HOOFDSTUK XXV.

Ga aan Baäl zijn offer geven,Werp het in des leeuwen muil.Maar Gods wraak zal u doen beven;Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.

Ga aan Baäl zijn offer geven,Werp het in des leeuwen muil.Maar Gods wraak zal u doen beven;Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.

Ga aan Baäl zijn offer geven,

Werp het in des leeuwen muil.

Maar Gods wraak zal u doen beven;

Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.

Felton stond daar, als ware hij versteend.—„Wie zijt gij? wie zijt gij?” riep hij, de handen wringende, „zijt gij engel of booze geest; heet gij Eloa of Astarté?”—„Hebt gij mij niet herkend? Ik ben noch engel, noch booze geest, ik ben een dochter der aarde, ik ben van u een zuster, niets anders.”—„Ja, ja!” zeide Felton, „ik twijfelde nog, maar nu geloof ik.”—„Gij gelooft? en echter zijt gij de medeplichtige van dat Belialskind, lord de Winter genoemd. Gij gelooft? en echter laat gij mij in de handen mijner vijanden, van den vijand vanEngeland, en van den vijand van God. Gij gelooft? en nochtans levert gij mij over aan hem, diede wereld met zijn ketterij en ongebondenheid vervult en bezoedelt, aan dien eerloozen Sardanapalus, dien de verblinden hertog van Buckingham, en de geloovigen denAntichristnoemen.”—„Ik u aan Buckingham leveren? Ik? Wat zegt gij toch?”—„Zij hebben oogen,” riep milady, „en zullen niet zien; zij hebben ooren, en zullen niet hooren.”—„Ja, ja,” zeide Felton, zijn handen over zijn met zweet bedekt voorhoofd strijkende, als om den laatsten twijfel weg te vegen, „ja, ik herken de stem, die mij in mijn droomen aanroept; ja, ik herken het gelaat van den engel, die mij elken nacht verschijnt en mijn ziel, die niet kan rusten, toeroept: ‚Stoot toe, redEngeland, red u zelven, want gij zult sterven, zonder God ontwapend te hebben!’ Spreek, spreek!” riep Felton, „thans kan ik u begrijpen.”

Een lichtstraal eener verschrikkelijke vreugd, maar snel als de gedachte, schoot uit milady’s oogen. Hoe snel ook die moorddadige vuurstraal verdween, had Felton hem echter gezien en hij schrikte, alsof die straal den peilloozen afgrond van het hart dezer vrouw verlichtte. Felton herinnerde zich eensklaps de waarschuwing van lord de Winter, de verleidingsmiddelen van milady, haar eerste pogingen bij haar aankomst, hij deinsde een schrede terug en liet zijn hoofd zinken, maar zonder op te houden haar te beschouwen, alsof zijn oogen, door dat zonderlinge schepsel aangetrokken, zich niet van haar afwenden konden.—Milady was geen vrouw om zich omtrent de aarzeling te bedriegen. Onder die schijnbare aandoening verliet haar tegenwoordigheid van geest haar geen oogenblik.

Alvorens Felton haar had kunnen antwoorden en zij gedwongen was, dit zoo moeilijk en op denzelfden verrukten toon vol te houden gesprek weer op te nemen, liet zij haar handen langs haar zijden vallen, alsof de zwakheid der vrouw op de verrukking der opgetogene de overhand had.—„Maar neen,” zeide zij, „het past mij niet deJudithte zijn, dieBethaniëvan dienHolophernuszal bevrijden. Het zwaard des Eeuwigen is te zwaar voor mijn handen. Laat mij dus de schande doorden dood ontgaan, laat mij als martelares mij redden. Ik vraag u niets anders, dan mij te laten sterven. Ik bid, ik smeek er u om op mijn knieën, laat mij sterven, en mijn laatste snik zal een zegening voor mijn redder zijn.”

Op die zachte, smeekende stem, op dien schroomvalligen en neergeslagen blik, trad Felton nader. Van lieverlede had de tooveres zich weder met dat prachtige tooisel bekleed, hetwelk zij naar willekeur aflegde en weer opnam, namelijk: de schoonheid, de zachtheid, de tranen, en vooral de onweerstaanbare bekoring van die geheimzinnige, wellustige dweperij, de verslindendste aller wellusten.—„Helaas!” zeide Felton, „mij blijft niets anders over, dan u te beklagen, indien gij mij bewijst een slachtoffer te zijn. Lord de Winter heeft echter gewichtige bezwaren tegen u. Gij zijt een Christinne, in het geloof zijt gij mijn zuster, ik voel mij tot u aangetrokken, ik, die nooit iemand anders dan mijn weldoener heb bemind, ik, die in het leven slechts verraders en goddeloozen heb ontmoet. Maar gij, mevrouw! gij, in werkelijkheid zoo schoon, zoo zuiver in schijn, moet, dewijl lord de Winter u zoo streng vervolgt, veel kwaad hebben bedreven.”—„Zij hebben oogen,” herhaalde milady, „en zij zullen niet zien; zij hebben ooren, en zij zullen niet hooren.”

„Maar spreek, spreek dan!” riep de jonge officier.—„U mijn schande openbaren!” riep milady, met den blos der schaamte op de wangen; „want dikwijls strekt de misdaad van den een tot schande van den ander. U mijn schande vertrouwen! aan u, aan een man, terwijl ik een vrouw ben! Ach!” vervolgde zij, schaamachtig de hand voor haar schoone oogen brengende. „Ach! nooit, nooit zal ik dit kunnen!”—„Aan mij, aan een broeder niet!” riep Felton.—Milady beschouwde hem lang met een uitdrukking, die de jonge officier voor een twijfeling aanzag en die nochtans niets anders was dan opmerkzaamheid en vooral begeerte om te verblinden.—Felton, op zijn beurt smeekende, vouwde de handen.—„Welnu,” zeide milady, „ikzal mij aan mijn broeder vertrouwen, ik zal durven.”

Op dat oogenblik hoorde men de voetstappen van lord de Winter, maar nu bepaalde de vreeselijke schoonbroeder van milady er zich niet toe, zooals den vorigen dag, de deur voorbij te gaan, maar hij bleef staan, wisselde een paar woorden met den schildwacht, de deur werd geopend en hij verscheen. Terwijl die paar woorden werden gewisseld, was Felton haastig achteruitgetreden, en toen lord de Winter binnentrad, stond hij op eenige schreden van de gevangene. De baron trad langzaam voorwaarts en bracht zijn vorschenden blik van de gevangene op den jongen officier.—„Het is reeds lang, John!” zeide hij, „dat gij hier zijt, heeft de vrouw u haar misdaden verhaald? zoo ja, dan begrijp ik de langdurigheid van het onderhoud.”—Felton beefde en milady voelde, dat zij verloren was, indien zij den ontstelden Puritein niet te hulp kwam.—„Ha! gij vreest, dat uw gevangene u ontsnapt,” zeide zij. „Welnu, vraag aan uw gevangenbewaarder, welke gratie ik zooeven van hem verzocht.”—„Gij vraagdet hem een gratie?” zeide de baron wantrouwend.—„Ja, mylord!” hernam de jongeling verlegen.—„En welke gratie, spreek?” ging lord de Winter voort.—„Een mes, dat zij mij door de traliën der deur zou teruggeven, na het één minuut gehad te hebben,” antwoordde Felton.—„Is hier dan iemand verborgen, dien de lieve dame den hals wil afsnijden?” hernam lord de Winter op spottenden, schamperen toon.—„Ik ben er,” antwoordde milady.—„Ik heb u de keus tusschenAmerikaenTyburngelaten,” hernam lord de Winter; „kiesTyburn, milady! het koord is, geloof mij, nog zekerder dan het mes.”—Felton voelde een rilling tot door het merg van zijn gebeente loopen. Waarschijnlijk bemerkte milady die gewaarwording.—„Gij hebt gelijk,” zeide zij, „en ik had er reeds aan gedacht.”—Vervolgens voegde zij er met een gesmoorde stem bij: „Ik zal er nog aan denken.”—Felton verbleekte en trad een schrede nader, zich herinnerende dat, toen hij was binnengekomen, milady een koord in de hand hield.

„Wees op uw hoede, John!” zeide lord de Winter; „John! mijn vriend! ik heb mijn vertrouwen in u gesteld, wees op uw hoede, ik heb u gewaarschuwd. Bovendien, houd moed, mijn zoon! binnen drie dagen zullen wij van dit schepsel bevrijd zijn en waar ik haar zal zenden, zal zij niemand meer leed doen.”—„Gij hoort het!” riep milady, derwijze uitbarstende, dat de baron in de meening was, dat zij zich tot den hemel richtte, terwijl Felton begreep, dat het tot hem was. Felton liet het hoofd zinken en peinsde. De baron nam den officier bij den arm en keerde over zijn schouder het hoofd om, ten einde milady, zoo lang hij niet vertrokken was, in het oog te houden.

„O! o!” zeide de gevangene, toen de deur gesloten was, „ik ben zoo ver nog niet gekomen als ik dacht.... De Winter heeft zijn gewone dwaasheid in een ongehoorde voorzichtigheid veranderd; zie eens wat de wraakzucht al niet teweegbrengt, en hoe die zucht den mensch misvormt. Maar Felton aarzelt. O, hij is geen stoutmoedige, zooals die vervloekte d’Artagnan.”

Intusschen wachtte milady met ongeduld, want zij twijfelde er niet aan, dat de dag niet zou verloopen, zonder dat zij Felton weerzag. Eindelijk, een uur na het tooneel, dat wij hebben verhaald, hoorde zij zachtjes voor haar deur spreken en spoedig hierop zag zij de deur openen en herkende Felton. De jongeling trad haastig de kamer binnen, de deur achter zich openlatende en milady een teeken gevende van te zwijgen; zijn gezicht was geheel ontsteld.—„Wat wilt gij?” vroeg zij.—„Luister,” antwoordde Felton zoo zacht mogelijk, „ik heb den schildwacht doen vertrekken, om hier te kunnen blijven, zonder dat men wete dat ik gekomen ben, om met u te spreken, zonder dat men kan hooren wat ik u zeg. De baron heeft mij een vreeselijke geschiedenis verhaald.”—Milady nam glimlachend het masker eens slachtoffers aan en schudde het hoofd.—„Of gij zijt een helsche geest,” hernam Felton, „òf de baron, mijn weldoener, mijn vader, is een monster. Ik ken u sedert vier dagen, ik bemin hem sedert tienjaar; ik mag dus tusschen u beiden aarzelen, schrik niet van hetgeen ik u zeg, ik moet overtuiging hebben; hedennacht, na twaalf uur, zal ik bij u komen en gij zult mij die overtuiging geven.”

