Den volgenden ochtend te negen uur landde men teSaint-Valéry. D’Artagnan richtte zijn schreden onmiddellijk naar de aangeduide herberg en herkende ze aan de kreten, die er van uit opgingen: men sprak over den oorlog tusschenEngelandenFrankrijkals van iets, dat aanstaande en onvermijdelijk is, en de vroolijke matrozen hielden feest. D’Artagnan drong door de menigte heen, naderde den herbergier en uitte het woordforward!Op hetzelfde oogenblik gaf de herbergier hem een teeken te volgen, ging door een deur naar de plaats en bracht hem in den stal, waar een gezadeld paard hem wachtte, en vroeg hem of er nog iets van zijn dienst was.
„Ik moet den weg nog weten, dien ik moet volgen,” zeide d’Artagnan.—„Begeef u van hier naarBlangy, en vanBlangynaarNeufchâtel. Treed teNeufchâtelde herberg deVergulde Eggebinnen, geef aan den herbergier het wachtwoord en gij zult, zooals hier, een gezadeld paard vinden.”—„Ben ik iets schuldig?” vroeg d’Artagnan.—„Alles is betaald en ruimschoots. Goede reis en dat God u geleide!”—„Amen!” antwoordde de jongeling, in galop zich verwijderende.
Vier uren later was hij teNeufchâtel. Hij volgde stiptelijk de ontvangen voorschriften. TeNeufchâtelvond hij, evenals teSt. Valéry, een gezadeld paard, dat hem wachtte; hij wilde de pistolen uit de holsters van het zadel nemen, dat hij verliet, om die in de holsters van het paard te doen, dat hij nu ging bestijgen, maar die holsters waren met dezelfde soort pistolen voorzien.—„Wat is uw adres teParijs?”—„Hotel des gardes, compagnie des Essarts.”—„Goed!” was het antwoord.—„Welken weg moet ik inslaan?” vroeg nu op zijn beurt d’Artagnan.—„Dien vanRouaan, maar gij moet de stad rechts laten liggen. Gij zult inhet kleine dorpjeEcouisstil houden, daar is slechts een herberg,het Wapen van Frankrijk. Beoordeel ze niet naar het uiterlijke: in den stal zult gij een paard vinden, dat even goed zal zijn als dit.”—„Hetzelfde wachtwoord?”—„Volkomen hetzelfde.”—„Vaarwel baas!”—„Goede reis, edele heer! is er nog iets van uw dienst?”—D’Artagnan schudde met het hoofd van neen en vertrok in vollen galop.
TeEcouiswerd hetzelfde tooneel herhaald: hij vond een even beleefden herbergier en een versch en uitgerust paard. Hij liet zijn adres achter, zooals hij reeds had gedaan en vertrok in denzelfden galop naarPontoise.
TePontoisewisselde hij voor de laatste maal van paard en te negen uur reed hij in vollen draf de binnenplaats van den heer de Tréville op. In twaalf uren tijds had hij bij de zestig mijlen afgelegd.
De heer de Tréville ontving hem alsof hij hem nog dienzelfden morgen gezien had; alleen drukte hij hem de hand wat sterker dan gewoonlijk. Hij berichtte hem, dat de kompagnie van den heer des Essarts de wacht had aan het Louvre en hij zich op zijn post kon begeven.
Het ballet van la Merlaison.
Den volgenden dag was er van niets anders teParijssprake dan van het bal, dat heeren schepenen der stad den koning en de koningin zouden geven, en waarop Hunne Majesteiten het vermaarde ballet vanla Merlaisonmoesten dansen, dat den koning het meeste genoegen deed. Sedert acht dagen maakte men ook werkelijk alles op het Stadhuis in gereedheid voor dezen plechtigen nacht. De stadstimmerman had zijn stellages reeds getimmerd, op welke de genoodigde dames zouden zitten; de stadskruidenier had de zalen voorzien van tweehonderd witte waskaarsen, hetgeen indien tijd een ongehoorde weelde was; eindelijk had men twintig vioolspelers besteld en het loon, dat men hun toekende, was het dubbele van het gewone, omdat, zooals het verslag luidt, zij den geheelen nacht moesten spelen.
Te tien uur des morgens kwam de vaandrig der gardes van den koning, de heer de la Coste, gevolgd door twee politiedienaren en eenige schutters van het korps, den griffier der stad, Clément genaamd, al de sleutels der deuren van de kamers en bureaux van het hotel vragen. Die sleutels werden hem onmiddellijk ter hand gesteld. Aan elk hing een kaartje ter herkenning en van dat oogenblik was de heer de la Coste belast met de bewaking van al de deuren en toegangen.
Te elf uur kwam op zijn beurt de Hallier, kapitein der gardes, gevolgd door vijftig schutters, die dadelijk zich in het Stadhuis verspreidden en zich naar de deuren begaven, welke hun ter bewaking werden aangewezen.
Te drie uur naderden twee kompagnieën der gardes, een Fransche en een Zwitsersche. De kompagnie der Fransche garde bestond voor de helft uit manschappen van den heer de Hallier en voor de andere helft uit die van den heer des Essarts.
Te zes uur des avonds begonnen de genoodigden te verschijnen. Naarmate zij binnentraden, werd hun in de groote zaal op de gereedgemaakte stellages een plaats aangewezen.
Te negen uur kwam de vrouw van den eersten president; daar deze na de koningin de voornaamste persoon van het feest was, werd zij door de stadsheeren ontvangen en haar een plaats aangewezen in de loge over die, waarin de koningin zich zou begeven.
Te tien uur richtte men een tafel met confituren aan voor den koning in de kleine zaal, aan de zijde derSt.-Janskerken zulks tegenover het zilveren buffet der stad, dat door vier schutters bewaakt werd.
Te middernacht hoorde men een groot geschreeuw en veelvuldige vreugdekreten; het was de koning, die de straten doorging, welke van het Louvre naar hetStadhuis leidden en die alle met gekleurde lantaarns verlicht waren. Onmiddellijk gingen heeren schepenen, in hun lakentabbaard gekleed en voorafgegaan door tien sergeanten, elk een flambouw dragende, den koning tegemoet, dien zij op de trap ontmoetten, waar de provoost der kooplieden hem verwelkomde, welk kompliment Zijne Majesteit beantwoordde door zich te verontschuldigen van zoo laat te zijn gekomen; hij wierp de schuld hiervan op den kardinaal, die hem, met over staatszaken te spreken, tot elf uur had opgehouden.
Zijne Majesteit, in staatsiekleederen, werd vergezeld door Zijne Koninklijke HoogheidMonsieur, door den graaf de Soissons, den groot-provoost, den hertog de Longueville, den hertog d’Elbeuf, den graaf d’Harcourt, den graaf de la Roche-Guyon, den heer de Liancourt, den heer de Baradas, den graaf de Cramail en den ridder de Souveray. Iedereen kon zien, dat de koning verstrooid en droefgeestig was. Een kabinet was voor den koning en een ander voorMonsieurgereed gemaakt. In elk dier kabinetten waren maskeradekleederen voorhanden. Evenzoo was gedaan voor de koningin en voor mevrouw deprésidente. De heeren en dames van het gevolg Hunner Majesteiten moesten zich bij paren in de daarvoor bestemde kamers verkleeden.
Alvorens in het kabinet te gaan, beval de koning, dat men hem zou waarschuwen, zoodra de kardinaal verscheen.
Een half uur na de komst des konings verhief zich opnieuw een levendig gejuich, hetwelk de komst der koningin verkondigde; de schepenen deden evenzoo als zij reeds gedaan hadden, en voorafgegaan door de stads-sergeanten, gingen zij hun doorluchtige gastvrouw tegemoet. De koningin trad de zaal binnen; men bemerkte, dat zij even neerslachtig als de koning was en er bijzonder vermoeid uitzag. Op het oogenblik dat zij binnentrad, werd de gordijn van een kleine loge, die tot hiertoe was dicht gebleven, geopend en zag men het bleeke gelaat des kardinaals, die in eenSpaansch ruitergewaad was gekleed; zijn oogen vestigden zich op die der koningin en een glimlach van akelige vreugde zweefde op zijn lippen; de koningin was niet met haar diamanten haken getooid. De koningin hield zich eenigen tijd bezig met de komplimenten van de leden der vroedschappen aan te hooren en de begroetingen der dames te beantwoorden.
