HOOFDSTUK XVIII.

Minnaar en echtgenoot.

„O, lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, door de deur binnenkomende, welke de jonge vrouw voor hem opende, „veroorloof mij het u te zeggen; gij bezit al een raren echtgenoot.”—„Hebt gij dan ons gesprek gehoord?” vroeg juffrouw Bonacieux haastig, d’Artagnan met ongerustheid beschouwende.—„Geheel en al.”—„Maar op welke wijze, mijn God!”—„Door een aan mij alleen bekend middel, en door hetwelk ik ook het meer geruchtmakend gesprek van u met de gerechtslieden des kardinaals hoorde.”—„En wat hebt gij verstaan van hetgeen wij zeiden?”—„Duizenderlei zaken: vooreerst, dat uw man een zot, een dwaas is; gelukkig, dat gij in verlegenheid zijt, waarover ik zeer verheugd ben, immers dit stelt mij in de gelegenheid u van dienst te zijn, en God is het bekend, hoe ik er naar streef, om voor u door het vuur te loopen, en eindelijk dat de koningin een moedigen, verstandigen en trouwen dienaar behoeft om voor haar een reis naar Londen te doen. Ik heb ten minste twee der hoedanigheden,die er vereischt worden, en ik ben gereed.”

Juffrouw Bonacieux antwoordde niet; maar haar hart klopte van blijdschap en een heimelijke hoop schitterde in haar oogen.—„En welken waarborg zult gij mij geven, indien ik u met deze zending belast?” vroeg zij.—„Mijn liefde voor u. Welaan! spreek, beveel, wat moet ik doen?”—„Mijn God! mijn God!” mompelde de jonge vrouw, „moet ik u een dergelijk geheim toevertrouwen, mijnheer, gij zijt nog zoo jong.”—„Nu, ik zie, dat gij iemand verlangt, die voor mij verantwoordelijk blijft.”—„Ik beken, dat zulks mij zou gerust stellen.”—„Kent gij Athos?”—„Neen.”—„Porthos?”—„Neen.”—„Aramis?”—„Neen; wie zijn die heeren?”—„Musketiers van den koning. Kent gij den heer de Tréville, hun kapitein?”—„O ja, hem ken ik, wel niet persoonlijk, maar door dikwijls de koningin over hem te hebben hooren spreken, als van een moedigen en trouwen edelman.”—„Gij vreest niet, dat hij u aan den kardinaal zal verraden, niet waar?”—„O, neen, volstrekt niet.”—„Welnu, openbaar hem uw geheim en vraag hem of gij, hoe gewichtig, hoe vreeselijk, hoe kostbaar dit geheim ook zij, het mij kunt vertrouwen.”—„Maar dat geheim behoort mij niet; en ik mag het zoo maar niet openbaren.”—„Gij wildet het wel aan den heer Bonacieux mededeelen,” zeide d’Artagnan gebelgd.—„Zooals men een brief aan de holte van een boom, aan den vleugel eens vogels, of aan den halsband van een hond toevertrouwt.”—„En echter gij ziet wel, dat ik u bemin.”—„Gij zegt het.”—„Ik ben een man van eer.”—„Ik wil het gelooven.”—„Ik ben moedig.”—„O, hiervan ben ik overtuigd.”—„Welnu, stel mij dan op de proef.”

Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met een laatste weifeling. Maar in zijn oogen schitterde een zoo vurige gloed, in zijn stem lag zooveel overtuiging, dat zij zich eindelijk overgehaald voelde op hem te vertrouwen. Bovendien bevond zij zich in een dier omstandigheden, waarin men alles moet wagen. Dekoningin was even goed verloren door een te ver gedrevene achterhoudendheid, als door een al te groot vertrouwen. Vervolgens, wij moeten het bekennen, de onwillekeurige gewaarwording, die zij voor dien jongen beschermer gevoelde, noopte haar te spreken.

„Luister,” zeide zij. „Ik geloof uw betuigingen en onderwerp mij aan uw verzekering.... Maar ik zweer u voor God, die ons hoort, dat, indien gij mij verraadt en mijn vijanden mij al mochten vergeven, ik mij echter het leven zal ontnemen en u van mijn dood beschuldigen.”—„En ik zweer u voor God, mejuffrouw!” zeide d’Artagnan, „dat indien ik gevangen word genomen, terwijl ik de bevelen zal ten uitvoer brengen, welke gij mij geeft, ik liever zal sterven, dan iets te zeggen of te doen, wat iemand in gevaar zou kunnen brengen.”

Toen deelde de jonge vrouw hem het verschrikkelijke geheim mede, waarvan het toeval hem reeds een gedeelte vóór deSamaritainehad geopenbaard. Het was een wederzijdsche liefdesverklaring. D’Artagnan’s gelaat blonk van vreugde en hoogmoed. Dat geheim, hetwelk hij bezat, die vrouw, welke hij beminde, het vertrouwen en de liefde maakten hem tot een reus.

„Ik vertrek,” zeide hij, „ik vertrek oogenblikkelijk.”—„Hoe, gij vertrekt!” riep juffrouw Bonacieux, „en uw kompagnie? uw kapitein?”—„Op mijn eer, gij hebt mij dat alles doen vergeten, lieve Constance! ja, gij hebt gelijk, ik heb een verlof noodig.”—„Wederom een hinderpaal,” lispte juffrouw Bonacieux smartelijk.—„O, dien!” riep d’Artagnan, na een oogenblik van overweging, „dien zal ik weten te overkomen, wees gerust.”—„Op wat wijze?”—„Ik zal nog heden avond den heer de Tréville een bezoek brengen, ik zal hem belasten, die gunst voor mij van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, te verzoeken.”—„Maar nu iets anders!”—„Wat?”—„Gij hebt misschien geen geld.”—„Misschien, is te veel,” zeide d’Artagnan glimlachende.—„Dan,” hernam juffrouw Bonacieux, een kast openende en daaruit den zak halende, dien een halfuur te voren haar echtgenoot met zooveel teederheid streelde, „neem dien zak.”—„Dien van den kardinaal!” riep d’Artagnan, in gelach uitbarstende, want zooals men zich zal herinneren, was hem, tengevolge der uitgehaalde plaveien, geen woord ontgaan van het gesprek des winkeliers met zijn vrouw.—„De zak van den kardinaal,” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij ziet wel, dat hij zich onder een tamelijk achtenswaardig uiterlijk voordoet.”—„Pardieu!” riep d’Artagnan, „het zal voor mij dubbel vermakelijk zijn, de koningin te redden met het geld Zijner Eminentie.”—„Gij zijt een beminnelijk en bevallig jongeling,” zeide juffrouw Bonacieux, „geloof, dat Hare Majesteit niet ondankbaar zal zijn.”—„O, ik ben al rijkelijk beloond!” riep d’Artagnan; „ik bemin u, gij veroorlooft mij u zulks te zeggen, dat is al meer geluk dan ik durfde hopen....”—„Stil,” zeide juffrouw Bonacieux verschrikt.—„Wat?”—„Men spreekt op straat. Het is de stem van mijn man. Ja, ik heb haar herkend.”

D’Artagnan liep naar de deur en schoof den grendel er op.—„Hij zal niet eer binnenkomen, alvorens ik mij verwijderd heb,” zeide hij, „en dan kunt gij hem de deur openen.”—„Maar ik had ook moeten vertrokken zijn; en hoe de verdwijning van dien zak gelds te verklaren, indien ik er nog ben?”—„Gij hebt gelijk, gij moet ook van hier.”—„Maar hoe, hij zal ons zien uitgaan.”—„Dan moet gij in mijn kamer gaan.”—„O!” riep juffrouw Bonacieux, „gij zegt mij dit op een toon, die mij verschrikt.”

Juffrouw Bonacieux sprak deze woorden uit met tranen in de oogen. D’Artagnan zag die tranen en ontroerd, verteederd, wierp hij zich voor haar op de knieën.—„In mijn kamer zult gij zoo zeker als in een tempel zijn, op mijn woord van edelman!”—„Laat ons dan gaan,” zeide zij, „ik vertrouw mij aan u, mijn vriend!”

D’Artagnan schoof wederom den grendel van de deur en beiden, licht als schimmen, slopen door de binnendeur in de gang, klommen stil de trap op entraden de kamer van d’Artagnan binnen. Zoodra zij in de kamer waren, grendelde de jongeling tot meer zekerheid de deur; vervolgens naderden beiden het venster en door een reet van het luik zagen zij den heer Bonacieux, die met een man in een mantel gewikkeld in gesprek was. Op het zien van den mantel sprong d’Artagnan op, en zijn degen ten halve uittrekkende, snelde hij naar de deur. Het was de man vanMeung.

„Wat wilt gij doen?” riep juffrouw Bonacieux; „gij zult ons in het verderf storten!”—„Maar ik heb gezworen, dien man om het leven te brengen!” zeide d’Artagnan.—„Uw leven is op het oogenblik aan den dienst van een andere gewijd en behoort u niet. In naam der koningin, verbied ik u volstrekt, u in eenig gevaar te begeven, dat vreemd aan uw reis is.”—„En beveelt gij niets uit uw naam?”—„In mijn naam,” zeide juffrouw Bonacieux met levendige aandoening, „in mijn naam smeek ik u er om. Maar luister, het schijnt dat zij over mij spreken.”

D’Artagnan naderde het venster en luisterde. De heer Bonacieux had de deur geopend, maar het vertrek ledig ziende, was hij naar den man met den mantel teruggekeerd, welken hij een oogenblik te voren verlaten had.

„Zij is vertrokken,” zeide hij, „zij zal naar het Louvre zijn teruggekeerd.”—„Gij zijt immers zeker,” antwoordde de vreemdeling, „dat zij betreffende het oogmerk van uw uitgaan niets heeft vermoed?”—„Neen,” antwoordde Bonacieux vol vertrouwen, „zij is een al te onnoozele vrouw.”—„Is de kadet der gardes te huis?”—„Ik geloof neen; zooals gij ziet is het raam zijner kamer gesloten, en men ziet niet het minste licht door de reten schijnen.”—„Dat doet er niet toe, wij moeten er ons van overtuigen.”—„Op wat wijze?”—„Door aan zijn deur te kloppen, terwijl ik zijn knecht zal ondervragen.”—„Goed.”

