu, nu!” zeide Bonacieux op een gevulden zak slaande, die een zilverklank van zich gaf; „wat zegt gij van dit, mejuffrouw de predikster!”—„Van wien hebt gij dat geld?”—„Gij raadt het niet.”—„Van den kardinaal?”—„Van hem en van mijn vriend, den graaf de Rochefort.”—„Van den graaf de Rochefort? maar hij is het, die mij heeft ontvoerd!”—„Dat is wel mogelijk, mejuffrouw!”—„En gij ontvangt geld van dien man?”—„Hebt gij mij niet gezegd, dat die ontvoering alleen uit staatkunde was gepleegd?”—„Ja; maar die ontvoeringhad tot doel mij mijn meesteres te doen verraden, mij door folteringen bekentenissen af te persen, die de eer en wellicht het leven van mijn doorluchtige meesteres konden bedreigen.”—„Mejuffrouw!” hernam Bonacieux, „uw meesteres is een verraderlijke Spaansche vrouw, en wat de kardinaal doet is welgedaan.”—„Mijnheer!” zeide de jonge vrouw, „ik wist, dat gij gierig, lafhartig en dom waart, maar ik wist niet, dat gij een eerlooze waart.”—„Mejuffrouw!” zeide Bonacieux, die nooit zijn vrouw in toorn had gezien en voor huiselijken twist bang was, „mejuffrouw! wat zegt gij?”—„Ik zeg, dat gij een ellendeling zijt,” ging mejuffrouw Bonacieux voort, die bemerkte, dat zij eenigen invloed op haar man begon te herwinnen. „Wel zoo, gij bemoeit u met staatkunde, gij? en nog wel met de staatkunde van den kardinaal! Ha! ha! gij geeft u voor geld met ziel en lichaam den duivel over!”—„Neen, maar den kardinaal.”—„Dat is hetzelfde!” riep de jonge vrouw. „Die Richelieu noemt, noemt satan.”—„Zwijg, zwijg, mejuffrouw! men zou u kunnen hooren.”—„Ja, gij hebt gelijk, uw laagheid zou mij doen blozen.”—„Maar wat wilt gij dan van mij, laat hooren?”—„Ik heb het u reeds gezegd, van dadelijk te vertrekken, mijnheer! en waardiglijk de zending te vervullen, die ik mij verwaardig u op te dragen, en op die voorwaarde wil ik alles vergeten; en wat meer is (en zij reikte hem de hand), geef ik u mijn vriendschap weder.”
Bonacieux was lafhartig en gierig, maar hij beminde zijn vrouw; hij werd verteederd. Een man van vijftig jaren is niet lang verstoord op een vrouw van drie en twintig. Mejuffrouw Bonacieux zag zijn weifeling.
„Welaan,” zeide zij, „zijt gij tot een besluit gekomen?”—„Maar, mijn beste lieve! overweeg toch eens wat gij van mij vergt?Londenis ver vanParijs, zeer ver, en wellicht is de boodschap, waarmede gij mij belast, niet zonder gevaar.”—„Wat doet het er toe, indien gij dat gevaar vermijdt.”—„Luister, mejuffrouw!” zeide de winkelier, „luister, ik weiger volstrekt, ikweiger, ik ben bang voor intrigues. Ik, ik heb de Bastille gezien. Brrr!.... dat is allerakeligst, de Bastille! Ik krijg kippenvel, als ik er slechts aan denk. Men heeft mij met de pijnbank bedreigd. Dan wringt men je beenen tusschen planken, totdat de splinters uit het vleesch komen! Neen, op mijn woord, ik zal niet gaan.... En,morbleu!waarom gaat gij zelve niet? want waarlijk, ik geloof, dat ik mij tot hiertoe in u heb bedrogen; ik geloof, dat gij een man, en nog wel een der ongemakkelijkste zijt.”—„En gij zijt een vrouw, een ellendige, domme en lage vrouw. O! gij zijt bang! Welnu, indien gij niet onmiddellijk vertrekt, laat ik u op bevel der koningin in die Bastille werpen, welke gij zoozeer vreest.”
Bonacieux verzonk in een diepe overweging; hij overwoog rijpelijk beide gramschappen, die van den kardinaal en die der koningin; die des kardinaals overtrof de andere grootelijks.