„Neen, Felton! neen, mijn broeder!” zeide zij, „het offer is te groot en ik voel, dat het u te zwaar valt. Neen, ik ben verloren, stort u niet met mij in het verderf! Mijn dood zal welsprekender zijn dan mijn leven, en de stomheid van het lijk zal u beter overtuigen dan de woorden eener gevangene.”—„Zwijg, mevrouw! spreek niet alzoo tot mij, ik ben gekomen, opdat gij mij op uw eer zoudt beloven en bij alles wat u heilig is bezweren, uw leven niet te kort te doen.”—„Ik wil niet beloven,” zeide milady, „want niemand heeft meer eerbied voor een eed dan ik, en indien ik beloofde, zou ik die belofte moeten houden.”—„Welnu!” zeide Felton, „verbind u dan slechts tot zoo lang dat gij mij zult hebben weergezien. En dan, wanneer gij in uw besluit mocht volharden, zult gij vrij zijn, en ik zal u zelf het wapen geven, dat gij mij hebt gevraagd.”—„Het zij zoo,” zeide milady, „voor u zal ik wachten.”—„Zweer het.”—„Ik zweer het bij onzen God! Zijt gij tevreden?”—„Ja,” zeide Felton, „tot van nacht.”—En hij snelde de kamer uit en wachtte buiten met de halve piek van den soldaat in de hand, alsof hij op wacht stond. Toen de soldaat was teruggekomen, gaf Felton hem zijn wapen terug.

Toen zag milady door de getraliede opening der deur, welke zij was genaderd, den jongeling in een hevige gemoedsbeweging de gang doorijlen, als van vreugde buiten zich zelven. Wat haar betreft, zij keerde naar haar plaats terug, met den glimlach eener woeste verachting op de lippen, en dien vreeselijken naam Gods vloekende, op welken zij had gezworen zonder dien ooit te hebben leeren kennen, herhaalde zij: „Mijn God! dwaze geestdrijver.... mijn God? dat ben ik, ik en hij, die mij in mijn wraak zal helpen!”

Vijfde dag van gevangenschap.

Intusschen had milady een halve zegepraal behaald, en dit voordeel verdubbelde haar krachten. Het was niet moeilijk mannen te overwinnen, zooals zij zulks tot hiertoe had gedaan, die gemakkelijk te verleiden waren, en wier loszinnige hofopvoeding hen spoedig in den strik deed vallen; milady’s schoonheid verrukte de zinnen, terwijl zij daarbij listig genoeg was al haar zielsgebreken te verbergen. Maar nu had zij te worstelen tegen een woesten aard, die, in zich zelven gekeerd, door verregaande strengheid ongevoelig was; godsdienstijver en boetedoening hadden van Felton een voor gewone verleidingsmiddelen ongenaakbaren dweper gemaakt. Hij koesterde in zijn verhitte hersenen zulke uitgebreide plannen, zulke verwarde voornemens, dat er geen plaats meer voor de liefde overbleef; voor dien hartstocht, dat gevoel door werkeloosheid gevoed, door verdorring uitgebreid.... Milady had dus met haar schijndeugd op de geaardheid van een tegen haar ingenomen man, en door haar schoonheid op het hart en de zinnen van een oprecht rein man inbreuk gemaakt. Eindelijk had zij de kracht leeren kennen van tot hiertoe zelfs aan haar onbekende middelen, door haar proefneming op het onwilligste schepsel, dat ooit natuur en godsdienst aan haar studie had overgegeven. Nochtans had zij gedurende den avond meermalen aan het lot en aan zich zelve gewanhoopt. Zij riep God niet aan, want, wij weten het, zij vertrouwde op den geest des kwaads, op dien onbegrensden heerscher, die zijn macht in degeringstebijzonderheden des levens doet gelden, en voor wien één granaatkorrel, zooals in de Arabische fabel, voldoende is om een verloren wereld weder te voorschijn te brengen.

Milady, goed op de ontvangst van Felton voorbereid, kon nu haar strikken voor den volgenden dag spannen; zij wist, dat haar nog slechts twee dagen overbleven,dat, eenmaal het bevel door Buckingham geteekend (en Buckingham zou het teekenen, te meer daar het bevelschrift geen naam behelsde, en hij dus de vrouw, die het betrof, niet zou herkennen), de baron haar dadelijk zou doen inschepen, en zij wist ook zeer goed, dat tot deportatie veroordeelde vrouwen minder vermogende wapens in haar verleidingsmiddelen bezitten dan vermeende deugdzame vrouwen, wier schoonheid door de zon der wereld verlicht wordt, van wie de stem der mode den geest roemt en welke een straal van adeldom met zijn betooverenden glans vervult. Een tot een schandelijke en ellendige straf veroordeelde vrouw kan toch een schoone vrouw zijn; maar die straf belet haar ooit weder machtig te worden.

Zooals alle inderdaad met geest begaafden, wist milady den middenweg te houden, die voor haar natuur en haar hulpmiddelen het meest geschikt was. De armoede was haar een walging, de vernedering verminderde haar grootheid op een derde gedeelte. Milady was alleen een koningin te midden van koninginnen; aan haar heerschzucht wilde zij het genot van voldanen hoogmoed voegen. Minderen te gebieden was eerder een vernedering dan een groot genot voor haar. Zeker zou zij uit haar ballingschap terugkeeren, hieraan twijfelde zij geen oogenblik, maar hoe lang zou die ballingschap wel duren? Voor een werkzamen en eerzuchtigen geest, als die van milady, zijn dagen, die niet besteed worden, verloren dagen. Hoe dan die dagen te noemen, welke men in vernedering doorbrengt! Een, twee, drie jaren te verliezen! dat is een eeuwigheid. Na den dood, of misschien na de ongenade van den kardinaal terug te komen, terug te komen wanneer d’Artagnan en zijn vrienden gelukkig en zegevierend van de koningin de belooning hadden verkregen, die zij zoo wèl verdienden voor de door hen bewezene diensten, dit waren van die verterende gedachten, die een vrouw als milady niet kon verduren. Trouwens de storm, die in haar woedde, verdubbelde haar krachten, en zij zou de muren van haar gevangenis hebben doen bersten, indien haarlichaam slechts voor één oogenblik de uitgebreidheid harer zielsgewaarwordingen had kunnen aannemen.

Wat haar vervolgens onder dat alles het meest prikkelde, was de herinnering aan den kardinaal; wat moest hij denken, wat moest de kardinaal van haar stilzwijgen zeggen? hij, die zoo wantrouwend, zoo ongerust, zoo kwaaddenkend was? de kardinaal, niet alleen haar eenige steun, haar eenigste toeverlaat en beschermer in het tegenwoordige, maar bovendien het voornaamste werktuig harer toekomstige fortuin en wraak? Zij kende hem; zij wist, dat bij haar terugkomst na een vruchtelooze reis zij hem tevergeefs over haar gevangenschap zou onderhouden en met die spottende kalmte van den door kracht en genie machtigen ongeloovige zou antwoorden: „Gij hadt u niet moeten laten vangen.” Toen verzamelde milady al haar geestkracht, bij zich zelve den naam van Felton mompelende, hij, het eenigste licht dat tot haar in die hel binnendrong, waarin zij was gevallen, en als een slang, die zich heen en weer kronkelt om haar krachten te beproeven, zoo wikkelde zij reeds bij voorbaat Felton in de duizenderlei bochten harer vindingrijke verbeelding.

Intusschen vervloog de tijd; de klok kondigde in regelmatige volgorde het eene uur na het andere aan, terwijl elke slag van den metalen klepel als op het hart der gevangene geweldig neerviel. Te negen uur bracht lord de Winter haar het gewoon bezoek, onderzocht de vensters en de tralies, betastte den vloer en den wand, beschouwde den schoorsteen en de deuren, zonder dat gedurende dat langdurig en nauwkeurig onderzoek hij of milady één woord spraken. Ongetwijfeld begrepen beiden, dat hun wederzijdsche gesteldheid te ernstig was geworden, om den tijd in nuttelooze woorden en doelloozen toorn te verbeuzelen.

„Komaan,” zeide de baron, haar verlatende, „dezen nacht zult gij ten minste nog niet ontsnappen.”

Te tien uur plaatste Felton een schildwacht voor de deur. Milady herkende reeds zoo goed zijn stappen, als een minnares, die haar innig geliefden minnaarherkent, en nochtans haatte en verachtte zij dien zwakken geestdrijver.

Daar dit het uur der afspraak niet was, kwam Felton niet binnen. Twee uren later, op het oogenblik dat de klok middernacht sloeg, werd de schildwacht afgelost. Nu was het uur daar. Ook wachtte milady van af dat oogenblik met ongeduld. De nieuwe schildwacht begon in de gang op en neer te wandelen.

„Luister,” zeide de jongeling tot den schildwacht, „verwijder u onder hoegenaamd geen voorwendsel van deze deur, want gij weet, dat den vorigen nacht een soldaat door mylord gestraft is geworden wegens het voor een oogenblik verlaten van zijn post, en echter was ik het, die gedurende zijn korte afwezigheid in zijn plaats op wacht heb gestaan.”—„Ja, dat weet ik,” zeide de soldaat.—„Ik beveel u dus de grootste waakzaamheid. Ik,” voegde hij er bij, „ga voor de tweede maal de kamer dier vrouw onderzoeken, die, zooals ik vrees, noodlottige plannen tegen zich zelve beraamt, en welke mij gelast is geworden nauwkeurig te bewaken.”

„Goed,” mompelde milady, „ziedaar de nauwgezette Puritein, die al begint te liegen.”