Eensklaps verscheen de koning met den kardinaal voor een der deuren van de zaal. De kardinaal sprak zacht met hem, terwijl de koning zeer bleek was. De koning drong door de menigte, en zonder masker en de linten van zijn buis nauwelijks dichtgestrikt, naderde hij de koningin en met een bevende stem zeide hij:
„Mevrouw! waarom, als het u belieft, hebt gij u niet met uw diamanten getooid, wanneer gij wist, dat het mij aangenaam was ze te zien?”—De koningin liet haar blik rondwaren en zag, achter den koning, den kardinaal, op duivelachtige wijze glimlachende.—„Sire!” antwoordde de koningin met een ontroerde stem, „omdat ik, in het gewoel van dat groote feest, vreesde er een ongeluk aan te zullen krijgen.”—„Gij hebt ongelijk, mevrouw! indien ik u dat geschenk heb gedaan, was het om er u mede te tooien. Ik zeg u, dat gij niet wel hebt gedaan.”—En des konings stem beefde van toorn; iedereen beschouwde en luisterde met verbazing, niets begrijpende van hetgeen er voorviel.—„Sire!” zeide de koningin, „ik kan ze van het Louvre doen halen, waar zij zijn, en alzoo zal de begeerte Uwer Majesteit vervuld worden.”—„Doe zulks, mevrouw! en wel zoo spoedig mogelijk; want binnen een uur zal het ballet een aanvang nemen.”
De koningin neeg, ten teeken van onderwerping en volgde de dames, die haar naar haar kabinet moesten geleiden. Van zijn kant begaf de koning zich naar het zijne.
Er heerschte gedurende een oogenblik in de zaal verwarring en verlegenheid. Al de aanwezigen hadden kunnen bemerken, dat er iets tusschen den koning en de koningin was voorgevallen; maar beiden hadden zoozacht gesproken, dat iedereen eerbiedig eenige schreden was achteruitgegaan, en dus niemand iets had gehoord. De muzikanten speelden zoo hard zij konden, maar men luisterde er niet naar.
De koning verliet het eerst zijn kabinet; hij was gekleed in een allerfraaist jachtgewaad enMonsieuren de overige edellieden waren in dezelfde kleeding. Dit gewaad stond den koning het best en daarin geleek hij inderdaad de eerste edelman van zijn rijk.
De kardinaal naderde den koning en stelde hem een doosje ter hand. De koning opende het en vond er twee diamanten haken in.—„Wat beteekent dat?” vroeg hij den kardinaal.—„Niets,” antwoordde deze; „alleenlijk indien de koningin met de diamanten haken is getooid, waaraan ik twijfel, tel ze dan, Sire! en indien gij er slechts tien vindt, vraag dan Hare Majesteit, wie haar de twee diamanten haken kan hebben ontstolen, die hier zijn.”
De koning beschouwde den kardinaal, als om hem te ondervragen; maar hij had den tijd niet hem een enkele vraag te doen.—Een kreet van bewondering ontglipte aller monden: Geleek de koning de eerste edelman van zijn rijk, dan was ongetwijfeld de koningin de schoonste vrouw vanFrankrijk. Inderdaad, haar jachtgewaad stond haar voortreffelijk: zij had een vilten hoed met blauwe veeren op; een parelgrijs fluweelen kleed, opgeheven door diamanten haken en een blauw satijnen rok, geheel met zilver geborduurd. Op haar linker schouder schitterden de diamanten haken op een strik van dezelfde kleur als de veeren en de rok. De koning trilde van blijdschap en de kardinaal van toorn; echter op den afstand, dien zij van de koningin verwijderd waren, konden zij de diamanten niet tellen; de koningin bezat ze; maar had zij er tien of twaalf?
Op dit oogenblik gaven de muzikanten het sein voor het ballet. De koning naderde mevrouw deprésidente, met wie hij zou dansen en Zijne koninklijke HoogheidMonsieurde koningin. Men nam plaats en het ballet begon.
De koning was over de koningin geplaatst en telkens, wanneer hij haar voorbijging, verslond hij met zijn blikken de diamanten, wier aantal hij niet kon te weten komen. Een koud zweet bedekte het voorhoofd van den kardinaal. Het ballet duurde één uur. Het eindigde onder het gejuich der geheele zaal, ieder geleidde zijn dame naar haar plaats; maar de koning maakte van zijn voorrecht gebruik, om de zijne te laten waar zij was en naderde haastig de koningin.
„Ik dank u, mevrouw!” zeide hij, „voor de bereidwilligheid, waarmede gij hebt getoond aan mijn begeerten te voldoen, maar ik geloof, dat u twee diamanten ontbreken en ik kom ze u brengen.”—Bij die woorden gaf hij de koningin de beide diamanten, die hem de kardinaal had ter hand gesteld.—„Hoe, Sire!” riep de koningin, verwondering veinzende, „geeft gij mij nog twee andere, ik zal er dan veertien hebben?”
En de koning, ze tellende, vond wel degelijk twaalf diamanten op den schouder Harer Majesteit. De koning riep den kardinaal.—„Wel, wat beteekent dat, mijnheer de kardinaal?” vroeg de koning op strengen toon.—„Het beteekent, Sire!” antwoordde de kardinaal, „dat ik die beide diamanten haken Hare Majesteit wenschte te doen aannemen; doch ze in persoon niet durvende te geven, heb ik dit middel te baat genomen.”—„En ik ben er Uwe Eminentie te meer erkentelijk voor,” antwoordde Anna van Oostenrijk met een glimlach, die bewees, dat zij niet misleid werd door deze aardige beminnelijkheid, „daar ik zeker ben, dat deze twee diamanten u evenveel kosten, als de twaalf aan Zijne Majesteit hebben gekost.”—Vervolgens den koning en den kardinaal gegroet hebbende, hernam de koningin den weg naar haar kamer, waar zij zich had verkleed, en waar zij zich weer zou omkleeden.
De aandacht, welke wij hebben moeten vestigen, bij het begin van dit hoofdstuk, op de doorluchtige personen, die wij er in voorstelden, heeft ons hem voor een oogenblik doen uit het oog verliezen, aan wien Anna van Oostenrijk de onbegrijpelijke overwinningwas verschuldigd, die zij op den kardinaal had behaald, hij, die verloren, onopgemerkt, onder de menigte was gemengd, welke zich voor de deuren verdrong, en van dáár dat tooneel beschouwde, alleen voor vier personen begrijpelijk, namelijk voor den koning, de koningin, Zijne Eminentie en voor hem.
De koningin was in haar kamer teruggekeerd, en d’Artagnan maakte zich gereed om te vertrekken, toen hij zich zacht op den schouder voelde tikken; hij keerde zich om en bespeurde een jonge vrouw, die hem wenkte haar te volgen. Deze jonge vrouw had haar gelaat bedekt met een masker van zwart fluweel, maar ondanks deze voorzorg, die trouwens meer was genomen voor anderen dan voor hem, herkende hij oogenblikkelijk zijn gewonen gids, die lichtzinnige, geestige juffrouw Bonacieux. Den vorigen dag hadden zij elkander even bij den portier van het Louvre, Germain, gesproken, waar d’Artagnan haar had laten roepen. De haast der jonge vrouw, om aan de koningin de heerlijke tijding mede te deelen van de gelukkige terugkomst van haar bode was de oorzaak, dat beide gelieven slechts een paar woorden wisselden.
D’Artagnan volgde dan juffrouw Bonacieux, door het dubbel gevoel van liefde en nieuwsgierigheid gedreven. Langs den geheelen weg en naarmate de gangen meer en meer ledig werden, wilde d’Artagnan de jonge vrouw vasthouden, om haar slechts een oogenblik te beschouwen; maar vlug als een vogel ontglipte zij steeds zijn handen; en toen hij spreken wilde, herinnerde haar vinger, op zijn mond gelegd, hem er aan, dat hij zich in de macht bevond van een wezen, hetwelk hij blindelings moest gehoorzamen en dat hem de geringste klacht verbood.
Mejuffrouw Bonacieux opende een deur en geleidde den jongeling in een volkomen duister vertrek. Daar gaf zij opnieuw een teeken het stilzwijgen te bewaren; en een tweede, door een gordijn bedekte deur openende, waaruit eensklaps een schitterend licht blonk, verdween zij.
