The Project Gutenberg eBook ofDe Edda

The Project Gutenberg eBook ofDe EddaThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De EddaAdapter: Frans BerdingRelease date: July 5, 2004 [eBook #12822]Most recently updated: December 15, 2020Language: DutchCredits: Produced by Solar Korenwolf en Jeroen Hellingman*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE EDDA ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De EddaAdapter: Frans BerdingRelease date: July 5, 2004 [eBook #12822]Most recently updated: December 15, 2020Language: DutchCredits: Produced by Solar Korenwolf en Jeroen Hellingman

Title: De Edda

Adapter: Frans Berding

Adapter: Frans Berding

Release date: July 5, 2004 [eBook #12822]Most recently updated: December 15, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by Solar Korenwolf en Jeroen Hellingman

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE EDDA ***

Produced by Solar Korenwolf en Jeroen Hellingman

De Edda

Nederlandsche bewerking van

Frans Berding

Inhoudsopgave

GodenliederenDe Zending van SkirnirHoe Dagdrager Goudvreugde verwierfHoe Thonarr zijn hamer terug kreegDwerg Weetal wil vrijenDe Roof van den RegendrankGodentwistVermomde en RoodspeerHymirs KetelHet Feest bij EgirWodan bij de WaarzegsterHet VóórspelliedBillings DochterWodan bij StormsterkDe Wereldzang der WichelaresEen Lied voor HerlevingWodans RunenliedHoe de Standen ontstondenHeldensagenDe WelandsageHelgi, Zwaardwachts zoonHelgi, die Honding dooddeDe SiegfriedsageGoedroenOrtroens klachtDe Zang bij den molenWerklaring van Werk en Inhoud

De Zending van Skirnir

Freyer, de zoon van Njord, zat in zijn hooggelegen lichtpaleis, en zag over alle werelden heen. Hij zag neer op Vratenland, waar de ruige reuzen van den winter wonen, en zag er een mooi meisje, dat juist uit het huis van haar vader naar het verblijf van de vrouwen ging. Toen werd hij plotseling zeer ziek in zijn ziel.

Skirnir, de drager van het licht, was Freyer's trouwe dienaar. Hem vroeg Njord, dat hij met Freyer spreken zou. Toen zeide Skadi, de vrouw van Njord:

—"Skirnir, ga heen, en tracht van onzen zoon te hooren wat hem hindert, vraag hem waarom hij zoo stom en zoo star staart."

Toen ging Skirnir naar Freyer. Hij wilde van hem weten, waarom hij alle de dagen zoo eenzaam zat in de lange zaal van zijn zonnezilveren huis.

En Freyer vertelde hem het niet te lenigen leed van zijn hart:

—"Wel straalt het alfenrad licht door de donkere dagen, maar het lange verlangen van mijn liefde laat het leeg. In het verblijf van den winterreus Gymir heb ik een meisje gezien:—haar blanke armen gaven een glans aan golven en wolken als van schitterende sneeuw. Meer dan ooit een man een meisje beminde heb ik haar lief. Maar geen van de geesten gunt ons bij elkander te komen."

Toen stormde Skirnir op Freyers rennende ros, en met zijn stralende zwaard gewapend, door den rossigen nevel van den eindigenden nacht. Hij stormde naar het land van de reuzen en kwam voor Gymirs verblijf. Daar waren woedende honden gebonden voor de opening van het houten hek, dat Gerda's zaal omgaf. Skirnir reed naar den heuvel, waar de wachter zat, die alle wegen bewaakte en op de honden paste. Hij vroeg hem, of hij bij Gerda binnenkomen kon,—maar de wachter weerde hem af. Gerda echter, die door Skirnirs razenden ren, waar de aarde en alle gebouwen van beefden, en door de stemmen der twistenden in haar rust was gestoord, liet Skirnir bij zich komen en bood hem een gastvrijen dronk.

Elf gouden appels wilde Skirnir haar geven, en den negenvoudigen, gouden ring, dien Wodan op den brandstapel van Balder wierp, als zij Freyer meer dan alle mannen wilde beminnen. Met de scherpe snede van zijn zonnestraal-zwaard zou hij haar het hoofd afhouwen, wanneer ze niet gewillig was. Maar Gerda wilde de elf gouden appels voor de liefde van een man niet nemen, en in den grond van Gymir had zij goud genoeg. Voor Skirnirs bedreiging beefde zij niet.

Toen zeide haar Skirnir:

—"Zet u neder, en hoor wat jammer en smarten en winterwee ik zal noemen. De woede van Wodan zal u omvatten en hevig zal de haat van Freyer zijn. Met den tooverdoorn zal ik u treffen, die groeide in het wilde woud: gij zult verstard zijn en verstijfd, en geen oog zal u aanschouwen. Met driekoppige draken zult gij samenleven, altijd gedrukt onder de droefheid zijn. Verdor als de distel in de woning van de winterreuzen,—vreugde zij u vreemd.

Hoort het, Vraten, gij winterreuzen, hoort, zonen van Zwelger, gezellen van goden, hoort hoe ik gemeenschap met mannen en ieder beminnen van dit meisje verban. IJsgrim, den reus, zal ze volgen als vrouw naar de poort van de dooden. Drie runen sneed ik in drie berketakken; onmacht, woede en ongeduld;—zooals ik ze insneed, snijd ik ze af, wanneer het mij goeddunkt."

Luide riep toen Gerda:

—"Heil u, zoon van helden. Neem den ijskelk die van liefdedrank vol is. Nooit dacht ik te dulden, dat een van de Wanen mij werven kwam. Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer."

Toen reed Skirnir heen. Buiten voor zijn woning stond wachtend de zoon van Njord, en van verre riep hij Skirnir al aan, vol ongeduld om de tijding te weten:

—"Skirnir, hoor, Skirnir. Neem niet het zadel eerst van het paard af,—wat hebt gij bereikt in het land van de reuzen met wat wij beraamden?"

Hem antwoordde Skirnir:

—"Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer."

Toen zeide Freyer:

—"Lang is de nacht, lang zijn twee nachten, dringend de drang naar den derde. Zoo dikwijls dacht ik een maand nog minder lang dan, wachtend, verlangend, een halve nacht is."

Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf

Wodan, de Veelwijze, zat als wachter voor den lichtburcht in het hooge Noorden, waar Goudvreugde de gevangene van den winter was.

Een hoog en stevig gestapelde omgording van ijs, die Dondergeschal heet, staat rondom den burcht,—een vlammende gloed van doodsvuren, door Wodan uit de ledematen van den Ruischreus gebrand, laait er rondom. Ze zijn sterk genoeg om stand te houden zoo lang de wereld staat. En om beurten houden Gierig en Gulzig, de wilde honden, de wacht tot de goden vergaan zijn.

Eens had een vreemdeling den brandgloed doorbroken en naderde den burcht, waar bedelaars niet lang blijven kunnen. Maar deze liet zich door Wodan niet weren. Want zijn oogen hadden iets schoons gezien, en zoet scheen het hem toe te mogen toeven in de gouden zaal.

Koeltewind noemde hij zich, toen de wachter zijn naam vroeg: Lentekoud en Strengkoud waren zijn voorvaderen. Hij wenschte wel te kunnen binnengaan in de zaal, waar het mooie meisje Goudvreugde woonde, die de dochter was van Slaapdoorn's zoon. En hij vroeg aan den wachter of er geen kost was voor de nimmer slapende honden, waardoor ze, vretend, vergaten hun wacht.

Veelwijze sprak toen:

—"Op Mimirs hoogen boom, die een dak van wolkig loof breidt over heel de wereld, woont Weerhaan in schitterenden schijn. Beide zijn wieken als gebraden bouten zouden een kost zijn, waardoor de honden, vretend, vergaten hun wacht."

Toen vroeg hem Koeltewind of er geen wapen was, waarmede hij Weerhaan naar het land van Hel kon zenden.

Veelwijze antwoordde:

—"Treftwijg is het wapen, dat Weerhaan kan dooden. Bij Sinmara diep onder de harde aarde ligt het gesloten achter een negenvoudig slot."

