HOOFDSTUK XXVIII.

Wat er den 23en Augustus 1628 te Portsmouth voorviel.

Felton nam van milady afscheid als een broeder, die, eenvoudig gaande wandelen, zijn zuster groet en haar de hand kust. Hij was volkomen in zijn gewone bedaarde stemming; alleen brandde er een ongewoon vuur in zijn oogen, dat gelijk was aan den gloed der koorts. Zijn voorhoofd was nog bleeker dan gewoonlijk; zijn tanden waren op elkander gedrukt en zijn woorden hadden een korten en stootenden klank en gaven te kennen, dat er in hem iets sombers omging. Zoolang hij in de boot was, die hem aan land bracht, bleef hij met het gelaat naar milady gewend, die overeind op het verdek stond en hem met haar blik volgde. Beiden waren overtuigd niet meer vervolgd te zullen worden. Men trad de kamer van milady nooit vóór negen uur binnen, en er waren drie uren toe noodig, om van het kasteel naarLondente gaan.

Felton zette voet aan wal, beklom de kleine verhevenheid, die naar boven tot aan den vuurtoren leidde, groette milady voor de laatste maal en zette zijn weg naar de stad voort. Na ongeveer honderd schreden te hebben afgelegd kon hij, daar de grond afhelde, niets meer van de sloep bespeuren dan den mast. Hij liep haastig voort in de richting vanPortsmouth, van welke stad hij, op een halve mijl afstands ongeveer, de torens en huizen uit den morgennevel zag te voorschijn komen.

AchterPortsmouth, in het verschiet, was de zee bedekt met schepen, welker masten, gelijk een ontbladerd populierenbosch door den wind bewogen, schommelden.

Felton liet in zijn snelle vaart alles voorbij zijn geest gaan, die tienjarige reeks van geestdrijvende overdenkingen,en dat lange verblijf onder de Puriteinen, welke hem zoovele ware of valsche beschuldigingen tegen den gunsteling van Jacobus VI en Karel I hadden opgeleverd. Toen hij de openlijke misdrijven van dien minister, schitterende Europeesche misdrijven indien men zich dus kan uitdrukken, met de onbekende en bijzondere misdaden vergeleek, waarmede milady hem had bezwaard, vond Felton, dat de misdadigste der twee personen, die in Buckingham vereenigd waren, diegene moest zijn, wiens handelingen niet publiek waren. Dit kwam, doordat zijn zoo zonderlinge, nieuwe en vurige liefde hem de schandelijke en denkbeeldige beschuldigingen van lady de Winter vertoonde, zooals men stofjes, bij mieren vergeleken, onmerkbaar door een vergrootglas als vreeselijke gedrochten ziet. De snelheid van zijn loop verhitte nog meer zijn bloed. Het denkbeeld de vrouw achter te laten, die hij beminde, of liever die hij als een heilige aanbad en aan een verschrikkelijke wraak zag blootgesteld, de ondergane gemoedsaandoeningen, zijn tegenwoordige vermoeidheid, alles verhief zijn ziel nog meer boven elk menschelijk gevoel.

Hij tradPortsmouthtegen acht uur des morgens binnen. Geheel de bevolking was op de been. De trom werd in de straten en in de haven geroerd. De troepen, die moesten worden ingescheept, togen zeewaarts. Felton, bedekt met stof en zweet, naderde het admiraalshuis. Zijn aangezicht, gewoonlijk bleek, was purperrood van warmte en toorn. De schildwacht wilde hem afwijzen, maar Felton riep den kommandant van den wachtpost, en uit zijn zak den brief halende, waarvan hij de brenger was, zeide hij een bode van lord de Winter te zijn. Op den naam van lord de Winter, dien men voor een der grootste vrienden van Zijne Genade kende, gaf de kommandant bevel Felton door te laten, die trouwens ook de uniform van zee-officier droeg.

Felton snelde het paleis binnen. Op het oogenblik, dat hij het portaal binnentrad, trad ook een man binnen, met stof bedekt en buiten adem, een postpaardaan de deur latende, dat bij aankomst op beide knieën was gevallen.—Felton en hij richtten zich gelijktijdig tot Patrick, den vertrouwden kamerdienaar van den hertog. Felton noemde den baron de Winter. De onbekende wilde niemand noemen, voorgevende zich alleen aan den hertog in eigen persoon te mogen bekend maken. Beiden poogden, de een voor den anderen, het eerst te worden toegelaten. Patrick, wien het bekend was, dat lord de Winter zoowel in dienstzaken als door vriendschapsbetrekkingen met den hertog in betrekking stond, gaf de voorkeur aan dengene, die uit diens naam kwam. De andere was verplicht te wachten: het was gemakkelijk te zien, hoezeer hij die vertraging vervloekte. De kamerdienaar deed Felton een groote zaal doorgaan, waar de afgezanten vanla Rochelle, met den prins van Soubise aan het hoofd, wachtende waren en geleidde hem in een kabinet, waar Buckingham, uit het bad komende, zich aankleedde, een bezigheid, waaraan hij ook nu, zooals steeds, een buitengewone zorg besteedde.

„De luitenant Felton!” zeide Patrick, „vanwege lord de Winter.”—„Vanwege lord de Winter?” herhaalde Buckingham, „laat binnenkomen.”—Felton trad binnen. Op dit oogenblik wierp Buckingham een kostbaren ochtendrok, met goud geborduurd, op een kanapé, om dezen voor een blauw fluweelen buis, met paarlen bezet, te verwisselen.—„Waarom is de baron niet in persoon gekomen?” vroeg Buckingham. „Ik wachtte hem heden morgen.”—„Hij heeft mij belast Uwe Genade te zeggen,” antwoordde Felton, „dat het hem zeer leed doet die eer niet te kunnen hebben, maar dat hij hierin verhinderd wordt door de waakzaamheid, welke hij verplicht is in het kasteel in acht te nemen.”—„Ja, ja,” zeide Buckingham, „ik weet het, hij heeft een gevangene.”—„Het is juist over deze gevangene, dat ik Uwe Genade wilde onderhouden,” hernam Felton.—„Welnu, wat is er, spreek!”—„Wat ik te zeggen heb, mylord, mag alleen door u gehoord worden.”

„Laat ons alleen, Patrick!” zeide Buckingham, „maarluister naar de schel, ik zal u aanstonds roepen.”—Patrick vertrok.

„Thans zijn wij alleen, mijnheer!” zeide Buckingham, „gij kunt dus vrij spreken.”

„Mylord!” zeide Felton daarop, „de baron de Winter heeft u onlangs geschreven en u daarbij verzocht een bevelschrift te teekenen, ter overbrenging eener jonge vrouw, Charlotte Bakson genaamd.”—„Ja, mijnheer! en ik heb hem geantwoord, mij dat bevelschrift te brengen of te zenden, en dat ik het zou teekenen.”—„Hier is het, mylord!”—„Geef,” zeide de hertog, en het papier uit de handen van Felton nemende, wierp hij er een vluchtigen blik in. Toen, ziende dat het wel datgene was, waarover men hem had geschreven, legde hij het op tafel, nam een pen en maakte zich gereed het te teekenen.

„Vergeef mij, mylord!” zeide Felton, den hertog tegenhoudende, „maar weet Uwe Genade wel, dat de naam van Charlotte Bakson niet de ware naam dier vrouw is?”—„Ja, mijnheer! dat weet ik,” antwoordde de hertog, de pen in den inktkoker doopende.—„Kent Uwe Genade dan haar waren naam?” vroeg Felton kortaf.—„Ik ken hem.”—De hertog zette de pen op het papier. Felton verbleekte.

„En zal Uwe Genade, hoewel dien naam kennende, toch teekenen?”—„Wel zeker!” zeide Buckingham, „en liever twee malen dan eens.”—„Ik kan niet gelooven,” ging Felton voort, met een stem die al meer en meer kort en stootend werd, „dat Uwe Genade weet, dat het lady de Winter betreft.”—„Ik weet het zeer goed, maar ben verwonderd dat gij het weet.”—„En zal Uwe Genade dit bevelschrift zonder wroeging teekenen?”

Buckingham beschouwde den jongeling trots.—„Hoe! mijnheer, weet gij, dat gij mij al vrij zonderlinge vragen doet, en ik dwaas ben er op te antwoorden.”—„Antwoord er op, Uwe Excellentie!” zeide Felton, „de omstandigheid is gewichtiger dan gij wellicht denkt.”