D’Artagnan bleef een oogenblik onbeweeglijk en vroeg zich zelven af, waar hij was; maar spoedig verzekerde hem een lichtstraal, die deze kamer binnendrong, de zoele en welriekende lucht, die hem naderde, het tevens eerbiedig en beschaafd gesprek van twee of drie vrouwen en het dikwijls herhaalde woord van: Hare Majesteit, dat hij zich in een kabinet bevond, dat de kamer der koningin begrensde.
De jongeling bleef in de schaduw en wachtte. De koningin scheen vroolijk en vergenoegd, hetgeen de personen, die haar omringden, zeer scheen te verwonderen, daar zij haar meestal in een zorgvolle gesteldheid aantroffen. De koningin schreef die vroolijke luim aan de fraaiheid van het feest en het vermaak, dat het ballet haar had veroorzaakt, toe; en dewijl een koningin niet mag worden tegengesproken, of zij huilt of lacht, waren allen uitbundig in den lof over de beminnelijkheid der heeren schepenen vanParijs.
Hoewel d’Artagnan de koningin niet kende, onderscheidde hij dra haar stem van die der andere, vooreerst door een lichten, vreemden tongval, vervolgens door dien toon van overheersching, zoo eigenaardig aan vorstelijke woorden. Hij hoorde haar naderen en dan weer zich van die geopende deur verwijderen, en twee of driemalen zag hij zelfs de schaduw van een lichaam het licht onderscheppen. Eindelijk kwam een hand en een arm, bewonderenswaardig van vorm en blankheid, door het behangsel; d’Artagnan begreep, dat het zijn belooning gold; hij wierp zich op de knieën, vatte de hand en drukte er eerbiedig zijn lippen op; toen trok die hand zich weg, een voorwerp in de zijne latende, dat hij voor een ring erkende; dadelijk sloot zich de deur weder, en d’Artagnan bevond zich opnieuw in een diepe duisternis. D’Artagnan stak den ring aan zijn vinger en wachtte opnieuw, het was blijkbaar, dat alles nog niet was afgeloopen. Op de belooning zijner opoffering moest die zijner liefde volgen. Bovendien, hoewel het ballet was geëindigd, was echter het feest nauwelijks begonnen; men soupeerde te drie uur, enhet uurwerk van St. Jan had reeds eenigen tijd kwart voor twee geslagen. Inderdaad, van lieverlede verminderde het gerucht der stemmen in de aangrenzende kamer, vervolgens hoorde men het zich verwijderen; de deur van het kabinet, waarin zich d’Artagnan bevond, werd weder geopend en juffrouw Bonacieux huppelde binnen.
„Zijt gij er eindelijk!” riep d’Artagnan.—„Stil!” zeide de jonge vrouw, op de lippen des jongelings haar hand leggende: „Stil, en vertrek langs waar gij gekomen zijt.”—„Maar waar en wanneer zal ik u wederzien?” vroeg d’Artagnan.—„Een briefje, dat ge te huis komende zult vinden, zal het u zeggen. Vertrek! vertrek!” en op die woorden opende zij de deur van de gang en stiet d’Artagnan buiten het kabinet. D’Artagnan gehoorzaamde als een kind, zonder eenig verzet of tegenstand, hetgeen bewijst, dat hij wel degelijk verliefd was.
De verliefde samenkomst.
D’Artagnan spoedde zich naar huis; en hoewel het reeds later dan drie uur in den nacht was, en hij de slechtst befaamde wijken vanParijshad door te gaan, ontmoette hem niets kwaads. Men weet, er bestaat een God voor de dronkaards en voor de verliefden. Hij vond de deur van zijn gang open, klom de trap op en klopte zachtjes, op een met zijn knecht overeengekomene wijze, aan de deur. Planchet, dien hij twee uren vroeger van het Stadhuis had gezonden, met het bevel hem te wachten, kwam de deur openen.
„Is er iemand geweest, die een brief voor mij heeft gebracht?” vroeg d’Artagnan haastig.—„Niemand heeft een brief gebracht, mijnheer!” antwoordde Planchet; „maar een is er geheel alleen gekomen.”—„Wat wilt gij zeggen, zot?”—„Ik wil zeggen, dat,toen ik te huis kwam, en hoewel ik den sleutel van uw kamer in den zak had en die sleutel mij niet verlaten heeft, ik een brief op het groene kleed uwer tafel in de slaapkamer gevonden heb.”—„En waar is die brief?”—„Ik heb hem gelaten, waar hij lag, mijnheer! Het is niet natuurlijk, dat de brieven op die wijze bij de lieden komen. Als het raam open of met een reet geopend was geweest, dan was het te verklaren; maar neen! alles was potdicht, mijnheer! wees voorzichtig, er schuilt zeker tooverij onder.”
Ondertusschen was de jongeling de kamer binnengestormd, en opende hij den brief. Hij was van mejuffrouw Bonacieux en luidde als volgt:
„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen; bevind u, heden avond te tien uur, teSt. Cloud, tegenover het paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées verheft.”C. B.
„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen; bevind u, heden avond te tien uur, teSt. Cloud, tegenover het paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées verheft.”
C. B.
Dezen brief lezende, voelde d’Artagnan zijn hart zwellen en weder inkrimpen door die teedere aandoeningen, welke het hart der minnenden tevens folteren en streelen.—Het was het eerste briefje, dat hij ontving, de eerste samenkomst, die hem werd aangeboden. Zijn hart, door de dronkenschap der vreugd vervuld, was gereed te bezwijmen op den drempel van dat aardsche paradijs, dat men liefde noemt.
„Welnu, mijnheer!” zeide Planchet, die zijn meester beurtelings had zien blozen en verbleeken; „welnu, heb ik het niet geraden? het is zeker een slechte zaak.”—„Gij bedriegt u, Planchet!” antwoordde d’Artagnan, „en tot bewijs, ziedaar een kroon, waarvoor gij op mijn gezondheid kunt drinken.”—„Ik bedank mijnheer voor de kroon, die hij mij geeft, en ik beloof hem, getrouw zijn voorschrift na te komen; maar het is niettemin raar, dat de brieven op zoodanige wijze in de gesloten huizen komen....”—„Uit den hemel vallen, mijn vriend! uit den hemel vallen.”—„Dus is mijnheertevreden?” vroeg Planchet.—„Mijn waarde Planchet! ik ben de gelukkigste der menschen.”—„En kan ik van het geluk van mijnheer gebruik maken om te gaan slapen?”—„Ja, ga.”—„Dat de zegen des Hemels op mijnheer neerdale; maar het is niettemin waar, dat die brief....”—En Planchet verwijderde zich, het hoofd schuddende met een zweem van twijfeling, die de gulheid van d’Artagnan niet geheel had kunnen verdrijven.
Alleen zijnde, las en herlas d’Artagnan het briefje, hij kuste en herkuste twintig malen die regels, door de hand zijner schoone minnares geschreven. Eindelijk begaf hij zich te bed, sliep in en deed gouden droomen.
Te zeven uur des morgens stond hij op en riep Planchet, die op een tweeden roep de deur opende met een gezicht, waarvan de ongerustheid des vorigen daags nog niet was afgewischt.
„Planchet!” zeide d’Artagnan tot hem, „ik ga misschien voor den heelen dag uit, gij zijt dus vrij tot zeven uur van avond; maar te zeven uur houd u dan gereed met twee paarden.”—„Komaan,” zeide Planchet, „het schijnt, dat wij wederom eenige gaten in onze huid gaan opdoen.”—„Gij moet uw pistolen en musket medenemen.”—„Wel, wat zeide ik?” riep Planchet. „Ja, ik was er zeker van, vervloekte brief.”—„Maar verontrust u toch niet, domkop! het betreft niets anders dan een pleizierpartij.”—„Ja, zooals het pleiziertochtje van laatst, toen het kogels regende en valstrikken groeide.”—„Maar, indien gij bang zijt, Planchet!” hernam d’Artagnan, „zal ik zonder u gaan; ik ga liever alleen, dan vergezeld van een reisgezel, die beeft.”—„Mijnheer beleedigt mij,” zeide Planchet, „ik meen toch, dat hij mij aan het werk heeft gezien?”—„Ja, maar ik geloof, dat gij uw moed in een keer versleten hebt.”—„Mijnheer zal zien, dat, wanneer de gelegenheid zich voordoet, mij er nog van overblijft; ik verzoek mijnheer alleen, dien niet te verspillen, indien hij wil, dat ik hem lang behoude.”—„Gelooft gij er van avond nog iets van te kunnen missen?”—„Ikhoop het.”—„Welnu, ik reken op u.”—„Op het bepaalde uur zal ik gereed zijn; maar ik dacht, dat mijnheer slechts één paard in den stal der gardes voorhanden had?”—„Misschien is er op dit oogenblik niet meer dan één; maar heden avond zullen er vier zijn.”—„Het schijnt, dat onze reis gestrekt heeft, om van paarden te verwisselen.”—„Juist,” zeide d’Artagnan; en na Planchet opnieuw bemoedigend toegewenkt te hebben, vertrok hij.