Koeltewind wilde nu weten, of wie er heen ging om die roede te rooven, ontkomen kon;—en welke gave Sinmara vroeg als geschenk.

—"Wel kan ontkomen," kreeg hij ten antwoord, "wie erheen gaat om de roede te rooven, als hij de leemgele Aardevrouw geeft wat weinige winnen. In Weerhaans vleugel is een zon-gouden veder. Wie haar die meebrengt als een geschenk, wil zij het wapen zeker geven."

Vol verlangen keek Koeltewind naar Goudvreugdes slot: aan alle zijden was het van vloeiende vlammen omslingerd.

—"Veelwijze," vroeg hij, "noem mij den naam van het slot, dat van vlammen is omslingerd."

—"Vuur," sprak Veelwijze, "is de naam: het zweeft op de stralen als de schitterende spits op een speer: van het heerlijke huis kan men op aarde slechts hooren: verblindend blinkt het voor het oog."

Toen wilde Koeltewind nog meer weten: hoe de berg heet, door de bruid bewoond,—en de namen van de dienende maagden,—en of ze hulpe bieden aan wien er om bidt.

Veelwijze verhaalde:

—"Wie den Kuifberg beklimt en goed den winter doorworstelt, wordt genezen van allen nood. Schutse en Schild en Volkenbeschermster noemt men de maagden, Zachte en Goede, Zilveren en Glans. Wie in den zomer op gewijde plaatsen bede-offers aan haar brengt,—geen ramp is zoo verschrikkelijk of zij zullen hem er van bevrijden."

Koeltewind zag weer verlangend naar Goudvreugdes woning en vroeg weer:

—"Veelwijze, wil mij nog zeggen: is er een man, die aan Goudvreugdes blanken boezem mag rusten?"

En dit was het antwoord:

—"Geen man mag aan Goudvreugdes blanken boezem rusten als Dagdrager alleen: lang reeds verbeidt zij haar bruidegom.

Toen sprak de vreemdeling:

—"Rukt open de deuren,—wijd open de poort! Dagdrager is gekomen. Ga, ik wil weten of Goudvreugde verlangende is naar mijn liefde."

Veelwijze ging naar binnen en zeide:

—"Goudvreugde, een man is gekomen, zie zelf den gast. De honden likken zijn handen, wagenwijd open vloog de poort. Mij dunkt dat Dagdrager er is."

Goudvreugde stond op en zeide:

—"Aan de galg zullen gulzige gieren uitpikken beide uw oogen, als ge het liegt, dat de lang verwachte mijn zaal bezoekt."

Toen ging zij naar buiten en vroeg aan den vreemde:

—"Vanwaar zijt ge gekomen? Langs welken weg? Hoe noemt men u bij de uwen? Uw naam en uw afkomst zullen mij zeggen, of voor u ik bestemd ben als bruid."

Ten antwoord sprak de vreemde:

—"Dagdrager ben ik. Langs windkoude wegen kwam Zonneberts zoon. DerNorne beschikking kan ook met listen niemand ontloopen."

Goudvreugde weende: "Heil, mijn liefde, wees welkom, ik kus u ten groet. Vervulling vond mijn verlangen. Zoolang al zat ik op den lichten berg, dag na dag, kwijnend van kommer, waar de bruidegom bleef. Nu zijt gij bij mij, kwaamt in mijn woning, o, leven van liefde, onverwacht weerzien, gouden geluk."

En Dagdrager lachend:

—"Mij martelde zoo lang het verlangen naar uw liefde als u martelde het verlangen naar mij. Nu is het beslist; wij zullen eeuwig te zamen blijven."

Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg

Thonarr, den Dondergod, doorvlamde de toorn, toen hij uit zijn winterslaap ontwaakte en zijn hamer niet vond. Woedend schudde hij zijn woeste haren en waaienden baard, en hij ging aan het zoeken.

Toen was zijn allereerste woord:

—"Loge, luister, u alleen wil ik het zeggen; op aarde en in den hemel mag niemand het hooren: mijn hamer is weg."

Naar Freya's woning gingen zij samen. Daar was zijn allereerste woord:

—"Freya, zoudt gij mij uw vederenkleed kunnen leenen,—dan ga ik mijn hamer halen."

Freya antwoordde:

—"Dat wil ik u heel graag geven, al was het van goud,—ik zou het u leenen, al was het van zilver."

Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid vanAsengaarde tot hij in het Rijk van de Reuzen kwam.

Daar zat op een heuvel Thrym, die de vorst van de Dorstigen is. Honden hield hij aan gouden halsbanden, die blonken als de lichte randen om de wolken, en van zijn merries streek hij de manen glad, die fladderden als grauwe nevelflarden in den wind.

Toen hij Loge zag, vroeg hij hem, hoe het met de Asen en met de Alfen ging, en waarom hij zoo alleen naar Reuzenland kwam. Loge antwoordde, dat het den Asen slecht ging en den Alfen ook, en dat hij gekomen was om te vragen, of Thrym het wapen verborgen had van den God, die bliksems slingert.

Daarop zeide Thrym:

—"Goed verborgen houd ik het wapen van den God, die bliksems slingert, zoo diep onder de aarde als in den tijd gemeten acht maanden van den winter zijn. En niemand zal het mij daar ontnemen, tenzij Freya mij gebracht werd als bruid."

Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van het Rijk der Reuzen tot hij in Asengaarde kwam.

Daar stond Thonarr in den voorhof, en toen hij hem komen zag, was zijn allereerste woord:

—"Zeg, Loge, volbracht gij uw taak even voorspoedig als uw tocht? Vertel mij alles van verre: wie zit verzuimt soms iets te zeggen, en leugens verzint men als men ligt."

En Loge verhaalde, dat hij zijn taak even voorspoedig volbracht had als zijn tocht: dat Thrym, der Dorstigen vorst, den hamer had, maar dat niemand hem dien zou ontnemen, tenzij Freya hem gebracht werd als bruid.

Weer gingen zij samen naar Freya's woning. Daar was zijn allereerste woord:

—"Bruidslinnen, o Freya, zult gij om de leden u hangen: samen reizen wij dan naar het land van de Reuzen."

Maar Freya werd zoo woedend, dat onder haar toorn de burcht der Goden stond te beven, en dat haar halssieraad van gevlochten goud in stukken vloog.

En ze sprak:

—"Gek wel moest ik zijn op mannen, als ik meeging naar het Rijk der Reuzen."

Nu gingen de Goden en Godinnen allen te zamen in beraad, hoe men den Dondergod toch weer aan zijn hamer kon helpen. Het eerste sprak Helderwit, die de glanzendste van alle Goden is, en, wijs als een Wane, de toekomst kan zien. En hij zeide:

—"Bruidslinnen zullen wij Thonarr om de leden hangen, hem tooien met het halssieraad van gevlochten goud, en aan zijn zijde laten wij een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolve zijn knie, zijn borst bedekken schitterende steenen en sierlijk zij hem het hoofd gekroond."

Thonarr sprak, de sterkste der goden:

—"Verwijfd zullen de goden mij vinden en uitlachen mijn lafheid, als bruidslinnen mij om de leden hangt." Maar Loge antwoordde hem, dat het nu de tijd niet was om zulke dingen te zeggen, en dat de reuzen Asgard ras bestormen zouden, als hij niet spoedig zijn hamer had.

De Goden hingen nu Thonarr bruidslinnen om de leden, tooiden hem met het halssieraad van gevlochten goud en lieten aan zijn zijde een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolfde zijn knie, zijn borst bedekten schitterende steenen en sierlijk werd hem het hoofd gekroond.

Slimme Loge wilde als dienares met hem mee, en te zamen met hem naarReuzenland reizen.

Vlug werden de bokken naar huis gehaald en voor den wagen gespannen, ijlings renden ze heen.

Rotsen spleten, vonken spatten op den weg, dien Wodans zoon naarReuzenland nam.

Toen Thrym hem daar van verre zag aankomen, riep hij luide:

—"Reuzen staat op, en rangschikt de zetels: Freya brengt men mij tot vrouw. Drijft naar huis mij de koeien, die zwart zijn als wolken en wier hoornen lichten als goud: vele schatten bezit ik, alleen ontbrak mij nog Freya als bruid."