Buckingham, in de meening dat de jongeling vanwegelord de Winter kwam en zonder twijfel uit diens naam sprak, hernam op meer zachten toon:

„Zonder de minste wroeging! En de baron weet zoo goed als ik, dat milady een groote misdadige is, en het bijna een gratie is haar straf tot verbanning te verminderen.”—De hertog zette de pen op het papier.—„Gij zult dat bevelschrift niet teekenen,” zeide Felton, den hertog een schrede naderende.—„Zal ik dat bevelschrift niet teekenen.... en waarom niet?”—„Omdat gij in u zelven zult terugkeeren en milady recht laten wedervaren.”—„Men zal haar recht doen, wanneer men haar naarTyburnzendt; milady is een schandelijk slecht vrouwspersoon.”—„Uwe Excellentie! milady is een engel, gij weet dit wel en ik vraag u haar vrijheid.”—„Wat is dat?” riep Buckingham. „Zijt gij zinneloos, een zoodanige taal te voeren?”—„Mylord! vergeef mij, ik spreek zoo vriendelijk als ik kan; ja, ik bedwing mij zelfs. Intusschen, mylord! bedenk wat gij wilt doen, en wacht u de maat te doen overloopen.”—„Wat zegt gij? God vergeve mij!” riep Buckingham, „ik geloof, dat hij mij bedreigt!”—„Neen, mylord! ik smeek nog, en ik zeg u, dat één droppel water voldoende is, om een vol vat te doen overloopen; een geringe misslag is somwijlen voldoende, om de straf te doen neerkomen op een hoofd, dat, in weerwil van zoovele misdaden, tot hiertoe is gespaard gebleven.”—„Mijnheer Felton! gij zult u oogenblikkelijk verwijderen en u in arrest begeven.”—„En gij, gij zult mij tot het einde aanhooren, mylord! Gij hebt haar, maagd zijnde, verleid, beleedigd, onteerd; herstel uw misdaden jegens haar, laat haar in vrijheid gaan, en ik zal niets anders van u eischen.”—„Gij zult niet eischen!” zeide Buckingham, Felton met verbazing aanziende en op elk der vier woorden drukkende, die hij uitsprak.

„Mylord!” vervolgde Felton, meer en meer driftig wordende naarmate hij met spreken voortging. „Mylord! wees op uw hoede; geheelEngelandis uw ongerechtigheden moede; mylord! gij hebt van de koninklijke machtmisbruik gemaakt, die gij bijna overweldigd hebt; mylord! gij zijt een afschuw voor God en de menschen. God zal u later straffen, maar ik zal u heden straffen.”—„O, dat is te erg!” riep Buckingham, eenige schreden de deur naderende.

Felton trad hem in den weg.—„Ik smeek het u nederig!” hernam hij, „teeken het bevel, om milady de Winter in vrijheid te laten. Bedenk, dat het een vrouw is, die gij onteerd hebt.”—„Verwijder u, mijnheer!” zeide Buckingham, „of ik roep en laat u door mijn bediende de deur uitwerpen.”—„Gij zult niet roepen,” zeide Felton, zich tusschen de deur en een met zilver ingelegd spiegeltje plaatsende, waarop een schel stond; „geef acht, mylord! nu zijt gij in Gods hand.”—„In des duivels klauw, wilt gij zeggen!” riep Buckingham, de stem verheffend, om volk tot zich te trekken, zonder nochtans te roepen.—„Teeken, mylord! teeken voor de vrijheid van lady de Winter,” zeide Felton, den hertog een papier toeschuivende.—„Ik bukken voor geweld! Zijt gij gek? Hier, Patrick!”—„Teeken, mylord!”—„Nooit! nooit!—Hier!” riep de hertog, tevens zijn degen grijpende.

Maar Felton liet hem den tijd niet dien te trekken; hij hield een blank mes, het mes waarmede milady zich had gekwetst, onder zijn buis verborgen, en in een sprong viel hij op den hertog aan.

Op dat oogenblik trad Patrick met den uitroep: „Mylord! een brief uitFrankrijk!” de zaal binnen.—„UitFrankrijk?” riep Buckingham, alles vergetende door de gedachte aan haar, van wie de brief kwam.

Felton nam deze gelegenheid waar en stak hem het mes tot aan het hecht in de zijde.—„Onzinnige, verraderlijke moordenaar!” riep Buckingham, „gij hebt mij gedood!”—„Moord, moord!” brulde Patrick.

Felton sloeg de oogen rond, om te vluchten, en de deur onbewaakt ziende, stormde hij de aangrenzende kamer binnen, waarin, zooals wij gezegd hebben, de afgevaardigden vanla Rochellewachtten; hij doorliep ze in haar geheele lengte en bereikte de trap; maar opde eerste trede ontmoette hij lord de Winter, die hem bleek, verward, woest, met bloed aan de handen en aan het gelaat bevlekt ziende, bij de keel greep, uitroepende: „Ik wist het! ik had het geraden! één minuut te laat. O, ongelukkige, ongelukkige, die ik ben!”

Felton bood geen den minsten weerstand. Lord de Winter gaf hem over aan de wacht, die hem in afwachting van nadere bevelen op een klein terras bracht, vanwaar men het uitzicht op de zee had, terwijl lord de Winter zich naar het kabinet van Buckingham spoedde.

Op den kreet van den hertog, toen deze Patrick had geroepen, snelde de man, dien Felton aan de deur had ontmoet, het kabinet binnen. Hij vond den hertog op een sofa liggende, zijn wonde met een krampachtige hand drukkende.

„La Porte!” zeide de hertog met een bevende stem; „la Porte! komt gij van harentwege!”—„Ja, Uwe Excellentie!” antwoordde de getrouwe dienaar van Anna van Oostenrijk, „maar misschien te laat.”—„Stil, la Porte! men zou u kunnen hooren. Patrick! laat niemand binnen. Ach! ik zal niet weten, wat zij laat zeggen. Mijn God, ik sterf!”—En de hertog viel in onmacht.

Intusschen waren lord de Winter, de afgezanten, de oversten der troepen, de officieren van het huis van Buckingham, de kamer binnengedrongen; overal weergalmden wanhoopskreten; het nieuws, dat het paleis met weeklachten en zuchten vervulde, drong weldra naar buiten en verspreidde zich in de stad. Een kanonschot kondigde aan, dat er iets nieuws en onverwachts plaats had. Lord de Winter trok zich de haren uit het hoofd.

„Eén minuut te laat!” riep hij. „Ach, mijn God! mijn God! wat ramp!”—En waarlijk, men was hem te zeven uur des morgens komen berichten, dat een touwladder buiten een der vensters van het kasteel hing. Daarop was hij onmiddellijk naar de kamer van milady gesneld, had die ledig, het venster open en de traliën uitgevijld gevonden. Hij herinnerde zich toende mondelinge aanbeveling, welke d’Artagnan hem door zijn bode had overgezonden; hij had voor den hertog gebeefd, en naar den stal loopende, was hij, zonder zich den tijd te gunnen een paard te doen zadelen, op het eerste het beste gesprongen en had zich spoorslags verwijderd, waarna hij, op de binnenplaats aangekomen, onmiddellijk afgestegen en de trap was opgesneld, waar hij op de eerste trede, zooals wij gezegd hebben, Felton ontmoette.

De hertog was echter niet dood; hij kwam weder tot bewustzijn, opende de oogen, en de hoop keerde in aller harten terug.—„Mijne heeren!” zeide Buckingham, „laat mij alleen met Patrick en la Porte.... O, zijt gij daar, de Winter! Gij hebt mij heden morgen een zonderlingen gek gezonden; zie eens in welken staat hij mij heeft gebracht.”—„O, mylord!” riep de baron, „mylord! nooit zal ik er mij over kunnen troosten!”—„En gij zoudt ongelijk hebben, mijn goede de Winter!” hernam Buckingham, hem de hand reikende. „Ik ken niet één enkel mensch, die verdient betreurd te worden, gedurende het geheele leven van een anderen mensch. Maar laat ons alleen, als ik u mag verzoeken.”

De baron vertrok, in gesnik uitbarstende.—In het kabinet bleven niemand anders dan de gekwetste hertog, la Porte en Patrick. Men zocht een geneesheer, dien men niet kon vinden.