De heer Bonacieux stond voor de deur; het voornemen van d’Artagnan was den waardigen winkelier voorbij te gaan zonder hem aan te spreken; maar deze groette hem zoo nederig en goedhartig, dat zijn huurder niet alleen zich verplicht vond hem wederkeerig te groeten, maar zelfs een gesprek met hem aan te knoopen. En daarenboven, waarom zou men niet vriendelijk zijn jegens een man, met wiens vrouw men een afspraak heeft gemaakt tot een samenkomst tegenover het klein paviljoen van den heer d’Estrées.
D’Artagnan naderde hem dus op de meest beleefde wijze. Het gesprek viel natuurlijk op de gevangenneming van den armen man. De heer Bonacieux, wien het onbekend was, dat d’Artagnan zijn gesprek met den onbekende vanMeunghad beluisterd, verhaalde aan zijn jongen huurder de vervolgingen van dat gedrocht, dien heer de Lassman, dien hij gedurende zijn geheele verhaal onophoudelijk den titel van beul des kardinaals gaf, terwijl hij lang uitweidde over de Bastille, de grendels, de deuren, de luchtgaten, de tralies en de folter-werktuigen.
D’Artagnan luisterde naar hem met een voorbeeldige welwillendheid; vervolgens, toen hij gedaan had: „En mejuffrouw Bonacieux,” zeide hij eindelijk, „weet gij, wie haar ontvoerd heeft? want ik vergeet niet, dat het tengevolge dezer noodlottige omstandigheid was, dat ik het genoegen uwer kennismaking heb gehad.”—„O!” riep de heer Bonacieux, „zij hebben zich wel gewacht mij zulks te zeggen, en mijn vrouw van haar zijde heeft mij bij alle goden gezworen, het niet teweten.... Maar gij zelf,” vervolgde Bonacieux op den toon van volkomen goedhartigheid, „waar hebt gij toch al die dagen gezeten? Ik heb u, noch uw vrienden gezien, en het is toch niet in het slijk vanParijs, dat gij al het stof hebt opgedaan, dat Planchet gisteren van uw laarzen stofte.”—„Gij hebt gelijk, mijn beste heer Bonacieux! mijn vrienden en ik hebben een klein reisje gedaan.”—„Ver van hier!”—„Och, mijn God! neen, niet meer dan een veertig uur van hier. Wij hebben den heer Athos naar de baden vanForgesgebracht, waar mijn vrienden zijn gebleven.”—„En gij zijt teruggekomen, gij, niet waar?” hernam de heer Bonacieux, aan zijn gezicht de slimst mogelijke uitdrukking gevende. „Een knappe jongen, zooals gij, verkrijgt geen lang verlof van zijn minnares, en men wachtte u met ongeduld teParijsterug, niet waar?”—„Op mijn woord,” antwoordde de jongeling lachende, „ik vertrouw het te eerder aan u, mijn waarde heer Bonacieux! daar ik zie, dat men u niets kan verbergen; ja, ik word verwacht en wel met ongeduld, dat verzeker ik u.”—Een lichte wolk zweefde op het voorhoofd van Bonacieux, maar zoo licht dat d’Artagnan die niet bemerkte.
„En men zal u voor uw spoed beloonen,” vervolgde de winkelier met eenige ontroering in de stem; een ontroering, die d’Artagnan evenmin bespeurde als de voorbijgaande wolk, die een oogenblik te voren het gezicht van den waardigen man verduisterd had.—„Och kom, houdt u nu maar goed!” zeide d’Artagnan lachende.—„Maar wat ik u zeg,” hernam Bonacieux, „is alleen om te weten, of gij laat te huis zult komen.”—„Waarom vraagt gij dat, mijn waarde huisheer?” vroeg d’Artagnan; „zijt gij voornemens mij te wachten?”—„Neen, maar sedert mijn inhechtenisneming en den diefstal, die bij mij gepleegd is, schrik ik telkens, wanneer ik een deur hoor opendoen en vooral des nachts.... Duivelsch! wat wilt gij, ik ben geen krijgsman.”—„Welnu, schrik niet, indien ik te een, twee of drie uur van nacht te huis kom; en wanneer ik in het geheel niet te huis kom, schrik dan nog niet.”
Maar nu werd Bonacieux zoo bleek, dat d’Artagnan niet anders kon, of hij moest het gewaar worden en vragen wat hem deerde.—„Niets,” antwoordde Bonacieux, „niets. Sedert die ramp ben ik aan flauwten onderhevig, die mij eensklaps overvallen, en nu voel ik een rilling door mijn lijf loopen.... Maar let er niet op; gij, die u met niets anders behoeft te bemoeien, dan om gelukkig te zijn.”—„Dan heb ik bezigheid, want ik ben het.”—„Nog niet, wacht toch een weinig, gij hebt immers gezegd tot van avond.”—„Welnu! die avond zal komen, Goddank! en misschien wacht gij dien met evenveel ongeduld als ik. Misschien zal heden avond juffrouw Bonacieux wel te huis komen.”—„Juffrouw Bonacieux is heden avond niet vrij,” antwoordde de echtgenoot ernstig; „zij moet voor dienstzaken in het Louvre blijven.”—„Zooveel te erger voor u, mijn waarde heer! zooveel te erger. Wanneer ik gelukkig ben, zie ik gaarne de geheele wereld gelukkig, maar mij dunkt, dat dit niet mogelijk is.”—En de jongeling verwijderde zich, luid lachende over de scherts, die hij alleen, dacht hij, kon begrijpen.
„Vermaak u wel,” antwoordde Bonacieux met een stem, alsof die uit een graf klonk. Doch d’Artagnan was reeds te ver, om die te hooren; en al had hij die gehoord, in de gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, zoude hij ze echter zeker niet hebben opgemerkt. Hij richtte zijn schreden naar het hotel van den heer de Tréville; zijn bezoek van den vorigen dag was, men herinnere het zich, zeer kort en van zeer weinig beteekenis geweest.
Hij vond den heer de Tréville in zijn ziel verblijd. De koning en de koningin waren voor hem op het bal allerbeminnelijkst geweest. Het is waar, dat de kardinaal integendeel alleronbeleefdst was geweest. Te een uur had hij zich verwijderd, voorwendende ongesteld te zijn. Hunne Majesteiten waren niet voor zes uur des morgens in het Louvre teruggekeerd.
„Thans,” zeide de heer de Tréville, op bijna fluisterenden toon en met zijn blik al de hoeken van hetvertrek doorzoekende, om te zien of zij wel alleen waren, „thans spreken wij eens over u, mijn jonge vriend! want het is blijkbaar, dat uw terugkomst van eenigen invloed is geweest op de vergenoegdheid des konings, de zegepraal der koningin en de vernedering Zijner Eminentie. Nu is het de zaak u goed te houden.”—„Wat heb ik te vreezen?” antwoordde d’Artagnan, „zoolang ik de gunst Hunner Majesteiten geniet.”—„Alles, geloof mij. De kardinaal is de man niet, om een hem aangedanen trek te vergeten, zoolang hij niet met den uitvoerder heeft afgerekend; en die uitvoerder lijkt mij wel een jongeling van mijn kennis te zijn.”—„Gelooft gij, dat de kardinaal zoo ver is gevorderd als gij en hij weet, dat ik naarLondenben geweest?”—„Duivelsch! zijt gij naarLondengeweest? En is het vanLonden, dat gij dien schoonen ring hebt medegebracht, die aan uw vinger schittert? Wees op uw hoede, mijn beste d’Artagnan! het geschenk eens vijands brengt niet veel goeds. Is hierop niet zeker Latijnsch vers toepasselijk.... Wacht eens?”—„Ja zeker,” antwoordde d’Artagnan, die nooit in zijn hersens den eersten regel van zijn Rudimenta had kunnen stampen en door zijn onwetendheid zijn leermeester wanhopig had gemaakt, „ja zeker is er een.”—„Ongetwijfeld moet er een zijn,” zeide de heer de Tréville, die eenige kennis van letterkunde had, „en de heer de Benserade zeide het nog, eenige dagen geleden, op.... Wacht eens.... Ha, zoo is het:Timeo danaos et dona ferentes.—Dat wil zeggen, wantrouw den vijand, die u geschenken doet.”