Bonacieux keerde in huis terug, ging dezelfde deur binnen, door welke de beide vluchtelingen waren vertrokken,klom de trap op tot aan de kamer van d’Artagnan en klopte. Niemand antwoordde. Porthos had, om meer pracht ten toon te spreiden, Planchet dien avond in zijn dienst genomen. Wat d’Artagnan betreft, deze zorgde er wel voor niet het minste teeken van leven te geven. Op het oogenblik, dat de vinger van Bonacieux op de deur klonk, voelden de jongelieden hun harten kloppen.

„Er is niemand in zijn kamer,” zeide Bonacieux.—„Het doet er niet toe, gaan wij liever in huis, wij zullen daar vertrouwelijker kunnen spreken dan voor de deur.”—„Ach, mijn God!” lispte juffrouw Bonacieux, „wij zullen nu niets meer hooren.”—„Integendeel,” zeide d’Artagnan, „wij zullen nu te beter kunnen hooren.”

D’Artagnan lichtte de drie of vier vloersteenen op, wat van zijn kamer een soort van oor van Dionysius maakte, spreidde een tapijt over den grond, ging op de knieën liggen en wenkte juffrouw Bonacieux, om zich over de opening te buigen, zooals hij deed.

„Gij zijt zeker, dat ons niemand kan beluisteren?”—„Niemand, dat verzeker ik u,” antwoordde Bonacieux.—„En gij denkt, dat uw vrouw naar het Louvre is teruggekeerd, zonder iemand anders gesproken te hebben dan u?”—„Daarvan ben ik zeker.”—„Gij begrijpt, dat het een gewichtig punt is.”—„Dus heeft het nieuws, dat ik u heb medegedeeld, eenige waarde?”—„Een zeer groote, mijn waarde Bonacieux! dat ontveins ik u niet.”—„Dan zal de kardinaal ook zeker tevreden over mij zijn?”—„Daar twijfel ik niet aan.”—„Die groote kardinaal!”—„Zijt gij zeker, dat uw vrouw, met u sprekende, zich geen namen heeft laten ontvallen?”—„Ik meen van neen.”—„Heeft zij mevrouw de Chevreuse, noch den hertog van Buckingham of mevrouw de Vernet genoemd?”—„Neen, zij heeft mij niets anders gezegd, dan dat zij mij naarLondenwilde zenden met een boodschap van een doorluchtig personage.”

„De verrader!” mompelde juffrouw Bonacieux.—„Stil,”zeide d’Artagnan, haar hand nemende, die zij hem gedachteloos overliet.

„Wat er van zij,” ging de man met den mantel voort, „gij hebt dwaas gehandeld, den schijn niet aangenomen te hebben, die boodschap te willen doen, dan zoudt gij thans den brief hebben; de staat, die bedreigd is, zou gered zijn, en gij....”—„En ik?”—„Wel, de kardinaal zou u brieven van adeldom hebben verleend.”—„Heeft hij het u gezegd?”—„Ja, ik weet, dat hij u hiermede wilde verrassen.”—„Wees gerust,” hernam Bonacieux, „mijn vrouw aanbidt mij, en het is nog tijd.”

„Die zot!” mompelde juffrouw Bonacieux.—„Stil,” herhaalde d’Artagnan, haar nog sterker de hand drukkende.

„Hoe! is het nog tijd?” hernam de man met den mantel.—„Ik keer naar het Louvre terug en vraag om juffrouw Bonacieux te spreken, aan wie ik zal zeggen, dat ik van gedachten veranderd ben; ik knoop de zaak weder aan, verkrijg den brief en spoed mij naar den kardinaal.”—„Welnu, haast u dan; ik zal fluks terug zijn, ten einde te vernemen hoe de zaak is afgeloopen;” en de vreemdeling vertrok.

„Die eerlooze!” zeide juffrouw Bonacieux, wederom haar man dien naam gevende.—„Stil!” herhaalde d’Artagnan, haar hand nog vuriger drukkende.

Een afgrijselijk gebrul brak op dat oogenblik de overwegingen van d’Artagnan en van juffrouw Bonacieux af. Het kwam voort van haar man, die, bemerkt hebbende dat zijn zak met geld was verdwenen, begon te roepen: „Houdt den dief! houdt den dief!”

Bonacieux schreeuwde een geruime poos maar dewijl naar dergelijke kreten niemand in de Doodgraversstraat luisterde, en daarenboven het huis van den winkelier sedert eenigen tijd in geen goede faam stond en hij niemand zag verschijnen, liep hij het huis uit, al schreeuwende, terwijl men zijn stem hoorde, die in de verte, in de richting der straatdu Bac, wegstierf.

„En thans, nu hij weg is,” zeide juffrouw Bonacieux,„is het uw beurt, u ook te verwijderen; moed, maar vooral voorzichtigheid, en wees indachtig, dat gij der koningin behoort.”—„U en haar!” riep d’Artagnan. „Wees gerust, schoone Constance! ik zal harer erkentelijkheid waardig worden; maar zal ik, wederkeerende, uw liefde waardig zijn?”—De jonge vrouw antwoordde slechts door een levendigen blos, die haar wangen kleurde.

Eenige oogenblikken later verwijderde d’Artagnan zich op zijn beurt, ook in een wijden mantel gehuld, die van onder werd opgeheven door de scheede van een langen degen. Juffrouw Bonacieux volgde hem met de oogen en met dien smachtenden liefdeblik, dien de vrouw, welke voor een man liefde voelt ontstaan, op dezen werpt, wanneer hij zich verwijdert; maar toen hij om den hoek der straat verdween, viel zij op de knieën, en de handen vouwende, riep zij: „O, mijn God! bescherm de koningin! bescherm mij!”

Reisplan.

D’Artagnan begaf zich rechtstreeks naar den heer de Tréville. Hij overwoog, dat de kardinaal na weinige oogenblikken door dien vervloekten onbekende, die zijn agent scheen te zijn, zou verwittigd worden, en bedacht, dat er geen oogenblik te verliezen was. Het hart des jongelings vloeide over van vreugd. Het was een avontuur, dat hem èn roem te verwerven,èngeld te winnen aanbood, en dat hem als eerste aanmoediging met een vrouw, die hij aanbad, in nauwere aanraking bracht. Het toeval schonk hem reeds bij den aanvang meer dan hij van de Voorzienigheid had durven vragen.

De heer de Tréville was in zijn salon met zijn gewoon gezelschap edellieden.... D’Artagnan, dien men alseen vriend des huizes kende, begaf zich rechtstreeks naar zijn kabinet en deed hem verwittigen, dat hij hem over iets zeer gewichtigs te spreken had.

D’Artagnan was nauwelijks vijf minuten daar, toen de heer de Tréville binnentrad. Bij den eersten aanblik de vreugd opmerkende, die op zijn gelaat blonk, begreep de waardige kapitein, dat er werkelijk iets nieuws moest wezen. Den geheelen weg langs had d’Artagnan bij zich zelven overlegd, of hij alles den heer de Tréville zou toevertrouwen, dan wel dezen alleen zou vragen hem het noodige verlof te geven ter uitvoering eener geheime zending. Maar de heer de Tréville was steeds zoo uitermate goed jegens hem geweest, hij was den koning en de koningin zoo genegen, terwijl hij den kardinaal zoozeer vijandig was, dat de jongeling besloot hem alles te zeggen.

„Gij hebt mij laten roepen, mijn jonge vriend?”—„Ja, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en gij zult mij verschoonen, hoop ik, u gestoord te hebben, wanneer gij het gewicht der zaak zult kennen, waarvan er sprake is.”—„Spreek dan, ik luister.”—„Het betreft niets minder,” zeide d’Artagnan, zijn stem verzachtende, „dan de eer en misschien wel het leven der koningin.”—„Wat zegt gij daar?” vroeg de heer de Tréville, rondziende om zich te verzekeren of zij wel alleen waren en daarna zijn vragenden blik weder op d’Artagnan vestigende.—„Ik zeg u, mijnheer! dat het toeval mij in het bezit heeft gesteld van een geheim.”—„Dat ik hoop, jongeling, dat gij uw leven lang zult bewaren.”—„Maar dat ik aan u, mijnheer, moet toevertrouwen, want gij alleen kunt mij helpen in de zending, die mij van wege Hare Majesteit is opgedragen geworden.”—„Behoort u dat geheim?”—„Neen, mijnheer, het behoort aan de koningin.”—„Is u door Hare Majesteit vergunning verleend het mij toe te vertrouwen?”—„Neen, mijnheer! integendeel, de grootste geheimhouding is mij aanbevolen.”—„En waarom wilt gij het dan aan mij mededeelen?”—„Omdatik, ik herhaal het, zonder u niets kan doen en bevreesd ben, dat gij mij de gunst zult weigeren, die ik u kom verzoeken, indien gij niet weet, met welk oogmerk ik u die vraag doe.”—„Bewaar uw geheim, jongeling! en zeg mij wat gij verlangt.”—„Ik verlang, dat gij voor mij van den heer des Essarts een veertiendaagsch verlof verkrijgt.”—„Voor wanneer?”—„Voor nog dezen nacht.”—„Verlaat gijParijs?”—„Ik moet een zending volbrengen.”—„Kunt gij mij zeggen waar?”—„InLonden.”—„Heeft iemand er belang bij, dat gij uw doel niet bereikt?”—„De kardinaal, geloof ik, zou alles ter wereld geven, om mijn reis te beletten.”—„En vertrekt gij alleen?”—„Ik vertrek alleen.”—„In dat geval zult gijBondyniet voorbij komen! dat zeg ik u, zoo waar ik Tréville heet.”—„Waarom dat?”—„Men zal u vermoorden.”—„Ik zal sterven in het vervullen van mijn plicht.”—„Maar uw zending zal niet vervuld zijn.”—„Dat is waar,” zeide d’Artagnan.

„Geloof mij,” vervolgde de Tréville, „in dergelijke ondernemingen moet men een viertal zijn, opdat er één het doel bereike.”—„O! gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan; „maar gij kent Athos, Porthos en Aramis, en gij weet of ik over hen kan beschikken.”—„Zonder hun het geheim te vertrouwen, dat ik niet wil kennen?”—„Wij hebben elkander eens voor altijd een blind vertrouwen en onverbreekbare trouw gezworen; buitendien, gij kunt hun zeggen, dat gij volkomen vertrouwen in mij stelt, en zij zullen niet minder geloovig zijn dan gij.”—„Ik kan aan elk hunner een verlof van veertien dagen doen geworden, dat is al; aan Athos, wiens wonde hem nog steeds doet lijden, om naar de baden vanForgeste gaan; aan Porthos en Aramis, om hun vriend te volgen, dien zij in een zoo smartelijken toestand niet willen verlaten. Het zenden hunner verlofpassen zal ten bewijze strekken, dat ik in hun reis toestem.”—„Ik dank u, mijnheer! voor uw zoo groote goedheid.”—„Ga hen dus oogenblikkelijk zoeken, en dat nog dezen nacht alles worde uitgevoerd. Ha! maarschrijf mij eerst uw verzoek aan den heer des Essarts. Een spion zou wellicht uw schreden gevolgd kunnen hebben, en uw bezoek, dat in dat geval reeds aan den kardinaal bekend is, wordt hierdoor verklaard.”

