HOOFDSTUK XXVI.

Intusschen, hetzij dat de voorbijgangers werkelijkvoor de beleefdheid van Planchet gevoelig waren, hetzij dat nu niemand op den weg des jongelings op post was gesteld, bereikten onze beide reizigersChantillyzonder het minste ongeval en stegen af voor het hotelde Groote St. Maarten, hetzelfde, waar zij de eerste reis hun intrek hadden genomen.

De herbergier, een jongeling ziende, gevolgd door een lakei met twee handpaarden, naderde eerbiedig voor de deur. En dewijl men reeds elf mijlen had afgelegd, oordeelde d’Artagnan zich dáár te moeten ophouden, al was Porthos dan ook niet in het hotel. Vervolgens dacht hij, dat het niet voorzichtig was, dadelijk navraag te doen, wat er van den musketier geworden was. Tengevolge dezer overwegingen steeg d’Artagnan, zonder in het minst naar iemand te vernemen, af, de paarden zijn lakei aanbevelende, waarop hij in een kleine kamer trad, bestemd tot ontvangst dergenen, die verlangden alleen te zijn. Hij verzocht den herbergier om een flesch van zijn besten wijn en een zoo goed mogelijk ontbijt, welk verzoek den herbergier nog te meer versterkte in de goede meening, die hij bij den eersten aanblik zich van den reiziger gevormd had.

D’Artagnan werd dan ook met een wonderbare snelheid bediend. Het regiment der gardes bestond uit de eerste edellieden van het rijk en d’Artagnan, gevolgd van een lakei en met vier paarden reizende, moest ondanks de eenvoudigheid van zijn uniform niet weinig indruk maken. De herbergier wilde hem in persoon bedienen; d’Artagnan, zulks bespeurende, liet twee glazen komen en begon het volgende gesprek:

„Wel, mijn waarde gastheer!” zeide d’Artagnan, de beide glazen vullende, „ik heb u den besten wijn gevraagd; hebt gij mij nu bedrogen, dan wordt gij gestraft in hetgeen, waarin gij hebt gezondigd, dewijl, daar ik het verfoei alleen te drinken, gij met mij zult drinken. Neem dus uw glas en drinken wij.... Maar op wiens gezondheid zullen wij drinken, om niemands denkwijze te kwetsen? Welaan, laat ons op den voorspoed van uw huis drinken!”—„Uwe edelheid doet mijveel eer,” zeide de herbergier, „en ik dank u oprecht voor uw wensch.”—„Maar bedrieg u niet,” zeide d’Artagnan, „er is meer baatzucht in mijn toast dan gij misschien vermoedt, immers alleen die huizen, waarin men wel ontvangen wordt, zijn voorspoedig, maar in die herbergen, welke achteruit gaan, gaat alles verkeerd en de reiziger is het offer der verlegenheid, waarin de herbergier zich bevindt; derhalve ik, die veel op reis ben, en vooral langs dezen weg, wil gaarne al de herbergiers fortuin zien maken.”—„Inderdaad,” zeide de herbergier, „ik geloof, dat het niet voor het eerst is, dat ik de eer heb mijnheer te zien?”—„O! ik ben ten minste tien malen teChantillygeweest en van de tien keeren heb ik mij zeker vier of vijf malen in uw herberg opgehouden. Zie, ik was hier nog een tien of twaalf dagen geleden; ik vergezelde eenige vrienden, waarvan er een in twist met een vreemdeling, een onbekende geraakte, die uit ik weet niet wat oorzaak twist met hem zocht.”

„O ja, inderdaad,” zeide de herbergier, „ik herinner het mij volkomen. Is het niet de heer Porthos, dien uwe edelheid bedoelt?”—„Dat is juist de naam van mijn reisgenoot. Mijn God! mijn waarde gastheer, zou hem een ongeluk zijn overkomen?”—„Maar uwe edelheid heeft immers moeten opmerken, dat hij de reis niet heeft kunnen voortzetten?”—„Inderdaad hij heeft beloofd ons te volgen, maar wij hebben hem niet weergezien.”—„Hij heeft ons de eer aangedaan te blijven.”—„Hoe, heeft hij u de eer gedaan te blijven?”—„Ja, mijnheer! in het hotel, en wij zijn zeer ongerust.”—„En waarover?”—„Over zekere verteringen, die hij maakt.”—„Zoo, maar wat hij verteert, zal hij betalen.”—„Ach, mijnheer! gij giet waarlijk balsem in mijn wonden. Wij hebben zeer groote voorschotten gedaan en nog heden morgen verklaarde de wondheeler, dat indien de heer Porthos hem niet betaalde, hij mij zou aanspreken, uit hoofde ik het was geweest, die hem had doen roepen.”—„Is Porthos dan gekwetst?”—„Dat zou ik u niet kunnen zeggen, mijnheer!”—„Hoe! kuntgij mij dat niet zeggen? gij moest dit echter het beste weten.”—„Ja, maar in ons beroep zegt men niet alles wat men weet, mijnheer! vooral wanneer men ons waarschuwt, dat onze ooren voor onze tong verantwoordelijk zullen zijn.”—„Welnu, kan ik Porthos spreken?”—„Welzeker, mijnheer! ga de trap op tot aan de eerste verdieping en klop aan No. 1; maar zeg, dat gij het zijt.”—„Waarom moet ik zeggen, dat ik het ben?”—„Omdat er anders voor u een ongeluk uit zou kunnen ontstaan.”—„En welk ongeluk denkt gij, dat mij zou overkomen?”—„De heer Porthos zou u voor iemand van het huis kunnen aanzien en in een aanval van toorn u den degen door het lijf rijgen, of u door het hoofd kunnen schieten.”—„Wat hebt gij hem dan toch gedaan?”—„Wij hebben hem om geld gevraagd.”—„O, duivelsch! nu begrijp ik het; dat is een vraag, die Porthos volstrekt niet kan verdragen, wanneer hij het niet heeft; maar ik weet, dat hij geld moet hebben.”—„Wij dachten zulks ook, mijnheer, en dewijl alles hier in huis zeer geregeld gaat en wij alle weken de rekeningen opmaken, gaven wij, na verloop van acht dagen, hem zijn rekening; maar het schijnt, dat wij een slecht oogenblik hadden gekozen, want bij het eerste woord, dat wij omtrent de zaak zeiden, heeft hij ons naar alle duivels gezonden; het is waar, dat hij den vorigen avond gespeeld had.”