„Gij zult in het leven blijven, mylord! gij zult in het leven blijven,” herhaalde, voor de sofa geknield, de bode van Anna van Oostenrijk.—„Wat schrijft zij mij!” vroeg Buckingham met flauwe stem, van bloed druipende en om van haar te spreken, die hij beminde, vreeselijke smarten onderdrukkende.... „wat schrijft zij mij? Lees mij haar brief voor.”—„Ach, mylord!” riep la Porte.—„En ziet gij dan niet, la Porte, dat ik geen tijd te verliezen heb?”—La Porte verbrak het zegel en stelde het perkament onder het oog van den hertog; maar Buckingham trachtte vruchteloos het schrift te lezen.—„Lees dan, lees dan!” zeide hij, „ik kan niet meer zien. Lees! want dra zal ik niet meerhooren, en ik zal sterven zonder te weten, wat zij mij heeft geschreven.”

La Porte weigerde niet langer maar las:

„Mylord!Bij hetgeen ik sedert ik u ken door u en voor u lijd, bezweer ik u, indien gij mijn rust liefhebt, de groote krijgstoerustingen, die gij tegenFrankrijkvoorbereidt, af te breken en een oorlog te doen ophouden, van welken men luide zegt, dat de openlijke reden de godsdienst is, terwijl men fluisterend zegt, dat uw liefde voor mij de verborgene drijfveer is. Deze oorlog kan niet alleen voorFrankrijkenEngelandgroote gebeurtenissen ten gevolge hebben, maar tevens op uw hoofd, mylord, rampen halen, over welke ik mij niet zou kunnen troosten. Wees op uw hoede, want uw leven wordt bedreigd, uw leven, dat voor mij van zooveel waarde is, van het oogenblik dat ik niet verplicht ben in u een vijand te zien.Uwe genegene,Anna.”

„Mylord!

Bij hetgeen ik sedert ik u ken door u en voor u lijd, bezweer ik u, indien gij mijn rust liefhebt, de groote krijgstoerustingen, die gij tegenFrankrijkvoorbereidt, af te breken en een oorlog te doen ophouden, van welken men luide zegt, dat de openlijke reden de godsdienst is, terwijl men fluisterend zegt, dat uw liefde voor mij de verborgene drijfveer is. Deze oorlog kan niet alleen voorFrankrijkenEngelandgroote gebeurtenissen ten gevolge hebben, maar tevens op uw hoofd, mylord, rampen halen, over welke ik mij niet zou kunnen troosten. Wees op uw hoede, want uw leven wordt bedreigd, uw leven, dat voor mij van zooveel waarde is, van het oogenblik dat ik niet verplicht ben in u een vijand te zien.

Uwe genegene,Anna.”

Uwe genegene,Anna.”

Buckingham verzamelde al zijn overblijvende levenskrachten om dien brief te kunnen verstaan. Vervolgens, toen hij geëindigd was, en alsof hij er bitter door teleurgesteld was, vroeg hij: „Hebt gij mij dan niets anders te zeggen, la Porte?”—„O, ja, Uwe Excellentie! de koningin heeft mij belast u te zeggen op uw hoede te zijn, want men had haar verwittigd, dat men u wilde vermoorden. Zij heeft mij nog belast u te zeggen, dat zij u steeds beminde.”—„O!” riep Buckingham, „God zij geloofd! mijn dood zal dan voor haar niet die eens vreemdelings zijn.”

La Porte barstte in tranen uit.—„Patrick!” zeide de hertog, „breng mij het kistje, waarin de diamanten haken waren.”

Patrick bracht het gevraagde voorwerp, dat la Porte herkende als aan de koningin te hebben toebehoord.—„Nu de wit satijnen brieventasch, waarop in parelen haar naam is geborduurd.”—Patrick gehoorzaamde opnieuw.—„Ziedaar, la Porte!” zeide Buckingham, „de twee gedachtenissen, die ik van haar bezit: dat zilveren kistje en de twee brieven. Gij zult ze aan de koningin teruggeven, en tot een laatste herinnering (hij zocht naar eenig kostbaar voorwerp in zijn nabijheid) zult gij er bijvoegen.... (hij bleef zoeken, maar zijn door den dood verduisterde oogen ontmoetten niets anders dan het mes, uit Felton’s handen ontglipt, en nog rookende van het purperen bloed, dat het bedekte) en gij zult er dat mes bijvoegen,” zeide de hertog, de hand van la Porte drukkende.

Hij was nog in staat de brieventasch in het kistje neer te leggen en er het mes te laten invallen, terwijl hij la Porte een teeken gaf, dat hij niet meer kon spreken; daarop viel hij in een laatste stuiptrekking, die hij de kracht niet meer had te overwinnen, van de sofa op den grond. Patrick slaakte een luiden kreet.—Buckingham wilde nog eenmaal glimlachen, maar de dood brak zijn laatste gedachte af, die als een laatste afscheid op zijn lippen en zijn voorhoofd bleef ingedrukt.

Op dat oogenblik naderde, geheel ontsteld, de geneesheer, die zich reeds op het admiraalschip bevond, alwaar men verplicht was geweest hem te roepen. Hij naderde den hertog, vatte zijn hand, hield die een oogenblik in de zijne en liet ze weer zinken.—„Alles is tevergeefs!” zeide hij, „hij is dood!”—„Dood! dood!” gilde Patrick.

Op dien kreet liepen allen de zaal binnen, en overal heerschte verslagenheid en verwarring. Zoodra lord de Winter Buckingham dood zag, spoedde hij zich tot Felton, die zoolang door de soldaten op het terras van het paleis was bewaakt geworden.

„Ellendeling!” zeide hij tot den jongeling, die sinds den dood van Buckingham die kalmte en koelbloedigheid had teruggevonden, welke hem niet meer zou verlaten. „Ellendeling! wat hebt gij gedaan?”—„Ikheb mij gewroken,” zeide hij.—„Gij?” zeide de baron, „zeg liever, dat gij het werktuig dier vervloekte vrouw zijt geweest. Maar ik zweer het u, die misdaad zal haar laatste zijn.”—„Ik weet niet wat gij bedoelt,” hernam Felton koel, „en evenmin waarover gij wilt spreken, mylord! ik heb den hertog van Buckingham het leven benomen, omdat hij tot tweemaal, zelfs aan u heeft geweigerd mij tot kapitein te bevorderen; ik heb hem om zijn onrechtvaardigheid gestraft, anders niet.”

Ontsteld beschouwde lord de Winter de lieden, die Felton bonden, niet wetende wat van een dergelijke ongevoeligheid te moeten denken. Iets echter deed het voorhoofd van Felton met een donkere wolk betrekken: bij elken voetstap, dien hij hoorde, meende de onnoozele Puritein den voetstap en de stem van milady te herkennen, die zich in zijn armen kwam werpen om zich zelve te beschuldigen en met hem te sterven. Eensklaps ontroerde hij: zijn oog vestigde zich op een stip in zee, die men van het terras, waarop hij stond, geheel kon overzien; met dien adelaarsblik des zeemans had hij dáár, waar een ander slechts een op de baren dobberende zeemeeuw zou gemeend hebben te zien, het zeil der sloep herkend, die naar de kust vanFrankrijkstevende. Hij verbleekte, bracht de hand aan zijn brekend hart en doorzag het geheele verraad.

„Een laatste gunst,” zeide hij tot den baron.—„Welke?” vroeg deze.—„Hoe laat is het?”—De baron haalde zijn horloge te voorschijn.—„Tien minuten voor negen uur,” zeide hij.

Milady had haar vertrek anderhalf uur bespoedigd; zoodra zij het kanonschot, dat de noodlottige gebeurtenis aankondigde, hoorde, had zij het bevel gegeven om het anker te lichten. Het vaartuig zeilde onder een blauwen hemel, op een grooten afstand der kust.

„God heeft het gewild,” zeide Felton, met de onderwerping eens geestdrijvers, echter zonder zijn oog van dat scheepje af te wenden, aan welks boord hij zeker meende de witte schim te onderscheiden van haar, voor wie zijn leven zou worden opgeofferd.

De Winter volgde zijn blik, bespiedde zijn lijden en raadde alles.—„Weesvooreerst alleengestraft, ellendeling!” zeide de lord tot Felton, die zich, de oogen naar zee gekeerd, liet voortsleepen, „maar ik zweer u bij de gedachtenis mijns broeders, dien ik zoo liefhad, dat uw medeplichtige niet gered is.”