Het was nog vroeg in den avond, toen de gasten bijeen kwamen. Ook kwam er de oude wintergrauwe zuster van den Reus. Die bedelde een bruidsgeschenk:

—"Geef mij de graangouden ringen, die glinsteren aan uwe handen, als gij mijn liefde en gunsten verwerven wilt."

Veel schuimend bier werd er op het feest geschonken. Thonarr alleen at een os en acht zalmen, en alle koeken, die men klaar gezet had voor de vrouwen, en hij dronk drie emmers mede leeg, hij alleen.

Thrym vond dat vreemd, en hij zeide:

—"Nog nooit heb ik een bruid zoo gulzig gezien, en geen meisje ooit zooveel mede zien drinken."

Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:

"Acht nachten lang gunde Freya zich geen eten: zóó hunkerde haar hart naar Reuzenland."

Thrym, die zijn bruid wilde kussen, lichtte nu verlangend haar sluier op. Bijna stoof hij van ontsteltenis de zaal uit en zeide:

—"Wat vreeselijk flikkeren Freya's oogen! Als bliksem brandt haar blik!"

Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:

—"Acht nachten lang heeft Freya's oog geen slaap gesloten: zoo hunkerde haar hart naar Reuzenland!"

Toen stond Thrym op, der Dorstigen vorst, en sprak:

—"Brengt mij den hamer om de bruid te wijden, legt Mjölnir in den schoot van de maagd: dat een onverbreekbaar verbond ons verbinde."

Wat lachte van vreugde Thonarrs sterke hart, toen hij zijn bliksemhamer herkende!

Thrym trof hij het eerst, daarna versloeg hij gansch het geslacht der Reuzen, heel de bende beukte hij neer.

En ook de wintergrauwe Reuzenzuster, die om een bruidsgeschenk gebedeld had, werd door den moker vermorzeld: van Mjölnir kreeg ze mooie munten—graan-gouden ringen gaf haar de hamer.

Zoo kreeg Thonarr zijn hamer terug.

Dwerg Weetal wil vrijen

Toen Thonarr eens uitgereden was naar het Oosten en den zomer medegenomen had op zijn tocht, was zijn dochter, het vruchtbare zaad, alleen achtergebleven in de macht van de krachten, welke onder de aarde wonen, en een van de dwergen had zich met haar verloofd. De goden hadden dit goed gevonden, want geen van allen had zich om haar bekommerd, acht maanden lang.

Zoodra Thonarr terugkwam van zijn reis ging de dwerg naar diens woning om zijn bruid te halen. De banken in zijn steenige aardehuis had hij laten versieren met mos en jonge sprietjes, opdat er een aangename rustplaats voor zijn bruid zou zijn.

Thonarr echter zeide hem:

—"Wie ben je, bleeke kerel, heb je vannacht naast lijken gelegen? Mij dunkt, dat er iets van reuzenruwheid steekt in je ziel. Hoor eens, jij bent voor die bruid niet geboren."

Dat viel den dwerg lang niet mee. Hij had gedacht, dat niemand zich verzetten zou tegen wat de goden toch hadden goed gevonden, en nu stootte hij op de stugheid van den vader, die hem geen toestemming wilde geven,—en het meisje nog veel minder.

Hij zeide:

—"Weetal ben ik,—in het gesteente staat mijn huis,—door negen werelden ben ik gewandeld—wat verborgen was werd mij bekend,—kom, schenk mij uw sneeuwschoone dochter."

Toen sprak Thonarr:

—"Welnu, Weetal, ge kunt haar winnen, als ge mij zeggen zult wat uit iedere wereld ik wensch te weten."

Daarover was Weetal zeer verheugd. Vol vertrouwen op zijn sluwheid wreef hij zich de handen, ongeduldig verwachtend wat Thonarr wel vragen zou.

—"Zeg mij," sprak deze,—"o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld de aarde genoemd?"

Weetal antwoordde hem:

—"Aarde bij de menschen, bij Asen veld, weg noemen haar de Wanen. De Reuzen zeggen: immergroen, Alfen: begroeide, omlaag-wonende dwergen spreken van slijk."

Ten tweede vroeg Thonarr:

—"Zeg mij, Weetal,—o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld de hemel genoemd?"

En Weetal zeide:

—"Hemel bij menschen, bij goden beschutting, windwever zeggen de Wanen. Van hoogwereld spreken de Reuzen, van glinsterdak Alfen, dwergen van druip-zaal."

Toen vroeg hem weer Thonarr:

—"Zeg mij, Weetal—o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld de maan genoemd?"

En Weetal gaf ten antwoord:

—"Maan bij menschen, goedlicht bij goden, in Hel rollend rad, renner bij Reuzen, jaarmaat bij Alfen, wij, dwergen, zeggen maar: schijn."

Weetal was zeer tevreden over alle antwoorden, die hij gaf. Heimelijk verheugde hij zich, dat hij den sterken God zoo te pakken had, en reeds dacht hij diens dochter bij zich in het gesteente thuis.

Maar Thonarr was met zijn vragen nog niet klaar. Ook van de zon wilde hij weten, hoe ze genoemd werd in iedere wereld, van wolken en wind. En naar de namen van de zee en van het zaad en van het vuur vroeg hij den dwerg.

Toen hij hem al deze dingen had gevraagd, en Weetal op alles had geantwoord, vol ijver en vreugde, en verwaand op zijn wijsheid, keek Thonarr tersluiks naar het Oosten, toen weer naar den dwerg.

In het Oosten was het nog donker—en Weetals gezicht grijnsde van genot.

Toen ging Thonarr weer verder met vragen:

—"Zeg mij, Weetal—o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen,—met welken naam wordt in iedere wereld de luwte genoemd?"

En Weetal antwoordde:

—"Luwte bij menschen, bij goden rust, windstilte noemen haar Wanen, zoelte de Reuzen, de Alfen sluimer, dwergen: kalme-dag."

Toen Thonarr weer:

—"Zeg mij, Weetal,—o, ik twijfel niet, of ge zult het mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld de nacht genoemd."

En Weetal:

—"Bij menschen nacht en nevel bij goden, masker bij wijze Wanen, lichtloos noemen de Reuzen hem, slaaplust de Alfen, wij, dwergen: wever van droomen."

Thonarr keek weer naar het Oosten, waar nu een lage lichtstreep lag. En glunder gluurde de dwerg of zijn bruid niet gebracht werd.

Nogmaals vroeg Thonarr:

—"Zeg mij, Weetal,—o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld het woud genoemd?"

—"Woud bij de menschen, manen des velds bij de goden, Hel noemt het heuvelriet, Reuzen noemen het brandstof, hout heet het bij Wanen, en Alfen spreken van siertuin."

Weer keek Thonarr naar het Oosten—er kwam al blanke glans—en de bleeke dwerg wachtte op verdere vragen.

Toen sprak Thonarr:

—"Zeg mij nu nog,—o, ik twijfel niet of ook dat zult gij mij zeggen—met welken naam wordt in iedere wereld het bier genoemd?"

—"Bier," sprak Weetal, "zeggen de menschen, brouwsel de goden, Wanen: roes. Reuzen noemen het klaarnat, de Dorstigen: dronk, in Hella noemt men het mede."

Toen schoot over den heuvel ten Oosten de eerste zonnestraal, die dwergen versteenen doet.

En Thonarr lachte, lachte, dat zijn baard er van beefde:—"Wondere wijsheid heeft je mond mij verkondigd,—meer kennis ontmoette ik nooit. Domme dwerg, dien mijn list misleidde, kijk, daar straalt de zon, verstard stuk steen."

De Roof van den Regendrank

Wodan was eens uit Walhalla weggegaan om den verjongenden drank van den lenteregen weer terug te halen, dien de Reuzen hem ontstolen hadden en in den harden winterbodem hielden verborgen.