D’Artagnan stelde het verzoek op, en de heer de Tréville, het uit zijn handen ontvangende, verzekerde, dat vóór twee uur des ochtends de vier verlofpassen aan de huizen der belanghebbenden zouden zijn bezorgd.

„Wees zoo goed, mijnheer! den mijnen aan het huis van den heer Athos te doen afgeven,” zeide d’Artagnan. „Ik vrees, naar huis gaande, een slechte ontmoeting te hebben.”—„Wees gerust, vaarwel en goede reis!.... A propos!” zeide de heer de Tréville, hem terugroepende.—D’Artagnan keerde op zijn schreden terug.—„Hebt gij geld?”—D’Artagnan liet den geldzak klinken, dien hij bij zich had.—„Genoeg?” vroeg de heer de Tréville.—„Driehonderd pistolen.”—„Goed, met zooveel doet men een reis rondom de wereld; vaarwel dan!”

D’Artagnan groette den heer de Tréville, die hem de hand reikte. D’Artagnan drukte ze met eerbied en dankbaarheid. Sedert hij teParijswas gekomen, was deze voortreffelijke man voor hem steeds goed geweest, en had hij hem nooit anders dan achtenswaardig, trouw en grootmoedig gevonden.

Zijn eerste bezoek gold Aramis; hij was bij zijn vriend, sedert dien gewichtigen avond, op welken hij juffrouw Bonacieux was gevolgd, niet teruggekeerd. En wat meer zegt, nauwelijks had hij den jongen musketier weergezien, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, meende hij een diepe treurigheid op zijn aangezicht te zien uitgedrukt. Ook dezen avond vond hij Aramis wakende, in treurige droomerijen verzonken. D’Artagnan deed hem eenige vragen omtrent deze langdurige droefgeestigheid; Aramis verontschuldigde zich met een uitlegging van het achttiende kapittel van den Heiligen Augustinus, dat hij in het Latijn voor de volgende week moest gereed hebben en dat hem veel hoofdbrekens veroorzaakte.

Terwijl de beide vrienden eenige oogenblikken aldus gesproken hadden, trad een dienaar des heeren de Tréville met een verzegeld pakket binnen.—„Wat is dat?” vroeg Aramis.—„Het verlof, waarom mijnheer heeft verzocht,” antwoordde de lakei.—„Ik? ik heb geen verlof gevraagd.”—„Zwijg en neem aan!” zeide d’Artagnan. „En ziedaar, mijn vriend! hebt gij een halve pistool voor uw moeite; gij zult den heer de Tréville zeggen, dat de heer Aramis hem van harte laat bedanken. Ga!”—De lakei maakte een diepe buiging en vertrok.

„Wat beteekent dat?” vroeg Aramis.—„Neem het noodige voor een reis van veertien dagen en volg mij.”—„Maar ik kanParijsvoor het oogenblik niet verlaten, zonder te weten....”—Aramis zweeg.—„Wat er van haar geworden is, niet waar?” vroeg d’Artagnan.—„Van wie?” hernam Aramis.—„Van de vrouw, die hier was, de vrouw met den geborduurden zakdoek.”—„Wie heeft u gezegd, dat hier een vrouw is geweest?” vroeg Aramis, als een doode verbleekende.—„Ik heb haar gezien.”—„En gij weet wie zij is?”—„Ik vermoed het.”—„Welnu,” zeide Aramis, „dewijl gij zooveel zaken weet, weet gij dan ook wat er van die vrouw geworden is?”—„Ik veronderstel, dat zij naarToursis teruggekeerd.”—„Tours?ja, dat is het, gij kent haar! Maar hoe komt het, dat zij naarToursteruggekeerd is, zonder mij te verwittigen?”—„Omdat zij vreesde te worden aangehouden.”—„Waarom heeft zij mij niet geschreven?”—„Omdat zij vreesde u in ongelegenheid te brengen.”—„D’Artagnan, gij geeft mij het leven weder!” riep Aramis. „Ik meende verraden te zijn; ik was zoo gelukkig haar weder te zien! ik kon niet gelooven, dat zij haar vrijheid voor mij zou wagen, en toch, voor welke andere reden zou zij teParijszijn gekomen?”—„Voor dezelfde reden, die ons naarEngelanddoet gaan.”—„En wat is die reden?” vroeg Aramis.—„Gij zult het eenmaal weten, Aramis! maar voor het oogenblik zal ik destilzwijgendheidin acht nemen omtrent denicht van den doctor in de godgeleerdheid.”

Aramis glimlachte, want hij herinnerde zich het sprookje, dat hij op zekeren avond aan zijn vrienden had verhaald.—„Welnu, dewijl zijParijsheeft verlaten en gij er zeker van zijt, d’Artagnan! houdt mij niets meer terug en ik ben bereid u te volgen. Gij zegt, dat wij gaan....”—„Voor het oogenblik naar Athos, en als gij wilt medegaan, verzoek ik u haast te maken, want wij hebben reeds veel tijd verloren. A propos! neem Bazijn mede.”—„Moet Bazijn ons vergezellen?” vroeg Aramis.—„Misschien; in alle geval is het noodzakelijk, dat hij ons nu naar Athos volgt.”

Aramis riep Bazijn, en na hem bevolen te hebben ten huize van den heer Athos zich bij hem te voegen, zeide hij: „Laat ons vertrekken,” en hij nam zijn mantel, zijn degen en zijn pistolen; toen trok hij drie of vier laden open, om te zien of er niet een of ander vergeten geldstuk in verscholen was. Vervolgens, toen hij zich overtuigd had, dat deze nazoeking vruchteloos was, volgde hij d’Artagnan, zich zelven afvragende, hoe de jonge kadet der garde even goed wist als hij, wie de vrouw was, aan welke hij de gastvrijheid had aangeboden en beter dan hij wist, wat er van haar geworden was.

Toen zij de kamer verlieten, legde Aramis zijn hand op den arm van d’Artagnan en hem strak aanziende, vroeg hij: „Hebt gij aan niemand over die vrouw gesproken? Aan niemand ter wereld, zelfs niet aan Athos of Porthos?”—„Ik heb er geen woord van gezegd.”—„Des te beter!”—En omtrent dit gewichtig punt gerustgesteld, vervolgde Aramis zijn weg met d’Artagnan en beiden kwamen dra bij Athos.

Zij vonden hem in de eene hand zijn verlofpas, in de andere den brief van den heer de Tréville houdende.—„Kunt gij mij verklaren, wat dat verlof en die brief beteekenen, welke ik zooeven ontvang?” vroeg Athos verbaasd:

„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naarForgesde baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden, en herstel spoedig.Uw toegenegenTréville.”

„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naarForgesde baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden, en herstel spoedig.

Uw toegenegenTréville.”

„Wel, dat verlof en die brief beteekenen, dat gij mij moet volgen, Athos!”—„Naar de mineraalbronnen vanForges?”—„Dáár of elders.”—„Voor den dienst des konings?”—„Des konings of der koningin. Zijn wij geen dienaren van beiden?”

Op dat oogenblik trad Porthos binnen.—„Pardieu!” zeide hij, „ziedaar iets zonderlings; sedert wanneer is het de gewoonte onder de musketiers geworden, de lieden verlof te geven, zonder dat zij er om vragen?”—„Sedert zij vrienden hebben, die het voor hen vragen,” antwoordde d’Artagnan.—„Zoo!” zeide Porthos, „het schijnt dat er wat nieuws is voorgevallen.”—„Ja, wij vertrekken,” zeide Aramis.—„Naar welk land?” vroeg Porthos.—„Op mijn woord, ik weet het niet,” zeide Athos, „vraag het aan d’Artagnan.”

„NaarLonden, mijne heeren!” zeide d’Artagnan.—„NaarLonden?” riep Porthos; „en wat moeten wij teLondendoen?”—„Dat kan ik u niet zeggen, mijne heeren! en gij moet in mij vertrouwen stellen.”—„Maar om naarLondente gaan is er geld noodig, en ik heb het niet.”—„Noch ik,” zeide Aramis.—„Noch ik,” zeide Athos.—„Maar ik heb het!” zeide d’Artagnan, zijn schat uit zijn zak halende en dien op tafel leggende. „Er zijn in dezen zak driehonderd pistolen; nemen wij er elk vijf en zeventig; dat is genoeg om naarLondente gaan en weer terug te keeren. Maar weest gerust, allen komen wij toch niet teLonden.”—„En waarom niet?”—„Omdat, volgens alle waarschijnlijkheid, eenigen onzer onderweg zullen blijven.”—„Maar gaan wij dan een veldtocht beginnen?”—„Ja, en wel een zeer gevaarlijken, dat zeg ik u vooruit.”—„Doch hooreens,” zeide Porthos, „indien wij het leven wagen, wilde ik ten minste weten, waarom?”—„Daarmede zoudt gij ver gevorderd zijn,” hernam Athos.—„Echter,” zeide Aramis, „ben ik van het gevoelen van Porthos.”—„Heeft de koning de gewoonte u rekenschap te geven? Neen, hij zegt u eenvoudig: Mijne heeren! men strijdt inGaskonjeof inVlaanderen; gaat ten oorlog! en gij gaat. Waarom? gij bekommert u hierover niet eens.”—„D’Artagnan heeft gelijk,” zeide Athos. „Ziedaar onze drie verlofpassen, die ons de heer de Tréville zendt, en ziedaar driehonderd pistolen, die komen, ik weet niet van waar. Gaan wij den dood tegemoet, waar men ons zegt te gaan. Is het leven zooveel vragen waard? D’Artagnan! ik ben bereid u te volgen.”—„En ik ook!” zeide Porthos.—„En ik ook!” herhaalde Aramis. „Daarbij, het doet mij geen leedParijste verlaten. Ik moet ontspanning hebben.”—„Welnu, gij zult ontspanning hebben, mijne heeren! weest gerust,” zeide d’Artagnan.