Wat den soldaat betreft, deze glimlachte een weinig.—„Duivelsch, luitenant!” zeide hij, „gij zijt zoo ongelukkig niet een dergelijken last ontvangen te hebben.”—Felton bloosde. In elke andere omstandigheid zou hij den soldaat hebben berispt, die zich zoodanige scherts veroorloofde, maar zijn geweten sprak te luide dan dat zijn mond zou hebben durven spreken.—„Indien ik roep,” zeide hij, „moet gij komen; daarentegen wanneer men komt, moet gij mij roepen.”—„Ja, luitenant!” antwoordde de soldaat.

Felton trad de kamer van milady binnen. Milady stond van haar stoel op.—„Zijt gij daar?” zeide zij.—„Ik had u beloofd te komen, en ik ben gekomen.”—„Gij hebt mij nog iets anders beloofd.”—„Wat dan? mijn God!” zeide de jongeling, die ondanks zijn zelfbeheersching zijn knieën voelde knikken en het zweet zijn voorhoofd bevochtigen.—„Gij hebt mij beloofdeen mes mede te brengen en het mij na ons gesprek te laten.”—„Spreek hiervan niet, mevrouw!” zeide Felton. „Er bestaat geen zoo vreeselijke toestand, dat een schepsel Gods zich het leven mag ontnemen. Ik heb overwogen, dat ik mij nooit aan een dergelijke zonde mag schuldig maken.”—„Ha! gij hebt overwogen,” zeide de gevangene met een verachtelijken glimlach, zich wederom op haar leuningstoel neerzettende. „Ook ik heb overwogen.”—„Wat?”—„Dat ik niets te zeggen had tot een man, die zijn woord niet houdt.”—„Ach, mijn God!” zuchtte Felton.—„Gij kunt vertrekken,” zeide milady, „ik zal niets zeggen.”—„Ziedaar het mes,” zeide Felton, het wapen te voorschijn brengende, dat hij volgens zijn belofte had medegebracht, maar hetwelk hij aarzelde aan zijn gevangene te geven.—„Laat zien,” zeide milady.—„Waartoe?”—„Op mijn eer, ik geef het u onmiddellijk terug. Leg het op die tafel, en gij zult tusschen het mes en mij blijven.”—Felton gaf het wapen aan milady, die er nauwkeurig de scherpte van onderzocht en de punt op haar vinger beproefde.—„Goed,” zeide zij, het mes den jongen officier teruggevende.—„Het is van goed en zuiver staal.”—„Gij zijt een trouw vriend, Felton!”

Felton nam het mes en legde het op tafel, zooals hij met zijn gevangene was overeengekomen. Milady volgde hem met haar blik en maakte een vergenoegd gebaar.

„Thans, luister nu....”—De aanbeveling was overbodig; de jonge officier stond overeind voor haar, naar haar woorden wachtende als wilde hij ze verslinden.—„Felton!” sprak milady met een treurige plechtigheid. „Felton! indien uw zuster, de dochter van uw vader, tot u zeide: ‚Nog jong en tot mijn ongeluk tamelijk schoon zijnde, lokte men mij in een valstrik; ik bood tegenstand, men omringde mij met nog meer lagen en gewelddadigheden, ik bleef weerstand bieden; men hoonde den godsdienst, dien ik beleed, den God, dien ik aanbid, omdat ik ter mijner hulp dien God en datgeloof aanriep, ik bleef weerstand bieden; toen overlaadde men mij met beleedigingen, en dewijl men mij mijn ziel niet kon doen verliezen, heeft men voor eeuwig mijn lichaam willen bevlekken.’”

Milady zweeg, een bittere glimlach zweefde op haar lippen.—„En wat heeft men eigenlijk gedaan?” vroeg Felton.—„Op zekeren avond besloot men dien weerstand, welken men niet kon overwinnen, krachteloos te maken; op zekeren avond mengde men onder mijn drinkwater een krachtig slaapmiddel; nauwelijks had ik mijn avondmaal genuttigd, of ik voelde van lieverlede een ongewonen slaaplust mij overweldigen; hoewel geen wantrouwen koesterende, vervulde mij echter een onbepaalde vrees, en ik trachtte mij tegen den slaap te verzetten; ik stond op, ik wilde mij naar het venster begeven, om hulp roepen, maar mijn beenen weigerden mij hun dienst, het scheen mij of de zoldering neerkwam en mij onder haar zwaarte verplette; ik strekte de armen uit, ik trachtte te spreken, maar kon slechts eenige doffe klanken voortbrengen; een onweerstaanbare verdooving maakte zich van mij meester, ik hield mij aan een leuningstoel vast, voelende dat ik zou vallen, maar dra was deze steun ontoereikend voor mijn zwakke armen, ik viel op de eene knie, vervolgens op de tweede; ik wilde bidden, God hoorde of zag mij zeker niet, en ik gleed op den grond, ten prooi aan een slaap, die den dood geleek. Van al den tijd, dien deze slaap duurde, blijft mij niet de minste herinnering over, het eenige, wat ik mij herinner is, dat ik ontwaakte in een rondvormige kamer, met prachtig huisraad voorzien, waar het daglicht slechts door een opening in de zoldering binnendrong. Overigens scheen geen enkele deur toegang tot deze kamer te verleenen, en geleek zij op een schitterende gevangenis. Het duurde lang, alvorens ik mij rekenschap kon geven van de plaats, waar ik mij bevond, en van al de bijzonderheden, die ik aanhaal; mijn geest scheen vruchteloos te worstelen tegen den donkeren nevel van dien slaap, welken ik niet van mij kon afschudden; ik had een flauw denkbeeldvan een doorloopene ruimte, van het gerol eens rijtuigs, maar dat alles vertoonde zich zoo duister en verward voor mijn geest, dat die gebeurtenissen tot een ander leven dan tot het mijne schenen te behooren, en echter met het mijne waren vermengd door een fantastische tweevoudigheid. Gedurende een poos scheen mij de toestand, waarin ik mij bevond, zoo vreemd, dat ik waande te droomen. Van lieverlede echter vertoonde zich de werkelijkheid aan mij en vervulde mij met schrik, ik was niet meer in het huis, dat ik bewoonde; zooveel ik aan het zonnelicht kon bespeuren, had de dag reeds tweederden van zijn loop afgelegd; het was de avond van den vorigen dag geweest, dat ik in slaap was gevallen, mijn slaap had dus ongeveer vier en twintig uren geduurd. Wat was er toch gedurende dien langen slaap voorgevallen? Ik stond wankelende op. Al mijn bewegingen, die zwaar en gevoelloos waren, duidden aan, dat de uitwerking van het slaapmiddel nog niet geheel was verdwenen. Overigens was deze kamer ter huisvesting eener vrouw ingericht, en de buitensporigste coquette had geen wensch kunnen vormen, welken zij, door slechts haar blik door het vertrek te laten gaan, niet zou hebben kunnen bevredigen. Het was zeker, dat ik de eerste gevangene niet was, die zich in dien prachtigen kerker had opgesloten gezien, maar gij begrijpt Felton! hoe prachtiger die was, hoe meer ik mij verontrustte.... Ja, het was een gevangenis, want ik trachtte vergeefs er uit te geraken, ik onderzocht al de muren om een deur te ontdekken, maar overal gaven de muren een matten, doffen klank van zich. Ik liep misschien twintig malen de kamer rond, den een of anderen uitgang zoekende, maar ik vond er geen; ik viel eindelijk, door vermoeidheid en angst verplet, op een leuningstoel neder. Intusschen was de nacht snel gedaald en met de duisternis vermeerderde mijn vrees; ik wist niet, of ik moest blijven waar ik zat, meenende door onbekende gevaren omringd te zijn, waarin ik bij elken stap gevaar liep te vallen.... Hoewel ik sedert den vorigen dag niets had genuttigd,verhinderde mij de angst honger te voelen. Geen enkel gerucht, dat mij in staat stelde den tijd te meten, kwam tot mij; ik veronderstelde alleen dat het zeven of acht uur des avonds moest zijn, want wij waren in de maand October, en het was volkomen duister.... Eensklaps deed het gerucht eener deur, die op haar hengsels draaide, mij schrikken; een vuurbol verscheen boven de glazen opening van den zolder en wierp een helder licht in mijn kamer, terwijl ik, ontsteld, een man op weinige schreden afstands voor mij zag staan.... Een tafel, voor twee personen gedekt en beladen met een keurigen avonddisch, had zich als door een tooverslag in het midden der kamer verheven. De man was hij, die mij sedert een jaar vervolgde, die mijn schande had gezworen, en die mij bij de eerste woorden, welke mijn mond ontglipten, deed verstaan, dat zijn besluit mij niet de minste hoop liet aan de vrijheid te worden teruggegeven.”

„De eerlooze,” mompelde Felton.

„O ja, de eerlooze!” riep milady, de belangstelling ziende, welke de jonge officier, wiens ziel aan haar lippen scheen te hangen, in dit zonderling verhaal stelde, „o ja, de eerlooze! hij meende, dat het voldoende was mij in mijn slaap te hebben doen ontvoeren om zijn oogmerk te bereiken, hij kwam in de hoop, dat ik mijn oneer zoude aannemen, dewijl mijn schande voltooid was; hij kwam mij zijn fortuin voor het bezit van mijn hart aanbieden. Al wat het hart eener vrouw van trotsche verachting en hoonende woorden kan bevatten, stortte ik op dien man uit; ongetwijfeld was hij aan dergelijke verwijtingen gewoon, want bedaard glimlachende en met over de borst gekruiste armen hoorde hij mij aan; vervolgens, toen hij meende dat ik geëindigd had, naderde hij om mijn hand te vatten, maar ik ijlde naar de tafel, greep een mes en richtte het op mijn borst.

„‚Wanneer gij een schrede nadert,’ zeide ik tot hem, ‚dan zult gij, behalve mijn onteering, mijn dood u te verwijten hebben.’

„Ongetwijfeld lag er in mijn blik, in mijn stem, in geheel mijn wezen die waarheid van gebaren, van houding en toon, welke de bedorvenste harten tot overtuiging brengt, want hij bleef staan.