Lang reeds hadden de goden uitgekeken, of Wodan nog niet wederkeerde, tot eindelijk een vogel hun heilige hallen binnenvloog. De vogel gaf hun overvloedigen drank en de goden verheugden zich zeer. Want het was Wodan zelf, die zoo tot hen teruggekomen was. Toen verhaalde hun Wodan:

—"Daar ben ik dan terug van den berg der Reuzen. Heel wat woorden werden er gewisseld in de zaal van den ouden Drinker. Want zwijgen zou in het geheel niet helpen. Doorbek, de slang, liet ik door den berg knagen: zelf kroop ik toen door het gat. Ik dacht leven en lijf te zullen verliezen, want boven en beneden was de berg van Vratenholen vol.

Nooit zou ik ook uit het rijk van de Reuzen ontkomen zijn, als de aardevrouw Strijdvreugde niet goed voor mij was geweest, en als zij haar armen niet om mijn hals had geslagen.

Want wij zaten beiden op een gouden zetel, en zij gaf mij te drinken haar kostelijken drank. Spoedig vloog de vogel Vergeten door de zaal;—ook mijn verstand ging fladderen, en ik werd zoo licht als een wolkenvogel. Toen heb ik heel het vat leeggedronken—dat was mijn vergelding voor Strijd vreugde's gunst.

Zoo had ik vreugde bij het drinken. Zoo haalde ik de vreugde tegelijk met den drank naar huis."

Godentwist

In den tijd van de zomeronweders, toen Thonarr van zijn reis naar het Oosten wederkeerde, kwam hij voor een heel breed water. Aan den anderen oever stond een veerman met een schip. Thonarr riep tot deze:

—"Wat voor een kerel is die kerel aan den anderen kant van het water?"

De veerman, die hem hoorde schreeuwen, riep tot hem terug:

—"Wat voor een man is die man, die zoo verschrikkelijk schreeuwt?"

De veerman droeg een mantel, die zoo blauw was als de hemel. Hij had slechts één oog, maar dat eene oog was zoo licht als de zon. Want de veerman was Wodan. Hij noemde zich echter niet Wodan, maar Haarbaard, om den langen baard, dien hij droeg, en die hem omsluierde, zooals regenwolken de zon omsluieren en den helderen hemel.

Thonarr zag er uit als een boef, en Haarbaard sprak tot hem:

—"Ik geloof, dat gij geen drie dingen bezit;—beware! ge hebt niet eens een broek aan."

Maar Thonarr wilde, dat de veerman hem over het water zou halen, en hij vroeg hem, wien het schip behoorde, waarop hij voer.

—"Strijdwolf," sprak Haarbaard, "heeft mij dat schip gegeven. Maar boeven en dieven mag ik niet overbrengen,—alleen eerlijke lieden. Noem mij ten minste je naam, als je met mij wilt varen."

Toen noemde Thonarr zijn naam. Hij vertelde, dat hij de zoon van Wodan was en de vader van Macht, en dat hij reus Berggevaarte gedood had. En hij vroeg aan Haarbaard wat deze had gedaan.

—"Vijf volle winters," sprak Haarbaard, "was ik op een eiland, dat Altijdgroen heet. Daar heb ik met vijanden gevochten, maar veel meer nog met meisjes gestoeid. Dat waren vroolijke vrouwen, en door list werd ik haar aller verleider. Bij zeven zusters heb ik geslapen: zij behoorden mij met lichaam en ziel. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

—"Thiassi, den sterken stormreus," antwoordde Thonarr, "heb ik verslagen. Zijn oogen slingerde ik als sterren tegen den hemel. Daar zijn ze een bewijs van mijn werk, dat alle menschen vermogen te zien. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

Deze vertelde:

—"Vrouwelijke ruiters, die reden door den nacht, wist ik listig tot liefde te verlokken. Zeestrand, de reus, gaf mij daartoe een tooverdoorn, maar ik ontstal hem zijn verstand. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

—"Ik," sprak Thonarr, "was in het Oosten om Reuzenvrouwen uit te roeien. Als ze allen bleven leven, zou dat booze volk veel te talrijk worden, en Midgaarde ware voor menschen niet meer te bewonen. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

—"In Vechtland," zei Haarbaard, "heb ik voor gevechten gezorgd; de vorsten stookte ik op tot den strijd. Edelen zijn het eigendom van Wodan,—knechten komen Thonarr toe." Toen werd Thonarr vertoornd, en hij zeide, dat alles onder de Asen slecht verdeeld zou zijn, wanneer Wodan over zoo iets gewichtigs naar willekeur kon beschikken.

Maar Haarbaard bespotte Thonarr op zijn beurt en zeide:

—"Herinnert de sterke Thonarr zich nog hoe hij zich eens in een handschoen verborg en van angst niet durfde ademhalen? Dat moest de bergreus eens weten!"

En toen Thonarr dreigde hem te zullen dooden, als hij aan den anderen kant van het water komen kon, ging Haarbaard voort:

—"Blijf maar daarginds,—wij hebben niets met elkander te maken. Zeg zóó maar, wat Thonarr deed ondertusschen."

—"In 't Oosten," sprak Thonarr, "stond ik op wacht aan het water. Daar kwamen verschrikkelijke Reuzen op mij af, bestormden mij met een hagel van steenen. Maar hun vreugde was kort, want zij vroegen mij weldra om vrede. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

—"Ik was ook in het Oosten," zei Haarbaard, "maar om met een vrouwtje te vrijen. Ik schertste en stoeide met het sneeuwblanke schepsel; 't kind was gelukkig met mijn gunst. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

—"Op een eiland, midden in de zee, heb ik reuzenvrouwen overwonnen: dat was een boos gebroed, waardoor veel volk schade leed."

Haarbaard onderbrak hem, en zeide dat het zeer onwaardig werk was met vrouwen te vechten.

—"Wolvinnen waren zij," schreeuwde Thonarr, "dat waren geen vrouwen. Zij beschadigden mijn schip, dat ik op stutten had gezet, verdreven mijn dienaar, en kwamen met knotsen op mij af."

—"Zoo!"—zeide Haarbaard. "Maar ik zal je eens wat zeggen; bij Sippia, je vrouw, zit een man op bezoek. Wanneer je misschien met hem zoudt wenschen te vechten,—je kunt er je krachten aan meten."

Toen zeide Thonarr:

—"Alles wat voor je mond komt meen je te moeten zeggen, als je mij maar krenken kunt. Maar nu weet ik, dat je liegt!"

—"Waarachtig niet," antwoordde Haarbaard,—"ik heb niets dan de waarheid gesproken. Ga nu maar spoedig op weg. Je kunt in je schunnige kleeding heel ver komen, zonder dat iemand je kent."

Thonarr zeide, dat hij al veel te lang was opgehouden, en hij vroeg, dat Haarbaard hem nu met zijn boot over het water zou brengen.

Haarbaard echter zeide lachend:

—"Ik dacht, dat Thonarr zich door geen veerman ophouden liet. Maar ga gerust weg van het water, want ik denk er niet over je hierheen te halen. Wel wil ik je den weg even wijzen. Loop een uur in die richting tot bij een paal;—dan nog een uur tot waar een steen staat. Sla dan links af: in dat land zult ge je moeder Aarde ontmoeten. Die zal je verder den weg wel wijzen naar de landen van Wodan. Je kunt er vandaag nog gemakkelijk komen."

Toen zeide Thonarr:

—"Laten wij het gesprek maar verbreken. Spotten is toch het eenige wat je kunt. Maar pas op, als wij elkander ooit weer ontmoeten,—dan zal je weigering hevig worden gewroken, hoor!"

Toen ging hij heen. Maar Haarbaard riep hem van verre nog na:

—"Ga jij maar gerust met heel je gedoe naar de booze geesten.

Dag Thonarr!"

Vermomde en Roodspeer

Koning Rauthung had twee zonen. Hun namen waren Geirrodh, dat Roodspeer beteekent, en Agnar, de Ander. Eens, dat zij uitgevaren waren om met den hengel te visschen, werden zij overvallen door een hevigen wind. De storm stuwde hun boot voort over de wijde zee, totdat zij in een donkeren nacht op een vreemd land strandden. Daar werden zij opgenomen door een man en eene vrouw, die in de nabijheid een hut bewoonden, en zij bleven er heel den winter. De vrouw zorgde voor Agnar, de man echter voor Roodspeer en hij leerde hem vele sluwe dingen.