„Hoe! had hij den vorigen avond gespeeld, en met wien?”—„Ach, mijn God! wie kan dat weten? met een edelman, die hier aankwam en wien hij een partij lansquenet voorsloeg.”—„Zoo is het! de ongelukkige zal alles verloren hebben.”—„Zelfs zijn paard, mijnheer! want toen de vreemdeling zich gereed maakte om te vertrekken, zagen wij zijn lakei het paard van den heer Porthos zadelen. Wij deden hem dit opmerken, maar hij heeft ons geantwoord, dat wij ons met zaken bemoeiden, die ons niet aangingen, en dat het paard hem behoorde. Wij gaven toen dadelijk den heer Porthos hiervan kennis; maar deze liet ons antwoorden, dat wij schurken waren, als wij het woord eens edelmansbetwijfelden, en zoo deze had gezegd, dat het paard hem behoorde, zulks wel waar zou zijn.”—„Alleen hieraan herken ik hem,” mompelde d’Artagnan.

„Toen,” hernam de herbergier, „liet ik hem zeggen, dat van het oogenblik, dat wij bestemd schenen elkander omtrent het artikel van geldzaken niet te verstaan, ik ten minste hoopte, dat hij met zijn gunst mijn beroepsgenoot, den eigenaar vande Gouden Arend, zou vereeren; maar de heer Porthos liet mij weten, dat, mijn hotel het beste zijnde, hij er zou blijven. Dat antwoord was al te vleiend om op zijn vertrek aan te dringen. Ik bepaalde mij dus hem te verzoeken, mij zijn kamer af te staan, die de fraaiste van het hotel is, en zich met een lief kamertje op de derde verdieping te vergenoegen. Maar hierop antwoordde de heer Porthos, dat, dewijl hij elk oogenblik zijn minnares wachtende was, een der grootste dames van het hof, ik moest begrijpen, dat de kamer, welke hij mij de eer deed te bewonen, nog tamelijk gering was voor een dergelijk persoon. Intusschen, hoezeer ik de waarheid van zijn gezegde erkende, meende ik echter te moeten aandringen; maar zonder zich de moeite te geven in de minste woordenwisseling te treden, greep hij zijn pistool, legde het op zijn bedtafel en verklaarde mij, dat bij het eerste woord, dat men hem over een of andere verhuizing naar binnen of naar buiten zou spreken, hij dengene voor het hoofd zou schieten, die onvoorzichtig genoeg zou zijn zich met een zaak te bemoeien, die hem alleen aanging. Sedert dat oogenblik, mijnheer, is niemand in zijn kamer geweest dan alleen zijn knecht.”

„Is Mousqueton dan ook hier?”—„Ja, mijnheer, vijf dagen na zijn vertrek is deze ook in zeer slechte luim teruggekeerd; het schijnt, dat ook hij eenige onaangenaamheden op reis heeft gehad. Ongelukkig is hij vlugger dan zijn meester, hetgeen tengevolge heeft dat hij, ten behoeve van zijn meester, alles het onderste boven werpt, omdat hij, vreezende dat men hem zal weigeren wat hij vraagt, alles zonder vragen neemt, wat hij noodig heeft.”—„Ik moet bekennen,”antwoordde d’Artagnan, „dat ik steeds in Mousqueton een bovenmatige gedienstigheid en veel verstand heb opgemerkt.”—„Dat is mogelijk, mijnheer! maar veronderstel dat het mij slechts viermaal in het jaar gebeure met een dergelijken dienstvaardigen en verstandigen knecht in aanraking te komen, dan word ik een arm man.”—„Neen, want Porthos zal u betalen.”—„Hm!” liet de kastelein op twijfelachtigen toon hooren.—„Hij is de gunsteling eener zeer voorname dame, die hem voor een bagatel, als hij u schuldig is, niet in den steek zal laten.”—„Indien ik durfde zeggen, wat ik hiervan denk.”—„Wat gij hiervan denkt?”—„Ik zal meer zeggen: wat ik weet.”—„Wat gij weet?”—„En zelfs waar ik zeker van ben.”—„Laat hooren, waarvan zijt gij zeker?”—„Ik zal u zeggen, dat ik die groote dame ken.”—„Gij?”—„Ja ik.”—„En hoe kent gij haar?”—„O, mijnheer! indien ik mij van uw stilzwijgendheid kon verzekerd houden.”—„Spreek! ik geef u mijn woord als edelman, dat uw vertrouwen u niet zal berouwen.”