Felton liet het hoofd zinken zonder een enkel woord te spreken.—En lord de Winter, haastig voortgaande, begaf zich naar de haven.

In Frankrijk.

De grootste vrees van den koning van Engeland, Karel I, toen hij den moord vernam, was, dat een zoo vreeselijke tijding de inwoners vanla Rochellezou ontmoedigen; hij trachtte, zegt Richelieu in zijn gedenkschriften, die zoo lang mogelijk verborgen te houden, liet al de havens van het koninkrijk sluiten, nauwkeurig zorg dragende dat geen enkel schip uitzeilde, alvorens het leger, dat Buckingham had gereedgemaakt, zou vertrokken zijn, terwijl hij nu, in plaats van Buckingham, zelf dat vertrek wilde regelen. Hij dreef zelfs de gestrengheid van dat bevel zoo ver, dat hij den ambassadeur vanDenemarken, die zijn afscheid had verzocht, inEngelandterughield, alsook den gewonen Hollandschen afgezant, die de Oost-Indische schepen, welke Karel I aan de Vereenigde Provinciën had teruggegeven, in de haven vanVlissingenmoest brengen.

Maar dewijl hij er niet eer aan had gedacht dit bevel af te kondigen dan vijf uur na de gebeurtenis, namelijk te twee uur des namiddags, hadden reeds twee schepen de haven verlaten; een, zooals wij weten, vervoerde milady, die, reeds het gebeurde vermoedende, in dat vermoeden werd bevestigd in het zien ophijschen der zwarte vlag op het admiraalschip. Wat het tweedevaartuig betreft, wij zullen later zeggen, wien het vervoerde en hoe het vertrok.

Onderwijl was er in het kamp voorla Rochelleniets nieuws voorgevallen. Alleen besloot de koning, die zich zooals gewoonlijk erg verveelde, maar misschien nog iets meer in het kamp dan elders,incognitode feesten van den H. Lodewijk teSaint Germainte gaan bijwonen, en vroeg derhalve den kardinaal, hem een geleide van niet meer dan twintig musketiers te verstrekken. De kardinaal, die zich soms evenveel als de koning verveelde, verleende een verlof aan zijn koninklijken luitenant, die beloofde tegen den vijftienden September terug te zullen zijn.

De heer de Tréville, door Zijne Eminentie gewaarschuwd, maakte zijn bagage in gereedheid, en hoewel de reden van het levendig verlangen en de gebiedende noodzakelijkheid zijner vrienden om naarParijsterug te keeren niet kennende, bestemde hij ze om aan het geleide deel te nemen. De vier jongelieden wisten dat nieuws een kwartieruurs na den heer de Tréville, want zij waren de eersten aan wie hij het mededeelde. Het was toen, dat d’Artagnan de gunst waardeerde, welke de kardinaal hem had geschonken door hem bij de musketiers over te plaatsen. Zonder deze omstandigheid zou hij genoodzaakt zijn geweest in het kamp achter te blijven, terwijl zijn vrienden vertrokken. Het spreekt vanzelf, dat het ongeduld om naarParijsterug te keeren, voortsproot uit de gedachte aan het gevaar, dat juffrouw Bonacieux liep, van in het klooster vanBéthunemilady, haar onverzoenlijke vijandin, aan te treffen. Ook, zooals wij hebben gezegd, had Aramis onmiddellijk aan Marie Michon geschreven, aan die koopvrouw in lijnwaad teTours, die zulke voorname kennissen had, ten einde van de koningin het verlof te verkrijgen, juffrouw Bonacieux het klooster te doen verlaten, om zich naarLotharingenofBelgiëte begeven. Het antwoord was niet achterwege gebleven, en acht of tien dagen later ontving Aramis dezen brief:

„Waarde Neef!Hierbij gaat het verlof mijner zuster, om onze jonge dienstmaagd uit het klooster vanBéthunete halen, dewijl gij denkt dat de lucht aldaar ongezond voor haar is; mijn zuster zendt u die vergunning met veel genoegen, want zij is dat meisje zeer genegen, zich voorbehoudende haar in het vervolg nog van dienst te zijn. Ik omhels u.Marie Michon.”

„Waarde Neef!

Hierbij gaat het verlof mijner zuster, om onze jonge dienstmaagd uit het klooster vanBéthunete halen, dewijl gij denkt dat de lucht aldaar ongezond voor haar is; mijn zuster zendt u die vergunning met veel genoegen, want zij is dat meisje zeer genegen, zich voorbehoudende haar in het vervolg nog van dienst te zijn. Ik omhels u.

Marie Michon.”

Bij dien brief was een bevel van dezen inhoud gevoegd:

„De abdis van het klooster vanBéthunezal aan den persoon, die haar dezen brief zal ter hand stellen, de novice overleveren, die in het klooster op mijn aanbeveling en onder mijn bescherming is opgenomen geworden.In hetLouvre, den 10den Augustus 1628.Anna.”

„De abdis van het klooster vanBéthunezal aan den persoon, die haar dezen brief zal ter hand stellen, de novice overleveren, die in het klooster op mijn aanbeveling en onder mijn bescherming is opgenomen geworden.

In hetLouvre, den 10den Augustus 1628.

Anna.”

Men begrijpt, dat deze bloedverwantschap van Aramis met een linnenkoopvrouw, die de koningin haar zuster noemde, niet weinig den lachlust der jongelieden opwekte; doch Aramis, na een paar malen tot in het wit der oogen gebloosd te hebben door een lompe scherts van Porthos, had zijn vrienden verzocht niet meer op dat onderwerp terug te komen, verklarende dat, indien hierover nog een woord werd gesproken, hij niet meer in die zaak zijn nicht als onderhandelaarster wilde gebruiken.

Bijgevolg werd niet verder gesproken over Marie Michon door de vier musketiers, die nu bereids hadden wat zij begeerden, namelijk: de volmacht, juffrouw Bonacieux het Karmelieten nonnenklooster teBéthunete doen verlaten. Het is waar, dat het bevel hun weinig baatte, zoolang zij in het kamp vóórla Rochellewaren, dat is aan het andere einde van Frankrijk. Ook was d’Artagnan gereed, een verlof aan den heer de Trévillete verzoeken, door hem eenvoudig de noodzakelijkheid van zijn vertrek toe te vertrouwen, toen de tijding hem, zoowel als aan zijn vrienden werd medegedeeld, dat de koning naarParijszou vertrekken met een geleide van twintig musketiers, en zij onder dat geleide begrepen waren. De blijdschap was groot. Men zond de knechts met de bagage vooruit, en men vertrok den 16den des morgens. De kardinaal geleidde Zijne Majesteit vanSurgèrestot aanMauzes, en daar namen de koning en zijn minister van elkander met groote vriendschapsblijken afscheid.

Intusschen bleef de koning, die uitspanning zocht, hoewel zoo snel mogelijk zijn reis voortzettende, daar hij op den 23sten teParijswenschte te zijn, zich bijwijlen ophouden, om op de jacht met de ekster te gaan, een liefhebberij, waarin hem de Luynes, de eerste man van mevrouw de Chevreuse, eertijds vermaak had doen scheppen. Van de twintig musketiers waren er dan zestien, die zeer verheugd waren, wanneer dat vermaak plaats vond, terwijl vier van hen het hartelijk vervloekten. D’Artagnan vooral had bijna een onafgebroken gesuis in de ooren, hetgeen Porthos aldus verklaarde: „Een zeer voorname dame heeft mij beduid, dat zulks is, wanneer over u hier of daar gesproken wordt.” Het geleide ging doorParijsden drie en twintigsten des nachts; de koning bedankte den heer de Tréville en veroorloofde hem zijn musketiers beurtelings een vierdaagschverlofte geven, onder voorwaarde, dat geen zijner begunstigden op een of ander publieke plaats mochten verschijnen, op straffe eener gevangenschap in de Bastille.

De vier eerste verlofpassen waren, zooals men licht kan begrijpen, onzen vrienden toegestaan, en nog meer: Athos verkreeg van den heer de Tréville zes in plaats van vier dagen, en voegde bij die zes dagen nog twee nachten, want zij vertrokken den vier en twintigsten, te vijf uur des avonds, terwijl de heer de Tréville de dagteekening van het verlof stelde op den vijf en twintigsten, des morgens.