„En wanneer vertrekken wij?” vroeg Athos.—„Onmiddellijk,” antwoordde d’Artagnan; „er is geen minuut te verliezen.”

„Hola! Grimaud, Planchet, Mousqueton, Bazijn!” schreeuwden de vier jongelingen, hun lakeien roepende, „poetst onze laarzen en haalt de paarden uit het hotel,” want elk musketier liet in het hotel der musketiers, als in een kazerne, zijn paard en dat van zijn lakei staan.—Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertrokken in allerijl.

„Maken wij thans een plan van den veldtocht,” zeide Porthos; „werwaarts gaan wij het eerst?”—„NaarCalais,” zeide d’Artagnan, „dat is de naaste weg om naarLondente gaan.”—„Welnu,” zeide Porthos, „ziehier mijn plan.”—„Spreek!”—„Vier mannen, te zamen reizende, zullen achterdocht opwekken; daarom moet d’Artagnan elk onzer zijn voorschriften geven. Ik zal den weg vanBoulognenemen als voorhoede; Athos zal, twee uren later, dien vanAmiënsnemen, en Aramis zal ons langs dien vanNoyonvolgen;wat d’Artagnan betreft, deze zal den weg nemen, dien hij verkiest, in de kleederen van Planchet, terwijl Planchet ons zal volgen in die van d’Artagnan, in de uniform der gardes.”—„Mijne heeren! naar mijn inzien is het niet betamelijk, lakeien in dergelijke zaken te mengen; een geheim kan toevalligerwijze door een edelman worden verraden, maar door lakeien wordt het gewoonlijk verkocht.”—„Het plan van Porthos schijnt mij onuitvoerbaar te zijn,” zeide d’Artagnan, „daar ik zelf niet weet, welke voorschriften ik u zou kunnen geven. Ik ben met een brief belast, dat is alles. Ik heb geen afschriften van dezen brief, noch kan die er van maken, dewijl hij verzegeld is; wij moeten dus, naar mijn gedachte, in gezelschap reizen. Die brief is hier, in dezen zak;” en hij toonde den zak, waarin zich de brief bevond. „Indien ik gedood word, zal een uwer er zich mede belasten; en gij zult uw weg vervolgen; indien hij gedood wordt, dan is het de beurt van een anderen, en zoo vervolgens; als er slechts één aankomt, dat is genoeg.”

„Bravo, d’Artagnan! ik ben met u van hetzelfde gevoelen,” zeide Athos. „Buitendien, men moet zich gelijk blijven; ik ga de baden gebruiken, en gij vergezelt mij; in plaats van de bronnen vanForgesga ik de zeebaden gebruiken; hierin ben ik vrij. Indien men ons wil aanhouden, dan vertoon ik den brief van den heer de Tréville, en gij vertoont uw verlofpassen; wanneer men ons aanvalt, verdedigen wij ons; wanneer men ons veroordeelt, houden wij staande, dat wij geen ander voornemen hadden, dan om ons een zeker getal keeren in zee te dompelen; men kan gemakkelijk vier afzonderlijk reizenden overweldigen, maar vier mannen, die vereenigd zijn, vormen een kleine bende; wij zullen onze vier lakeien met pistolen en musketten wapenen, indien men een leger op ons afzendt, zullen wij den slag leveren, en de overblijvende, zooals d’Artagnan zegt, zal zich met den brief belasten.”—„Goed!” riep Aramis. „Gij spreekt niet dikwijls, maar wanneer gij spreekt, is het alsJan Goudmond. Ik keur het planvan Athos goed, en gij Porthos?”—„Ik ook,” zeide Porthos, „als het d’Artagnan bevalt. D’Artagnan, als bewaarder van den brief, is natuurlijk het hoofd der onderneming; dat hij besluite, en dat wij ten uitvoer brengen.”—„Welnu,” zeide d’Artagnan, „ik besluit, dat wij het plan van Athos moeten aannemen en binnen een half uur vertrekken.”—„Aangenomen!” herhaalden eenstemmig de drie musketiers.

En allen de hand naar den zak uitstrekkende, nam elk voor zich vijf en zeventig pistolen, waarna ieder zijn toebereidselen maakte om op het bepaalde uur te vertrekken.

De reis.

Te twee uur verlieten onze vier avonturiersParijsdoor de poort van SaintDenis; gedurende den geheelen nacht spraken zij geen woord; onwillekeurig ondervonden zij den invloed, dien de duisternis op hen uitoefende, en zij meenden in alles hinderlagen te zien. Bij de eerste stralen des dageraads geraakten hun tongen los; met de zon kwam hun vroolijkheid terug; het was als voor den dag van een veldslag, wanneer het hart klopt, de oogen glimlachen en men gevoelt, dat het leven, hetwelk men misschien gaat verliezen, bij slot van rekening toch een goede zaak is. De aanblik op de karavaan was overigens zeer ontzaginboezemend: de zwarte paarden der musketiers, hun krijgshaftige houding, de gewoonte, in gelederen te zijn geschaard, deed die fiere makkers van den soldaat voortschrijden op een wijze, dat zij het stiptst bewaarde incognito verraden zouden hebben.—De knechts volgden van top tot teen gewapend.

Alles ging goed tot aanChantilly, waar men tegen acht uur des ochtends aankwam. Men wilde ontbijten. Men steeg af voor een herberg, welke zich aanbevaldoor een uithangbord, St. Martinus voorstellende, de helft van zijn mantel aan een arme gevende. Men gelastte de knechts de paarden niet af te zadelen en zich gereed te houden onmiddellijk weder te vertrekken. Men trad de gelagkamer binnen en zette zich aan tafel. Een edelman, die den weg vanDammartinwas afgekomen, zat aan dezelfde tafel en ontbeet. Hij ving het gesprek aan met over regen en zonneschijn te spreken; de reizigers antwoordden; hij dronk op hun gezondheid, de reizigers beantwoordden zijn beleefdheid.

Maar op het oogenblik dat Mousqueton kwam berichten, dat de paarden gereed waren, en men van tafel opstond, stelde de vreemdeling Porthos voor op de gezondheid van den kardinaal te drinken. Porthos antwoordde, dat hem niets aangenamer zou zijn, indien de vreemdeling op zijn beurt op de gezondheid des konings wilde drinken. De vreemdeling riep uit, dat hij geen anderen koning kende dan Zijne Eminentie. Porthos schold hem voor een dronkaard uit; de vreemdeling trok zijn degen.

„Gij hebt een dwaasheid begaan,” zeide Athos, „maar het is niet anders, nu kunt gij niet meer terugtrekken: stoot dien man neer en vereenig u met ons zoodra mogelijk.”—En alle drie stegen te paard en verwijderden zich met lossen teugel, terwijl Porthos zijn vriend beloofde, hem met al de in de schermkunst bekende degenstooten te doorboren.

„Dat is er een,” zeide Athos, na ongeveer vijfhonderd schreden te hebben afgelegd.—„Maar waarom heeft die man Porthos liever dan een onzer aangevallen?” vroeg Aramis.—„Omdat hij Porthos, die meer sprak dan wij allen, als het hoofd beschouwde,” zeide d’Artagnan.—„Ik heb altijd gezegd, dat die Gaskonjer een put van wijsheid is,” mompelde Athos. En de reizigers vervolgden hun weg.

TeBeauvaisbleef men twee uren stil, zoowel om de paarden te doen rusten als om Porthos te wachten. Na verloop van twee uren ging men weder op weg, daar Porthos niet kwam, noch de minste tijding van zich gaf.

Op een uur afstands vanBeauvais, bij een plek, waar de weg tusschen een bergkloof loopt, ontmoette men acht of tien mannen, die, van de gesteldheid des wegs gebruik makende, welke daar ter plaatse van steenen was ontbloot, zich hielden, alsof zij er aan werkten door het delven van gaten en het maken van slijkachtige sporen.

Aramis, die in dien kunstmatigen modderpoel vreesde zijn laarzen te zullen bevlekken, sprak hen ongemakkelijk aan. Athos wilde hem tegenhouden, het was te laat. De werklieden begonnen de reizigers te bespotten en maakten zelfs het hoofd van den koelen Athos op hol, die zijn paard tegen een hunner injoeg. Toen weken al die mannen achteruit, tot aan den kant van den weg, waar zij eenige verborgen musketten grepen. Hiervan was het gevolg, dat onze zeven reizigers letterlijk een hagelbui van kogels door gingen. Aramis ontving een kogel, die hem den schouder doorboorde, en Mousqueton werd door een getroffen, die zich in het vleezige gedeelte der lendenen vestigde. Intusschen was het alleen Mousqueton, die van zijn paard viel; niet dat hij zwaar gekwetst was, maar uit hoofde hij, zijn wonden niet kunnende zien, meende gevaarlijker gekwetst te zijn dan wezenlijk het geval was.—„Dat is een hinderlaag,” zeide d’Artagnan, „geven wij geen vuur, maar voorwaarts!”

Aramis, hoezeer gekwetst, greep de manen van zijn paard, dat met de anderen voortjoeg. Dat van Mousqueton had hen bereikt en galoppeerde los in het gelid.—„Het zal ons tot een wisselpaard verstrekken,” zeide Athos.—„Ik had liever een hoed,” zeide d’Artagnan; „want de mijne is door een kogel weggenomen. Het is wel gelukkig dat de brief, dien ik bij mij heb, er niet in was.”—„Maar zij zullen dien armen Porthos om het leven brengen, wanneer hij zal voorbijkomen,” zeide Aramis.—„Indien Porthos goed ter been was, zou hij ons thans reeds hebben bereikt; ik geloof, dat, op de plaats des gevechts, de dronkaard nuchter zal zijn geworden.”—En men galoppeerde nog gedurendeeen paar uren, hoewel depaardenzeer vermoeid waren, zoodat het te vreezen stond, dat zij weldra hun dienst zouden weigeren.

De reizigers hadden een binnenweg ingeslagen, op die wijze hopende minder verontrust te worden, maar teCrèvecoeurverklaarde Aramis niet verder te kunnen gaan. En waarlijk, onder zijn bevallig uiterlijk en zijn beleefde manieren had hij de grootste kracht moeten inspannen om tot zooverre te geraken. Elk oogenblik verbleekte hij al meer, en men was genoodzaakt hem op zijn paard te ondersteunen; men hielp hem van zijn paard af, voor de deur eener herberg, en liet Bazijn bij hem, die trouwens in een schermutseling lastiger dan nuttig was, en men vertrok, in de hoop teAmiënsden nacht door te brengen.