„‚Uw dood?’ zeide hij, ‚ach neen! gij zijt een al te lieve gevangene om te kunnen veroorloven u op die wijze te verliezen. Vaarwel, mijn allerschoonste! ik zal u opnieuw bezoeken, wanneer gij in een betere stemming zult zijn.’

„Op die woorden liet hij een gefluit hooren, de vuurbol, die mijn kamer verlichtte, steeg omhoog en verdween. Ik bevond mij weder in de duisternis. Hetzelfde gerucht eener geopend en gesloten wordende deur werd een oogenblik daarna gehoord; de vurige bol daalde opnieuw en ik bevond mij alleen. Dat was een vreeselijk oogenblik; indien mij nog eenige twijfel omtrent mijn ongeluk overbleef, was die twijfel nu in een wanhopige zekerheid veranderd; ik was in de macht van een man, dien ik niet alleen verfoeide, maar dien ik verachtte, van een man, die mij reeds een noodlottig bewijs had gegeven van wat hij durfde ondernemen.”

„Maar wie was dan die man?” vroeg Felton.

Milady antwoordde niet op die vraag, maar ging met haar verhaal voort.

„Ik bracht den nacht op een stoel door, bij het minste gerucht opspringende, want omstreeks middernacht ging de lamp uit en ik bevond mij wederom in duisternis; de nacht ging echter zonder een nieuwe verschijning van mijn vervolger voorbij; de dag brak aan, de tafel was verdwenen, maar het mes hield ik nog in mijn hand. In dat mes was geheel mijn hoop.... Ik was van vermoeidheid uitgeput; de slapeloosheid deed mijn oogen gloeien; ik had geen oogenblik mij aan den slaap durven overgeven. De dag stelde mij eenigszins gerust; ik wierp mij op mijn bed, zonder mij van het mes te ontdoen, dat ik onder mijn hoofdkussen verborg. Toen ik ontwaakte, stond er wederom een gedekte tafel. Nu gevoelde ik, ondanks mijn angst, een hevigen honger; het was toen acht en veertig uren geleden, dat ik niet het minstevoedsel had genuttigd; ik at een weinig brood en wat vruchten; maar mij het slaapmiddel herinnerende, dat in het water was gemengd geweest, hetwelk ik had gedronken, raakte ik dat niet aan wat op tafel stond, maar vulde mijn glas aan een marmeren fontein, die boven mijn kaptafel in den muur was gemetseld. Nochtans bleef ik, ondanks deze voorzorg, gedurende eenigen tijd in een vreeselijke ongerustheid; doch ditmaal was mijn vrees ongegrond; ik bracht den dag door zonder iets te gevoelen, dat eenigszins geleek op wat ik vreesde. Ik had de voorzorg genomen de helft van de karaf te ledigen, opdat men mijn wantrouwen niet zou bemerken. De avond viel, maar hoe diep de duisternis ook was, begonnen mijn oogen zich er aan te gewennen; ik zag te midden der duisternis de tafel in den vloer wegzinken; een kwartier later verscheen zij weder met mijn avondmaal; een oogenblik daarna werd mijn kamer weder door dezelfde lamp verlicht. Ik had het besluit genomen niets anders te eten dan die zelfstandigheden, waarin het onmogelijk was eenig slaapmiddel te mengen; uit twee eieren en eenige vruchten bestond mijn maal; vervolgens putte ik een glas water uit mijn beschermende fontein en ik dronk. Dadelijk bij den eersten teug meende ik, dat het niet dienzelfden smaak als des morgens had; een plotseling vermoeden kwam in mij op, ik hield op met drinken, maar ik had reeds een half glas geledigd. Het overige goot ik met afkeer uit en ik wachtte met het angstzweet op mijn voorhoofd.... Ongetwijfeld had de een of andere onzichtbare getuige mij het water uit de fontein zien nemen en van mijn goed vertrouwen gebruik gemaakt, om met te meer zekerheid mijn val te berokkenen, die, reeds zoo koel besloten, met zooveel wreedheid werd achtervolgd. Een half uur was er nauwelijks verloopen of dezelfde gewaarwordingen herhaalden zich; maar dewijl ik nu niet meer dan een half glas water had gedronken, bood ik den slaap langer weerstand, en in plaats van nu volkomen in slaap te vallen, verviel ik in een soort vansomnambulisme, dat mij het bewustzijn deed behoudenvan hetgeen rondom mij voorviel, maar mij echter de kracht ontnam te gaan. Ik sleepte mij naar mijn legerstede om er mijn eenigste verdedigingsmiddel te zoeken, dat mij overbleef, mijn reddingsmiddel, maar ik kon het hoofdeinde niet bereiken; ik viel op de knieën, terwijl mijn handen een der kolommen, waarop mijn bed rustte, omknelden.”

Felton werd akelig bleek en een stuipachtige rilling doorliep zijn gansche lichaam.

„En het verschrikkelijkste,” vervolgde milady met ontroerde stem, alsof zij nog den angst ondervond van dat ontzettend oogenblik, „was, dat ik het gevaar kende, dat mij bedreigde; dat mijn ziel, indien ik mij dus kan uitdrukken, in mijn slapend lichaam waakte, dat ik hoorde, dat ik zag; wel is waar was zulks als in den droom, maar juist daarom te verschrikkelijker. Ik zag de lamp oprijzen en mij van lieverlede in de duisternis laten. Vervolgens hoorde ik dat mij welbekende gerucht der deur, hoewel die deur slechts twee malen was geopend geworden. Ik voelde inwendig, dat men mij naderde; men zegt, dat de rampzalige verdwaalde in de wouden vanAmerikaop die wijze de slang voelt naderen.... Ik wilde een poging doen, ik trachtte te schreeuwen; zelfs door een ongeloofelijke krachtsinspanning richtte ik mij omhoog, maar het was om onmiddellijk weder neer te vallen.”

„Maar zeg mij toch, wie uw vervolger was!” riep de jonge officier.

Milady zag met een enkelen blik al de smart, die zij Felton veroorzaakte, door op elke bijzonderheid van haar verhaal te drukken; zij wilde hem geen de minste foltering sparen. Hoe dieper zij hem in het hart zou treffen, zooveel te zekerder zou hij haar wreken. Zij ging dus opnieuw voort, alsof zij zijn uitroep niet gehoord had, of dat zij meende dat het oogenblik niet was gekomen om er op te antwoorden: „Ik hoorde hem, toen hij mij zag, uitroepen: ‚Die ellendige Puriteinen! ik wist wel, dat zij hun beulen tergden, maar ik meende, dat zij minder sterk jegens hun verleiders waren.’”

Felton luisterde zonder iets anders te doen hooren dan een soort van gebrul, alleen stroomde het zweet van zijn marmeren voorhoofd, en zijn onder zijn gewaad verborgen hand reet zijn boezem open.

„Tot mij zelve komende,” hernam milady, „was mijn eerste beweging onder dat hoofdkussen het mes te zoeken, dat ik niet had kunnen bereiken: indien het niet ter verdediging had gediend, kon het echter nog tot uitwissching der misdaad dienen. Maar, Felton! dit mes opnemende, kwam een vreeselijk denkbeeld in mij op. Ik heb gezworen u alles te zeggen en ik zal het doen; ik heb u de waarheid beloofd, ik zal u die zeggen, al moest die tot mijn verderf strekken.”

„Het denkbeeld verrees in u!” riep Felton, „u op dien man te wreken, niet waar?”

„Welnu, ja!” zei milady, „dat denkbeeld paste een Christenvrouw niet, dat weet ik; ongetwijfeld blies de eeuwige vijand onzer ziel mij dit in. Kortom, wat zal ik u zeggen, Felton!” zeide milady, op den toon eener vrouw, die zich van een misdaad beschuldigt,—„dat denkbeeld kwam in mij op en verliet mij niet meer. Het is misschien voor deze moorddadige gedachte, dat ik thans de straf onderga.”

„Ga voort, ga voort!” zeide Felton, „ik verlang met ongeduld u tot de wraak te zien komen.”

„O, ik nam mij voor die zoo spoedig mogelijk te vervullen, ik twijfelde niet, of hij zou den volgenden nacht terugkomen; gedurende den dag had ik niets te vreezen. Ook toen het uur van het ontbijt gekomen was, aarzelde ik niet te eten en te drinken, daar het mijn voornemen was den schijn aan te nemen, alsof ik mijn avondmaal nuttigde, zonder echter iets te gebruiken; ik wilde alzoo door het voedsel des ochtends het vasten van den avond vergoeden. Ik verborg een glas water, dat ik van mijn ontbijt had gespaard, daar de dorst mij het meest had doen lijden, toen ik acht en veertig uren zonder eten of drinken was gebleven. De dag ging voorbij zonder eenigen anderen invloed op mij te hebben teweeggebracht dan mij in mijn voornemente versterken; intusschen droeg ik zorg, dat mijn gelaat niet de minste gedachte mijner ziel verried, want ik twijfelde er niet aan, dat men mij bespiedde; meermalen zelfs voelde ik een glimlach op mijn lippen zweven. Felton, ik durf u niet zeggen, wat denkbeeld mij deed glimlachen; want gij zoudt mij verfoeien.”

„Ga voort, ga voort!” herhaalde Felton, „gij ziet wel, hoe ik luister en hoe verlangend ik naar het einde ben.”

„Het werd avond,” vervolgde milady, „een herhaling van den vorigen; als naar gewoonte verscheen in de duisternis mijn avondmaal; vervolgens werd de lamp ontstoken en ik zette mij aan tafel. Ik at niets anders dan eenige vruchten en hield mij, alsof ik uit de karaf water schonk, maar ik dronk slechts dat, wat ik in mijn glas had bewaard; de verwisseling werd trouwens zoo behendig volbracht, dat mijn spionnen, indien ik er had, niets hadden kunnen bespeuren. Na het avondmaal gaf ik dezelfde blijken van verdooving als den vorigen dag; maar nu, alsof ik van vermoeidheid bezweek, of mij met het gevaar gemeenzaam maakte, hield ik mij, alsof ik in slaap viel. Ik had nu ook mijn mes wedergevonden, en veinzende te slapen, omknelde mijn hand krampachtig het hecht. Twee uren verliepen zonder dat er iets nieuws voorviel. Toen, o, mijn God! wie zou mij zulks den vorigen dag hebben gezegd, begon ik te vreezen, dat hij niet komen zou. Eindelijk zag ik de lamp opstijgen en boven in de zoldering verdwijnen; mijn kamer werd wederom in duisternis gehuld, maar ik deed een poging om ze met mijn blik te doordringen. Tien minuten ongeveer verliepen er, ik hoorde geen ander geluid dan dat van het kloppen van mijn hart. Ik smeekte den Hemel om zijn komst. Eindelijk hoorde ik het mij zoo goed bekende gerucht der deur, die geopend en weer gesloten werd; ik hoorde, ondanks de zwaarte van het tapijt, voetstappen, die den vloer deden kraken; ik zag, in weerwil der duisternis, een schim mij naderen.”