Toen het voorjaar gekomen was brachten de oudjes hen naar het schip, dat de man hun gegeven had. De man liep met Roodspeer alleen.

Voor gunstigen wind voeren toen beide de broeders voorspoedig naar het rijk van hun vader.

Roodspeer stond op het schip vooraan. Maar als zij aan het land gekomen waren sprong Roodspeer vlug aan wal, stiet het schip terug in de zee en riep tot zijn broeder: "Vaar ver weg in zee waar booze geesten zijn, die je halen." Ver weg in zee dreef het schip en Roodspeer ging naar den koningsburcht, waar hij goed ontvangen werd. Zijn vader was er pas gestorven en Roodspeer was machtige koning van toen af aan.

Wodan en Frigga zaten op den hoogzetel in Asengaarde en zagen over alle werelden heen. Toen sprak Wodan:

—"Ziet gij hoe Agnar, uw pleegkind, met een reuzenvrouw in het hol kinderen verwekt?—Roodspeer echter, mijn pleegkind, is koning in zijn land."

Hem antwoordde Frigga:

—"Maar een boosaard is hij, die zijn gasten plaagt, omdat hij bang is, dat er te veel zullen komen."

Wodan echter zeide, dat dit een groote leugen was, en zij gingen beiden een weddenschap aan.

Toen zond Frigga haar dienares Fulla, die haar overvloed van sieraden verzorgde, naar Roodspeer om hem den raad te geven heel voorzichtig te zijn met een tooverkundig man, die in zijn land was gekomen. En dit gaf zij hem als een kenteeken: dat geen hond, hoe woedend ook, het wagen zou tegen dien man te blaffen.

Eigenlijk was het een groote onwaarheid te beweren, dat Roodspeer niet gastvrij was, maar nu liet hij den man gevangen nemen, tegen wien de honden niet blaffen durfden. Deze man droeg een langen blauwen mantel en noemde zich Grimnir, Vermomde. Maar meer zeide hij niet over zichzelf, hoe men ook vroeg. De koning liet hem toen pijnigen om hem aan 't spreken te krijgen en hij plaatste hem tusschen twee wolken van vuur. Daar zat hij acht nachten lang.

Koning Roodspeer had een zoon, die tien winters oud was en dien hij Agnar noemde, naar zijn broeder. Agnar ging naar Vermomde en gaf hem een hoorn vol drank en zeide, dat de koning er heel erg slecht aan deed hem zoo pijn te doen zonder schuld. Vermomde dronk den hoorn leeg. Toen was het vuur zoo ver gekomen, dat zijn mantel al brandde. Vermomde sprak:

—"Vretende vlammen, wijkt terug. Reeds rooken mijn kleeren, mijn mantel verschroeit. Acht nachten al toef ik tusschen die vuren,—en niemand, die mij drinken gaf als Agnar alleen. Agnar zal koning zijn in de landen van Roodspeer."

Toen verhaalde Vermomde de wonderen van het worden der wereld vóór allen tijd:

—"Uit het vleesch van Ruischreus werd de aarde geschapen, de zee uit zijn zweet, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn haren de boomen, uit zijn tanden het gesteente. Om Midgaarde, waar de menschen wonen, bouwden de goden uit zijn wenkbrauwen een hechte verschansing tot stevigen steun, zij spanden van zijn schedel hoog den hemel, wierpen zijn hersenen als wolken in de lucht. Daar draven hijgend over wolkenwegen Vroegop en Vlugvoet voor den wagen van de zon. Viel het schitterende schild, dat de zon beschermt, dan vlogen bergen en branding in vlammenden brand.

Sköll, de wolf, snelt achter de zon tot in de schuimende zee, wild voor haar uit rent Hati langs den weg.

Ook bouwden in oude dagen Innewoonds zonen het wondere schip voor de zon: dat is het snelste van alle schepen,—Schrikesch van alle boomen de eerste,—Wodan de grootste van alle goden,—Sleipner het vlugge, vliegende paard,—Bifrôst de kunstigste van alle bruggen,—Bragi van alle zangers de beste,—Habrok de havik,—Garm de hond …

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van den wereldboom, die groeit door alle tijden:

—"Schrikesch lijdt meer schade dan de menschen weten. Hol wordt het hout. Want van de kruin knabbelen herten de knoppen, aan de wortels knagen de kaken van Nijdhaag, den draak. En Knaagtand, de eekhoorn, rent op en weer neer staag langs den stam,—woorden van Arend, die hoog in den top zit, vertelt het aan Nijdhaag, den draak.

Meer monsterige maden dan menig man meent woelen krioelend om den voet van Schrikesch. Elkander omslingerend in 't slijmerige graf slurpen ze, slapend, het sap uit de wortels.

Drie wortels zijn er, die naar drie zijden dringen, tot boven Helleland de eene, een andere tot het land der Reuzen, de derde tot waar de menschen wonen.

Vele zijn de stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen. Stormen stuwen de golven, die volken omvatten, naar het land van de menschen en veel verder naar Helleland heen.

Stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen, koele, krachtige, wielende wateren vloeien den hoogheiligen Asen toe.

Thonarr waadt dagelijks door het water, als hij daar daalt naar den raad aan den Schrikesch. Dan gaat hij over de brandende godenbrug, waar fel vlamt flakkerende gloed.

Daarheen rijden ook alle de goden om te beraden, iederen dag. Goudig van glans zijn de paarden der Asen, stevig van stap,—vlug vliegen ze op hunne lichte hoeven, zilver waaien de manen in den wind …

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van de woningen der goden boven alle tijden:

—"Hoog voor mijn oogen ligt het liefelijke land van Asen en Alfen. Thonarr zit in Krachtland ten troon tot de goden vergaan. Vijf honderd-en-veertig zalen weet ik in Bliksemflits' huis. Hooger dan alle huizen, die met daken gedekt zijn, is de zaal van mijn zoon.

In Vochtendal heeft de sneeuwwollige Uller zich een burcht gebouwd. Alfenland gaven de Asen aan Freyer bij 't doorbreken van den eersten tand.

De derde bouw is met zilver gedekt. Lentezaal was reeds lang geleden voor den hoogen Ase een zetel.

Koele wateren spoelen door Storteschuim, waar Wodan en Sage dagelijks drinken uit bekers van goud.

In Vreugdeburcht, de vijfde der vesten, glinstert het goud van Walhall: daar komen tot den heerscher de helden, die door staal werden gedood.

Thiassi, de stormreus, woonde in Donderland ooit,—de zesde der goddelijke zalen. Maar sedert Skadi, zijn dochter, bruid werd van Njord, is zij in het bezit van den burcht.

Ten zevende Schitteringszaal, het smettelooze huis, dat Balder zich bouwde.

Helderwit woont in Hemelenburcht, ten achtste, als wachter van de goden. Om menigen dronk mede verheugt hij er zich.

Volkerenveld, de negende woning, is Freya's bezit; uit degenen, die in den strijd zijn gevallen, kiest zij zich gasten; het andere deel komt Wodan toe.

Forsete richt rechtvaardig alle twisten in zijn Glinsterhuis—het tiende.—Op gouden zuilen steunt een zilveren dak.

Noatun is het hooge huis waar Njord heerscht, als machtige koning van mannen.

Wijdwoud, ten twaalfde, is Widars woning. Gras groeit welig waar hij van het paard springt om zijn vader te wreken …

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van Walhall:

—"Vijfhonderd-en-veertig poorten weet ik in Walhall,—achthonderd verheerlijkte helden komen uit elke poort om den wolf te bevechten. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: speren zijn er de spanten, schilden het dak en pantsers staan op de banken. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: een wolf hangt voor de westelijke deur, daarboven zweeft een arend.