„Morbleu!” zeide Athos, toen zij weder op weg waren, en de troep geslonken was tot twee meesters, Grimaud en Planchet. „Morbleu!ik zal mij niet meer laten verleiden; en ik beloof u, dat men niet in staat zal zijn mij den mond te doen openen of den degen te trekken van hier totCalais; dat zweer ik.”—„Zweren wij niet,” zeide d’Artagnan, „galoppeeren, dat is meer noodzakelijk, althans, indien onze paarden hierin bewilligen.”—En de reizigers drukten hun sporen in de buiken hunner paarden, die, geweldig geprikt, hun krachten terugvonden.

Men kwam te middernacht inAmiëns, waar men voor de herberg deGouden Lelieafsteeg.—De herbergier zag er uit als de eerlijkste man der wereld; hij ontving de reizigers, in de eene hand een blaker en in de andere zijn katoenen slaapmuts houdende; hij wilde de beide reizigers elk een fraaie kamer geven; maar ongelukkig was elk dier beide kamers aan een der einden van de herberg. D’Artagnan en Athos weigerden; de herbergier verzekerde hun echter, dat hij geen andere had, waardig Hunne Excellentiën te herbergen; maar de reizigers verklaarden, dat zij in de gelagkamer op een op den grond gespreide matras zouden slapen; de herbergier drong nog meer aan.... de reizigershielden vol.... men moest doen, wat zij verlangden.

Zij waren juist gereed met hun bed in orde te brengen en de deur van binnen te grendelen en te versperren, toen er op een der vensterluiken, die op de plaats uitkwamen, geklopt werd; zij vroegen, wie er was, herkenden de stem hunner knechts en openden.—Inderdaad, het waren Planchet en Grimaud.—„Grimaud zal voldoende zijn om de paarden op te passen,” zeide Planchet, „als de heeren het verkiezen, zal ik voor de deur gaan liggen; op die wijze zullen wij zeker zijn, dat men hen niet zal overvallen.”—„En waarop zult gij liggen?” vroeg d’Artagnan.—„Dat is mijn bed,” antwoordde Planchet, en hij vertoonde een bos stroo.—„Kom dan,” zeide d’Artagnan, „gij hebt gelijk, het gezicht van dien herbergier bevalt mij niet, het is al te vriendelijk.”—„Noch aan mij,” zeide Athos.

Planchet klom het venster in en ging voor de deur liggen, terwijl Grimaud zich in den stal opsloot, zijn woord gevende dat, te vijf uur des ochtends, hij en de vier paarden bij de hand zouden zijn. De nacht was tamelijk rustig; men trachtte wel, tegen twee uur in den morgen, de deur te openen, maar daar Planchet ijlings ontwaakte en riep: Wie dáár! werd geantwoord, dat men zich vergist had en men verwijderde zich.

Des morgens te vier uur hoorde men een groot geweld in den stal. Grimaud had de stalknechts willen wekken en dezen ranselden hem af. Toen men het venster opende, ontwaarde men den armen jongen, buiten kennis liggend, met een gat in het hoofd, hem door den steel van een hooivork toegebracht. Planchet ging naar beneden op de plaats en wilde de paarden zadelen; maar de paarden waren verstijfd. Dat van Grimaud alleen, hetwelk zonder ruiter vijf of zes uren den vorigen dag geloopen had, zou de reis hebben kunnen vervolgen; maar door een onbegrijpelijke vergissing had de veearts, dien men was gaan halen, naar het schijnt, in plaats van het paard des herbergiers dat van Grimaud een aderlating gedaan. Dat begon onrustwekkend te worden; al die opeenvolgende tegenspoeden warentoevalligerwijze ontstaan, maar zij konden evenzeer de gevolgen van een complot zijn.

Athos en d’Artagnan gingen uit, terwijl Planchet ging vernemen, of er niet een drietal paarden in den omtrek te koop waren. Voor de deur stonden twee paarden getoomd en gezadeld, frisch en sterk. Dat was juist wat men zocht. Hij vroeg naar de eigenaars en men antwoordde hem, dat de eigenaars den nacht in de herberg hadden doorgebracht en nu bezig waren den herbergier te betalen.

Athos ging naar beneden om ook de vertering te betalen, terwijl d’Artagnan en Planchet voor de deur op straat bleven; de herbergier bevond zich in een zeer afgelegen benedenvertrek; men verzocht Athos zich ook derwaarts te begeven. Athos trad zonder achterdocht binnen en haalde twee geldstukken te voorschijn, om te betalen. De herbergier was alleen en zat voor zijn schrijftafel, van welke een der laden geopend was. Hij nam het geld aan, dat Athos hem aanbood, keerde het om en om in zijn hand en riep eensklaps uit, dat het stuk valsch was, verklarende, dat hij hem en zijn makker als valsche munters zou doen gevangen nemen.

„Snaak,” zeide Athos, hem naderende, „ik zal u de ooren afsnijden.”—Maar de herbergier bukte, nam twee pistolen uit de lade en richtte ze op Athos, tevens om hulp roepende.

Tegelijkertijd traden vier goed gewapende mannen door de zijdeuren binnen en wierpen zich op Athos.—„Ik ben overweldigd!” riep Athos, uit al de kracht zijner longen, „maak u voort, d’Artagnan! voort, voort!”—En hij schoot zijn beide pistolen af.

D’Artagnan en Planchet lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij maakten de beide paarden los, die voor de deur stonden, sprongen er op, staken ze hun sporen diep in de zijden en vloden in een driedubbelen galop.

„Weet gij, wat er van Athos is geworden?” vroeg d’Artagnan aan Planchet.—„Ik heb er twee zien vallen op beide schoten, en door deglazen deurmeendeik hem met de anderen te zien schermen.”—„Dappere Athos!” mompelde d’Artagnan. „En wanneer men er aan denkt, dat men hem aan zijn lot moet overlaten! Trouwens, misschien wacht ons hetzelfde lot op tien schreden van hier. Voorwaarts, Planchet! voorwaarts! gij zijt een moedige kerel.”—„Ik heb het gezegd, mijnheer! de Pikardiërs leert men in het gebruik kennen; daarenboven, ik ben hier in mijn land, en dat moedigt mij aan.”

Opnieuw hun rossen aansporende, kwamen beiden teSaint-Omerzonder zich te hebben opgehouden. TeSaint-Omerlieten zij hun paarden uitrusten, den toom aan hun armen vasthoudende, uit vrees van eenig ongeval, en aten een stuk uit de hand op straat, waarna zij verder togen.

Op honderd schreden van de poort vanCalaisviel het paard van d’Artagnan neer; er was geen middel om het weer te doen opstaan, het bloed kwam hem uit neus en oogen. Nu bleef dat van Planchet nog over; maar het was stil blijven staan, en er was evenmin middel om het weer aan het loopen te krijgen. Gelukkig, zooals wij zeiden, waren zij op honderd schreden afstands van de stad. Zij lieten de beide paarden op den weg staan en snelden naar de haven.

Planchet maakte zijn meester opmerkzaam op een edelman, die op een afstand van slechts vijftig schreden voor hen uit liep. Overhaast naderden zij den edelman, die ook veel haast scheen te hebben. Zijn laarzen waren met stof bedekt en hij deed onderzoek, of hij niet onmiddellijk naarEngelandkon oversteken.

„Niets ware gemakkelijker,” antwoordde de kapitein van een vaartuig, dat zeilklaar lag; „maar dezen ochtend is er bevel ontvangen, niemand te laten vertrekken, zonder een uitdrukkelijk verlof van den kardinaal.”—„Ik heb dat verlof,” zeide de edelman, een papier te voorschijn halende, „ziedaar.”—„Laat het door den gouverneur voor gezien teekenen,” zeide de kapitein, „en geef mij de voorkeur.”—„Waar kan ik den gouverneur vinden?”—„Op zijn buiten.”—„Enwaar ligt dat buiten?”—„Op een kwartieruurs afstand van de stad; dáár, gij kunt het van hier zien, aan den voet van die hoogte, dat leien dak.”—„Zeer goed,” zeide de edelman. En door zijn lakei gevolgd, sloeg hij den weg in naar het buitenverblijf des gouverneurs.

D’Artagnan en Planchet volgden den edelman op vijfhonderd schreden afstands. Eenmaal buiten de stad zijnde, verdubbelde d’Artagnan zijn schreden en bereikte den edelman op het oogenblik, dat hij in een klein boschje trad.

„Mijnheer,” sprak d’Artagnan tot hem, „gij schijnt zeer veel haast te hebben.”—„Men kan niet meer haast hebben, mijnheer!”—„Het doet mij leed,” zeide d’Artagnan, „want evenals gij heb ik ook veel haast; ik wilde u daarom verzoeken, mij een dienst te bewijzen.”—„Welken?”—„Mij te laten voorgaan.”—„Ik heb zestig mijlen in vier en veertig uur afgelegd en ik moet morgen op den middag teLondenzijn.”—„Ik heb dienzelfden weg in veertig uur afgelegd en ik moet morgenochtend om tien uur teLondenzijn.”—„Het spijt mij, mijnheer! maar ik ben de eerste hier geweest, en ik zal mij niet laten voorbijgaan. ’s Konings dienst?” vroeg de edelman.—„Voor mijn eigen dienst,” antwoordde d’Artagnan.—„Maar het schijnt, alsof gij met mij twist wilt zoeken.”—„Pardieu!wat denkt gij, dat het anders zij?”—„Wat begeert gij?”—„Wilt gij het weten?”—„Zeker.”—„Welnu, ik begeer het bevelschrift, dat gij bij u hebt, omdat ik er geen heb en er een moet hebben.”—„Gij schertst, veronderstel ik.”—„Ik scherts nooit. Laat mij voorbij.”—„Gij zult mij niet voorgaan, mijn beste jongen! ik zal u het hoofd aan stukken slaan. Hola, Lubijn, geef mijn pistolen.”—„Planchet!” zeide d’Artagnan, „zorg gij voor den knecht, ik zal mij met den meester belasten.”

Planchet, door zijn vroegere daad stoutmoedig geworden, viel op Lubijn aan, en daar hij groot en sterk was, wierp hij hem op den grond en zette hem de knieop de borst.—„Ga uw gang, mijnheer!” zeide Planchet, „ik ben klaar.”