„Haast u, haast u!” viel Felton haar in de rede, „ziet gij niet, dat elk uwer woorden als gloeiend lood mij brandt!”

„Toen,” vervolgde milady, „toen verzamelde ik al mijn krachten, ik herinnerde mij, dat het uur der wraak of liever der rechtvaardigheid had geslagen, en beschouwde mij als een tweede Judith; ik hield het mes omkneld, en toen ik hem in mijn nabijheid zag, toen, met een laatsten kreet van smart en wanhoop, stiet ik hem het mes in de borst.... De ellendeling had alles voorzien; zijn borst was met een pantser bedekt, het mes gleed er op af.

„‚Ha! ha!’ riep hij, mij bij den arm grijpende en mij het wapen ontrukkende, dat mij zoo slecht had gediend, ‚gij wilt mij het leven benemen, mijn schoone Puriteine! dat is meer dan haat, dat is ondankbaarheid. Och kom, wees bedaard, mijn fraai kind! ik dacht u al getemd te hebben. Ik ben niet van die dwingelanden, welke de vrouwen met geweld houden. Gij bemint mij niet? Ik geloofde het echter met mijn gewonen eigenwaan: thans weet ik, waaraan mij te houden. Morgen zult gij vrij zijn.’—Ik had slechts één begeerte, die, dat hij mij het leven zou benemen.—‚Wees op uw hoede,’ zeide ik hem, ‚want mijn vrijheid is uw oneer.’—‚Verklaar u, mijn schoone Sybille!’ antwoordde hij.—‚Ja, eenmaal vrij, zal ik alles verhalen; ik zal het geweld doen kennen, hetwelk gij jegens mij hebt gepleegd; ik zal mijn opsluiting verhalen, zal dit schandpaleis aan de wereld bekend maken! Hoe hoog ook geplaatst, zult gij beven. Boven u is er een koning, boven den koning is God!’—Hoezeer meester over zich zelven, liet mijn vervolger nochtans een beweging van toorn ontglippen. Ik kon de uitdrukking van zijn gelaat niet zien, maar ik had zijn arm voelen beven, op welken mijn hand rustte.—‚Dan zult gij van hier niet gaan,’ zeide hij.—‚Goed, goed,’ riep ik, ‚dan zal de plaats mijner foltering ook die van mijn graf zijn. Goed, ik zal hier sterven, en gij zult zien of een beschuldigende schim niet erger is dan een levende, die bedreigt.’—‚Men zal u geen enkel wapen laten,’ zeide hij.—‚Eén bestaat er, dat de wanhoop in het bereik van elk schepsel stelt, dat den moedheeft er zich van te bedienen, dat is de hongerdood.’—‚Luister,’ zeide de ellendeling, ‚is de vrede niet beter dan een dergelijke oorlog? Ik zal u oogenblikkelijk de vrijheid wedergeven; ik zal u als de deugdzaamste, als de Lucretia van geheel Engeland bekend maken.’—‚En ik zal zeggen, dat gij er de Sextus van zijt; ik zal u voor de menschen beschuldigen, zooals ik u reeds voor God heb gedaan, en indien ik, zooals Lucretia, mijn beschuldiging met mijn bloed moet bezegelen, zal ik het doen.’—‚Zoo, zoo,’ zeide mijn vijand op spottenden toon, ‚dat is iets anders.... Waarlijk, bij slot van rekening, gij zijt hier voortreffelijk, niets zal u ontbreken, en indien gij van honger sterft, zal het uw eigen schuld zijn.’

„Bij deze woorden verwijderde hij zich. Ik hoorde hem de deur openen en weder sluiten, en ik bleef als verplet staan, niet zoo zeer, ik beken het, door smart, dan wel door schaamte mij niet gewroken te hebben. Hij hield woord. De geheele dag en de volgende nacht gingen voorbij, zonder dat ik hem wederzag; maar ook ik hield woord; ik at noch dronk, ik had, zooals ik had gezegd, besloten mij te laten doodhongeren. Ik bracht den dag en den nacht in het gebed door; want ik hoopte, dat God mij mijn zelfmoord zou vergeven. Den tweeden nacht werd de deur geopend. Ik lag op den grond, de krachten begonnen mij te verlaten. Op het gerucht richtte ik mij met de eene hand ten halve op.

„‚Welnu,’ zeide een stem, die al te vreeselijk in mijn ooren klonk om haar niet te herkennen; ‚welnu! zijt gij wat zoeter geworden en wilt gij uw vrijheid met een enkele belofte van stilzwijgendheid betalen? Luister, ik ben een goed heer,’ voegde hij er bij, ‚en hoewel ik van Puriteinen niet houd, laat ik hen recht wedervaren, zoowel als aan de vrouwen, wanneer zij mooi zijn. Komaan, zweer mij eventjes op het kruisbeeld, meer verlang ik niet.’—‚Op het kruisbeeld!’ riep ik opstaande, want bij het hooren van die afschuwelijke stem had ik al mijn krachten wedergevonden, ‚op het kruisbeeld zweer ik, dat geen beloften, geenbedreigingen, geen folteringen mij ooit zullen doen zwijgen; op het kruisbeeld zweer ik u overal als moordenaar, als een eeredief, als een lafaard te zullen uitkrijten; op het kruisbeeld zweer ik, indien ik er ooit in slaag hieruit te geraken, de geheele wereld tot wraak over u op te roepen.’—‚Wees op uw hoede,’ zeide de stem op een toon van bedreiging, dien ik nog niet gehoord had; ‚er blijft mij een laatste middel over, dat ik slechts in de uiterste noodzakelijkheid zal aanwenden, om u den mond te sluiten, of u ten minste te beletten, dat men aan de minste uwer woorden geloof sla.’—Ik verzamelde al mijn krachten, om hem met een schamperen lach te antwoorden. Hij zag, dat het thans tusschen ons een strijd op leven en dood was.—‚Luister,’ zeide hij, ‚ik geef u nog het overige van den dag en den dag van morgen ter overweging. Beloof te zullen zwijgen; rijkdom, achting, zelfs eer zullen u omringen; dreig nogmaals te zullen spreken, en ik geef u der schande over.’—‚Gij?’ riep ik, ‚gij?’—‚Ja, een eeuwige, onuitwischbare schande.’—‚Gij?’ herhaalde ik.—Ach, ik zeg het u, Felton! ik hield hem voor waanzinnig.—‚Ja ik,’ hernam hij.—‚O, verlaat mij,’ zeide ik hem. ‚Vertrek, indien gij niet wilt, dat ik mij voor uw oogen de hersens tegen den muur verplettere.’—‚Het is wel,’ hernam hij, ‚gij wilt het. Tot morgenavond.’—‚Tot morgen avond,’ antwoordde ik, mij latende neervallen en woedend het tapijt met mijn tanden verscheurende.”

Felton stond tegen een meubelstuk aangeleund en milady zag met helsche vreugde, dat misschien voor het eind van het verhaal de jonge officier reeds zijn krachten zou voelen bezwijken.

Een onderwerp voor een klassiek treurspel.

Na een oogenblik zwijgens, dat besteed werd om den jongen officier, die naar haar luisterde, gade te slaan, vervolgde milady haar verhaal.

„Het was nu drie dagen geleden, sedert ik gegeten of gedronken had,” zeide zij, „ik leed verschrikkelijke smarten; menigmaal kwamen als wolken mijn voorhoofd samenpersen en mijn oog benevelen, het was de waanzin. De avond daalde, ik was zoo zwak, dat ik bijna elk oogenblik buiten kennis was, en telkens, wanneer ik bezwijmde, dankte ik God, want ik meende te sterven. Gedurende een dier zwakten hoorde ik de deur openen, de schrik bracht mij tot mij zelve. Mijn vervolger trad, door een gemaskerden man gevolgd, binnen; ook hij had zijn gezicht met een masker bedekt, maar ik herkende zijn gang, zijn stem, ik herkende de ontzag-inboezemende houding, welke de hel dien man heeft geschonken tot ongeluk der menschheid.

„‚Wel,’ vroeg hij mij, ‚hebt gij besloten den eed te doen, waarom ik u verzocht?’—‚Gij weet, de Puriteinen hebben slechts één woord, het mijne hebt gij gehoord, dat is: u op aarde voor de rechtbanken der menschen en in den hemel voor Gods rechterstoel aan te klagen.’—‚Dus blijft gij volharden?’—‚Ik zweer het u voor dien God, die mij hoort; ik zal de geheele wereld tot getuige uwer misdaad nemen, en dat zoolang tot ik een wreker zal gevonden hebben.’—‚Gij zijt een hoer,’ riep hij met donderende stem, ‚en gij zult de straf er voor ondergaan!.... Voor het oog der wereld, die gij inroept, onteerd, kunt gij de wereld overtuigen, dat gij noch schuldig noch gek zijt.’—Toen zich tot den man wendende, die hem vergezelde, zeide hij: ‚scherprechter, doe uw plicht.’”

„O, zeg mij zijn naam, zijn naam!” riep Felton opnieuw, „zeg mij zijn naam?”