„Welnu dan, mijnheer! gij beseft wel, dat ongerustheid tot vele dingen doet overgaan.”—„Wat hebt gij gedaan?”—„O! niets, niets, waartoe een schuldeischer geen recht heeft.”—„Kortom?”—„De heer Porthos heeft ons een brief voor de hertogin ter hand gesteld, om dien op de post te doen. Zijn knecht was nog niet aangekomen. Daar hij zijn kamer niet kon verlaten, moest hij ons wel met zijn boodschappen belasten.”—„Verder?”—„In plaats van den brief op de post te doen, hetgeen nooit geheel zeker is, hebben wij van de gelegenheid gebruik gemaakt, dat onze knecht naarParijsging, en we hebben hem belast, den brief in persoon bij de hertogin te bezorgen. Dit was immers volkomen het oogmerk van den heer Porthos vervullen, die ons had aanbevolen de grootste zorg voor dien brief te hebben, niet waar?”—„Ja, min of meer.”—„Welnu, mijnheer! weet gij wel, wie die groote dame is?”—„Neen, ik heb er alleen den heer Porthos over hooren spreken, anders niet.”—„Kent gij die voorgewendehertogin niet?”—„Ik herhaal het u, ik ken haar niet.”—„Zij is de oude vrouw van een procureur bij het Châtelet, mijnheer! genaamd Cocquenard; zij is ten minste vijftig jaren oud en doet nog alsof zij jaloersch was. Ook kwam het mij zeer zonderling voor, van een prinses te hooren gewagen, die in de Berenstraat woont.”—„Hoe weet gij dat?”—„Omdat zij in een hevige gramschap ontstak, toen zij den brief ontving, zeggende, dat de heer Porthos een losbol was en het zeker voor eene of andere vrouw was, dat hij een degensteek had opgeloopen.”—„Hij heeft dus een degensteek opgeloopen?”—„Ach, mijn God! wat heb ik daar gezegd?”—„Gij hebt gezegd, dat Porthos een degensteek heeft ontvangen.”—„Ja, maar hij heeft ons streng verboden, het te zeggen.”—„Waarom dat?”—„Wel, mijnheer! omdat hij zich beroemd had dien vreemdeling te doorsteken, met wien hij in twist was, toen gij hem verliet, terwijl het integendeel de vreemdeling is geweest, die hem, ondanks zijn gepoch, heeft overwonnen. En wijl de heer Porthos een zeer hoovaardig mensch is, behalve jegens zijn hertogin, die hij heeft gemeend belang in te boezemen door haar zijn avontuur te verhalen, wil hij aan niemand bekennen, dat hij een degensteek heeft ontvangen.”—„Dus is het een degensteek, die hem te bed houdt?”—„En een meesterlijke degensteek, dàt verzeker ik u. Uw vriend moet de ziel in het lijf geschroefd zijn.”—„Waart gij er bij tegenwoordig?”—„Mijnheer! ik was uit nieuwsgierigheid gevolgd, zoodat ik het gevecht heb gezien, zonder dat de strijders mij zagen.”—„En hoe is het afgeloopen?”—„O, de zaak liep spoedig ten einde, op mijn woord. Zij stelden zich in postuur, de vreemdeling deed een loozen steek en viel daarop uit en zulks zoo snel, dat toen de heer Porthos wilde pareeren, hij reeds drie duim staal in de borst had. Hij viel achterover. De vreemdeling zette hem dadelijk de punt van zijn degen op den hals, en de heer Porthos, zich in de macht van zijn vijand ziende, bekende zich overwonnen, waarop de vreemdeling hem zijn naam vroeg, en hoorende dat hij Porthosheette en niet d’Artagnan, bood hij hem den arm, bracht hem naar het hotel terug, steeg te paard en verdween.”