„Die diamant komt van geen vijand, mijnheer!” hernam d’Artagnan, „hij komt van de koningin.”—„Van de koningin!” riep de heer de Tréville. „O, o! Inderdaad, het is waarlijk een koninklijk juweel, dat duizend pistolen zoo goed als een penning waard is. Door wien heeft de koningin u dat geschenk doen ter hand stellen?”—„Zij heeft het mij in persoon gegeven.”—„Waar dan?”—„In het kabinet naast het vertrek, waarin zij van kleeding heeft verwisseld.”—„Op watwijze?”—„Door mij haar hand ten kus aan te bieden.”—„Gij hebt de hand der koningin gekust?” riep de heer de Tréville, d’Artagnan beschouwende.—„Hare Majesteit heeft mij de eer bewezen, mij die genade te vergunnen.”—„En dat in tegenwoordigheid van getuigen! Onvoorzichtige!”—„Neen, mijnheer! wees gerust, niemand heeft het gezien,” hernam d’Artagnan; en hij verhaalde aan den heer de Tréville, hoe de zaken zich hadden toegedragen.
„O, de vrouwen! de vrouwen!” riep de oude soldaat, „ik herken ze wel aan haar romaneske verbeelding; al wat naar het geheimzinnige zweemt, bekoort haar. Dus hebt gij maar alleen den arm gezien, niets meer? Gij zoudt de koningin ontmoeten zonder haar te herkennen? of zij zou u ontmoeten, zonder te weten wie gij waart?”—„Ja, maar door dien diamant....” hernam de jongeling.—„Luister,” zeide de heer de Tréville, „wilt gij dat ik u een raad, een goeden, een vriendenraad geef?”—„Gij zult mij veel eer bewijzen, mijnheer!” zeide d’Artagnan.—„Welnu, ga dan bij den eersten goudsmid den besten en verkoop hem dien diamant, voor zooveel hij er u voor zal willen geven; al is hij de grootste jood, gij zult er altijd wel achthonderd pistolen voor krijgen. Pistolen hebben geen naam, jongeling! en deze ring heeft er een verschrikkelijken, die dengene kan verraden, die hem draagt.”—„Dien ring verkoopen, een ring die van mijn koningin afkomstig is, dat nooit!” riep d’Artagnan.—„Welaan, keer dan den steen naar binnen, arme dwaas! want men weet wel, dat een kadet van Gaskonje dergelijke juweelen niet in het juweelkistje zijner moeder vindt.”—„Gelooft gij dan, dat ik iets te vreezen heb?” vroeg d’Artagnan.—„Ik kan u zeggen, jongeling! dat hij, die zich op een kruitmijn te slapen legt, van welke de lont is aangestoken, zich in zekerheid moet wanen bij u vergeleken.”—„Duivelsch!” zeide d’Artagnan, wien de overtuigende toon van den heer de Tréville begon te verontrusten, „duivelsch! wat moet ik doen?”—„Op uw hoede zijn, altijd en voor alles. De kardinaalheeft een taai geheugen en een langen arm; geloof mij, hij zal u een poets spelen.”—„Maar welke?”—„Weet ik het? staan al de listen des duivels hem niet ten dienste? Het minste, dat u kan overkomen, is gevangen te worden genomen.”—„Hoe, zou men iemand in hechtenis durven nemen, die in dienst van Zijne Majesteit is?”—„Pardieu!men heeft met Athos weinig omslag gemaakt; in alle geval, jonge gek! geloof een man, die sedert dertig jaar aan het hof verkeert, raak niet in slaap in uw gerustheid, of gij zijt verloren. Integendeel, en ik ben het, die u dit zegt, zie overal vijanden. Indien men twist met u zoekt, vermijd dien, al ware het met een kind van tien jaar; indien men u, hetzij des nachts of op den dag aanvalt, ontwijk zonder te blozen; indien gij een brug over gaat, bevoel dan de planken, uit vrees dat een der planken onder uw voeten verzinkt; wanneer gij voorbij een in aanbouw zijnd huis gaat, zie dan naar boven, uit vrees dat een steen op uw hoofd valt; indien gij laat te huis komt, laat u dan door uw lakei volgen en zorg, dat hij gewapend is, althans indien gij op uw lakei kunt rekenen. Stel in niemand ter wereld vertrouwen, wantrouw uw vriend, uw broeder, uw minnares, maar vooral uw minnares.”
D’Artagnan bloosde.—„Mijn minnares!” herhaalde hij werktuigelijk, „en waarom haar meer dan een ander?”—„Omdat de minnaressen een der middelen zijn, die den kardinaal het meest bevallen; hij heeft er geen, dat van spoediger uitwerking is; een vrouw verkoopt u voor tien pistolen: het bewijs er van is Dalila. Gij kent immers de heilige schrift, hè?”
D’Artagnan dacht aan de samenkomst, die juffrouw Bonacieux op dienzelfden avond had bepaald; maar wij moeten tot lof van onzen held zeggen, dat de slechte denkwijze van de Tréville omtrent de vrouwen in het algemeen hem niet het minste wantrouwen jegens zijn lieve huisjuffer inboezemde.—„Maar, à propos!” hernam de heer de Tréville, „wat is er van uw drie vrienden geworden?”—„Ik wilde u juist vragen, of gij niets van hen hadt vernomen.”—„Niets,mijnheer.”—„Ik heb hen onderweg gelaten. Porthos teChantilly, met een tweegevecht op den hals; Aramis teCrèvecoeur, met een kogel in den schouder, en Athos teAmiëns, met een beschuldiging als valsche munter op het lijf.”—„Ziet ge wel!” zeide de heer de Tréville; „en hoe zijt gij het ontkomen?”—„Door een wonder, mijnheer! wel is waar met een degensteek in de borst, doch daarvoor heb ik den graaf de Wardes, bezijden den weg vanCalais, aan den grond gestoken, als een vlinder op een behangsel.”—„Ziet ge wederom wel! De Wardes is een dienaar des kardinaals, een neef van Rochefort; luister, mijn waarde vriend! Er komt bij mij een denkbeeld op.”—„Welk, mijnheer?”—„In uw plaats zou ik iets verstandigs doen.”—„Wat?”—„Terwijl Zijne Eminentie u inParijszoeken doet, zou ik met stille trom den weg naarPicardiëinslaan en mijn drie vrienden gaan zoeken. Wat duivel! zij verdienen van uw kant die kleine oplettendheid wel.”—„Die raad is goed, mijnheer! en morgen vertrek ik.”—„Morgen, en waarom niet nog dezen avond?”—„Dezen avond, mijnheer! word ik teParijsdoor een gewichtige zaak opgehouden.”—„O, jongeling! jongeling! zeker een liefdehandel. Wees op uw hoede! ik herhaal het u: het is de vrouw, die ons allen, zooals wij zijn, verloren heeft, en die ons nog, zoolang wij bestaan, zal doen verloren gaan. Geloof mij, vertrek nog dezen avond.”—„Onmogelijk, mijnheer.”—„Ge hebt reeds uw woord gegeven?”—„Ja, mijnheer!”—„Dat is iets anders; maar beloof mij, indien gij heden nacht niet wordt gedood, dat gij dan morgen zult vertrekken.”—„Ik beloof het u.”—„Hebt gij geld noodig?”—„Ik heb nog vijftig pistolen. Dat is zooveel ik noodig heb, geloof ik.”—„Maar uw vrienden?”—„Ik vertrouw, dat hun geen geld zal ontbreken. Wij hebbenParijsverlaten elk met vijf en zeventig pistolen in den zak.”—„Zal ik u vóór uw vertrek nog wederzien?”—„Ik geloof het niet, mijnheer! althans indien er niets nieuws gebeurt.”—„Welaan, goede reis!”—„Ikdank u, mijnheer!”—En d’Artagnan nam van den heer de Tréville afscheid, meer dan ooit getroffen door zijn zoo vaderlijke zorg voor zijn musketiers.