„Toen, ondanks mijn hulpgeschrei, ondanks mijnweerstand, want ik begon te begrijpen, dat het voor mij iets ergers dan den dood betrof, greep mij de beul, wierp mij op den grond, kwetste mij door zijn gewelddadigheid en in mijn gesnik gesmoord, bijna bewusteloos en God aanroepende, die mij niet hoorde, slaakte ik eensklaps een vreeselijken kreet van smart en schaamte; een gloeiend ijzer, het ijzer des beuls, was op mijn schouder gedrukt.”—Felton slaakte een gebrul.—„Zie,” zeide milady, met de majesteit eener koningin zich oprichtende, „zie, Felton! hoe men een nieuwe foltering uitvond voor een jonge, reine maagd, die echter het offer werd der vuige lusten eens ellendelings. Leer het hart der menschen kennen en word voortaan minder gemakkelijk het werktuig hunner onrechtvaardige wraak.”

Milady opende met een plotselinge beweging haar kleed, verscheurde het batist, dat haar schouders bedekte, en rood van geveinsde toorn en schaamte, toonde zij den jongeling het onuitwischbaar merk, dat haar zoo fraaien schouder bevlekte.—„Maar ik zie een lelie.”—„En ziedaar, waarin juist de schandelijkheid is gelegen,” antwoordde milady. „Het Engelsche brandmerk? Dan had men immers moeten bewijzen, welke rechtbank er mij toe had veroordeeld en ik zou al de rechtbanken van het koninkrijk hebben opgeroepen om zulks te doen; maar het brandmerk vanFrankrijk! O, dat onteerde mij wel degelijk.”

Dat was te veel voor Felton. Bleek, onbeweeglijk, verplet door die vreeselijke openbaring, verblind door de bovenmenschelijke schoonheid van die half-naakte vrouw, die zich voor hem met een schaamteloosheid, die hij verheven vond, vertoonde, viel hij eindelijk op de knieën voor haar neder, zooals de eerste Christenen voor die reine, heilige martelaressen, welke de vervolgingen des keizers in den circus aan de bloeddorstige wellust van het volk overleverden. Het brandmerk verdween, alleen de schoonheid bleef voor hem over.—„Vergiffenis! vergiffenis! vergiffenis!” riep Felton, „ach, vergiffenis!”—Milady las in zijn oogen: Liefde!liefde!—„Waarvoor vergiffenis?” vroeg zij.—„Vergiffenis voor mij bij uw vervolgers te hebben gevoegd.”

Milady reikte hem de hand.—„Zoo schoon! zoo jong!” riep Felton, haar hand met kussen bedekkende. Milady liet op hem een dier blikken vallen, welke van een slaaf een koning maken. Felton was Puritein, hij liet de hand los om haar voeten te kussen. Hij beminde haar reeds niet alleen, hij aanbad haar. Toen de overspanning geëindigd was, toen milady haar koelbloedigheid scheen teruggekregen te hebben, die zij nooit verloren had, zeide hij:

„O! thans heb ik nog slechts een vraag te doen: den naam van uw wezenlijken beul? Want voor mij bestaat er slechts een, de andere was het werktuig, meer niet.”—„En hoe, broeder!” riep milady, „moet ik u dien nog noemen, hebt gij hem niet geraden?”—„Wat?” hernam Felton, „hij.... altijd hij!.... Wat! is hij de ware schuldige?”—„De eenige schuldige,” zeide milady, „hij, de verwoester vanEngeland, de vervolger der ware geloovigen, de belager der eer van zoovele vrouwen; hij, die voor een gril van zijn bedorven hart zooveel bloed inEngelandzal doen storten; die heden de protestanten beschermt en ze morgen zal verraden.”—„Buckingham! Het is dus Buckingham!” riep Felton door drift vervoerd.

Milady verborg haar gelaat in haar handen, als kon zij de schaamte niet verdragen, die deze naam in haar opwekte.—„Buckingham! de beul van het engelachtige schepsel!” riep Felton. „En Gij hebt hem niet door uw bliksems getroffen, mijn God! hem edel, geëerd, machtig, tot ons aller verderf in het leven gelaten!”—„God verlaat hen, die Hem verlaten,” zeide milady.—„Wil hij dan op zijn hoofd de straf halen, die voor de verdoemden is weggelegd!” ging Felton met stijgende overspanning voort. „Wil hij dan, dat menschelijke wraak de hemelsche rechtvaardigheid voorkome?”—„De menschen vreezen en sparen hem.”—„O! ik,” zeide Felton, „vrees hem niet en zal hem ook niet sparen....”

Milady voelde haar ziel door een helsche vreugdeoverstelpt.—„Maar hoe komt lord de Winter, mijn weldoener, mijn vader, in dit alles gemengd?” vroeg Felton.—„Luister, Felton!” hernam milady, „er gaan immers te zamen èn lage èn verachtelijke, èn groote èn edelmoedige zielen; ik had een verloofde, een man, die mij en dien ik beminde; een hart als het uwe, Felton! een man als gij. Ik ging tot hem en verhaalde hem alles; deze kende mij, en hij twijfelde niet een oogenblik. Hij was een voornaam heer, een man van gelijken rang als Buckingham. Hij zeide niets, gordde alleen zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en begaf zich naar Buckingham-Palace.”—„Ja, ja,” zeide Felton, „ik begrijp; maar met dergelijke lieden moet men niet den degen, maar den dolk gebruiken.”—„Buckingham was reeds den vorigen dag als ambassadeur naar Spanje vertrokken, waar hij de hand der infante voor Koning Karel I ging verzoeken, die toen slechts prins van Wallis was. Mijn verloofde kwam terug.

„‚Luister,’ zeide hij tot mij, ‚die man is vertrokken, bijgevolg ontgaat hij voor het oogenblik mijn wraak; maar laat ons vereenigd zijn, zooals wij moeten wezen en vertrouw op lord de Winter, om zijn eer en die zijner vrouw te verdedigen.’”

„Lord de Winter!” riep Felton.—„Ja,” zeide milady, „lord de Winter; en thans moet ge alles begrijpen, niet waar? Buckingham bleef langer dan een jaar afwezig; acht dagen vóór zijn aankomst stierf lord de Winter plotseling, mij als eenige erfgename achterlatende.”—„Van wien kwam die slag?”—„God, die alles weet, weet dit ongetwijfeld ook; ik, ik beschuldig niemand.”—„O! wat afgrond! wat afgrond!” riep Felton.

„Lord de Winter was gestorven zonder iets aan zijn broeder gezegd te hebben. Het vreeselijk geheim moest voor iedereen verborgen blijven, totdat het als een donderslag boven het hoofd van den schuldige zou uitbarsten. Uw beschermer had met leede oogen het huwelijk van zijn broeder met een meisje zonder fortuin aangezien. Ik voelde, dat ik niet de minstehulp had te wachten van iemand, die in zijn hoop op een erfenis bedrogen was geworden. Ik begaf mij naarFrankrijk, besloten er mijn leven door te brengen; maar mijn geheel vermogen is inEngeland; de afgebroken gemeenschap, tengevolge van den oorlog, ontroofde mij alles, en ik was genoodzaakt terug te komen, en op die wijze kwam ik, nu zes dagen geleden, tePortsmouthaan.”—„En?” zeide Felton.—„En Buckingham vernam zeker mijn terugkomst; hij sprak er over met lord de Winter, die reeds tegen mij was ingenomen, en zeide dezen, dat zijn schoonzuster een onteerde, een gebrandmerkte vrouw was. De edele en reine stem van mijn man kon zich niet meer doen hooren om mij te verdedigen. Lord de Winter geloofde alles, wat men hem zeide, en dat te eerder, daar hij er belang in had zulks te gelooven. Hij deed mij in hechtenis nemen en mij herwaarts voeren, mij onder uw hoede stellende. Gij weet het overige. Overmorgen zendt hij mij in ballingschap naar verre landen; overmorgen plaatst hij mij onder de misdadigers. O! het weefsel is fijn gesponnen, dat verzeker ik u; het plan is slim doordacht, en mijn eer zal er door verloren gaan. Gij ziet wel, dat ik sterven moet, Felton! Felton! geef mij het mes!”

En bij die woorden, alsof haar krachten geheel waren uitgeput, liet milady zich machteloos en bezwijmende in de armen van den jongen officier neervallen.—„Neen,” zeide hij, „neen, gij zult leven, in eere en rein leven, gij zult leven om over uw vijanden te zegevieren!”—Milady stiet hem zachtjes met haar hand terug en hem met haar blik weder aantrekkende, zeide zij, haar gelaat en haar oogen omsluierende: „O, liever dood, dan die schande! Felton! mijn broeder! mijn vriend! ik bezweer u!”—„Neen!” riep Felton, „neen, gij zult leven en gewroken worden!”—„Felton! alles, wat mij omringt, breng ik ongeluk aan; Felton! verlaat mij, Felton! laat mij sterven!”—„Welnu! dan zullen wij te zamen sterven!” riep hij.

Eenige slagen klonken op de deur.—„Luister,”zeide zij, „men heeft ons gehoord, men komt, het is gedaan, wij zijn verloren!”—„Neen,” zeide Felton, „het is alleen de schildwacht, die mij waarschuwt, dat een patrouille nadert....”—„Ga dan naar de deur en doe zelf open.”

Felton gehoorzaamde; die vrouw vervulde reeds geheel zijn hart, geheel zijn ziel. Hij zag voor zich een sergeant, die de wachtronde aanvoerde.—„Wel, wat is er?” vroeg de jonge luitenant.—„Gij hebt mij gezegd de deur te openen, indien ik om hulp hoorde roepen,” zeide de schildwacht, „maar gij hadt alleen maar vergeten mij den sleutel te laten. Ik hoorde u roepen, zonder te verstaan wat gij zeidet, ik wilde de deur openen, maar zij was van binnen gesloten, toen heb ik den sergeant geroepen.”—„En hier ben ik!” zeide deze. Felton, buiten zich zelven, bijna krankzinnig, bleef sprakeloos.

Milady begreep, dat het aan haar verbleef, zich de gesteldheid van het oogenblik ten nutte te maken, en ijlde naar de tafel, van welke zij het mes nam, dat Felton er op gelegd had.—„En met welk recht wilt gij mij beletten mij het leven te ontnemen?” vroeg zij.—„Groote God!” riep Felton, het mes in haar hand ziende blinken.