„Wel, mijn God!” riep d’Artagnan, die, zooals menweet, nooit aan zijn zaak twijfelde, „het schijnt dat wij te veel omslag maken met iets zeer eenvoudigs; binnen twee dagen, en een paar paarden doodrijdende, ben ik met de hulp van mijn geld teBéthune, ik geef den brief der koningin aan de abdis en breng den kostbaren schat, dien ik ga halen, niet naarLotharingen, niet naarBelgië, maar naarParijs, waar hij het best zal verborgen zijn, vooral gedurende het verblijf van den kardinaal vóórla Rochelle. Vervolgens, eenmaal van dien tocht teruggekeerd, zal het ons, gedeeltelijk door de bescherming harer nicht, anderdeels ter belooning voor hetgeen wij persoonlijk voor haar hebben gedaan, niet moeilijk vallen van de koningin te verkrijgen, wat wij wenschen. Blijft dus hier en vermoeit u niet vruchteloos. Ik en Planchet zijn voldoende voor een zoo eenvoudige boodschap.”

Hierop antwoordde Athos bedaard: „Ook wij hebben geld, want ik heb het overschot van den diamant nog niet verdronken, en Porthos en Aramis hebben het hunne nog niet geheel verteerd. Wij kunnen dus even goed vier paarden als een doodrijden. Maar, wees er op bedacht, d’Artagnan!” voegde hij er bij met een zoo sombere stem, dat haar klank den jongeling een rilling door het lijf joeg: „wees indachtig, datBéthuneeen stad is, waar de kardinaal de vrouw moet aantreffen, die overal, waar zij haar voeten zet, onheil na zich sleept. Indien gij slechts met vier mannen te doen hadt, dan, d’Artagnan! zou ik u laten gaan, doch nu gij met die vrouw hebt te doen, moeten wij met ons vieren gaan, in de hoop dat het Gode believe, dat wij met onze vier knechts talrijk genoeg zijn.”—„Gij beangstigt mij, Athos!” riep d’Artagnan, „wat vreest gij dan toch? mijn God!”—„Alles!” antwoordde Athos.—D’Artagnan raadpleegde de gelaatstrekken zijner vrienden, welke, zooals die van d’Artagnan zelven, den indruk eener hevige onrust vertoonden. Men vervolgde nu de reis in snellen draf en zonder een woord te spreken.

Den vijf en twintigsten des avonds bereikte menArras; terwijl d’Artagnan voor de herbergde goudenEggeafsteeg om een glas wijn te drinken, kwam een ruiter van de binnenplaats, waar hij zijn paard had verwisseld, en reed in vollen draf met zijn versch paard den weg naarParijsop. Op hetzelfde oogenblik dat hij uit de koetspoort de straat opreed, sloeg de wind den mantel open, waarin hij zich had gewikkeld, hoewel men in de maand Augustus was, en nam zijn hoed weg, dien de reiziger echter nog tijdig genoeg vasthield en weder op het hoofd drukte. D’Artagnan, die zijn oogen op dien man had gevestigd, werd zeer bleek en liet zijn glas vallen.

„Wat deert u, mijnheer?” vroeg Planchet. „Hier, heeren! mijn meester bevindt zich niet wel.”

De drie vrienden snelden toe doch kwamen d’Artagnan tegen, terwijl hij zich naar zijn paard spoedde. Zij hielden hem voor de deur staande.—„Wel! waarheen loopt gij, in duivelsnaam?” vroeg Athos.—„Hij is het!” riep d’Artagnan bleek van woede, terwijl het zweet op zijn voorhoofd uitbrak, „hij is het, laat mij hem vervolgen.”—„Maar wie? hij?” vroeg Athos.—„Hij, die man!”—„Welke man?”—„Die vervloekte kerel, mijn kwade geest, dien ik steeds heb ontmoet, wanneer mij een of ander ongeluk bedreigde; hij, dien ik zocht, toen ik onzen vriend Athos uitdaagde; hij, dien ik denzelfden dag heb ontmoet, dat juffrouw Bonacieux is ontvoerd geworden; ik heb hem gezien, hij is het, hij is de man vanMeung! Ik herkende hem, toen de wind zijn mantel opensloeg.”—„Duivelsch!” zeide Athos peinzende.—„Te paard! heeren! te paard! en vervolgen wij hem, wij zullen hem inhalen.”—„Mijn waarde!” zeide Aramis, „bedenk dat hij den tegenovergestelden weg gaat, dien wij gaan; dat hij een versch paard heeft en onze paarden vermoeid zijn; dat wij bijgevolg onze paarden zullen doodrijden, zonder zelfs de kans te hebben hem te bereiken. Laten wij dien man daar, redden wij de vrouw, d’Artagnan!”—„Hei, mijnheer!” riep een stalknecht, den vreemdeling naloopende, „hei, mijnheer! hier heb ik een papiertje, dat uit uw hoed is gevallen. Hei! mijnheer! hei!”—„Mijn vriend!” zeided’Artagnan, „ziedaar een halve pistool; geef mij dat papiertje.”—„Met alle pleizier, mijnheer!”—„Ziedaar.”

De stalknecht, verheugd over den goeden dag, dien hij maakte, keerde naar de binnenplaats der herberg terug. D’Artagnan opende het papier.—„Welnu?” vroegen zijn vrienden, naar hem luisterende.—„Slechts één woord,” zeide d’Artagnan.—„Ja,” zeide Aramis, „en het woord is de naam eener stad.”—„Armentières,” las Porthos. „Armentières?dat ken ik niet.”—„En het schrift is van haar hand!” riep Athos.—„Welaan! bewaren wij dat papiertje zorgvuldig,” zeide d’Artagnan. „Misschien is mijn halve pistool niet voor niets uitgegeven. Te paard, mijn vrienden; te paard!”—En de vrienden draafden spoorslags den weg naarBéthuneop.

Het Karmelieten nonnenklooster te Béthune.

Groote misdadigers bezitten, om zoo te zeggen, een zekere geschiktheid, die hen alle hinderpalen doet te boven komen en hen aan alle gevaren doet ontsnappen, zoolang, tot de Voorzienigheid, hun snoodheid moede, paal en perk stelt aan hun goddeloos geluk.

Het was evenzoo met milady. Zij ontkwam de kruisers der beide natiën en landde teBoulogne, zonder dat eenig ongeval haar had bejegend.

TePortsmouthaankomende, was milady een Engelsche, die de vervolgingen inFrankrijkuitla Rochellehadden gejaagd. TeBoulogneaan wal komende, na twee dagen op zee te zijn geweest, gaf zij zich voor een Fransche uit, die de Engelschen in hun haat tegenFrankrijktePortsmouthverontrust hadden. Milady bezat bovendien het beste paspoort in haar schoonheid en de gulheid met welke zij het geld rondom zich strooide. Van de gewone maatregelen ontslagen door haar bevalligen glimlach en beleefde manieren tegenover eenouden bevelhebber der haven, die haar de handen kuste, bleef zij niet langer teBoulognedan den tijd, die noodig was om den volgenden brief op de post te doen:

„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp voorla Rochelle.Uwe Excellentie kan gerust zijn, Zijne Genade de hertog van Buckingham zal niet naar Frankrijk vertrekken.Milady de ***.Boulogne, 25, des avonds.P.S. Ingevolge de begeerte Uwer Eminentie, begeef ik mij naar het Karmelieten Nonnenklooster teBéthune, waar ik uw bevelen zal wachten.”

„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp voorla Rochelle.

„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp voorla Rochelle.

Uwe Excellentie kan gerust zijn, Zijne Genade de hertog van Buckingham zal niet naar Frankrijk vertrekken.

Milady de ***.

Boulogne, 25, des avonds.

P.S. Ingevolge de begeerte Uwer Eminentie, begeef ik mij naar het Karmelieten Nonnenklooster teBéthune, waar ik uw bevelen zal wachten.”

En inderdaad, milady ging dienzelfden avond op reis. De nacht overviel haar; zij hield stil en ging in een herberg slapen; des morgens te vijf uur vertrok zij weder, zoodat zij drie uren daarnaBéthunebereikte. Zij liet zich het klooster der Karmelieten nonnen aanwijzen en ging er onmiddellijk binnen. De abdis kwam haar tegemoet; milady toonde haar het bevel van den kardinaal; de abdis liet haar een kamer geven en haar een ontbijt voordienen.