Hij begaf zich achtereenvolgens naar de woningen van Athos, Porthos en Aramis. Doch geen hunner was nog te huis gekomen. Ook hun lakeien waren nog afwezend, en men had van hen niet de minste tijding. Hij zou wel eenige narichten van hen bij hun minnaressen hebben kunnen inwinnen, maar hij kende noch die van Porthos noch die van Aramis; wat Athos betreft, deze had er geen.
Voorbij het hotel der gardes gaande, wierp hij een blik in den stal; drie van de vier paarden waren reeds aangekomen. Planchet, geheel verwonderd, was reeds bezig ze te roskammen en had dit reeds aan twee verricht.
„O, mijnheer!” riep Planchet, d’Artagnan bespeurende: „o, wat ben ik verheugd u te zien.”—„En waarom dat, Planchet?” vroeg de jongeling.—„Stelt gij vertrouwen in den heer Bonacieux, onzen huisheer?”—„Ik! volstrekt niet.”—„O, mijnheer! hieraan doet gij wel.”—„Maar waartoe die vraag?”—„Omdat, terwijl gij met hem spraakt, ik u beiden beschouwde, zonder u te beluisteren, mijnheer! zijn gelaat zag ik twee of drie malen van kleur veranderen.”—„Och!”—„Heeft mijnheer dat niet opgemerkt? hij was zeker te zeer verstrooid door dien brief, dien hij ontvangen heeft; maar ik integendeel, die op mijn hoede ben, tengevolge der zonderlinge wijze waarop die brief in huis is gekomen, ik heb geen trekking van zijn gezicht mij laten ontsnappen.”—„En hoe vondt gij het?”—„Verraderlijk, mijnheer!”—„Waarlijk?”—„En daarenboven, zoodra mijnheer hem verlaten had en om den hoek der straat verdwenen was, heeft de heer Bonacieux zijn hoed genomen, de deur gesloten en langs de andere zijde der straat zich verwijderd.”—„Waarlijk? gij hebt gelijk, Planchet! dat alles komt mij verdacht voor; maar wees gerust, wij zullen hem de huur niet betalen, alvorens ons de zaak nauwkeurig zal zijn verklaard geworden.”—„Mijnheer schertst, maar mijnheer zalwel zien.”—„Wat wilt gij, Planchet! wat gebeuren moet, staat geschreven.”—„Ziet mijnheer van zijn avondwandeling niet af?”—„Wel, integendeel Planchet! Hoe meer verstoord ik op den heer Bonacieux moet wezen, te meer reden zal ik hebben, om mij naar de samenkomst te begeven, om welke de brief, die u zoozeer verontrust, mij verzoekt.”—„Als mijnheer er dan toe besloten heeft....”—„Onveranderlijk, mijn vriend! zorg dus, hier in het hotel met alles gereed te zijn, ik zal u komen afhalen.”
Planchet, ziende dat er geen hoop meer overbleef zijn meester van besluit te doen veranderen, slaakte een diepen zucht en begon het derde paard te roskammen. Wat d’Artagnan betreft, die in den grond een zeer voorzichtig jongeling was, hij begaf zich naar den Gaskonjischen priester, die op het oogenblik, dat de vier vrienden in nood verkeerden, hen op een ontbijt met chocolaad had onthaald, om bij dezen het middagmaal te gebruiken.
Het paviljoen.
Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn musket en een pistool gewapend.—D’Artagnan had zijn degen op zijde en stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poortde la Conférencedoor en den bekoorlijken weg langs, die naarSt. Cloudleidt, en toen veel fraaier dan tegenwoordig was.
Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand bewaren, dien hij zich had voorgeschreven;maar zoodra de weg eenzamer en donkerder begon te worden, naderde hij van lieverlede al meer en meer, zoodat hij bij het binnenrijden van het bosch vanBoulognezich ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.
D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons omging.—„Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?”—„Vindt gij niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?”—„Waarom, Planchet?”—„Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft spreken.”—„Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat gij bang zijt?”—„Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!”—„Uit vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.”—„O, mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn oogen, en iets onaangenaams op de lippen.”—„Wat duivel doet u aan Bonacieux denken!”—„Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet aan hetgeen men wil.”—„Omdat gij bang zijt, Planchet!”—„Mijnheer! verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de voorzichtigheid is een deugd.”—„En gij zijt deugdzaam, niet waar, Planchet?”—„Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.”—„Inderdaad,” mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen worden.”—En hij zette zijn paard in den draf.
Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort.—„Rijden wij op die wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij.—„Neen, Planchet! want gij zijt ter plaatse uwer bestemminggekomen.”—„Wat, mijnheer! ben ik aangekomen? en mijnheer?”—„Ik ga nog eenige schreden verder.”—„En laat mijnheer mij hier alleen?”—„Zijt gij bang, Planchet?”—„Neen, maar ik moet mijnheer alleen doen opmerken, dat de nacht zeer koud zal zijn, dat de koelte rheumatiek doet ontstaan, en dat een lakei, door rheumatiek gekweld, een treurig dienaar is, vooral voor een zoo vluggen meester als mijnheer.”—„Welnu, wanneer gij kou gevoelt, Planchet, ga dan in een dier herbergen, welke gij daar ginds ziet; gij kunt er mij morgenochtend te zes uur voor de deur wachten!”—„Mijnheer, ik heb met uw verlof voor de kroon, die gij mij dezen ochtend hebt gegeven, gegeten en gedronken, zoodat mij geen enkele penning in den zak is overgebleven, om mij voor de koude te gaan beschutten.”—„Daar hebt gij een halve pistool. Tot morgen!”
D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende.—„God! wat is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg prijkte.
Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen enSt. Cloudbereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.
Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te kondigen, wachtte hij.—Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.
D’Artagnan ging tegen de heg staan, na een blik achter zich te hebben geworpen. Achter die heg, dien tuin en die hut hulde een donkere nevel in zijn plooien die uitgestrektheid, waarinParijsslaapt, die gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der samenkomst zou slaan.
Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok vanSt. Cloudlangzaam tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den nacht.... Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde, trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte venster de lieve juffrouw Bonacieux.
Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige der kamer deed vermoeden. De klok vanSt. Cloudsloeg half elf. Nu, zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke aandoening was.
Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlasdien; hij had zich niet bedrogen, de samenkomst was wel degelijk op tien uur bepaald. Hij hernam zijn plaats, tamelijk ongerust wordende over deze stilte en eenzaamheid. Het sloeg elf uur....
D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.
Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom was gemakkelijk te beklimmen.... Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van gewelddadigheid zou vinden.
Het kleine zachte licht blonk steeds in de duisternis van den nacht. D’Artagnan zag toen iets, dat hij aanvankelijk niet had opgemerkt, want niets had hem tot dat onderzoek gedreven, namelijk dat de grond hier platgetreden was, elders gaten, sporen van verwarde voetstappen van menschen en paarden vertoonde. Bovendien hadden de wielen van een rijtuig, dat vanParijsscheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het paviljoen, en vandaar weder in de richting naarParijsterugkeerde. Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen, welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te drukken.
Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien, wegens dienstzaken, teParijshad moeten blijven, of wellicht ook wel tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen, werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.
Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op, sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuldde rivier overgezet; zij had alle blijken gegeven er belang bij te hebben niet herkend te worden; maar juist uit hoofde van alle voorzorgen, welke zij nam, had de veerman met nog meer oplettendheid haar gadegeslagen en bemerkt, dat de vrouw jong en schoon was. Destijds zoowel als thans waren er een menigte jonge, schoone vrouwen, die zich naarSt. Cloudbegaven en er belang bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had opgemerkt.
D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst wel degelijk teSt. Clouden niet elders was bepaald; voor het paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.
Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem, alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.
Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat waregeweest den beschroomdsten gerust te stellen. Eindelijk opende zich slechts een vingerbreedte een oud vermolmd luik, doch sloot zich weder dadelijk, zoodra het schijnsel eener ellendige lamp, die in een hoek brandde, den bandelier, den degengreep en de loopen der pistolen van d’Artagnan had verlicht.
Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien.—„In ’s hemels naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn voorgevallen? spreek!”
Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren. D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp, de wanorde in de kamer heerschende gezien had.
De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven, dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.
„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren, verklaar u!”—„Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets; indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets goeds uit voortspruiten.”—„Hebt gij dan iets gezien?” hernam d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in ’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal komen.”
De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig geruchtop straat hoorende en begeerig te weten wat er voorviel, naar de deur liep; daar ontwaarde ik, dat men trachtte binnen te komen. Arm zijnde en niet vreezende bestolen te worden, opende ik en zag op eenigen afstand drie mannen. In de schaduw stond een bespannen koets en gezadelde paarden. Die gezadelde paarden behoorden blijkbaar aan de drie mannen, welke als ruiters waren gekleed.