In hetzelfde oogenblik weergalmde een spottend gelach in de gang. De baron, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, stond in zijn kamerrok, met den degen onder den arm, voor de deur.—„Ha! ha!” riep hij, „nu zijn wij aan het laatste bedrijf. Gij ziet het, Felton! het drama heeft al de voorstellingen vertoond, welke ik u voorzegd heb, maar wees gerust, het bloed zal niet vloeien.”

Milady begreep, dat zij verloren was, indien zij aan Felton niet een onmiddellijk en vreeselijk bewijs van haar moed gaf.—„Gij bedriegt u, mylord! het bloed zal vloeien, en moge dat bloed op het hoofd komen van degenen, die het doen stroomen.”—Felton slaakte een kreet en wierp zich op haar; het was te laat, milady had zich getroffen. Maar het mes had gelukkig, wijmoeten liever zeggen behendig, de stalen corsetbaleinen geraakt, die in dat tijdstip als een harnas de borst der vrouwen verdedigden. Het was schuin door haar kleed, dat het openreet, langs de ribben afgegleden. Het kleed van milady was desniettemin in een oogenblik met bloed bevlekt. Milady was achterover gevallen en scheen bewusteloos. Felton ontrukte haar het mes.

„Zie, mylord!” zeide hij op somberen toon, „ziedaar een vrouw, die onder mijn bewaking was en die zich het leven beneemt.”—„Wees gerust, Felton!” zeide lord de Winter, „zij is niet dood, de duivels sterven zoo spoedig niet! wees gerust en ga mij in mijn kamer wachten.”—„Maar, mylord!....”—„Ga, ik beveel het u.”

Op het bevel van zijn overste verwijderde zich Felton, maar onder het weggaan verborg hij het mes in zijn borst. Lord de Winter bepaalde zich er toe de vrouw te roepen, die milady bediende, en toen deze was gekomen en na haar de steeds in onmacht liggende gevangene te hebben aanbevolen, liet hij hen alleen. Daar intusschen alles wel beschouwd, de wonde, ondanks zijn meening, van een ernstigen aard kon zijn, zond hij onmiddellijk een man te paard, om den naastbijwonenden geneesheer te halen.

De vlucht.

Zooals lord de Winter had gedacht, was de verwonding van milady niet gevaarlijk; zoodra zij zich alleen met de vrouw bevond, die de baron had doen roepen, en die zich haastte haar te ontkleeden, opende zij de oogen. Intusschen moest zij zwakte en smart veinzen. Dat was voor een tooneelspeelster als milady niet zeer moeilijk. Ook werd de arme vrouw volkomen door milady misleid, zoodat zij halsstarrig volhield gedurendeden nacht te willen waken. De tegenwoordigheid dier vrouw belette milady echter niet te peinzen. Er was geen twijfel meer, Felton was overtuigd, Felton behoorde haar. Al ware den jongeling ook een engel verschenen om milady te beschuldigen, zou hij dien zeker, in de zielsgesteldheid waarin hij zich bevond, voor een duivelsgezant hebben gehouden.

Milady glimlachte bij dat denkbeeld, want op Felton was voortaan alleen haar hoop gevestigd, hij was het eenige middel tot haar bevrijding. Maar lord de Winter kon beginnen hem te wantrouwen en Felton thans zelf bewaken.

Tegen vier uur des morgens kwam de geneesheer, maar sinds milady zich had gekwetst, was de wonde reeds gesloten. De geneesheer kon er dus noch de richting noch de diepte van peilen; hij erkende alleen aan den pols van milady, dat de wond niet belangrijk was. Des morgens zond milady, onder het voorwendsel niet geslapen en rust noodig te hebben, de vrouw weg, die bij haar had gewaakt. De hoop bleef nog over, dat Felton op het uur van ontbijt zou komen, maar Felton kwam niet. Had haar vrees zich verwezenlijkt? Zou Felton, door den baron gewantrouwd, haar in het beslissend oogenblik ontbreken? Er bleef haar slechts één dag meer over. Lord de Winter had haar inscheping op den drie en twintigsten aangekondigd, en men was reeds op den ochtend van den twee en twintigsten. Nogmaals bleef zij geduldig tot aan het uur van het middagmaal wachten. Hoewel zij des morgens niet had gegeten, werd het maal echter op het gewone uur binnengebracht; milady bespeurde toen met schrik, dat de uniform der soldaten, die haar bewaakten, veranderd was. Toen waagde zij te vragen, wat er van Felton was geworden. Men zeide, dat Felton een uur geleden te paard was vertrokken. Zij vroeg, of de baron nog altijd in het kasteel was; de soldaat antwoordde ja, en dat hij bevel had hem te waarschuwen, indien de gevangene hem wenschte te spreken. Milady antwoordde, dat zij voor het oogenblik zich te zwakgevoelde, en haar eenige begeerte was alleen te blijven. De soldaat vertrok na de tafel gedekt te hebben.

Felton was verwijderd geworden, de zeesoldaten waren door andere vervangen, men wantrouwde Felton. Dat was de laatste slag, dien men aan de gevangene toebracht. Alleen gebleven, stond zij op. Dat bed, waarop zij uit voorzichtigheid bleef liggen, ten einde men haar zwaar gekwetst mocht wanen, brandde haar als een gloeiende rooster. Zij wierp een blik op de deur. De baron had op de getraliede opening er van een plank doen spijkeren; hij vreesde zeker, dat door middel der opening het haar wederom mocht gelukken, door een of ander duivelsch middel haar bewakers te verleiden. Milady glimlachte van blijdschap, zij kon zich dus aan haar gewaarwordingen overgeven zonder bespied te worden. Zij doorliep de kamer met de drift eener dolzinnige, of van een opgesloten tijger in een ijzeren kooi. Inderdaad, indien het mes in haar bezit was gebleven, zou zij er nu niet aan gedacht hebben zich zelve het leven te benemen, maar den baron te vermoorden. Te zes uur trad lord de Winter binnen, van het hoofd tot de voeten gewapend. Die man, dien milady tot hiertoe slechts als een beschaafd en beleefd edelman had beschouwd, was een bewonderenswaardig cipier geworden. Hij scheen alles te voorzien, te raden, te voorkomen. Een enkele blik op milady geworpen maakte hem bekend met hetgeen in haar ziel omging.

„Goed,” zeide hij, „maar gij zult mij vandaag nog niet vermoorden, gij hebt geen wapens meer, en bovendien, ik ben op mijn hoede. Gij zijt begonnen mijn armen Felton te bederven, hij ondergaat reeds uw helschen invloed, maar ik wil hem redden, hij zal u niet meer zien. Alles is geëindigd, zoek uw kleeren bijeen, morgen vertrekt gij. Ik had de inscheping op den vier en twintigsten bepaald, maar ik heb geoordeeld, dat hoe eer de zaak een einde neemt hoe zekerder. Morgen tegen den middag zal ik in het bezit zijn van het bevel uwer ballingschap, door Buckingham onderteekend. Indien gij slechts, aan wien het ook zij, een woorddurft zeggen alvorens op het schip te zijn, dan heeft mijn sergeant het bevel u voor den kop te schieten. Indien gij, op het schip zijnde, één enkel woord durft spreken, alvorens de kapitein u zulks heeft veroorloofd, zal deze u over boord doen werpen, dat is reeds besteld. Tot weerziens; ziedaar wat ik u heden te zeggen had. Morgen zie ik u weder om u vaarwel te zeggen.”—En hierna vertrok de baron.

Milady had deze dreigende taal tot het einde aangehoord, met den glimlach der verachting op de lippen, maar met de woede in het hart. Men richtte het avondmaal aan. Milady voelde, dat zij krachten noodig had; zij wist niet wat er gedurende den nacht nog kon gebeuren, die dreigend naderde; want donkere wolken vlogen door het luchtruim en veraf zijnde weerlichten kondigden een onweder aan. Het onweer barstte tegen tien uur des avonds los; voor milady was het een troost, de natuur in de beroering van haar hart te zien deelen. De donder rolde in de lucht gelijk de gramschap in haar boezem; het was alsof de stormwind, voorbijgaande, haar hoofdhaar deed opvliegen, zooals hij van de boomen de takken deed buigen, terwijl hij ze van hun bladeren beroofde. Zij brulde gelijk de storm, en haar stem verloor zich in de zware stem der natuur, die, zooals zij, scheen te zuchten en te wanhopen. Van tijd tot tijd beschouwde zij een ring, dien zij aan den vinger had. De steen van dien ring bevatte een hevig en spoedig werkend vergift; dat was haar laatste redmiddel.

Eensklaps hoorde zij op een der glasruiten kloppen, en bij het schijnsel van een bliksemstraal zag zij het gelaat van een man voor de traliën verschijnen. Zij snelde naar het venster en opende het.—„Felton!” riep zij, „ik ben gered!”—„Ja,” zeide Felton, „maar stil! stil! ik moet eerst de traliën doorvijlen; zorg slechts dat men u niet door de opening van de deur ziet.”—„O, ziedaar het bewijs, dat de Heere voor ons is, Felton!” hernam milady, „zij hebben die opening met een plank dichtgespijkerd.”—„Goed, God heeft hen zinneloosgemaakt,” zeide Felton.—„Maar wat moet ik doen?” vroeg milady.—„Niets, niets; doe slechts het venster weder dicht. Ga slapen, of ten minste begeef u geheel gekleed te bed; wanneer ik gereed ben, zal ik op de glazen kloppen. Maar zult gij mij kunnen volgen?”—„O ja!”—„Uw wonde?”—„Veroorzaakt mij pijn, maar belet mij niet om te gaan.”—„Houd u dan op den eersten wenk gereed.”

Milady sloot wederom het venster, blies haar lamp uit en begaf zich, zooals Felton had aangeraden, te bed. Boven het gehuil van den storm hoorde zij het krassen der vijl op de traliën, en bij het schijnsel van elken bliksemstraal bespeurde zij de schaduw van Felton achter de glasruiten. Een uur bracht zij door zonder adem te halen, hijgende, het voorhoofd met zweet bedekt en het hart beklemd door een vreeselijken angst, telkens wanneer zij in de gang eenige beweging hoorde. Er zijn uren, die jaren schijnen te duren.