Al het verledene was voor de oogen dier vrouw verdwenen, en den blik op de toekomst gevestigd, zag zij nu niet anders dan de schitterende fortuin, die de kardinaal haar toedacht; hij, dien zij zoo gelukkig had gediend, zonder dat zijn naam in het minste in die bloedige zaak was gemengd geworden. De steeds nieuwe hartstochten, die haar verteerden, gaven aan haar leven de gelijkenis dier wolken, welke in het luchtruim drijven, nu eens het azuur, dan het vuur, dan weder de duisternis des orkaans weerkaatsen en geen ander spoor achterlaten dan verwoesting en dood.

Na het ontbijt kwam de abdis haar een bezoek brengen. Er zijn weinig uitspanningen in een klooster, en de goede dame was ongeduldig kennis met haar nieuwe logeerjuffer te maken. Milady wilde de abdis behagen, en zulks was voor die waarlijk met uitstekende geestvermogens begiftigde vrouw in het geheel niet moeilijk. Zij beproefde beminnelijk te zijn, zij was bekoorlijk en misleidde de abdis door haar zoo afwisselend gesprek en de lieftalligheid, die in haar geheele persoon doorstraalde.

De abdis, een adellijke vrouw, hield vooral van die hofgeschiedenissen, welke zoo moeilijk de grenzen eens koninkrijks bereiken, en nog moeilijker de muren van een klooster doordringen, aan welks voet het gedruisch der wereld verstomt. Milady daarentegen was zeer bekend met de menigvuldige aristocratische intrigues, te midden van welke zij gedurende vijf of zes jaren had geleefd; zij ving dan aan met de goede abdis over de wereldsche bedrijven van het Fransche hof te onderhouden, die gepaard gingen aan de buitensporige godsvrucht des konings. Zij verhaalde haar de geheime liefdesavonturen der heeren en dames van het hof, die de abdis zeer goed bij naam kende; raakte even den liefdehandel van Buckingham met de koningin aan en sprak veel, ten einde een weinig te hooren spreken.

Maar de abdis bepaalde zich tot luisteren en tot glimlachen, zonder een woord te spreken. Intusschen, daar milady zag, dat die soort van gesprekken haar zeer vermaakten, ging zij voort, maar nu liet zij het gesprek op den kardinaal neerkomen, doch niet wetende, of de abdis al of niet kardinaalsgezind was, hield zij zich op den juisten middenweg, terwijl de nog voorzichtiger abdis van haar zijde zich niets liet ontvallen, en slechts een diepe buiging met het hoofd maakte, telkens wanneer de vreemdelinge den naam van Zijne Eminentie uitsprak. Milady begon te vreezen, dat zij zich in het klooster verschrikkelijk zou vervelen. Zij besloot dus iets te wagen, om eindelijk te zien waaraan zij zich te houden had; derhalve begon zij, aanvankelijk onderbedekte termen, kwaad van den kardinaal te spreken, vervolgens trad zij meer in bijzonderheden, den liefdehandel van den minister met mevrouw d’Aiguillon, met Marion de Lorme en eenige loszinnige vrouwen verhalende. De abdis luisterde meer aandachtig, werd van lieverlede spraakzamer en glimlachte.

„Ha!” dacht milady, „zij begint in mijn gesprekken behagen te scheppen. Indien zij voor den kardinaal is, dan is zij het althans niet met geestdrift.”

Toen ging zij over tot de vervolgingen door den kardinaal jegens zijn vijanden. De abdis kruiste zich, zonder verder eenige goed- of afkeuring te doen blijken. Dit bevestigde milady in het denkbeeld, dat de geestelijke dochter meer konings- dan kardinaalsgezind was.—Milady ging voort, al meer en meer uitweidende.

„Ik ben in dergelijke zaken zeer onwetend,” zeide eindelijk de abdis.... „maar hoe ver ook van het hof verwijderd en geheel vreemd aan de belangen der wereld, buiten welke wij ons bevinden, hebben wij echter zeer treurige bewijzen voor oogen van de waarheid van datgene, wat gij ons verhaalt, en een zich hier bevindende vrouw heeft veel van de vervolging en de wraak van den kardinaal te lijden gehad.”—„Een vrouw die zich hier bevindt?” zeide milady. „Ach, mijn God! die arme vrouw! hoe beklaag ik haar.”—„En gij doet wel, want zij is waarlijk te beklagen.... Gevangenis, bedreigingen, slechte behandelingen, alles heeft zij ondergaan.... Maar wat er van zij,” hernam de abdis, „de kardinaal heeft misschien gegronde redenen om aldus te handelen; en hoewel zij er als een engel uitziet, kan men niet altijd de lieden naar het uiterlijk beoordeelen.”

„Goed!” dacht milady, „wie weet, ik zal hier misschien iets ontdekken, ik ben goed op weg.”—En zij trachtte aan haar gelaat een uitdrukking van volkomen goedaardigheid te geven.

„Helaas!” zeide milady, „ik weet het, men zegt, dat men door het uiterlijk kan bedrogen worden; maar waaraan moet men anders gelooven, zoo niet aan hetschoonste gewrocht des Hemels! Wat mij betreft, ik zal waarschijnlijk mijn geheele leven door worden bedrogen, maar dat zal mij niet beletten, mijn vertrouwen te schenken aan den persoon, wiens gelaat mij vriendschap inboezemt.”—„Zoudt ge dan veronderstellen, dat die jonge vrouw onschuldig is?”—„De kardinaal straft niet alleen de misdaden,” zeide milady; „er zijn zekere deugden, die hij strenger vervolgt dan sommige misdrijven.”—„Veroorloof mij, mevrouw! u mijn verwondering te betuigen,” zeide de abdis.—„En waarover?” vroeg milady onnoozel.—„Wel, over hetgeen gij zegt.”—„Wat vindt gij hierin dan verwonderlijks?” vroeg milady glimlachende.—„Gij zijt de vriendin des kardinaals, dewijl hij u herwaarts zendt, en echter....”—„En echter spreek ik kwaad van hem?” hernam milady, de gedachte der abdis voleindigende.—„Ten minste spreekt gij geen goed van hem.”—„Het is, omdat ik zijn vriendin niet ben,” zeide zij zuchtende, „maar zijn slachtoffer.”—„Intusschen, die brief, waarin hij u mij aanbeveelt....?”—„Is een bevel, mij in zeker opzicht opgesloten te houden, maar uit welke gevangenis hij mij door een zijner vertrouwden zal doen halen.”—„Maar waarom zijt gij niet gevlucht?”—„Waarheen zou ik gaan? Gelooft gij, dat er een plek op de wereld is, waar de kardinaal mij niet zou kunnen bereiken, indien hij zich de moeite wil geven den arm uit te strekken? Indien ik een man ware, wellicht zou het nog mogelijk zijn; maar voor een vrouw? Wat wilt gij, dat een vrouw zal doen? Heeft die jonge vrouw, welke zich hier bevindt, getracht te vluchten?”—„Neen, dat is waar; maar met haar is het een ander geval; ik geloof, dat zij inFrankrijkdoor een of anderen liefdehandel wordt teruggehouden.”—„Dan,” zeide milady met een zucht, „als zij bemint, is zij ten minste niet geheel ongelukkig.”—„Dus,” zeide de abdis, milady met belangstelling beschouwende, „is het wederom een vervolgde, die ik voor mij zie.”—„Helaas ja,” antwoordde milady.

De abdis beschouwde milady gedurende een oogenblikmet ongerustheid, alsof een nieuwe gedachte in haar ziel oprees.—„Gij zijt immers niet vijandig gezind tegen ons heilig geloof?” vroeg zij stamelend.—„Ik?” riep milady, „ik protestant? O, neen! ik zweer bij God, die mij hoort, dat ik integendeel een vurige Katholieke ben.”—„Wees dan gerust, het huis, waarin gij u bevindt, zal u niet tot een zeer strenge gevangenis strekken en wij zullen alles doen wat mogelijk is, om u uw gevangenschap aangenaam te maken. Wat meer is, gij zult hier die jonge vrouw ontmoeten, welke zeker door een of andere hofintrigue vervolgd wordt; zij is beminnelijk, lieftallig en zal u zeker bevallen.”—„Hoe noemt gij haar?”—„Zij is mij door iemand van zeer hoogen rang aanbevolen geworden onder den naam van Ketty. Ik heb geen poging aangewend, om haar anderen naam te leeren kennen.”—„Ketty?” riep milady; „wat! zijt ge er zeker van?”—„Dat zij zich zoo laat noemen, ja, mevrouw! Zoudt gij haar kennen?”