„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’—‚Gij hebt zeker een ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn.—‚Ja, heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’—‚Geef ons die en ga in huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’
„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’ Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast. Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoengehoord, een vrouw liep naar het venster en opende het, als om er zich uit te werpen; maar toen zij de twee mannen zag, trad zij schielijk achteruit; en de beide mannen sprongen achter haar de kamer binnen. Toen zag ik niets meer, maar ik hoorde een gerucht als van brekend huisraad.—De vrouw schreeuwde en riep om hulp. Maar spoedig werden haar kreten gesmoord; de drie mannen naderden het venster, de vrouw in hun armen wegdragende; twee gingen de ladder af en droegen haar in het rijtuig, waarin de kleine oude zich na haar begaf. Hij, die in het paviljoen was gebleven, sloot het venster, trad een oogenblik daarna uit de deur en verzekerde zich, dat de vrouw in het rijtuig was; zijn beide gezellen wachtten hem reeds te paard, hij sprong op zijn beurt in den zadel; de lakei zette zich naast den koetsier; de koets verwijderde zich in galop, begeleid door de drie ruiters, en alles was geëindigd. Van toen af heb ik niets meer gezien, niets meer gehoord.”
D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der jaloezie in zijn hart brulden.
„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven gebracht, en dat is het voornaamste.”—„Weet gij min of meer,” vroeg d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?”—„Ik ken hem niet.”—„Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien hebben.”—„O, gij meent hoe hij er uitzag?”—„Ja.”—„Een groot, mager, bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van een edelman.”—„Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij! Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?”—„Wie?”—„De kleine.”—„O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste onderscheiding.”—„Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach, arme vrouw, wat hebben zij methaar gedaan?”—„Gij hebt mij geheimhouding beloofd,” zeide de grijsaard.—„En ik herhaal u mijn belofte, wees gerust, ik ben edelman. Een edelman heeft slechts één woord, en ik heb u het mijne gegeven.”
D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte.—„O, indien ik mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is geworden?”
Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht. D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet. Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon brengen.
Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te wekken, na zijn flesch te hebbengeledigd, in zijn hoek de gemakkelijkste houding aan te nemen en zoo goed als hij kon in te slapen.
D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde, was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.
Porthos.
In plaats van zich rechtstreeks naar huis te begeven, bleef d’Artagnan voor de deur van den heer de Tréville stil en liep haastig de trap op, nu vast besloten hem alles te verhalen, wat er was voorgevallen. Voorzeker zou hij hem in deze omstandigheid goeden raad geven; vervolgens, daar de heer de Tréville bijna dagelijks de koningin sprak, zou hij misschien in staat zijn van Hare Majesteit eenige inlichtingen te verkrijgen omtrent de arme vrouw, aan wie men zeker haar trouw aan haar meesteres deed boeten....
De heer de Tréville luisterde naar het verhaal vanden jongeling met een ernst, die bewees, dat hij in dit avontuur iets meer zag dan een liefdesintrigue; vervolgens, toen d’Artagnan had geëindigd, zeide hij: „Hm! door dit alles kan men Zijne Eminentie op een uur afstands ruiken.”—„Maar wat te doen?” vroeg d’Artagnan.—„Niets, volstrekt niets anders, dan dadelijkParijsverlaten, zooals ik u heb gezegd. Ik zal de koningin spreken en haar de bijzonderheden van de ontvoering der arme vrouw mededeelen, daar zij er zeker niet mede bekend is; die bijzonderheden zullen haar van haar zijde tot richtsnoer verstrekken, en bij uw terugkomst zal ik u misschien een goede tijding hebben mede te deelen. Vertrouw hieromtrent op mij.”
D’Artagnan wist, dat, hoezeer Gaskonjer, de heer de Tréville de gewoonte niet had te beloven en, wanneer zulks toevallig gebeurde, hij meer deed dan hij beloofd had. Hij groette hem dan ook vol erkentelijkheid, zoowel voor het verledene als voor het toekomstige, en de waardige kapitein, die van zijn kant in den moedigen, standvastigen jongeling veel belang stelde, drukte hem vriendelijk de hand, hem een goede reis wenschende.
Besloten den raad van den heer de Tréville dadelijk ten uitvoer te brengen, begaf d’Artagnan zich naar de Doodgraversstraat, ten einde zijn toebereidselen voor de reis te maken. No. 11 naderende, herkende hij den heer Bonacieux, in zijn ochtendgewaad voor de deur zijner woning staande. Al wat de voorzichtige Planchet omtrent het onheilspellend karakter van zijn huisheer gezegd had, kwam toen opnieuw voor den geest van d’Artagnan, die hem met meer aandacht beschouwde, dan hij tot hiertoe had gedaan. Inderdaad, behalve die geelachtige, ziekelijke kleur, die de vermenging van de gal met het bloed aanduidt, ofschoon zulks toevallig kon ontstaan zijn, bemerkte d’Artagnan iets gluipends, verraderlijks in de vertrekking der rimpels van zijn gezicht. Een schurk lacht niet gelijk een eerlijk man, een huichelaar weent die tranen niet, welke een oprecht mensch stort. Elke valschheid iseen masker, en hoe goed dit masker ook gevormd zij, kan men steeds, met een weinig aandacht, het van het gezicht onderscheiden....
Het scheen dan aan d’Artagnan, alsof de heer Bonacieux een masker voor had en wel het onaangenaamste masker, dat men zien kon. Door zijn afkeer van dien man gedreven, wilde hij hem, zonder te spreken, voorbijgaan; maar de heer Bonacieux riep hem, gelijk den vorigen dag.
„Wel zoo, jongeling!” zeide hij, „het schijnt, dat wij aan het nachtbraken zijn? Zeven uur in den morgen, duivelsch! Mij dunkt, dat gij de aangenomen gebruiken eenigszins hebt omgekeerd en te huis komt, wanneer anderen uitgaan.”—„Men zal u hetzelfde verwijt niet doen, mijnheer Bonacieux!” antwoordde de jongeling, „en gij zijt het toonbeeld der ordelijke lieden. Het is waar, dat, wanneer men een jonge, schoone vrouw bezit, men niet noodig heeft het geluk na te loopen; het geluk komt u tegemoet, niet waar, mijnheer Bonacieux?”
Bonacieux werd zoo bleek als een lijk en een grijnzende glimlach vertrok zijn gelaat.—„Ha! ha!” zeide hij, „gij zijt een grappige snaak. Maar waar duivel! zijt gij toch van nacht geweest, jonge heer? Het schijnt, dat het op de binnenwegen niet zindelijk was.”
D’Artagnan sloeg de oogen op zijn met slijk bedekte laarzen; maar door deze beweging viel zijn blik gelijktijdig op de schoenen en kousen van den winkelier; het was of men ze in denzelfden modderpoel had gedoopt, want zoowel de eene als de andere waren met gelijkkleurige vlekken bezoedeld. Toen doorvloog een snelle gedachte de ziel van d’Artagnan. Die kleine, dikke, korte, grijze man, die soort van lakei in een somberkleurig gewaad gekleed en door de krijgslieden, welke de koets vergezelden, zonder eenige onderscheiding behandeld, was Bonacieux zelf geweest. De echtgenoot was bij de ontvoering zijner vrouw tegenwoordig geweest.
D’Artagnan overviel een hevige begeerte, den winkelier bij de keel te grijpen en hem te worgen; maar, wijhebben het gezegd, hij was een zeer voorzichtig jongeling en hij bedwong zich.
Intusschen was de verandering, welke er op zijn gezicht had plaats gehad, zoo zichtbaar, dat Bonacieux angstig werd en een schrede achteruit wilde treden; maar hij stond juist tegen de deur, die gesloten was, welk stoffelijk beletsel hem dwong op zijn plaats te blijven.
„Ei! wilt gij schertsen, mijn beste man?” zeide d’Artagnan; „maar ik geloof dat, wanneer mijn laarzen een sponsstreek noodig hebben, uw kousen en schoenen wel dienen te worden afgeschuierd. Zoudt gij van uw kant, meester Bonacieux! ook aan den zwier zijn geweest? Duivelsch! dat zou onvergeeflijk zijn voor een man van uw jaren en die bovendien een zoo lieve vrouw heeft.”—„Ach, mijn God, neen,” hernam Bonacieux; „maar gisteren was ik teSaint-Mandé, om naar een dienstmaagd onderzoek te doen, welke ik volstrekt noodig heb en daar de wegen slecht waren, heb ik al dat slijk medegebracht, van hetwelk ik mij nog niet heb kunnen reinigen.”