Donderstroom dreunt daar rondom en de vloed is niet te doorwaden. Voor de heilige poort in het water staat Walgrind, het hek: eeuwen is het oud en weinigen weten hoe het slot sluit.

Luchtkok kookt in Vuurketel den zonne-ever, die Zeezieder heet: de edele ever in de spijs in Walhalla, maar weinigen weten, waarmee men zich voedt.

Gierig en Gulzig, de wolven Wodans, krijgen het eten van den koenen kampheld, die de legers leidt,—want Wodan zelf drinkt slechts wijn.

Herdenken en Denken, de raven, vliegen iederen dag over de aarde:Denken keert, vrees ik, niet terug,—meer bang nog ben ik voorHerdenken.

Eikdoorn heet het hert, dat in Heervaders huis aan de boomknoppen knabbelt; van zijn gewei druipen aldoor druppels naar Ruischkolk, waar de stroomen ontspringen. Heidroen heet de geit, die in Heervaders huis aan de boomknoppen knaagt; in schalen schenkt zij schuimenden dronk voor de helden.

Slagvaardig en sterk zijn de meisjes, die mede schenken aan de heilige helden, en mooi; schitterend haar schilden, haar lansen lang, en helmen dekken het hoofd.

Ook mij bieden zij den beker…

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wondere namen van Wodan:

—"De Dolende heet ik, de Wijze en Heer; Vlammenoog ben ik, Bliksemoog,Blindmaker van menschen, Langbaard en Haarbaard, Verwarder, Verwoester,Vader der zege, Brenger van slaap. Bevende ben ik en Bruller, Waaiende,Lucht, Ziedende, Zee, Brander en Oorlogsman, Windrig en Wensch, Goedeen Gouden, Stormheer, Regengod, Waarachtig en Stout. Hoog heet ik,Evenhoog, Derde en Donderaar, Watergeest, Wakker en Bries.

Sleeper was ik toen ik sleden sleepte, Sluwe in 't geding, Speerespits voor tegenpartij, Vermomde was ik bij Roodspeer. Nu ben ik Wodan geworden."

Koning Roodspeer zat, en hield het zwaard halfuitgetrokken op zijn knieën. Toen hij nu hoorde, dat Wodan er was, stond hij op en wilde de vuren van hem wegnemen. Maar zijn zwaard viel, het gevest naar beneden. Koning Roodspeer struikelde en de punt van het zwaard stak hem een doodelijke wonde. Toen zeide Wodan:

—"Roodspeer, hebt gij te veel mede gedronken? Vele dingen leerde ik u, maar gij hebt niet geluisterd: nu zie ik rood en rookend van bloed het zwaard van mijn lieveling liggen. De gaven van goden hebt gij verbeurd, de gunst van Walhalls heilige helden en Wodan verloren. Nu kunt gij Wodan zien: Vermomde was een Verschrikker. Komt, goden, het heil is verschenen, komt in de zaal van den Zomerzeegod: het oogstfeest gaan wij er vieren. En Agnar, heil u, heil wenscht u de heerscher van helden; nooit zal een dronk nog met grooter gunsten worden vergolden."

Toen ging Wodan heen en Agnar werd koning in de landen van Roodspeer voor zeer langen tijd.

Hymirs Ketel

Toen de goden aan den maaltijd wilden gaan, bemerkten zij, dat de groote ketel van Egir, hun gastheer, weg was, en er dus geen drank kon worden bereid. De anders zoo vroolijke rotsbewoner was nu met droefheid, als met een nevel, omsluierd. Nergens konden de goden zijn ketel ontdekken, totdat Tyr vertrouwelijk Thonarr in het oor fluisterde:

—"Ver in het Oosten, waar de hooge hemel met het wilde water samen komt, daar woont Hymir, de wijze. Een geweldig-grooten en stevigen ketel bezit er mijn vader. Als wij er heen gaan en het listig aanleggen, zullen wij dien wel medenemen."

Zij reden samen weg, reisden een heelen dag lang, en kwamen eindelijk, ver van Asengaarde aan de oostelijke zee.

Daar gingen zij de hallen van Hymir binnen en ontmoetten er de grootmoeder van Tyr, die negenhonderd hoofden had, en zijn moeder, om wie een glans van goud lag als zonnegloed om barre bergen.

Toen Hymir naar huis kwam, verborg Tyr's moeder de beide gasten onder de vele ketels, die opgestapeld lagen in de hal, "want"—zeide zij —"mijn lieve man is menigmaal slecht van humeur, en dan niet erg gul voor gasten."

"Heil Hymir"—sprak ze, toen deze, met ruig bevroren baard, zwaar de zaal in stapte,—"heil! Wees welkom in onze woning en goed zult gij voor gasten zijn. Want onze zoon is gekomen, dien wij zoo lang verwachtten,—en onze roemrijke vijand, de weldoener van de menschen, kwam met hem mee. Op het eind van de zaal, daar achter die zuil, zijn zij verscholen."

De zuil barstte voor de blikken van den reus, en de balk, die er op steunde, brak. Acht ketels vielen omlaag, maar slechts één, die het hardste was gehamerd, kwam heel naar beneden.

Hymir had een bang vermoeden, waarom de sterke bestrijder van de reuzen wel tot hem gekomen kon zijn. Nochtans liet hij drie stieren uit de stallen halen en gereed maken voor het maal. Thonarr at er twee van op. Daardoor was de reus wel eenigszins gerustgesteld en hij zeide:

—"Morgenavond moeten wij drieën maar ieder voor onzen eigen kost zorgen."

Thonarr zeide, dat hij wel wilde gaan visschen, als Hymir zorgde voor het aas. Maar deze antwoordde hem:

—"Kunt gij, die bergvolkeren overwint, niet zorgen voor uw eigen aas? Ga naar de kudde: ik dacht, dat gij aan de stieren gemakkelijk aas zoudt ontnemen."

Toen stond Thonarr op, liep naar het woud, greep er een os en brak hem den kop af.

Den volgenden avond voeren zij in een boot uit op zee. Terwijl de sterke reus voor zich alleen twee walvisschen ophaalde aan den hengel, bond Thonarr, die glimlachte in zijn rooden baard, een lange lijn aan de boot vast, bevestigde er den kop van den os aan en liet dien in het water zakken.

Daar in de diepte hapte de door alle goden gevloekte slang, die de landen omslingert, met gapende kaken vratig naar het aas. Geweldig rukte Thonarr toen door het scheurende water en sloeg den draak aan boord van de boot, beukte bonzend zijn hevigen hamer het beest op den schedel.

Rotsen dreunden, bergen beefden, en het ondier zonk weer terug in de zee.

Toen roeiden zij naar het land. Met vaste vuist hield de reus het roer en hij sprak geen enkel woord, totdat zij aan het land gekomen waren.

Daar zeide hij tot Thonarr:

—"Het zware werk moeten wij deelen:—wilt gij de walvisschen naar mijn woning brengen, of draagt gij liever de boot?"

Thonarr greep de boot, droeg haar, met al het water dat er in was en de roeispanen en alles, en sleepte tegelijk ook de walvisschen door het woudrijke dal naar de woning van Hymir.

Thuis was de reus weer vol trots, en verwaand sprak hij tot Thonarr:

—"Hoe machtig een man ook moge roeien,—als hij dezen beker niet breken kan is hij toch zwak."

De bliksemslingeraar greep den beker, smeet hem tegen de stukgruizelende steenen, wierp hem met woeste kracht tegen de stevige pijlers, die braken als riet,—maar altijd weer nam Hymir den beker heel van den bodem.

Toen fluisterde het mooie vrouwtje van den reus Thonarr een bevrijdend geheim in het oor:

—"Werp hem tegen Hymirs hoofd,—dat is harder dan de hardste beker."

Al zijn godenkrachten vergaarde Thonarr en spande zijn spieren. Als een bliksem vloog de beker en spatte in gruizels over den grond. Hymirs hoofd was heel gebleven.

—"Mijn grootsten schat heb ik verloren," jammerde de grimmige reus, "nu kan ik nooit meer zeggen: mijn drank is te warm. Maar ik wil tòch wel eens zien of gij mijn grooten ketel uit mijn huis kunt halen!"