„Het was dus de heer d’Artagnan, dien die heer zocht?”—„Het schijnt van ja.”—„En weet gij wat van dezen is geworden?”—„Neen, ik had hem nooit vroeger gezien en wij hebben hem sedert ook niet meer gezien.”—„Goed, ik weet nu, wat ik wilde weten. Gij zegt, dat de kamer van den heer Porthos op de eerste verdieping No. 1 is?”—„Ja, mijnheer! de fraaiste van het huis; een kamer, die ik reeds tien malen in de gelegenheid was te verhuren.”—„O, wees gerust,” zeide d’Artagnan lachende, „Porthos zal u betalen met het geld der hertogin Cocquenard.”—„Ach, mijnheer! het is onverschillig of zij een procureursvrouw of een hertogin is, als zij slechts haar beurs opent; doch zij heeft stellig geantwoord, dat zij de eischen en ongetrouwheden van den heer Porthos moede was, en zij hem geen penning zou zenden.”—„En hebt gij dat antwoord aan uw logeergast overgebracht?”—„Wij hebben er ons wel voor gewacht; hij zou bemerkt hebben, op welke wijze zijn boodschap was verricht.”—„Zoodat hij steeds het geld wachtende is?”—„Ach, mijn God, ja. Nog gisteren heeft hij geschreven; maar nu heeft zijn knecht den brief op de post gebracht.”—„En gij zegt, dat de procureursvrouw oud en leelijk is?”—„Vijftig jaar, ten minste, mijnheer! en in het geheel niet lieftallig, naar hetgeen Pataud heeft gezegd.”—„In dat geval, wees gerust, zij zal zich laten verteederen; bovendien, Porthos kan u niet veel schuldig zijn.”—„Hoe! niet veel?.... Reeds een twintigtal pistolen, zonder den heelmeester te rekenen. O, hij laat zich niets ontbreken, weet gij; men ziet, dat hij aan een goed leven gewoon is.”

„Welnu, indien zijn minnares hem verliet, zal hij vrienden vinden, dat verzeker ik u. Dus, mijn goede man! wees niet ongerust, en ga voort met hem al die zorgen te bewijzen, die zijn staat vereischt.”—„Mijnheer heeft mij beloofd, geen woord over de procureursvrouw te spreken, noch van de wonde te reppen.”—„Datis overeengekomen, gij hebt mijn woord.”—„Ach! hij zou mij om het leven brengen, weet gij.”—„Wees niet bevreesd, hij is zoo kwaad niet, als hij er uit ziet.”—En dit zeggende, klom d’Artagnan de trap op, den herbergier een weinig hebbende gerustgesteld omtrent twee zaken, over welke hij zich zeer scheen te bekommeren: zijn geld en zijn leven.

Op de eerste verdieping, boven aan de trap, op de meest in het oog vallende deur van den overloop, stond met zwarte inkt een reusachtig geschilderd No. 1. D’Artagnan klopte en op de uitnoodiging om voorbij te gaan, welke hem van binnen werd gedaan, trad hij binnen. Porthos lag te bed en speelde een partij lansquenet met Mousqueton, om er de gewoonte niet van te verliezen, terwijl een spit, waaraan patrijzen staken, voor het vuur draaide, en in beide hoeken van een grooten schoorsteen op twee komforen twee pannen stonden, uit welke een gemengde geur van gestoofde hoenders en visch steeg, die de reukzenuwen streelde. Daarenboven waren het bovenste van een secretaire en het marmeren blad van een latafel met ledige flesschen bedekt.

Op het zien van zijn vriend slaakte Porthos een luiden vreugdekreet en Mousqueton, eerbiedig opstaande, gaf hem zijn plaats over en ging een blik werpen op de beide pannen, over welke hij het bijzonder toezicht scheen te hebben.—„Wel,pardieu!zijt gij het!” riep Porthos tot d’Artagnan. „Wees welkom en verontschuldig mij, indien ik u niet tegemoet kom; maar,” ging hij voort, terwijl hij d’Artagnan aanzag, „gij weet wat mij is overkomen?”—„Neen.”—„Heeft de herbergier u niets gezegd?”—„Ik heb alleen naar u gevraagd en ben rechtstreeks naar boven gegaan.”—Porthos scheen ruimer adem te halen.

„En wat is u dan overkomen, waarde Porthos?” vroeg d’Artagnan.—„Het ongeluk wilde, dat, terwijl ik een uitval op mijn vijand deed, wien ik reeds drie steken had toegebracht en met wien ik met een vierde wilde afrekenen, ik toen over een steen struikelde,neerviel en mijn knie verstuikte.”—„Waarlijk?”—„Op mijn eer; gelukkig voor dien schelm, want ik had hem op de plaats gedood, dat verzeker ik u.”—„En wat is er van hem geworden?”—„O, dat weet ik niet; hij heeft genoeg gehad en is zonder meer te vragen vertrokken; maar wat is u gebeurd, mijn waarde d’Artagnan?”—„Zoodat die verstuiking u in het bed houdt, mijn goede Porthos?”—„Ach, mijn God! ja, niets anders, trouwens binnen eenige dagen zal ik weder op de been zijn.”—„Maar waarom hebt gij u niet naarParijsdoen vervoeren? Gij moet u hier vreeselijk vervelen.”—„Dat was mijn voornemen, maar mijn beste vriend, ik moet u iets toevertrouwen.”—„Wat?”—„Wel, dewijl ik mij, zooals gij zegt, vreeselijk verveelde en ik in mijn zak de vijf en zeventig pistolen van het onder elkaar gedeelde nog vond, verzocht ik, om eenige uitspanning te hebben, een hier zich ophoudenden edelman bij mij, om met hem een partij te spelen. Hij nam den voorslag aan; en op mijn woord, de vijf en zeventig pistolen zijn uit mijn in zijn zak overgegaan, zonder daarbij te rekenen mijn paard, dat hij nog bovendien heeft medegenomen. Maar gij, mijn waarde d’Artagnan?”