Dit ziende trok de edelman zijn degen en viel op d’Artagnan aan; maar deze was hem te sterk. In drie seconden bracht d’Artagnan hem drie steken toe, bij elken stoot uitroepende: „Eén voor Athos, één voor Porthos, één voor Aramis.”

Bij den derden stoot viel de edelman als een levenlooze klomp neer. D’Artagnan, meenende dat hij dood of ten minste in onmacht gevallen was, naderde hem, om hem het bevelschrift af te nemen. Maar op het oogenblik dat hij den arm uitstrekte om zijn zakken te onderzoeken, bracht de edelman, die zijn degen nog vasthield, hem een steek in de borst toe, zeggende: „Een voor u!”—„En een voor u! de laatste de beste!” riep d’Artagnan woedend, en nagelde hem aan den grond met een vierden steek in den buik.—Nu sloot de edelman zijn oogen en viel in onmacht.

D’Artagnan tastte in den zak, waarin hij hem het bevelschrift ter overvaart had zien steken en eigende het zich toe. Het was op naam van den graaf de Wardes. Toen een laatsten blik op den schoonen jongeling werpende, die nauwelijks vijf en twintig jaar was, en dien hij bewusteloos en misschien wel dood liet liggen, slaakte hij een zucht bij de gedachte aan dat zonderlinge lot, dat de menschen er toe brengt elkander te vernielen, en zulks om de oogmerken te dienen van die hen geheel vreemd zijn, en die somwijlen zelfs niet eens weten, dat zij bestaan.

Maar dra werd hij in deze overwegingen gestoord door het gebrul van Lubijn, die uit al zijn macht om hulp riep. Planchet neep hem met de hand zoo nauw mogelijk de keel dicht.

„Mijnheer!” zeide hij, „zoolang ik hem op die wijze vasthoud, zal hij niet schreeuwen, daarvan ben ik zeker; maar zoodra ik hem loslaat, zal hij wederom beginnen. Ik meen in hem een Normandiër te herkennen en de Normandiërs zijn koppig.”—En waarlijk, hoe beklemd ook, trachtte Lubijn nog eenige klanken voortte brengen.—„Wacht maar even,” zeide d’Artagnan, en zijn zakdoek nemende, stopte hij hem den mond dicht.—„Thans,” zeide Planchet, „zullen wij hem aan een boom binden.”

Dit werd met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Toen trok men den graaf de Wardes bij zijn knecht, en daar de avond begon te vallen, en de geknevelde en de gekwetste beiden zich eenige schreden ver in het boschje bevonden, was het natuurlijk, dat zij daar tot den volgenden morgen moesten blijven.

„En nu,” zeide d’Artagnan, „naar den gouverneur!”—„Gij schijnt gekwetst te zijn,” zeide Planchet.—„Dat is niets, bemoeien wij ons met hetgeen het meeste haast heeft; vervolgens zullen wij aan mijn wonde denken, die mij trouwens niet zeer gevaarlijk schijnt.”—En beiden begaven zich ijlings naar het buiten van den waardigen ambtenaar.

Men meldde den heer graaf de Wardes aan. D’Artagnan werd binnengeleid.—„Gij hebt een bevel, door den kardinaal onderteekend?” vroeg de gouverneur.—„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „ziehier.”—„Ha! het is in goeden vorm en behoorlijk door den kardinaal geteekend,” zeide de gouverneur.—„Dat is natuurlijk,” antwoordde d’Artagnan, „ik ben een zijner getrouwsten.”—„Het schijnt, dat Zijne Eminentie iemand wil beletten naarEngelandover te steken?”—„Ja, een zekeren d’Artagnan, een Bearneesch edelman, dieParijsheeft verlaten in gezelschap van drie zijner vrienden, met voornemenLondente bereiken.”—„Kent gij hem persoonlijk?” vroeg de gouverneur.—„Wien?”—„Dien d’Artagnan.”—„Zeker.”—„Geef mij dan zijn signalement.”—„Niets is gemakkelijker.”

En d’Artagnan gaf trek voor trek het signalement van den graaf de Wardes op.—„Heeft hij iemand bij zich?” vroeg de gouverneur.—„Ja, een knecht, Lubijn genaamd.”—„Men zal hen in het oog houden, en wanneer men hen in handen krijgt, kan Zijne Eminentie gerust zijn; zij zullen, goed bezorgd, naarParijswordenteruggevoerd.”—„Hierdoor, mijnheer de gouverneur!” zeide d’Artagnan, „zult gij u in het oog des kardinaals niet weinig verdienstelijk maken.”—„Zult gij hem zien bij uw terugkomst, mijnheer de graaf?”—„Zonder twijfel.”—„Zeg hem, als ik u verzoeken mag, dat ik zijn onderdanige dienaar ben.”—„Ik zal het niet verzuimen.”—En, door deze verzekering verheugd, teekende de gouverneur het paspoort en stelde het d’Artagnan weder ter hand.

D’Artagnan verloor zijn tijd niet in nuttelooze plichtplegingen, hij groette den gouverneur, bedankte hem en vertrok. Zoodra zij het huis hadden verlaten, spoedden hij en Planchet zich voort en een langen omweg makende, vermeden zij het bosch en traden de stad door een andere poort binnen. Het vaartuig lag nog altijd gereed om onder zeil te gaan; de kapitein wachtte op de kade.

„Wel?” riep hij, d’Artagnan bespeurende.—„Ziehier mijn paspoort voor gezien geteekend,” zeide deze.—„En die andere edelman?”—„Hij zal vandaag niet vertrekken,” zeide d’Artagnan; „maar wees gerust, ik zal de vracht voor ons beiden betalen.”—„Laat ons in dat geval vertrekken,” hernam de kapitein.—„Laat ons vertrekken,” herhaalde d’Artagnan. En hij sprong met Planchet in de boot; vijf minuten later waren zij aan boord.

Het was tijd; op een halve mijl afstand in zee zag d’Artagnan een licht schitteren en hoorde hij een kanonschot. Het was dat, hetwelk de sluiting der haven aankondigde. Nu werd het ook tijd, dat hij aan zijn wonde dacht; gelukkig was zij, zooals d’Artagnan had gedacht, niet zeer gevaarlijk; de punt des degens was, tegen een rib stootende, daarop afgegleden, verder was het hemd op de wonde blijven kleven, zoodat er nauwelijks eenige druppels bloed waren gestort. D’Artagnan was van vermoeidheid uitgeput; men spreidde een matras voor hem op het dek uit; hij wierp er zich op en viel in slaap.

Den volgenden dag, bij het opgaan der zon, bevond hij zich slechts op drie of vier mijlen afstands van dekust vanEngeland; er was gedurende den nacht weinig wind geweest en men had niet veel wegs afgelegd. Te twee uur wierp het vaartuig het anker in de haven vanDouvres. Te half drie zette d’Artagnan voet aan wal inEngeland, uitroepende: „Eindelijk ben ik er!” Maar hiermede was nog niet alles gedaan: hij moest naarLonden.

InEngelandwaren de posterijen in tamelijk goeden staat. D’Artagnan en Planchet namen elk een paard; een postillon reed voor hen uit en in vier uren tijds waren zij voor de poorten der hoofdstad. De hertog was met den koning ter jacht naarWindsor. D’Artagnan kendeLondenniet en verstond geen woord Engelsch; maar hij schreef den naam van Buckingham op een stuk papier en men duidde hem het hotel van den hertog aan.

D’Artagnan vroeg naar den vertrouwden kamerdienaar van den hertog, die, wijl hij hem op al zijn reizen vergezelde, volmaakt Fransch sprak; hij zeide hem, dat hij vanParijskwam voor een zaak, waarvan dood en leven afhingen, en dat hij zijn meester oogenblikkelijk moest spreken. De openhartigheid van d’Artagnan overreedde Patrick, dit was de naam van den vertrouwden dienaar des ministers. Hij liet twee paarden zadelen en belastte zich den jongen garde te geleiden. Planchet had men intusschen, zoo stijf als een plank, van zijn ros geheschen. De krachten van den armen jongen waren uitgeput. D’Artagnan scheen van ijzer te zijn.

Men kwam aan het kasteel; hier deed men onderzoek; de koning enBuckinghamwaren op de valkenjacht in de moerassen, twee of drie uur van daar verwijderd. In twintig minuten was men ter bestemder plaatse. Dra hoorde Patrick de stem zijns meesters, die zijn valk terugriep.

„Wien moet ik mylord den hertog aankondigen?” vroeg Patrick.—„Den jongeling, die op zekeren avond twist met hem heeft gezocht op de Pont-Neuf over deSamaritaine.”—„Een rare aanbeveling!”—„Gij zult zien, dat zij misschien beter dan een andere is.”

Patrick zette zijn paard in galop, bereikte den hertog en berichtte hem op de wijze, zooals hem gezegd was, dat een bode hem wachtte.

Buckingham, dadelijk begrijpende, dat het d’Artagnan betrof en er iets inFrankrijkwas voorgevallen, waarvan men hem kennis wilde geven, gunde zich slechts zooveel tijd om te vragen, waar degene was, die hem die tijding bracht. In de verte de uniform der gardes herkennende, gaf hij zijn paard de sporen en reed recht op d’Artagnan aan. Patrick hield zich betamelijk op eenige schreden afstands.

„Er is der koningin geen ongeluk overkomen?” riep Buckingham, geheel zijn ziel en zijn liefde in deze vraag uitstortende.—„Ik geloof het niet; echter vrees ik, dat haar een groot gevaar bedreigt, hetwelk Uwe Genade alleen van haar kan afwenden.”—„Ik?” riep Buckingham. „Hoe! zou ik gelukkig genoeg wezen haar van eenigen dienst te kunnen zijn?.... Spreek, spreek!”—„Neem dezen brief,” zeide d’Artagnan.—„Dien brief, van wien komt die brief?”—„Van Hare Majesteit, geloof ik.”—„Van Hare Majesteit?” zeide Buckingham, die zoo bleek werd, dat d’Artagnan meende dat hij in onmacht zou vallen. En hij verbrak het zegel. „Wat beteekent die scheur?” vroeg hij, d’Artagnan een plek aanwijzende, waar de brief doorstoken was.—„Ha, ha!” antwoordde d’Artagnan, „ik had het niet eens gezien: die fraaie steek is door den degen van den graaf de Wardes veroorzaakt, toen hij mij in de borst kwetste.”—„Zijt gij gekwetst?” vroeg Buckingham.—„O, het is niets,” zeide d’Artagnan, „een schram.”—„Gerechte hemel! wat heb ik gelezen?” riep de hertog. „Patrick! blijf hier, of liever, vergezel den koning overal, waar hij zich moge begeven en zeg aan Zijne Majesteit, dat ik hem nederig verzoek mij te willen verontschuldigen; maar dat mij een zaak van het grootste gewicht teLondenterugroept. Kom, mijnheer! kom.”—En beiden sloegen galoppeerend den weg naarLondenin.