Milady glimlachte bij het denkbeeld, dat in haar opkwam, dat die jonge vrouw haar gewezen kamenier kon zijn. Er mengde zich bij die herinnering aan dat meisje een herinnering van toorn, en de wraakzucht had de gelaatstrekken van die vrouw met de honderd maskers voor een oogenblik misvormd, maar dadelijk daarop namen ze weer de uitdrukking van kalmte en goedaardigheid aan.

„En wanneer kan ik die jonge vrouw zien, voor welke ik nu reeds zooveel vriendschap gevoel?” vroeg milady.—„Heden avond,” zeide de abdis, „zelfs nog wel in den loop van den dag. Maar, zooals gij mij hebt gezegd, zijt gij reeds sedert vier dagen op reis, en aangezien gij heden ochtend reeds te vijf uur opgestaan zijt, hebt gij rust noodig, ga slapen en rust wel. Tegen het uur van het middagmaal zullen wij u wekken.”

Hoewel milady zeer goed zonder slaap had kunnen blijven, opgewekt als zij was door al het prikkelende, dat een nieuw avontuur aan haar naar intrigues begeerig hart veroorzaakte, gaf zij niettemin gehoor aan den raad der abdis. Sedert twaalf of veertien dagen hadzij zoovele verschillende gewaarwordingen ondervonden, dat, al mocht haar lichaam nog de vermoeienis weerstand bieden, haar ziel nochtans rust noodig had.

Zij nam afscheid van de abdis en begaf zich ter ruste, zachtjes in slaap gewiegd door haar wraakzuchtige denkbeelden, waarop zij natuurlijk was teruggebracht door den naam van Ketty. Zij herinnerde zich die bijna onbegrensde belofte des kardinaals, indien zij in haar onderneming mocht slagen. Zij was geslaagd, derhalve kon zij zich op d’Artagnan wreken.

Een enkele omstandigheid joeg milady schrik aan: het was de herinnering aan haar man, den graaf de la Fère, dien zij gemeend had dood, of althans uitlandig te zijn, en in welken zij Athos, den besten vriend van d’Artagnan, wedervond. Maar zij bedacht ook dat, indien hij de vriend van d’Artagnan was, hij dezen in al zijn handelingen had moeten behulpzaam zijn geweest, waardoor het hem gelukt was de plannen Zijner Eminentie te doen schipbreuk lijden, derhalve was hij, als vriend van d’Artagnan, de vijand van den kardinaal, en des te beter zou het haar gelukken hem in het net harer wraakzucht te verwarren, in hetwelk zij den jongen musketier trachtte te versmoren. De zoete hoop vervulde milady met de aangenaamste droombeelden; door deze gestreeld, viel zij weldra in slaap.

Zij werd gewekt door een zachte stem, die van het voeteinde harer legerstede voortkwam. Zij opende de oogen en ontwaarde de abdis, vergezeld van een jonge vrouw met blond haar en teedere gelaatskleur, die op haar een blik vol goedaardige nieuwsgierigheid wierp. Het aangezicht dezer jonge vrouw was haar volkomen onbekend. Beiden beschouwden elkander met nauwkeurige aandacht, onder het maken der gewone complimenten. Beiden waren schoon, maar schoon van een geheel verschillenden aard. Intusschen glimlachte milady, erkennende dat zij de jonge vrouw verreweg overtrof in voorname houding en edele manieren. Het is waar, dat het gewaad der jonge kloosterzuster niet zeer in haar voordeel was, om een dergelijken wedstrijdaan te gaan. De abdis stelde de een aan de andere voor, vervolgens, toen die plichtplegingen waren afgeloopen, en de abdis zich ter vervulling harer ambtsplichten in de kerk moest begeven, liet zij beide jonge vrouwen alleen. De novice, milady nog te bed ziende, wilde de abdis volgen, maar milady hield haar tegen.

„Hoe, mejuffrouw!” zeide zij tot haar, „nauwelijks heb ik u gezien, en gij wilt mij weder van uw gezelschap berooven, waarop ik trouwens, dat beken ik, reeds eenigszins had gerekend, gedurende den tijd dien ik hier moet blijven?”—„Neen, mevrouw!” antwoordde de novice, „ik vreesde alleen een slecht oogenblik te hebben gekozen. Gij sliept, gij zijt vermoeid.”—„Welnu!” zeide milady, „wat kunnen zij, die slapen, begeeren? een aangenaam ontwaken. Zoodanig ontwaken hebt gij mij geschonken, laat mij het ten volle genieten.”

En haar bij de hand nemende, trok zij haar op een leuningstoel, die nabij het bed stond.—De novice ging zitten.—„Mijn God!” zeide deze, „wat ben ik ongelukkig! Ziedaar zes maanden, dat ik hier ben, zonder eenigen den minsten schijn van uitspanning; gij komt, uw tegenwoordigheid zou voor mij een bekoorlijk gezelschap zijn geweest, en ziedaar, naar alle waarschijnlijkheid sta ik thans op het punt het klooster te verlaten.”—„Hoe?” vroeg milady, „gaat gij het dan zoo spoedig verlaten?”—„Ten minste hoop ik het,” zeide de novice met een uitdrukking van blijdschap, die zij in het minst niet trachtte te verbergen.—„Ik meen gehoord te hebben, dat gij vanwege den kardinaal te lijden hebt gehad?” ging milady voort, „dat is een reden van vriendschap te meer tusschen ons beiden.”—„Hetgeen onze goede abdis mij heeft gezegd, is dan waar, dat ook gij een slachtoffer van den kardinaal waart?”—„Stil!” zeide milady, „spreken wij zelfs hier niet derwijze over hem. Al mijn ongelukken zijn ontstaan, doordien ik bijna hetzelfde, wat gij daar zegt, aan een vrouw zeide, die ik mijn vriendin waande, doch die mij verraden heeft. En ook gij zijt immers het slachtoffer van verraad?”

„Neen,” zeide de jonge vrouw, „maar tengevolge mijner gehechtheid aan een vrouw, die ik liefhad, voor wie ik mijn leven zou hebben gegeven, en het nog zou geven.”—„En die u aan uw lot heeft overgelaten, is het niet zoo?”—„Ik ben onrechtvaardig genoeg geweest zulks te gelooven, maar sedert twee of drie dagen heb ik het bewijs van het tegendeel verkregen, en ik dank er God voor. Het zou mij hard zijn gevallen te weten, dat zij mij vergeten had. Maar,” ging de nieuwelinge voort, „het schijnt alsof gij vrij zijt, en indien gij wildet vluchten, zulks slechts van u zou afhangen.”—„Waar wilt gij dat ik mij begeve, zonder vrienden, zonder geld, in een streek vanFrankrijk, die ik niet ken, waar....”—„O!” riep de jonge kloosterzuster, „wat vrienden betreft, deze zult gij overal vinden, gij schijnt zoo goed te zijn en zoo schoon!”—„Dat belet niet,” hernam milady, haar glimlach verzachtende, als om er een engelachtige uitdrukking aan te geven, „dat ik alleen ben en vervolgd word.”