„Wat wilt gij, beste Porthos! men kan niet op alle wijzen bevoorrecht worden,” zeide d’Artagnan; „gij kent het spreekwoord: Ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde. Gij zijt al te gelukkig in de liefde, dat het spel zich hierover niet zou wreken; maar wat raakt u de slechte fortuin? Hebt gij niet, gelukkige schurk! hebt gij niet uw hertogin, die niet kan nalaten u te hulp te komen?”—„Ja, maar luister, waarde d’Artagnan, hoe alles mij tegenloopt,” zeide Porthos op een ongedwongen toon; „ik heb haar geschreven, mij vijftig louis d’or te zenden, die ik volstrekt noodig had, de gesteldheid, waarin ik mij bevind, in aanmerking genomen.”—„En?”—„Wel, zij moet zeker op haar landgoederen zijn, want zij heeft mij niet geantwoord.”—„Inderdaad!”—„Neen; ik heb haar dan ook gisteren een nieuw epistel gezonden, nog dringender dan hetvorige. Maar, nu zijt ge hier terug, spreken wij dus over u. Ik begon, ik verzeker het u, eenigszins over u ongerust te worden.”

„Maar uw gastheer gedraagt zich jegens u, naar het schijnt, zeer goed, mijn waarde Porthos!” zeide d’Artagnan, den zieke de gevulde pannen en de ledige flesschen aanwijzende.—„Stil, stil!” antwoordde Porthos. „Reeds drie of vier dagen geleden bracht de onbeschaamde mij de rekening, maar ik heb ze beiden, hem en zijn rekening, aan de deur gezet, zoodat ik mij hier als een soort van overwinnaar of overweldiger bevind. Ook ben ik omringd van wapens, zooals gij ziet, als voorzorg om niet uit mijn vesting te worden verjaagd.”—„Intusschen,” zeide d’Artagnan lachende, „schijnt gij nu en dan uitvallen te doen.”—En hij toonde met den vinger de flesschen en de braadpannen.—„Neen, ik ongelukkig niet,” zeide Porthos. „Die ellendige verstuiking houdt mij te bed; maar Mousqueton gaat verkenningen doen en brengt levensmiddelen mede. Mousqueton, mijn vriend! gij ziet, dat er versterking is gekomen; wij zullen wat meer victualie noodig hebben.”

„Mousqueton!” zeide d’Artagnan, „gij zult mij een dienst moeten doen.”—„Welken, mijnheer!”—„Uw recept aan Planchet te geven; ik zou op mijn beurt belegerd kunnen worden, en het zou mij in dat geval niet onaangenaam zijn, dat hij mij dezelfde voordeelen bezorgde, als die waarvan gij uw meester doet genieten.”—„Ach, mijn God! mijnheer! niets is gemakkelijker, er behoort slechts eenige behendigheid toe. Ik ben op het land opgevoed en mijn vader was in zijn ledigen tijd min of meer een wilddief.”—„En wat deed hij in den overigen tijd?”—„Mijnheer! hij oefende een beroep, dat ik steeds tamelijk voordeelig heb gevonden.”—„Welk?”—„Daar het in den tijd der religie-oorlogen tusschen de roomschen en de hugenooten was, en hij de katholieken de hugenooten en de hugenooten de katholieken zag vernielen, en dat alles in naam van God, had hij een gemengd geloof omhelsd, hetgeenhem veroorloofde nu eens katholiek, dan weder hugenoot te zijn. En daar hij gewoonlijk achter de heggen, die den weg begrenzen, met zijn vuurroer op den schouder, een wandeling ging doen, gebeurde het wel eens, dat hij een katholiek eenzaam zag aankomen, in welk geval het protestantsch geloof dadelijk in zijn ziel bovenkwam en hij zijn roer in de richting van den reiziger liet neerzinken, en dan op tien schreden afstands een gesprek met hem aanving, aan hetwelk gewoonlijk de reiziger een einde maakte door zijn beurs af te staan om zijn leven te redden. Het spreekt vanzelf, dat wanneer hij een hugenoot ontmoette, hij zich door een zoo heiligen ijver voor het katholicisme voelde gedreven, dat hij zich niet kon begrijpen, hoe hij een kwartier te voren eenigen twijfel had kunnen koesteren omtrent de meerderheid van onzen heiligen godsdienst. Want ik, mijnheer! ben katholiek; mijn vader, getrouw aan zijn grondbeginselen, deed mijn oudsten broeder hugenoot worden.”

„En hoe is het met dien waardigen man afgeloopen?” vroeg d’Artagnan.—„Ach, op de rampzaligste wijze, mijnheer! Op zekeren dag was hij in een hollen weg tusschen een hugenoot en een katholiek ingesloten, met wie hij reeds te doen had gehad en die hem beiden herkenden, zoodat zij met elkander samenspanden en hem aan een boom ophingen; daarna gingen zij zich beroemen op hun fraaie verrichting in de herberg van het naaste dorp, waar wij, mijn broeder en ik, zaten te drinken.”