De gravin de Winter.

Onderweg liet de graaf zich door d’Artagnan met het een en ander bekend maken; niet met alles, wat er was voorgevallen, maar alleen met datgene, wat d’Artagnan wist. Uit hetgeen hij van den jongeling vernam en wat hem uit eigen ondervinding levendig voor den geest stond, kon hij zich een tamelijk getrouw denkbeeld vormen van den gevaarvollen toestand, terwijl de brief der koningin, hoe kort en zakelijk overigens, daaromtrent geen twijfel overliet. Maar wat hem vooral verbaasde, was, dat de kardinaal, in zijn belang, om den jongeling te beletten den voet inEngelandte zetten, niet was geslaagd hem onderweg op te houden. Het was toen en bij de betuiging dier verbazing, dat d’Artagnan hem de genomen maatregelen verhaalde, en hoe, ten gevolge der vriendschap en opoffering zijner drie vrienden, die hij, verstrooid op den weg, in hun bloed badende, had achtergelaten, hij zijn doel had bereikt, slechts één degensteek hebbende ontvangen, die het briefje der koningin had doorstoken, maar dien hij den heer de Wardes met een verschrikkelijke soort van munt had betaald.

Onderwijl hij naar dit zoo eenvoudig mogelijk voorgedragen verhaal luisterde, beschouwde de hertog bijwijlen den jongeling met een verwonderden blik, alsof het hem onbegrijpelijk was, dat zooveel voorzichtigheid, moed en verknochtheid zich met een gelaat konden vereenigen, dat nog geen twintig jaren aanduidde.

De paarden vlogen als de wind den weg over, en binnen weinige minuten waren zij voor de poorten vanLonden. D’Artagnan had gedacht, dat, zoodra zij in de stad zouden zijn gekomen, de hertog den loop van zijn paard zou matigen, maar integendeel; hij vervolgde zijn weg in een woeste vaart, zich weinig bekommerende, of hij hen overreed, die zich op zijn weg bevonden. En inderdaad, de City doorrijdende, hadden er tweeof drie voorvallen van dien aard plaats; Buckingham nochtans wendde zelfs het hoofd niet, om te zien wat er van hen geworden was, die hij had omvergeworpen. D’Artagnan volgde hem te midden der kreten, die veel naar verwenschingen geleken.

De binnenplaats van het hotel oprijdende, sprong Buckingham van zijn paard, en onverschillig, wat er van zou worden, wierp hij het den teugel op den nek en snelde de stoep op. D’Artagnan volgde hem, niet zonder eenige ongerustheid voor die arme dieren, van welke hij in de gelegenheid was geweest de waarde te schatten; maar het troostte hem te zien dat drie of vier lakeien reeds uit de keukens en stallen waren gekomen en onmiddellijk de paarden verzorgden. De hertog liep zoo haastig voort, dat d’Artagnan moeite had hem te volgen. Hij ging achtereenvolgens een aantal zalen door, versierd met een pracht, waarvan de voornaamste edellieden vanFrankrijkzelfs geen denkbeeld hadden, en trad eindelijk een slaapkamer binnen, een wonder tevens van smaak en van rijkdom. In de alkoof dier kamer bevond zich een deur in het behangsel; de hertog opende ze met een kleinen gouden sleutel, welken hij om den hals aan een keten van hetzelfde metaal droeg.

Uit welvoeglijkheid was d’Artagnan achtergebleven, maar op het oogenblik, dat Buckingham den drempel dier deur overschreed, keerde hij zich om, en de aarzeling des jongelings ziende, zeide hij: „Kom! en indien gij het geluk hebt in de tegenwoordigheid van Hare Majesteit te worden toegelaten, zeg haar dan, wat gij gezien hebt.”

Door deze uitnoodiging aangemoedigd, volgde d’Artagnan den hertog, die de deur achter hem sloot. Beiden bevonden zich toen in een kleine kapel, geheel behangen met Perzische, met goud geborduurde zijde, en schitterend verlicht door een aantal waskaarsen.... Boven een soort van altaar, onder een hemel van blauw fluweel, waarop zich witte en roode pluimen verhieven, hing een portret van natuurlijke grootte, Anna vanOostenrijk voorstellende, zoo gelijkend, dat d’Artagnan een kreet van verwondering slaakte, toen hij het ontwaarde. Men zou gezegd hebben, dat de koningin leefde. Op het altaar en onder het portret stond het kistje, waarin de diamanten haken waren geborgen. De hertog naderde het altaar, knielde, gelijk een priester voor het kruisbeeld zou gedaan hebben, en opende vervolgens het kistje.

„Ziedaar,” zeide hij, er een grooten blauwen strik uithalende, die van diamanten schitterde; „ziedaar die kostbaarheden, met welke ik gezworen had begraven te worden. De koningin neemt ze terug, haar wil, zooals die van God, geschiede in alle dingen.”—Vervolgens kuste hij achtereenvolgens al de diamanten, van welke hij ging scheiden. Eensklaps slaakte hij een vreeselijken kreet.

„Wat is er?” vroeg d’Artagnan angstig, „wat overkomt u, mylord!”—„Ach! alles is verloren!” riep Buckingham, bleek als een doode, „twee der diamanten ontbreken, ik vind er niet meer dan tien.”—„Heeft mylord ze verloren, of gelooft hij dat men ze hem ontstolen heeft?”—„Men heeft ze mij ontstolen,” hernam de hertog, „en het is de kardinaal, die het heeft uitgevoerd. Beschouw slechts de linten, waarop zij bevestigd waren, zij zijn met een schaar afgesneden.”—„Heeft mylord eenig vermoeden, wie den diefstal heeft gepleegd?.... Misschien heeft die persoon ze nog in zijn bezit.”—„Wacht, wacht een oogenblik!” riep de hertog: „de eenige keer, dat ik die diamanten gedragen heb, was op het bal der koningin teWindsor, nu acht dagen geleden. De gravin de Winter, met wie ik in onmin was, is mij op dat bal genaderd. Die verzoening kan niet anders dan de wraak eener jaloersche vrouw zijn geweest. Sedert dien dag heb ik haar niet weergezien. Die vrouw is een zendelinge van den kardinaal.”—„Maar heeft hij er dan in de geheele wereld?” riep d’Artagnan.—„O ja, ja,” zeide Buckingham tandenknarsende van woede, „ja, hij is een vreeselijk strijder. Maar ondertusschen, wanneer moet het bal plaats hebben?”—„Aanstaanden Maandag.”—„AanstaandenMaandag! nog vijf dagen. Wij hebben dus nog meer tijd, dan wij behoeven. Patrick!” riep de hertog, de deur der kapel openende, „Patrick!”

Zijn vertrouwde kamerdienaar verscheen.—„Mijn juwelier en mijn secretaris!”—De kamerdienaar verwijderde zich zwijgende en met een haast, die van de gewoonte getuigde, welke hij zich had eigen gemaakt, blindelings en zonder spreken te gehoorzamen. Maar hoewel de juwelier het eerst was geroepen geworden, was het de secretaris, die het eerst verscheen, iets zeer natuurlijks, daar deze in het hotel woonde.

Hij vond Buckingham voor een tafel in zijn slaapkamer zitten, met eigen hand eenige bevelen schrijvende.—„Mijnheer Jackson!” zeide hij, „gij moet u oogenblikkelijk naar den lord-kanselier begeven en hem zeggen, dat ik hem met de uitvoering dezer bevelen belast. Ik begeer, dat zij zonder verwijl ten uitvoer worden gebracht.”—„Maar, Excellentie! indien de lord-kanselier mij naar de beweegredenen vraagt, die Uwe Genade tot een zoo buitengewonen maatregel hebben doen besluiten, wat moet ik dan antwoorden?”—„Dat het mijn wil is en ik aan niemand rekenschap mijner daden verschuldigd ben.”—„Zal hij dit antwoord ook aan Zijne Majesteit moeten overbrengen?” hernam glimlachende de geheimschrijver, „indien Zijne Majesteit toevallig de nieuwsgierigheid had te willen weten, waarom geen enkel schip de haven vanGroot-Brittanjemag verlaten?”—„Gij hebt gelijk, mijnheer!” antwoordde Buckingham; „dan moet hij den koning zeggen, dat ik tot den oorlog besloten heb, en deze maatregel mijn eerste vijandelijkheid jegensFrankrijkis.”—De geheimschrijver boog en verwijderde zich.

„Van dien kant kunnen wij nu gerust zijn,” zeide Buckingham, zich tot d’Artagnan wendende, „zij zullen er niet dan na u komen.”—„Hoedat?”—„Ik heb eenembargogelegd op al de schepen, die zich op dit oogenblik in de havens Zijner Majesteit bevinden, en zonder bijzonder verlof zal geen er van het anker durven lichten.”

D’Artagnan zag verbaasd den man aan, die de onbegrensde macht, waarmede het vertrouwen des konings hem bekleedde, ten dienste zijner minnarijen deed strekken. Buckingham bemerkte aan de uitdrukking van het gelaat des jongelings, wat er in zijn ziel omging en hij glimlachte.

„Ja,” zeide hij, „ja! het is, omdat Anna van Oostenrijk wezenlijk mijn koningin is; op één woord van haar zou ik mijn vaderland, mijn koning, mijn God verraden!.... Zij heeft mij verzocht de protestanten vanla Rochellede hulp niet te zenden, welke ik hun had beloofd, en ik heb aan haar verlangen voldaan. Ik heb mijn woord verbroken; maar om het even, ik gehoorzaam aan haar begeerte; ben ik niet grootelijks voor mijn gehoorzaamheid beloond, spreek! want het is aan die gehoorzaamheid, dat ik haar portret verschuldigd ben!”

D’Artagnan stond verstomd, de teedere en onzichtbare draden ziende, van welke somwijlen het lot van een volk en het leven van zoovele menschen afhangt.