Tweemaal trachtte Tyr tevergeefs het vat te tillen: stevig stond het op den grond. Thonarr echter greep het aan, hief het in de hoogte,—luid rammelden de hengsels door de hal.

Toen gingen zij ermede heen.

Lang reeds waren zij op weg, vóór Thonarr nog eens omzag. Daar kwam, met Hymir, uit alle holen en spelonken van het Oosten een zwarte zwerm honderdkoppige kerels aan. Thonarr bleef staan, zette den ketel naast zich neer en zwaaide zijn hamer. Al die rotsenrekels sloeg hij tot stof.

Toen bracht hij den ketel van Hymir naar de goden, en op alle feesten van den oogst zullen de zaligen er hun schuimenden drank uit scheppen.

Het Feest bij Egir

Egir ging voor de goden een drank bereiden, zoodra hij den ketel gekregen had.

Bijna alle goden waren op het feest: Wodan en Frigga, Njord en Skadi, zijn vrouw, Tyr, die maar één hand had, omdat de Veenrookwolf hem de andere had afgebeten, toen hij het beest wilde binden, Freyer met Beugel en Buigster, die hem dienden, en Freya, zijn vrouw. Thonarr was er niet: die was op reis naar het Oosten, maar zijn vrouw Sippia wel. En er waren nog veel meer Asen en Alfen.

Egir werd door twee dienstknechten bijgestaan: Vuurvanger en Ontsteker. De feestzaal werd door goud in plaats van door vuur verlicht. Het was een lichte, vreugdevolle feestzaal en een ieder prees dan ook de goede bediening bij Egir. Loge hoorde dat niet graag en daarom sloeg hij Vuurvanger dood.

Toen werden de goden boos, zij rammelden met speren en schilden en scholden Loge uit en joegen hem weg en vervolgden hem in het woud en keerden toen weer naar het feest terug.

Loge echter keerde ook weer terug. Buiten de feestzaal trof hijOntsteker en hij vroeg hem:

—"Zeg, Ontsteker, vóór je één stap doet: vertel mij eens even, wat voeren de goden uit op dat feest?"

Ontsteker vertelde hem, dat de goden over gevechten en speren spraken, en dat ze geen van allen Loge bizonder goed waren gezind.

Loge wilde naar binnen gaan, om alles zelf te zien en de goden eens goed te bespotten. Tevergeefs trachtte Ontsteker hem tegen te houden.

Toen de goden zagen wie de zaal weer binnen kwam, zwegen zij allen plotseling stil.

Loge stond en staarde ze aan. Toen sprak hij:

—"Dorstig ben ik hier binnen gekomen na een lange wandeling door het woud. Ik kom vragen, of niet een van de goden zoo goed wil zijn mij wat drinken te geven."

De goden zwegen allen stil.

Toen sprak Loge weer:

—"Waarom blijft gij zoo stil? Wilt gij niet antwoorden? Wijs mij een zetel, waar ik kan zitten, of zeg mij, dat ik heen moet gaan."

Toen antwoordde hem Bragi, de god van de zangers, die al duchtig had gedronken:

—"Geen van de goden zal u ooit een zetel wijzen, waar ge kunt zitten; wij weten veel te goed wie wij bij onze lustige feesten laten en wie niet."

Aan het einde van de zaal zat Wodan. Tot hem wendde zich Loge en zeide:

—"Wodan, gij, die eeden van trouw bewaart,—mengden lang geleden wij beiden niet in denzelfden beker ons bloed? Toen hebt gij gezworen, dat gij nooit een drank zoudt drinken, die niet voor ons beiden was bereid."

Op bevel van Wodan mengde nu Widar een beker en reikte hem Loge.

Deze nam den drank aan en sprak:

—"Heil Asen, en alle Asinnen, heil! Heil allen, die hier samen zijt,—alleen die niet, die daar zit op Bragi's bank."

Bragi werd zeer boos, en hij zeide:

—"Als ik maar buiten was,—nu zit ik in huis,—dan zou ik spoedig uw hoofd in mijn handen hebben."

Loge echter lachte hem uit en antwoordde:

—"Ha, Bragi, een sieraad zijt ge op banken, maar in het strijden niet sterk. Kom dan naar buiten, wie moed heeft zit niet te mijmeren."

Idoena, Bragi's vrouw, werd wel wat ongerust en zij smeekte haar man, dat hij toch zijn geliefden zou gedenken, en niet met Loge in vinnige woorden vechten zou op het gastmaal van Egir.

Maar toen trok Loge tegen Idoena los:

—"Zwijg maar, Idoena, zwijg maar gerust. Ik geloof, dat niemand zoo vurig verlangt naar liefde van vele mannen als gij, sinds uw sneeuwblanke armen den moordenaar van uw broeder hebben omhelsd."

Idoena schrok zeer van Loge's snijdenden spot: zij had alleen maar Bragi willen bedaren, en zeide dat dan ook. Maar toen Gefioen haar te hulp kwam en aan Loge den raad gaf, nu zijn mond te houden, antwoordde deze haar:

—"Blijf maar bij uw eigen zaken. Anders zal ik eens iets vertellen van zekeren zonnelichten knaap, die u met gouden gaven tot wellust wist te lokken."

Daar stond Wodan op. Met Gefioen viel niet te spotten: het verloop van de geheele wereld immers was haar bekend, zoo goed als Wodan zelf het wist.

Zoodra de goden hoorden, dat Wodan zich in den twist ging mengen, dachten zij allen, dat Loge nu wel zwijgen zou.

Maar deze lachte zelfs Wodan uit en hij zeide:

—"Zoo, zoo, Wodan! Maar waar gestreden wordt weet ge immers geen beslissing te geven! Hebt gij niet dikwijls een zwakkeling de zege bezorgd? Men zegt ook, dat gij als een landlooper met spoken speelt, zooals heksen en toovenaars dat doen. Waarachtig, 't is me een waardige godengewoonte!"

Frigga, die de vrouw van Wodan is en aan zijn zijde zat, trachtte tusschen beiden te komen. Zij zeide, dat goden niet meer spreken moesten over wat ze vroeger hebben gedaan: men moet niet aan iedereen vertellen wat er ooit is voorgekomen.

Loge keek haar aan, knikte en zeide:

—"Dan zou ik ook maar niet zeggen, dat gij vroeger zóó begeerig waart naar een man, dat gij Wil en Wei en Wodan alle drie tegelijk hebt omarmd!"

Nu kon de twist niet meer worden getemperd. Want zoodra had Freya weer niet partij getrokken voor Frigga, of Loge keerde zich tegen haar en zeide:

—"Freya, u ken ik volkomen, aan u ontbreekt geen enkele smet. Waart gij voor alle Asen en Alfen, die hier rondom zitten, niet al ooit eens een nacht 'n vriendelijk vrouwtje?"

En zoodra maar een der goden of godinnen een enkel woord sprak om Loge tot zwijgen te brengen, had deze altijd weer zijn woorden klaar. Aan ieder wist hij wat te verwijten.

Eindelijk kwam Freyer's dienares, Buigster genaamd, tot Loge, schonk hem een hoorn vol heerlijke mede en zeide:

—"Luister eens, Loge, en drink dezen hoorn. Maar laat nu tenminste eens één enkele onder de Asen ongemoeid."

Loge nam den hoorn, dronk hem leeg en zeide:

—"Dat zou dan Sippia moeten zijn,—als zij maar altijd trouw aan haar man was geweest! Maar ik geloof, dat wel iemand die trouw voor Thonarr heeft bedorven."

Hem antwoordde Buigster.

—"Loge, wees stil, hoor, de rotsen dreunen: de bliksemslingeraar keert terug van zijn reis. Hij zal u wel leeren rustig te zijn en geen van de Asen te lasteren."

Toen zeide Loge:

—"Houd je mond, Buigster, vrouw van Beugel,—nooit kwam er een schandelijker wezen in de woning der goden dan jij, veile vrouw!"

Daar stapte Thonarr binnen en hij donderde Loge toe:

—"Schoft, zwijg,—of anders zal mijn moker Mjölnir je den mond doen houden."