„En wat deedt gij?” vroeg d’Artagnan.—„Wij lieten hen praten,” hernam Mousqueton. „Vervolgens, daar zij bij het verlaten der herberg elk een tegenovergestelde richting insloegen, begaf mijn broeder zich in een hinderlaag op den weg van den katholiek en ik op dien van den protestant. Twee uren later was alles afgeloopen; wij hadden van elk hunner de rekening opgemaakt, terwijl wij intusschen het doorzicht van onzen armen vader bewonderden, die de voorzorg had genomen, ons beiden in een verschillenden godsdienst op te voeden.”

„Waarlijk, zooals gij zegt, uw vader schijnt mij een zeer verstandige snaak te zijn geweest. En hij was dus in zijn ledigen tijd jachtstrooper?”—„Ja, mijnheer! hij was het, die mij heeft geleerd een strik te leggen en een vischlijn te hangen. Hiervan trok ik partij, want toen ik zag, dat de schurkachtige herbergier ons met wat grof vleesch voedde, alleen goed voor kinkels en dat volstrekt niet geschikt was voor zulke zwakke magen als de onze, vatte ik min of meer mijn oud handwerk weder bij de hand. Al wandelende, legde ik in de bosschen mijn strikken en mij aan den kant der vischvijvers tot slapen neerleggende, liet ik de vischlijnen in het water zinken. Zoodat thans, Goddank! zooals mijnheer zich kan overtuigen, ons geen patrijzen, konijnen, karpers en paling ontbreken en wij voorzien zijn van een licht en gezond voedsel, vooral dienstig voor zieken.”

„Maar den wijn?” vroeg d’Artagnan, „wie levert u den wijn? de herbergier?”—„Dat is te zeggen, ja en neen.”—„Hoe! ja en neen?”—„Hij levert hem, dat is waar, maar hij weet niet, dat hij die eer heeft.”—„Verklaar u, mijnheer! uw gesprek is vol leerzame zaken.”—„Luister, mijnheer! het toeval wilde, dat ik gedurende mijn omzwervingen een Spanjaard ontmoette, die veel had gereisd en onder anderen in de nieuwe wereld was geweest.”—„Wat gemeens heeft de nieuwe wereld met de flesschen, die op die secretaire en die ladetafel staan?”—„Geduld, mijnheer, alles op zijn beurt.”—„Goed, Mousqueton, ik wil aan uw verlangen voldoen en luisteren.”—„De Spanjaard had in zijn dienst een lakei, die hem op zijn reis doorMexicovergezeld had. Die lakei was een mijner landgenooten, zoodat wij spoedig vrienden werden, te meer, daar wij bijna hetzelfde karakter hadden. Beiden hielden wij vooral van de jacht; en bij die gelegenheid verhaalde hij mij, hoe in de vlakten vanPampasde inboorlingen op de tijger- en buffeljacht gingen, alleen met strikken, die zij om den nek dier vreeselijke dieren wierpen. Eerst wilde ik niet gelooven, dat men een zoohoogen graad van behendigheid kon bereiken, om op een afstand van twintig of dertig voetstappen een koord te werpen en met het einde er van te bereiken wat men wil; maar door het bewijs moest de waarheid van het verhaal wel erkend worden. Mijn vriend plaatste een flesch op twintig schreden afstands en bij elken worp vatte hij den hals van de flesch in den strik. Ik begon mij hierin te oefenen en daar de natuur mij met eenige behendigheid heeft begaafd, slinger ik tegenwoordig denlazzoevengoed als de beste. Begrijpt gij nu? De herbergier heeft een zeer goed voorzienen kelder, maar de sleutel er van verlaat hem nooit; intusschen is er een luchtgat in dien kelder en door dat luchtgat slinger ik denlazzo, juist op de plaats, waar ik bemerkt heb, dat de beste wijn ligt.... Ziedaar, mijnheer! op wat wijze de nieuwe wereld in verband staat met de flesschen, welke gij op die secretaire en op die ladetafel ziet. Wilt gij nu onzen wijn eens proeven, dan kunt gij ons zonder vooringenomenheid zeggen, wat gij er van denkt.”

„Ik dank u, mijn vriend, ik dank u, ongelukkig heb ik juist ontbeten.”—„Welnu,” zeide Porthos, „dek de tafel, Mousqueton! en terwijl wij zullen ontbijten, zal d’Artagnan ons zijn wedervaren verhalen gedurende de acht dagen, welke hij van ons gescheiden was.”—„Gaarne,” zeide d’Artagnan.