Terwijl hij in deze overwegingen verdiept bleef, trad de goudsmid binnen: hij was een Ier, een der bekwaamsten in zijn vak, en die met eigen mond verzekerde, dat hij jaarlijks honderd duizend pond sterling door den hertog van Buckingham verdiende.

„Mijnheer O’Reilly!” zeide de hertog, hem in de kapel geleidende, „bezie die diamanten haken eens en zeg mij, wat elk hunner waard is.”

De goudsmid wierp een blik op den sierlijken vorm, waarin zij bewerkt waren, berekende door elkander de waarde der diamanten en zonder de minste aarzeling antwoordde hij: „Vijftienhonderd pistolen het stuk, mylord.”—„Hoeveel dagen worden er vereischt om twee haken zooals deze te maken? gij ziet dat er twee aan ontbreken.”—„Acht dagen, mylord!”—„Ik zal voor elk drie duizend pistolen betalen, indien ik ze overmorgen heb.”—„Mylord zal ze hebben.”—„Gij zijt een kostelijk man, meester O’Reilly! maar dat is nog niet alles; die haken mogen aan niemandtoevertrouwd en moeten in dit hotel vervaardigd worden....”—„Onmogelijk, mylord! ik alleen ben in staat ze zoodanig te maken, dat men geen onderscheid tusschen de oude en de nieuwe zal zien.”—„Derhalve, mijn beste O’Reilly! zijt gij mijn gevangene, en al wildet gij op dit oogenblik dit hotel verlaten, gij zoudt het niet kunnen.... schik u dus naar de omstandigheden. Noem mij diegenen uwer knechts, welke gij noodig mocht hebben en geef de werktuigen op, die zij moeten medebrengen.”

De goudsmid kende den hertog, hij wist wel, dat elke tegenwerping nutteloos was en onderwierp zich dus.—„Het zal mij toch wel geoorloofd zijn mijn vrouw te doen verwittigen?” vroeg hij.—„O! gij moogt haar zelfs spreken, mijn waarde meester O’Reilly, uw gevangenschap zal niet streng zijn, wees gerust, en daar elke moeite een belooning waardig is, ziehier, behalve den prijs der twee haken, een biljet van duizend pistolen, om u het verdriet te doen vergeten, dat ik u veroorzaak.”

D’Artagnan kon zich van de verwondering niet herstellen, hem door den minister veroorzaakt, die zoo ruimschoots over millioenen gouds en menschen kon beschikken. De goudsmid schreef intusschen aan zijn vrouw, haar tegelijkertijd het briefje van duizend pistolen zendende, met het verzoek, hem daarvoor in de plaats te doen geworden zijn behendigsten werkman en een keuze van diamanten, van welke hij haar het gewicht en de namen opgaf, alsmede een lijst der werktuigen, die hij noodig had. Buckingham geleidde den goudsmid in de kamer, die voor hem was bestemd en welke, na verloop van een half uur, in een werkplaats was veranderd; vervolgens plaatste hij voor de deur een schildwacht, die niemand, wie dan ook, mocht binnenlaten, behalve zijn kamerdienaar Patrick.

Het is onnoodig hierbij te voegen, dat het aan den goudsmid O’Reilly en aan zijn knecht volstrekt was verboden uit te gaan, onder welk voorwendsel ook. Dit geregeld zijnde keerde de hertog tot d’Artagnan terug.

„Thans, mijn jonge vriend,” zeide hij tot hem, „thans behoortEngelandaan ons beiden: wat wilt gij, wat begeert gij?”—„Een bed,” antwoordde d’Artagnan, „dat is voor het oogenblik, ik beken het, datgene, waaraan ik het meest behoefte heb.”—Buckingham gaf aan d’Artagnan een kamer naast de zijne. Hij wilde den jongeling onder zijn bereik houden, niet omdat hij hem wantrouwde, maar ten einde iemand te hebben, met wien hij onafgebroken over de koningin kon spreken.

Een uur later werd inLondenhet bevel afgekondigd, van uit welke haven ook geen schip, naarFrankrijkbestemd, te laten vertrekken, zelfs niet de paketboot met brieven. Iedereen zag hierin een oorlogsverklaring tusschen beide koninkrijken.

Twee dagen later, tegen elf uur, waren de twee diamanten haken gereed, en zoo nauwkeurig nagebootst en zoo volkomen gelijk, dat Buckingham de nieuwe uit de oude niet kon herkennen en dat zelfs de kundigsten in dat vak, zooals hij, er zich in vergist zouden hebben. Dadelijk liet hij d’Artagnan roepen.

„Ziedaar,” zeide hij, „de diamanten haken, welke gij komt halen; gij zijt nu getuige geweest, dat al wat menschelijke macht heeft kunnen doen, gedaan is geworden.”—„Wees gerust, mylord! ik zal zeggen, wat ik heb gezien; maar Uwe Genade geeft mij de diamanten zonder het kistje.”—„Het kistje zou u hinderlijk zijn; buitendien, het kistje is mij te kostbaarder geworden, omdat het mij alleen overblijft. Gij zult zeggen, dat ik het behoud.”—„Ik zal uw boodschap woordelijk overbrengen, mylord!”—„En thans,” hernam Buckingham, den jongeling strak aanziende, „hoe zal ik dit u ooit kunnen vergelden!”

D’Artagnan werd rood tot in het wit zijner oogen. Hij begreep, dat de hertog een middel zocht, om hem iets te doen aannemen en het denkbeeld, dat het bloed zijner vrienden en het zijne door Engelsch goud zou betaald worden, stiet hem geweldig tegen de borst.

„Verstaan wij elkander wel, mylord!” hernam hij, „en beschouwen wij van te voren de zaken uit het wareoogpunt, opdat er geen vergissing plaats hebbe. Ik ben in dienst van den koning en de koningin vanFrankrijken behoor bij de compagnie der gardes van den heer des Essarts, die, zoowel als zijn schoonbroeder, de heer de Tréville, aan Hunne Majesteiten zeer gehecht is. Ik heb dus alles voor de koningin en niets voor Uwe Genade gedaan. Wat meer is, misschien zou ik van dat alles niets hebben gedaan, indien ik niet in de gelegenheid ware geweest iemand welgevallig te zijn, die mijn dame is, zooals de koningin de uwe.”—„Ja,” zeide de hertog glimlachende, „en ik geloof zelfs die andere persoon te kennen; het is....”—„Mylord! ik heb haar niet genoemd,” viel de jongeling hem haastig in de rede.—„Dat is ook waar,” zeide de hertog. „Het is dus jegens haar, dat ik erkentelijk moet zijn voor uw toewijding.”—„Gij hebt het gezegd, mylord! want juist op dit oogenblik, dat er een oorlog op handen is, beken ik u, dat ik in Uwe Genade niets anders dan een Engelschman zie en bijgevolg een vijand, dien ik nog liever zou ontmoeten op het slagveld dan in het park vanWindsorof in de gangen van het Louvre; hetgeen mij trouwens niet zal beletten, stiptelijk mijn zending te volbrengen; maar ik herhaal het aan Uwe Genade, dat zij mij persoonlijk niet den minsten dank schuldig is voor hetgeen ik in deze tweede samenkomst voor mij zelven doe, als voor hetgeen ik reeds voor haar gedaan heb in de eerste. Wij zeggen: trotsch als een Gaskonjer!” antwoordde d’Artagnan. „De Gaskonjers zijn de Schotten vanFrankrijk!”

D’Artagnan groette den hertog en maakte zich gereed te vertrekken.—„Hoe nu, wilt gij op die wijze vertrekken? Waarheen en hoe?”—„Dat is waar ook.”—„Goddam!de Franschen denken aan niets.”—„Ik vergat, datEngelandeen eiland is en gij er de koning van zijt.”—„Ga naar de haven, vraag naar de brikde Sond, stel dezen brief den kapitein ter hand; hij zal u naar een kleine haven overbrengen, waar men u zeker niet zal wachten en waar gewoonlijk niets anders dan visschersvaartuigen inloopen.”—„Hoe heet diehaven?”—„Saint-Valéry; maar wacht dan toch. Wanneer gij daar zult zijn aangekomen, moet gij een geringe herberg zonder naam of uithangbord, een echte matrozenkroeg, binnengaan; gij kunt u niet vergissen, daar is er slechts een.”—„En verder?”—„Zult gij naar den waard vragen en hem zeggen:forward!dat wil zeggen, voorwaarts: dat is zooveel als een herkenningsteeken. Hij zal u dan een gezadeld paard geven en u den weg wijzen, dien gij volgen moet; gij zult vier wisselplaatsen vinden. Indien gij op elke wisselplaats uw adres teParijswilt opgeven, dan zullen de vier paarden u derwaarts volgen: gij kent er reeds twee van, en gij schijnt die als een goed kenner gewaardeerd te hebben; het zijn die, welke wij bereden hebben; geloof mij, de andere zullen niet minder zijn. Die vier paarden zijn opgetuigd om ten oorlog te gaan. Hoe fier gij ook moogt zijn, zult gij toch niet weigeren, er een aan te nemen en aan uw vrienden de drie andere te doen aannemen; daarenboven, het is om er mede in het veld te gaan. Het doel heiligt de middelen, zooals gij Franschen immers zegt, niet waar?”—„Ja, mylord! ik neem het aan,” zeide d’Artagnan, „en als het Gode behaagt, zullen wij van uw geschenken een goed gebruik maken.”—„Geef mij nu de hand, jongeling! misschien ontmoeten wij elkander spoedig op het slagveld; maar intusschen scheiden wij als goede vrienden.”—„Ja, mylord! maar in de hoop spoedig vijanden te worden.”—„Wees gerust, ik beloof het u.”—„Ik reken op uw woord, mylord!”—D’Artagnan groette den hertog en begaf zich haastig naar de haven.

Tegenover den Tower vanLondenvond hij het aangeduide schip; hij stelde den brief aan den kapitein ter hand, die hem door den gouverneur der haven voor gezien liet teekenen en daarop onmiddellijk onder zeil ging.

Vijftig vaartuigen lagen zeilklaar, maar moesten wachten. Een er van voorbij varende, meende d’Artagnan de vrouw vanMeungte herkennen, dezelfde, die doorden onbekenden edelman milady werd genoemd en die hij, d’Artagnan, zoo schoon had gevonden; maar tengevolge van den stroom der rivier en den goeden wind stevende het schip zoo snel voort, dat het in weinige oogenblikken uit het gezicht was.


Back to IndexNext