Loge schrok, wees met het hoofd naar de deur, en zeide:

—"Daar,—dat kind van Aarde is nog niet binnen, of er wordt al gevloekt!"

Toen wendde hij zich tot Thonarr en sprak tot hem:

—"Maar gij waagt het toch niet om den wolf te dooden, die Wodan eens verslinden zal!"

Hem antwoordde Thonarr:

—"Zwijg,—of anders zal mijn moker Mjölnir je den mond doen houden. Dan neem ik je mee op reis naar het Oosten en gooi je neer langs den weg, waar niemand naar je komt kijken."

—"Haha!" lachte Loge, "uw reis naar het Oosten! Kruipt Thonarr dan weer weg in den duim van een handschoen?"

Maar Loge vond het toch maar verstandig om stil te zijn en hij zeide:

—"U, goden, heb ik gezegd wat ik wilde, voor Thonarr trek ik mij terug: die zou mij nog slaan ten slotte."

En met een bedreiging aan Egir, den gastheer, dat de vlammen al zijn bezit zouden verslinden, sloop hij heen.

Toen verborg hij zich, in de gedaante van een zalm, onder een schitterenden waterval. Maar de Asen vingen hem en bonden hem met stevige strengen, die ze uit de ingewanden van Narwe, zijn zoon, hadden gedraaid. Skadi nam een giftige slang en hing die boven het hoofd van Loge, zoodat er steeds gif op hem druipen moest. Maar Sigyne, Loge's vrouw, zette zich naast hem neder en hield een schaal onder het gif. Zoo dikwijls de schaal vol was, bracht zij die weg, maar dan drupte het gif op Loge's gelaat. En dan schudde hij zich zoo hevig, dat heel de aarde ervan beefde. Dat wordt nu aardbeving genoemd.

Wodan bij de Waarzegster

In den tijd, dat hij zijn hoogste heerlijkheid zou gaan bereiken, droomde Balder eens een bangen droom.

Het gemoed van goden en godinnen was door een vreeselijk vermoeden verontrust, en zij waren bij elkander gekomen om te beraden, wat die bange droombeelden wel beduiden konden.

Mijmerend ging Wodan, de vader van goden en van menschen, heen. Een zadel snoerde hij op Sleipner's rug en reed naar de holen van den nevel.

Uit de hellepoort kwam een hond gesprongen, de borst met bloed bevlekt, en gromde grimmig tegen den toovermachtigen God. Doch Wodan reed verder, dat de wegen ervan dreunden, reed naar het hooge huis van Hella heen. Hij reed tot aan den ingang aan de oostelijke zijde, waar het woest is als de winter.

Daar, onder een heuvel, lag de waarzegster begraven, die alle waarheid weet. Wodan steeg er van zijn paard en zong haar een zang van ontwaken, zong haar zijn wekzang tot de doode ontwaakte en opsteeg uit haar graf.

Toen sprak zij de grafsombere woorden:

—"Wie is de onbekende man, die mij wekt om weer langs dorre wegen te dwalen? Wit ben ik van sneeuw, door regenvlagen geslagen, met dauwdroppelen gedrenkt,—dood al was ik zoo lang."

Wodan zeide:

—"Wegendoler ben ik, Doodenmans zoon.

Zeg mij, wiens rustplaats ziet gij met ringen bedekt, zeg mij, voor wien is er een bed gespreid in uw zalen?"

De waarzegster antwoordde:

—"Voor Balder staat hier mede gebrouwen. De schuimende drank is nog door een schild bedekt, maar den goden zij alle hoop ontnomen. Ga nu weg van mij,—ik wil verder zwijgen."

—"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zalBalders bloed vergieten,—wie het leven dooden in Wodans zoon?"

De waarzegster antwoordde:

—"Hader, die blind is als de winterzon, zal hem hierheen brengen. Hij zal Balders bloed vergieten, hij het leven dooden in Wodans zoon.

Ga nu weg van mij,—ik wil verder zwijgen."

—"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zal Balder op den boozen Hader wreken, wie zal dien wreedaard wijden aan de Hel?"

De waarzegster antwoordde:

—"Eens zal Wodan, in een der lange nachten van het Westen, met de Winteraarde Rinde verwekken een krachtig kind. Dit zal Balder op den boozen Hader wreken en den wreedaard wijden aan de Hel.

Ga nu weg van mij,—ik wil verder zwijgen."

—"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie van de wezens der wereld zal om Balders dood niet willen weenen,—wie zal onbewogen heffen het stugge hoofd?"

De waarzegster antwoordde:

—"Weet gij, dat een van de wezens der wereld niet wil weenen, maar onbewogen heffen zal het stugge hoofd? Dan zijt gij niet Wegendoler, zooals ik dacht,—dan zijt gij Wodan, de machtige God!" Toen zeide Wodan:

—"Als gij niet zeggen kunt wie niet wil weenen, dan zijt gij niet waarzegster en wijze vrouw. Dan zijt ge veeleer de wintermoeder der drie Nornen, wier bron bevriest."

En de waarzegster sprak:

—"Wodan, ga heen, en wees Overwinnaar. Nimmer zal een man mij weer naderen, totdat Loge, losgemaakt uit al zijn banden, den ondergang van de goden brengt."

Het Vóórspellied

Terwijl de groote wereld haar loop volbracht en alle wezens werkten wat hun taak was, werden de goden door een bang vermoeden overvallen. Want zij hadden runenstaafjes gestrooid om de toekomst te kennen en de staafjes vertelden:

—"Laat de Nornen zorgvuldig haar bron bewaken,—wanneer zij den aandrang der dingen nog kunnen tegenhouden."

Toen zond Wodan zijn raven naar de dwergen die in de diepe duisternis onder de aarde werken, en de raven kwamen terug met het bericht:

—"De sterkte der dwergen verslapt. Werelden tuimelen in den gapenden afgrond van den nacht. Vlugvoet laat ze in het niet verzinken; Vlugvoet sleept ze ooit weer in het licht. Zon en aarde wankelen. Onheil waait door de lucht. En Mimirs heldere bron wil geen aanwijzing geven.—Wist gij dat alles?"

Idoena, die de bladergroene dochter is der onderaards werkende krachten, was van den wereldboom Schrikesch ter aarde gezonken. Vol droefheid zat ze neer aan den voet van den stam: nu leerde ze eerst beseffen hoe goed het geweest was in haar heerlijke huis.

Toen zond Wodan den wachter van de Regenboogbrug om haar te ondervragen, of zij ook wist wat er met de wereld ging gebeuren. Loge en Bragi vergezelden hem. Op getemde wolven reden zij en zongen tooverliederen. Wodan zat op zijn hoogzetel en staarde hen na, terwijl zij reden.

Bij Idoena gekomen ondervroeg haar de wijze Wodansgezant, wat zij wist van het geslacht en de lotgevallen van de Asen,—over de werelden van hemel en Hella, wat zij van aller begin wist en leven en einde.

Maar Idoena kon niet spreken, kon met geen enkel woord een teeken geven: tranen slechts ontsprongen aan haar oogen en omsluierden heel haar schoone gestalte.

Zoodra de drie gezanten zagen, dat zij in zulk een droefheid gedompeld was, bespotten zij haar. Maar haar eenige antwoord was zwijgen. En hoe meer zij bij haar aandrongen, des te meer weigerde zij te spreken. Met al hun praten bereikten zij niets.

Toen keerde de Godsgezant terug naar huis, waar hij den schallenden hoorn van Wodan bewaart. Loge alleen liet hij volgen. Bragi, de god van zangers en zingende vogels, bleef zwijgend bij Idoena achter.

De gezanten voeren huiswaarts, gezeten op de elementen, die de zonen van den grijzen Oerreus zijn. Zij gingen den godenburcht binnen en begroetten de goden, die aan den maaltijd zaten. Zij wenschten Wodan, dat hij nog lang als de machtige onder de goden zijn troon bezitten zou, aan de Asen, dat zij gelukkig op Alvaders feest zouden zijn.


Back to IndexNext