Na verloop van een uur klopte Felton opnieuw. Milady sprong uit haar bed en ging het venster openen; twee uitgenomen traliën hadden een opening gemaakt, die groot genoeg was om een mensch door te laten.—„Zijt gij gereed?” vroeg Felton.—„Ja, moet ik iets medenemen?”—„Goud, indien gij het hebt.”—„Gelukkig heeft men mij gelaten, wat ik had.”—„Des te beter, want ik heb al het mijne besteed om een vaartuig te huren.”—„Neem,” zeide milady, Felton een zak vol goud ter hand stellende.—Felton nam den zak en wierp hem naar beneden aan den voet van den muur.—„Wilt gij nu komen?” vroeg hij.—„Hier ben ik.”—Milady klom op een leuningstoel en stak de helft haars lichaams uit het venster. Zij zag den jongen officier, hangende aan een touwladder boven den afgrond.

Voor het eerst deed een gewaarwording van angst haar herinneren, dat zij een vrouw was. De diepte joeg haar schrik aan.—„Ik dacht het wel,” zeide Felton.—„Het is niets, het is niets,” zeide milady, „ik zal met gesloten oogen afstijgen.”—„Stelt gij in mij vertrouwen,”vroeg Felton.—„Vraagt gij zulks?”—„Geef uw twee handen en vouw ze.”—„Goed.”—Felton bond haar beide handen met een zakdoek, vervolgens over den zakdoek met een koord aan elkander.—„Wat doet gij?” vroeg milady verbaasd.—„Sla nu uw armen om mijn hals en vrees niets.”—„Maar ik zal u het evenwicht doen verliezen en wij zullen beiden te pletter vallen.”—„Wees gerust, ik ben zeeman.”

Er was geen oogenblik te verliezen. Milady sloeg haar beide armen om den hals van Felton en liet zich het venster uitglijden. Felton begon langzaam een voor een de treden van de ladder af te klimmen. Ondanks het gewicht van beide lichamen, deed de stormwind hen in de lucht schommelen.

Eensklaps hield Felton op.—„Wat is er?” vroeg milady.—„Stil,” zeide Felton, „ik hoor voetstappen.”—„Wij zijn ontdekt.”—Er heerschte eenige oogenblikken stilte. „Neen,” zeide Felton, „het is niets.”—„Maar wat beteekent dan dat gerucht?”—„Dat der wachtronde, die den ringmuur omgaat.”—„Waar is die weg?”—„Juist onder onze voeten.”—„Men zal ons zien.”—„Neen, als het slechts niet weerlicht.”—„Men zal tegen de ladder aanloopen. Daar zijn ze, o God!”—„Stil!”

Beiden bleven hangen, onbeweeglijk en stom, op twintig voeten boven den grond, terwijl de soldaten lachende en pratende onder hen voortgingen. Het was een vreeselijk oogenblik voor de vluchtelingen. De patrouille verwijderde zich; men hoorde van lieverlede de voetstappen dof worden en het gedruisch der stemmen verzwakken.—„Thans!” zeide Felton, „zijn wij gered.”—Milady slaakte een zucht en viel in zwijm. Felton ging voort met afklimmen.

Beneden aan de ladder gekomen en toen geen rustpunt meer voor zijn voeten vindende, omknelde hij met zijn handen de ladder, liet zich tot aan de laatste sport afzakken en toen op den grond neervallen; hij bukte, raapte den zak met goud op en nam hem tusschen de tanden. Toen nam hij milady in zijn armen enverwijderde zich snel naar de zijde tegenovergesteld aan die, welke de patrouille had genomen. Dra verliet hij den ringmuur, klom langs de rotsen af, en aan den oever der zee gekomen, floot hij. Een dergelijk sein beantwoordde hem, en vijf minuten daarna verscheen een boot bemand met vier personen. De boot naderde zoo na mogelijk het strand, maar het water was niet diep genoeg om den wal te bereiken. Felton doorwaadde de zee tot aan zijn middel, aan niemand zijn kostbaren last willende toevertrouwen. Gelukkig begon de storm te bedaren, hoewel de zee nog geweldig te keer ging; de kleine boot schommelde op de baren als een notedop.

„Naar de sloep en roeit met kracht!” beval Felton.

De vier mannen zetten zich aan de riemen, maar de zee ging te hoog om met roeien veel te vorderen. Nochtans, men verwijderde zich van het kasteel, en dit was het voornaamste. De nacht was stikdonker, en het was onmogelijk het strand van uit de boot te bespeuren. Een zwarte stip schommelde op de zee. Dat was het sloepschip. Terwijl de boot door krachtige riemslagen het schip naderde, maakte Felton het koord en den zakdoek los, die de handen van milady vasthielden. Vervolgens, toen hij haar handen had losgemaakt, nam hij zeewater en besprenkelde haar daarmede het aangezicht. Milady slaakte een zucht en opende de oogen.

„Waar ben ik?” vroeg zij.—„Gered,” antwoordde de jonge officier.—„Ach! gered? gered?” riep zij.—„Ja, ziedaar de lucht, ziedaar de zee. De lucht, die gij inademt, is de vrijheid.”—„O, ik dank u, Felton! ik dank u!”—De jongeling drukte haar aan zijn hart.—„Maar wat deert mij toch aan mijn handen?” vroeg milady. „Het is alsof ze in een schroef zijn geplet.”—Inderdaad, milady’s armen oplichtende, zag hij dat haar handen gewond waren.—„Helaas!” zeide Felton, die fraaie handen beschouwende en smartelijk het hoofd schuddende.—„O, het is niets, het is niets!” riep milady, „nu herinner ik mij.”—Milady zocht methaar blik rondom zich.—„Daar ligt hij,” zeide Feiten, den zak met goud met zijn voet rakende.

Men naderde de sloep. De matroos, die wacht hield, riep de manschap op de boot toe, ’t welk beantwoord werd.—„Wat is dat voor een vaartuig?” vroeg milady.—„Dat wat ik voor u heb gehuurd,” antwoordde Felton.—„En waarheen moet het mij brengen?”—„Waar gij wilt, mits men mij tePortsmouthaan wal zet.”—„Wat gaat gij tePortsmouthdoen?” vroeg milady.—„De bevelen van lord de Winter volvoeren,” zeide Felton met een somberen glimlach.—„Welke bevelen?” vroeg milady.—„Gij begrijpt mij dan niet?” zeide Felton.—„Neen, verklaar u, bid ik u.”—„Daar hij mij wantrouwde, heeft hij zelf u willen bewaken, en mij in zijn plaats naar Buckingham gezonden, om hun het bevel van uw verbanning te doen teekenen.”—„Maar, indien hij u wantrouwde, waarom heeft hij u dat bevel toevertrouwd?”—„Men wist immers niet, dat ik met den inhoud van hetgeen ik bracht bekend was, daar hij mij niets had gezegd en ik alleen door u met dat geheim bekend ben geworden.”—„Het is waar. En gij gaat naarPortsmouth?”—„Ik heb geen tijd te verliezen; morgen is het de drie en twintigste, en morgen vertrekt Buckingham met de vloot.”—„Naarla Rochelle? Hij mag niet vertrekken!” riep milady, haar gewone tegenwoordigheid van geest vergetende.—„Wees gerust,” antwoordde Felton, „hij zal niet vertrekken.”

Milady beefde van vreugd; zij had in het diepste der ziel van den jongeling gelezen: de dood van Buckingham stond er met groote letters in geschreven.—„Felton! gij zijt groot als Judas Macchabeüs! Indien gij sterft, sterf ik met u! Ziedaar alles wat ik u kan zeggen.”—„Stil!” zeide Felton, „wij zijn aangekomen.”

En inderdaad, men had de sloep bereikt. Felton klom het eerst de ladder op en gaf milady de hand, terwijl de matrozen haar ondersteunden, want de zee was nog zeer onstuimig. Een oogenblik daarna stond zij op het verdek.

„Kapitein!” zeide Felton, „ziedaar de persoon, van wie ik u heb gesproken, en die gij behouden en wel naarFrankrijkmoet overbrengen.”—„Tegen betaling van duizend pistolen,” zeide de kapitein.—„Ik heb er u vijfhonderd gegeven.”—„En ziedaar de overige vijfhonderd,” zeide milady, de hand op den zak met goud leggende.—„Neen,” zeide de kapitein, „ik heb slechts één woord, en ik heb het den jongeling gegeven; de overige vijfhonderd pistolen behoeven mij niet eer dan bij mijn aankomst teBoulognebetaald te worden.”—„En zullen wij er aankomen?”—„Behouden en wel,” zeide de kapitein, „zoo waar als ik Jack Buttler heet.”—„Welnu,” zeide milady, „als gij woord houdt, zullen het geen vijfhonderd maar duizend pistolen wezen, die ik u zal geven.”—„Hoera! dan voor u, schoone dame!” riep de kapitein, „en moge God mij veel zulke klanten als uwe edelheid zenden.”—„Intusschen,” zeide Felton, „breng ons in de kleine haven vanChichestervóórPortsmouth. Gij weet, dat wij zijn overeengekomen daar aan te doen.”

De kapitein antwoordde door de noodige werkzaamheden hiervoor te bevelen, en tegen zeven uur des morgens wierp het kleine vaartuig het anker in de bewuste baai. Gedurende dien overtocht had Felton alles aan milady verhaald, hoe hij, in plaats van naarLondente gaan, het kleine vaartuig had gehuurd, hoe hij was teruggekomen, op welke wijze hij den muur had beklommen door in de voegen der steenen, en naar gelang hij opklom, krammen te bevestigen om er zijn voeten op neer te zetten, en hoe hij eindelijk de ladder aan de traliën had vastgemaakt; milady wist het overige. Van haar kant trachtte zij Felton moed in te boezemen en in zijn voornemen te versterken, maar bij de eerste woorden, die zij sprak, zag zij wel, dat de jeugdige geestdrijver meer noodig had tegengehouden dan aangespoord te worden. Men kwam overeen, dat milady tot tien uur op Felton zou wachten; indien hij te tien uur niet mocht terug zijn, zou zij onder zeil gaan. Dan, in de veronderstelling dat hijvrij zoude zijn, zou hij haar inFrankrijkwedervinden in het Karmelieten-klooster vanBéthune.


Back to IndexNext