Het oord, dat Bonacieux aanwees, als zijnde het doel geweest van zijn wandeling, strekte d’Artagnan tot een nieuw bewijs voor de gegrondheid zijner vermoedens. Bonacieux hadSaint-Mandégenoemd, omdatSaint-Mandéjuist het tegenovergestelde punt vanSaint-Cloudis. Deze waarschijnlijkheid was een eerste troost. Indien Bonacieux wist, waar zijn vrouw zich bevond, kon men altijd, tot de uiterste middelen overgaande, den winkelier dwingen den mond te openen en zijn geheim te openbaren. Het betrof alleen de waarschijnlijkheid in zekerheid te veranderen.
„Vergeef mij, mijn waarde heer Bonacieux! indien ik met u geen plichtplegingen maak,” zeide d’Artagnan; „maar niets veroorzaakt meer dorst, dan niet geslapen te hebben. Ik heb dan ook een razenden dorst; veroorloof mij een glas water bij u te drinken; gij weet, men weigert dit niet tusschen buren.”—En zonder op het verlof van zijn huisheer te wachten, trad d’Artagnanhet huis binnen en wierp een snellen blik op het bed.
Het bed was niet beslapen; dus Bonacieux niet te bed geweest. Hij was eerst sedert een paar uren te huis gekomen en had zijn vrouw tot aan de plaats vergezeld, werwaarts men haar had ontvoerd, of ten minste tot aan de pleisterplaats.
„Ik dank u, meester Bonacieux!” zeide d’Artagnan, zijn glas ledigende, „dat is alles, wat ik van u begeerde. Nu ga ik naar mijn kamer en zal Planchet mijn laarzen laten schoonmaken en wanneer hij gedaan heeft, zal ik hem tot u zenden, om, als gij wilt, uw schoenen te poetsen.”—En hij verliet den winkelier, die geheel verbaasd was over dat zonderlinge afscheid, zich zelven afvragende, of hij het niet was, die in de val was geloopen.
Boven aan de trap ontmoette d’Artagnan Planchet, geheel ontsteld.—„O, mijnheer!” riep de lakei, zoodra hij zijn meester zag, „al weer wat anders; ik wachtte met ongeduld op uw tehuiskomst.”—„Wat is er dan?” vroeg d’Artagnan.—„O, ik geef het u in honderd, in duizend te raden, wat bezoek ik voor u, gedurende uw afwezigheid, ontvangen heb.”—„Wanneer dat?”—„Een half uur geleden, terwijl gij bij den heer de Tréville waart.”—„En wie is dan hier geweest? kom, spreek!”—„De heer de Cavois.”—„De heer de Cavois?”—„In persoon.”—„De kapitein der gardes van Zijne Eminentie?”—„Dezelfde.”—„Kwam hij mij in hechtenis nemen?”—„Ik twijfelde er aan, mijnheer! en dat in weerwil van zijn beleefd voorkomen.”—„Was hij zoo beleefd, zegt gij?”—„Dat is te zeggen: dat hij zoo zoet als honig was, mijnheer!”—„Waarlijk?”—„Hij kwam,” zeide hij, „vanwege den kardinaal, die u zeer genegen is, om u te verzoeken, hem naar hetPalais-Royalte volgen.”—„En wat hebt gij hem geantwoord?”—„Dat het niet mogelijk was, uit hoofde gij uit waart, zooals hij zag.”—„Wat zeide hij toen?”—„Dat gij niet moest verzuimen in den loop van den dag aan te komen; vervolgens voegde hij er zacht bij:
„‚Zeg uw meester, dat Zijne Eminentie hem volkomengenegen is, en zijn fortuin misschien van dit bezoek afhangt.’”
„Die list is niet zeer slim van den kardinaal,” hernam glimlachende de jongeling.—„Ook ik merkte den valstrik en ik heb geantwoord, dat gij bij uw terugkomst wanhopend zoudt zijn. De heer de Cavois vroeg mij verder, waarheen gij getrokken waart.
„‚NaarTroyes, inChampagne,’ antwoordde ik.—‚En wanneer is hij vertrokken?’—‚Gisteren avond.’”
„Planchet! mijn vriend! gij zijt waarachtig een kostelijk man.”—„Gij begrijpt, mijnheer! dat ik gedacht heb, het altijd tijd genoeg zoude zijn, indien gij den heer de Cavois mocht willen spreken, mij tot een leugenaar te maken en te zeggen, dat gij niet vertrokken waart; dan ben ik in dat geval de leugenaar en daar ik geen edelman ben, is het mij geoorloofd te liegen.”—„Stel u gerust, Planchet! gij zult den naam van een waarheidlievenden man behouden; binnen een kwartier vertrekken wij.”—„Dat was de raad, dien ik mijnheer wilde geven; en zonder nieuwsgierigheid, waarheen gaan wij?”—„Pardieu!naar de tegenovergestelde zijde van die, welke gij hebt gezegd, dat ik gegaan was. Bovendien, gij zijt immers even ongeduldig, eenige tijding van Grimaud, Mousqueton en Bazijn te krijgen, als ik het ben om te weten, wat er van Athos, Porthos en Aramis geworden is?”—„O ja, mijnheer!” antwoordde Planchet, „en ik vertrek, wanneer gij verkiest; de buitenlucht is, naar ik geloof, op dit oogenblik beter voor ons, dan die vanParijs. Dus....?”—„Dus pak in, Planchet! en vertrekken wij; ik ga vooruit, met mijn handen in den zak, opdat men niets vermoede. Gij zult u met mij in het hotel der gardes vereenigen.... A propos, Planchet! ik geloof, dat gij, ten aanzien van onzen huisheer, gelijk hebt en hij inderdaad een gemeene kerel is.”—„O! geloof mij, mijnheer! als ik u iets zeg; ik ben een goed gelaatkundige, dat verzeker ik u.”
D’Artagnan vertrok het eerst, zooals was afgesproken; toen, om zich niets te wijten te hebben, richtte hij zijnschreden voor de laatste maal naar de woningen zijner drie vrienden; men had niet de minste tijding van hen ontvangen; alleen een welriekende brief met klein, zeer fraai schrift was voor Aramis gekomen. D’Artagnan belastte zich met de bezorging.
Tien minuten later vervoegde Planchet zich bij hem in den stal van het hotel der gardes. D’Artagnan, om geen tijd te verliezen, had reeds zijn paard gezadeld.
„Goed!” zeide hij tot Planchet, toen deze het valies op het zadel had gebonden; „zadel nu de drie andere en vertrekken wij.”—„Gelooft gij, dat wij spoediger zullen reizen met elk twee paarden?” vroeg Planchet spotachtig.—„Neen, mijnheer de spotboef!” antwoordde d’Artagnan; „maar met onze vier paarden kunnen wij onze drie vrienden terugbrengen, indien wij ze althans levend terugvinden.”—„Dat nog al vrij toevallig zou zijn,” antwoordde Planchet; „maar men mag aan de barmhartigheid Gods niet twijfelen.”—„Amen,” zei d’Artagnan te paard springende, en beiden verlieten het hotel der gardes, elk de tegenovergestelde zijde van de straat inslaande, de eeneParijsdoor de poort de la Villette, de andere door die van Montmartre uitgaande, om elkander voorbijSt. Denisweder te ontmoeten; welke krijgskundige beweging van weerszijden met dezelfde stiptheid volbracht en met den gelukkigsten uitslag bekroond werd. D’Artagnan en Planchet kwamen dus gelijktijdigPierrefittebinnen.
Wij moeten bekennen, dat Planchet moediger overdag dan ’s nachts was. Intusschen week van hem niet één oogenblik zijn aangeborene voorzichtigheid; hij had geene der geringste bijzonderheden van de vorige reis vergeten en hij beschouwde iedereen, dien hij tegenkwam, als een vijand. Het gevolg hiervan was, dat hij steeds den hoed in de hand had, hetgeen hem van de zijde van d’Artagnan hevige berispingen op den hals haalde, die vreesde, dat, tengevolge zijner overdreven beleefdheid, men hem als den knecht van een zeer geringen persoon zou aanzien.