„Laat mij op bevel der koningin in hechtenis nemen,” zeide hij, „ik zal mij op Zijne Eminentie beroepen.”
Juffrouw Bonacieux bemerkte nu eerst, dat zij te ver was gegaan, en scheen hierover beangst. Zij beschouwde een oogenblik verschrikt dat dom gelaat, waarop een onwrikbaar besluit stond uitgedrukt, als dat eens dwazen, die bang is.
„Welnu dan, het zij zoo!” zeide zij, „bij slot van rekening hebt gij gelijk; een man weet meer van staatkunde dan een vrouw, en gij vooral, mijnheer Bonacieux! daar gij met den kardinaal hebt gesproken; echter is het voor mij zeer hard,” vervolgde zij, „dat mijn man, iemand, op wiens vriendschap ik meende te kunnen vertrouwen, mij zoo onbeleefd behandelt, en aan mijn begeerten niet wil voldoen.”—„Uw begeerten zouden iemand te ver kunnen brengen, en ik wantrouw ze,” hernam Bonacieux zegevierend.—„Ik zal er dan van afzien,” zeide de jonge vrouw zuchtende; „het is wel, laat ons er niet meer van spreken.”—„Indien gij mij ten minste zeidet, wat ik teLondenmoest doen,” zeide Bonacieux, die zich een weinig te laat herinnerde,dat Rochefort hem had aanbevolen pogingen te doen, ten einde de geheimen zijner vrouw te ontdekken.—„Het is niet noodig, dat gij het thans weet,” antwoordde de jonge vrouw, die als door ingeving wantrouwend werd en thans terugtrad; „het betreft eene dier kleinigheden, naar welke de vrouwen zoo dikwijls begeerte koesteren, een aankoop, waaraan veel te verdienen was.”
Maar hoe meer de jonge vrouw zich terugtrok, te meer verbeeldde zich Bonacieux, dat het geheim, hetwelk zij weigerde hem mede te deelen, belangrijk was. Hij besloot dus oogenblikkelijk den graaf de Rochefort te gaan spreken, om hem te zeggen, dat de koningin een boodschapper zocht, om dien naarLondente zenden.
„Vergeef mij, indien ik u moet verlaten, mijn lieve!” zeide hij; „maar niet wetende, dat gij mij heden een bezoek zoudt komen brengen, had ik een samenkomst met een mijner vrienden bepaald; ik kom dadelijk weer terug, en indien gij mij slechts een oogenblik wilt wachten, kom ik, zoodra ik met mijn vriend heb afgehandeld, u afhalen en dewijl het laat wordt, zal ik u naar het Louvre vergezellen.”—„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij zijt niet moedig genoeg, om mij in welk opzicht ook van dienst te kunnen zijn, en ik zal wel alleen naar het Louvre terugkeeren.”—„Zooals gij verkiest, mejuffrouw,” hernam de ex-winkelier. „Zie ik u spoedig terug?”—„Wel zeker, de aanstaande week, ik hoop, dat mijn werkzaamheden mij eenige verpoozing zullen schenken en dan zal ik er van gebruik maken, om een weinig orde op onze zaken te stellen, die deerlijk in de war moeten zijn.”—„Goed, ik zal u wachten. Gij zijt op mij niet verstoord?”—„Ik? in het geheel niet.”—„Dan tot weerziens.”—„Tot weerziens.”—En Bonacieux kuste de hand zijner vrouw en verwijderde zich overhaast.
„Welaan,” zeide juffrouw Bonacieux, toen haar man de voordeur had gesloten en zij zich alleen bevond, „dien dwaas ontbrak het nog kardinalist te zijn. Enik, die mij voor hem bij de koningin verantwoordelijk heb gesteld, ik, die mijn arme meesteres heb beloofd.... Ach, mijn God! mijn God! Zij zal mij beschouwen als een dier ellendelingen, van welke het paleis wemelt en die haar omringen om haar te bespieden.... Ach, mijnheer Bonacieux! ik heb u nooit veel bemind; maar thans is het erger, ik haat u en op mijn woord, gij zult het mij betalen.”
Terwijl zij deze woorden sprak, deed een slag tegen de zoldering haar het hoofd opheffen en een stem, die haar door de planken in de ooren klonk, riep haar toe:
„Lieve mejuffrouw Bonacieux! open mij de kleine gangdeur, dan zal ik bij u komen.”