„Luister,” zeide de jonge vrouw, „men moet op den Hemel al zijn vertrouwen stellen; ziet gij, er komt altijd een oogenblik, dat het goede, wat men heeft gedaan, uw zaak voor God bepleit, en ziedaar, misschien is het voor u een geluk, hoe nietig en onvermogend ik ook ben, dat gij mij hebt ontmoet, want indien ik hier uit geraak, welnu, dan zullen die vermogende vrienden, die ik heb, na zich voor mij in de waagschaal te hebben gesteld, zulks ook voor u doen.”—„Ach, toen ik zeide, dat ik alleen was,” zeide milady, hopende de jonge vrouw tot spreken over te halen, en als tot zich zelve sprekende, „was zulks niet omdat ik geen vermogende vrienden had, maar die vrienden beven voor den kardinaal. Zelfs de koningin durft mij niet tegen dien verschrikkelijken minister beschermen, en ik heb het bewijs, dat Hare Majesteit, ondanks haar goedhartigheid, meer dan eens verplicht is geweest aan de gramschap Zijner Eminentie diegenen over te laten, welke haar gediend hadden.”—„Geloof mij, mevrouw! de koningin kan den schijn hebben haar vrienden aanhun lot over te laten, maar gij moet dien schijn niet gelooven; hoe meer zij worden vervolgd, des te meer denkt de koningin aan hen, en dikwijls op het oogenblik, dat zij meenen dat er het minst aan hen wordt gedacht, ontvangen zij het bewijs van de innigste belangstelling.”—„Helaas!” zeide milady, „ik geloof het gaarne, de koningin is zoo goed!”—„O! kent gij haar dan, die schoone, edele vorstin, dat gij derwijze van haar spreekt?” riep de jonge vrouw met geestdrift.—„Dat is te zeggen,” hernam milady, rechtstreeks in haar verschansingen aangevallen, „ik heb de eer niet haar persoonlijk te kennen, maar ik ken een aantal harer vertrouwde vrienden. Ik ken den heer Putange, ik heb inEngelandden heer Dujart gekend, ik ken den heer de Tréville.”—„Den heer de Tréville?” riep de jonge vrouw, „kent gij den heer de Tréville?”—„Ja, zeker, zelfs zeer goed. Den kapitein van ’s konings musketiers.”—„O! maar straks zult gij zien,” riep de jonge vrouw, „dat wij volkomen kennissen zijn, bijna vriendinnen. Indien gij den heer de Tréville kent, moet gij dikwerf bij hem zijn geweest.”—„Dikwijls,” antwoordde milady, die, eenmaal dien weg hebbende ingeslagen, en ziende dat het liegen haar gelukte, hiermede tot aan het einde wilde volhouden.—„In zijn huis hebt gij eenige zijner musketiers moeten ontmoeten.”—„Allen, die hij gewoonlijk ontvangt,” antwoordde milady, voor wie dat gesprek inderdaad belangrijk begon te worden.—„Noem mij eenigen dergenen, die gij kent, en gij zult zien, dat zij tot mijn vrienden behooren.”—„Maar,” zeide milady verlegen, „ik ken den heer de Louvigny, den heer de Courtivon, den heer de Férussac.”

De jonge vrouw liet haar voleinden, en ziende dat zij ophield, zeide zij: „Kent gij niet zekeren edelman, Athos genaamd?”

Milady werd even bleek als de bedlakens, die haar dekten, en hoeveel zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij echter een uitroep niet bedwingen, terwijl zij dehand greep van haar, die haar toesprak, en welke zij met haar blik verslond.—„Hoe! wat deert u? Ach, mijn God!” vroeg de jonge vrouw, „heb ik dan iets gezegd, dat u beleedigd heeft?”—„Neen, maar die naam heeft mij getroffen, dewijl ook ik dien edelman heb gekend, en het mij vreemd schijnt iemand te vinden, die hem zoo goed kent.”—„O ja, zeer goed, niet alleen hem, maar ook zijn vrienden, de heeren Porthos en Aramis.”—„Waarlijk! ook hen ken ik!” riep milady, die een koude voelde, welke haar hart deed ineenkrimpen.—„Welnu! indien gij hen kent, moet gij weten, dat het dappere en moedige mannen zijn. Waarom richt gij u niet tot hen, wanneer gij hulp behoeft?”—„Dat is, omdat ik niet juist aan hen door vriendschap ben verbonden,” stamelde milady, „ik ken hen door een hunner vrienden, den heer d’Artagnan, over hen te hebben hooren spreken.”—„Kent gij den heer d’Artagnan?” riep de jonge vrouw, op haar beurt de handen van milady vattende en haar met haar oogen verslindende, en vervolgens de zonderlinge uitdrukking van milady bemerkende, zeide zij: „Vergeef mij, mevrouw! maar in welke hoedanigheid kent gij hem?”—„Wel,” hernam milady verlegen, „wel, in de hoedanigheid van vriend.”—„Gij bedriegt mij, mevrouw!” hernam de jonge vrouw; „gij zijt zijn minnares geweest!”—„Neen, gij zijt het geweest, mejuffrouw!” zeide milady op haar beurt.—„Ik!” riep de jonge vrouw.—„Ja, gij! nu ken ik u, gij zijt juffrouw Bonacieux!” De jonge vrouw trad vol verbazing en verschrikt achteruit.—„O, ontken niet,” hernam, milady.—„Welnu! ja, mevrouw! ik bemin hem,” zeide de jonge vrouw. „Zijn wij medeminnaressen?”

In den blik van milady blonk een zoo woest vuur, dat in elke andere omstandigheid juffrouw Bonacieux van ontzetting zou gevlucht zijn, maar nu was zij geheel vervuld van jaloezie.—„Komaan! spreek, mevrouw!” hernam juffrouw Bonacieux met een geestkracht, waarvoor men haar onbekwaam zou hebben geacht, „zijt gij zijn minnares geweest?”—„O, neen!” riepmilady op een toon, die geen twijfel omtrent de waarheid liet blijven, „nooit! nooit!”—„Ik geloof u,” zeide juffrouw Bonacieux, „maar waartoe dan dien uitroep?”—„Hoe! begrijpt gij niet!” zeide milady, die reeds van haar verwarring was hersteld en haar volkomen tegenwoordigheid van geest terug had gekregen.—„Hoe wilt gij dat ik begrijpe; ik weet niets.”—„Begrijpt gij dan niet, dat de heer d’Artagnan, mijn vriend zijnde, mij tot zijn vertrouwelinge heeft gekozen?”—„Inderdaad?”—„Begrijpt gij dan niet, dat mij alles bekend is? uw ontvoering uit het huis vanSaint Germain, zijn wanhoop, die zijner vrienden, hun nazoekingen vanaf dat oogenblik. En hoe wilt gij, dat ik mij niet verwonder, wanneer ik mij, zonder het te weten, in gezelschap bevind van haar, over wie wij zoo dikwijls hebben gesproken; van u, die hij met al de kracht zijner ziel bemint, van u, die hij mij heeft doen beminnen alvorens u gezien te hebben. Ach, eindelijk vind, eindelijk zie ik u dan?”—En milady breidde haar armen voor juffrouw Bonacieux uit, die, overtuigd van hetgeen zij haar had gezegd, niets anders meer in die vrouw, welke zij een oogenblik te voren meende een medeminnares te zijn, dan een oprechte en trouwe vriendin zag.—„Ach, vergeef mij! vergeef mij!” riep zij, in haar armen vallende; „ik bemin hem zoo innig!”

Beide vrouwen bleven een oogenblik in elkanders armen. Trouwens, indien de krachten van milady haar haat hadden geëvenaard, dan zou juffrouw Bonacieux niet dan levenloos uit die omhelzing zijn gekomen. Doch haar niet kunnende verstikken, glimlachte zij haar toe.

„O! lieve, zoete kleine!” zeide milady, „wat ben ik blijde u te zien, laat mij u beschouwen.” En deze woorden zeggende, verslond zij haar werkelijk met haar blik. „Ja, gij zijt het wel. O! naar hetgeen hij mij heeft gezegd, herken ik u nu, ik herken u volkomen.”—De arme jonge vrouw kon onmogelijk weten, wat er wreedaardigs achter dat reine voorhoofd verscholen was, achter die opene oogen, waarin zij niets anders danbelangstellend medelijden las.—„Dan weet gij, wat ik heb geleden,” zeide juffrouw Bonacieux, „daar hij u heeft gezegd, wat ik leed. Maar voor hem te lijden is een zaligheid.”

Milady herhaalde werktuigelijk: „Ja, dat is een zaligheid.”—Zij dacht aan iets anders.

„Maar nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „is mijn lijden haast ten einde: morgen, misschien heden avond zal ik hem wederzien, en dan zal het verledene niet bestaan.”—„Heden avond? morgen?” riep milady, door die woorden uit haar gepeins gewekt.... „Wat wilt gij zeggen? wacht gij tijding van hem?”—„Ik wacht hem in persoon.”—„Hem zelven! D’Artagnan hier?”—„Hem zelven!”—„Maar dat is niet mogelijk! hij is bij het beleg vanla Rochellemet den kardinaal en zal eerst na de inneming der stad naarParijsterugkeeren.”—„Gij gelooft dat, maar is er iets ondoenlijks voor mijn d’Artagnan, dien edelen, trouwen edelman! Welnu, lees dan!” zeide de ongelukkige vrouw, in de opgewondenheid van haar hoogmoed en blijdschap milady een brief vertoonende.

„Het schrift van mevrouw de Chevreuse,” zeide milady bij zich zelve. „O! ik was wel zeker, dat zij van die zijde verstandhouding hielden.”—En zij las gretig deze weinige regels:


Back to IndexNext