Terwijl Porthos en Mousqueton, met een honger van pas herstelden en met die broederlijke eensgezindheid, welke de menschen in de ramp tot elkander brengt, ontbeten, verhaalde d’Artagnan, hoe Aramis, gewond zijnde, genoodzaakt was geweest teCrèvecoeurte blijven; hoe hij Athos teAmiënshad gelaten, zich verdedigende tegen vier mannen, die hem beschuldigden een valsche munter te zijn en hoe hij, d’Artagnan, genoodzaakt was geweest over den buik van den graaf de Wardes te stappen om inEngelandte komen. Maar daartoe bepaalde zich slechts het verhaal van d’Artagnan; hij vermeldde alleen, dat, bij zijn terugkomst vanGroot-Brittanje, hij vier prachtige paarden had medegebracht, van welke een voor hem en een voor elk zijner vrienden was bestemd; vervolgens eindigde hij, Porthos verwittigende, dat het zijne reeds in den stal der herberg was.

Op dat oogenblik kwam Planchet binnen; hij berichtte zijn meester, dat de paarden genoeg hadden gerust en het mogelijk was nog teClermontte gaan slapen. D’Artagnan, nu tamelijk gerustgesteld omtrent Porthos en ongeduldig naar tijding zijner twee andere vrienden, reikte den zieke de hand en zeide hem, dat hij de reis ging vervolgen, om zijn nazoekingen voort te zetten. Overigens rekende hij langs denzelfden weg te zullen terugkomen, om, indien na acht dagen Porthos nog in het hotelde Groote St. Maartenzou zijn, hem in het voorbijkomen mede te nemen.

Porthos antwoordde, dat volgens alle waarschijnlijkheid zijn verstuiking hem niet zou veroorloven vóór dien tijd op te staan. Bovendien moest hij teChantillyblijven, om een antwoord zijner hertogin af te wachten.

D’Artagnan wenschte hem toe, dat hij dit antwoord spoedig en naar begeeren mocht ontvangen, en na opnieuw Porthos aan Mousqueton aanbevolen en zijn vertering aan den herbergier betaald te hebben, ging hij met Planchet op weg, die nu van een zijner paarden was bevrijd.

De thesis van Aramis.

D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een ontdekt geheim verloren gaat,vooral wanneer door zoodanig geheim de eigenliefde wordt gekwetst, en men in dat geval een zekere zedelijke meerderheid verkrijgt op dengene, van wien men het leven kent. D’Artagnan, die voornemens was zijn toekomstige fortuin door intrigues te bewerken, en besloten had zijn drie vrienden als de werktuigen hiertoe te gebruiken, beijverde zich dus om reeds bij voorbaat die onzichtbare draden in zijn hand te vereenigen, met welke hij zich voornam hen te leiden.

Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld. Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis gevonden.

Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt, tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.

Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen aflegde, dieChantillyvanCrèvecoeurscheiden, zonder dat hij,in dat dorp komende, zich iets meer herinnerde van hetgeen hij op zijn weg ontmoet had. Toen eerst werd het geheugen in hem levendig, hij schudde het hoofd, bespeurde de herberg, waar hij Aramis had gelaten, en zijn paard in den draf brengende, hield hij aan de deur stil. Nu was het niet de herbergier, maar een vrouw, die hem ontving.

D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.

„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”—„Een fraai jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard, beminnelijk en welgemaakt?”—„Dezelfde.”—„Daarbij aan den schouder gewond?”—„Juist.”—„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”—„Ha,pardieu!mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”—„Vergeef mij, mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen ontvangen.”—„Waarom! is er een dame bij hem?”—„Jezus, mijn God! wat zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij zich.”—„Wie is er dan bij hem?”—„De pastoor vanMontdidieren de overste der jezuïeten vanAmiëns.”—„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is het dan erger met den armen jongeling?”—„Neen, mijnheer! integendeel, maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is besloten in een geestelijke orde te treden.”—„Het is waar ook,” zeide d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketierad interimwas.”—„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”—„Meer dan ooit.”—„Welnu, mijnheer!de trap op de plaats aan de rechterzijde opgaande, komt gij op de tweede verdieping aan No. 5 en dat is zijn kamer.”

D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking teweeggebracht.

Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den schouder.

Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan, die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij besloot dus de deur standvastig teverdedigen, maar daar de meesteres der herberg hem verraden had, kon hij niet zeggen, dat Aramis afwezig was, en hij trachtte nu den pas aangekomene te bewijzen, dat het alle grenzen van betamelijkheid zou overschrijden, zijn meester in de vrome samenkomst te storen, waarin hij zich sedert den ochtend bevond en die, volgens zeggen van Bazijn, niet voor den avond kon geëindigd zijn.

Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer binnen.

Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en aan zijn linkerhand de pastoor vanMontdidier. De gordijnen waren ten halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen, dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.

Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen den muur hing.

Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote verwondering van d’Artagnanscheen zijn tegenwoordigheid op den jongeling geen grooten indruk te maken, zoozeer was zijn ziel van het aardsche ontheven.

„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij aangenaam u te zien.”—„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”—„Tot hem zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen twijfelen?”—„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan; vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”

De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet aan.—„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort, „want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw biecht zegt.”—Aramis bloosde bijna onmerkbaar.—„Mij hinderen! wel neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u gezond en ongedeerd terug te zien.”

„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”

„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,” ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken voorstellende.—„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich gelijktijdig buigende.—„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam de jongeling, hun groet beantwoordende.—„Gij komt juist te stade, waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste vanAmiëns, mijnheer de pastoor vanMontdidieren ik redetwisten over eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over hooren.”—„Het oordeel van een krijgsman is van zeerweinig gewicht,” antwoordde d’Artagnan, die ongerust begon te worden over de wending van het gesprek, „en gij kunt u, geloof mij, aan de kundigheden dier heeren volkomen onderwerpen.”—Beide zwarte mannen bogen zich.—„Integendeel,” hernam Aramis, „uw oordeel zal zeer nuttig zijn. Ziehier wat het betreft: mijnheer de overste meent, dat mijn thesis vooral leerstellig en onderwijzend moet zijn.”—„Uw thesis! maakt gij dan een thesis?”—„Zeker,” antwoordde de jezuïet; „voor het examen, dat de wijding voorafgaat, wordt een thesis volstrekt vereischt.”—„De wijding!” riep d’Artagnan, die nog niet kon gelooven, wat achtereenvolgens de meesteres der herberg en Bazijn hem gezegd hadden; „de wijding!” en hij liet zijn verbaasden blik over de drie personen weiden, die hij voor zich zag.—„Derhalve,” vervolgde Aramis, op zijn leuningstoel een bevallige houding aannemende, alsof hij in eenstallehad gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan! mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware, terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde, hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof zie, om het heerlijk te ontwikkelen:Utramque manem in benedicendo clericis inferioribus necessariam esse.”

D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham had ontvangen.—„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”—„Een heerlijk onderwerp!” riep de jezuïet.—„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor, die, bijna even goed hetlatijn verstaande als d’Artagnan, aandachtig naar den jezuïet luisterde, om met dezen gelijk te blijven en dan zijn woorden als een echo herhaalde.—Wat d’Artagnan betreft, deze bleef geheel koel bij de geestdrift der beide zwarte mannen.—„Ja, voortreffelijk,prorsus admirabile!” vervolgde Aramis, „maar het vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken:facilius natans, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”

D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.

„Zie eens watexordium!” riep de jezuïet.—„Exordium!” herhaalde de pastoor, om ook iets te zeggen.—„Quem ad modum inter coelorum immensitatem.”—Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te ontwrichten.—„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht hebben.”—„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al dat latijn ontgaat mij.”

„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar, hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien, wat zegt het Evangelie?Imposuite manusen nietmanum, leg de handen op en niet de hand.”—„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die beweging makende.—„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien depausen de opvolgers zijn,” ging de jezuïet voort: „Porrige digitos, hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”—„Zeker,” antwoordde Aramis met zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”—„De vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers, de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon en één voor den Heiligen Geest.”—Alle aanwezigen kruisten zich; d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.—„De paus is de opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke machten; de overigeordines inferiores5) der kerkelijke hiërarchie zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast, die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het onderwerp vereenvoudigd:Argumentum omni denudatum ornamento. Ik zou hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,” eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H. Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.—D’Artagnan rilde.

5) De lagere graden.

—„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij niet naar uw zin is?Non inutile est desiderium in oblatione, of liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den Heere.”—„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel; een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn jonge vriend!”—„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor, smartelijkhet hoofd schuddende.—„Gij raakt die vermaarde leerstelling aangaande den vrijen wil, die doodelijke klip. Gij geeft u onbesuisd over aan de overtuigingsmiddelen der Pelasgisten en der half-Pelasgisten.”—„Volstrekt niet, eerwaarde!” hernam Aramis, min of meer onthutst door de hagelbui van tegenwerpingen, die op hem neervielen.—„Hoe zult gij bewijzen,” vervolgde de jezuïet, zonder hem den tijd te laten één woord te spreken, „dat men de wereld moet betreuren, wanneer men zich Gode toewijdt. Luister naar deze tweeledige bewijsrede: God is God en de wereld is de duivel. De wereld betreuren is den duivel betreuren; ziedaar mijn denkwijze.”—„Dat is ook de mijne,” zeide de pastoor.—„Maar een oogenblikje,” hernam Aramis.—„Desideras diabolum,6) rampzalige!” riep de jezuïet.—„Betreurt hij den duivel? Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den duivel niet, ik smeek het u.”

6) Gij begeert den duivel terug.

D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn tegenwoordigheid gesproken werd.

„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen, nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”—De jezuïet hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.—„Neen, maar ik beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”—„Ik geloof het wel,pardieu!” riep deze.—De pastoor en de jezuïet deden een sprong op hun stoelen.—„Ziehier van waar ik uitga; het is een sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt uitdrukkelijk: Offert den Heere!”—„Dat is waar,”zeiden de tegenstrevers.—„En vervolgens,” ging Aramis voort, zijn oor knijpende om het rood te doen worden, zooals hij zijn handen bewoog om ze wit te doen blijven; „en vervolgens heb ik eenrondeau7) hierop gemaakt, dat ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die groote man mij heeft geluk gewenscht.”—„Eenrondeau!” zeide de pastoor werktuigelijk.—„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min of meer het gesprek veranderen.”—„Neen, want het is godsdienstig,” antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”—„Duivelsch!” liet d’Artagnan hooren.—„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:


Back to IndexNext