WERKLARING VAN WERK EN INHOUD

Goedroen

Hagen en Goenther namen na den dood van Siegfried en Brunhilde al het goud, dat aan Fafner had toebehoord en zij verborgen het in den Rijn.

Toen ontstond er oneenigheid tusschen de Gibichungen en Atli, die de broeder van Brunhilde was. Atli wilde een gedeelte van het goud hebben, dat aan Brunhilde had toebehoord, en hij gaf den Gibichungen de schuld van den dood zijner zuster. Zij kwamen echter overeen, dat Goedroen aan Atli ten huwelijk zou worden gegeven.

Goedroen nu had na den dood van Siegfried de bergen van den Rijn verlaten, en kwam na vijf dagen in het Noorden op den burcht van Alf aan. Daar bleef zij zeven zomers bij Thora, die de dochter was van den Denenkoning Hakon.

Om Goedroen haar gramschap te doen vergeten weefde Thora in kleeden de voorstellingen van duitsche koningszalen en deensche schepen, en van heldenspelen en roode schilden en van gewapende heldenscharen. Zij weefden beiden den uittocht van Siegmond's goudsnavelige schepen, en zijn strijd tegen Siggeir in het Zuidelijke land.

Grimhilde, de moeder van Goedroen, kwam met vele langbaardige mannen, die roode wapenrokken en vergulde pantsers en metalen helmen droegen, en zwaarden hadden aan hun gordelband. Zij kwamen als koningen in het land waar Goedroen verbleef, en zij brachten kostbare geschenken mede, en spraken goedige woorden om haar te troosten in het groote leed, dat zij droeg.

Drie vorsten bogen voor haar neer. Toen bood Grimhilde haar een beker vol kouden bitteren drank aan. Deze drank was gebrouwen uit de kracht van de aarde en de zilte zee en zonnestralen, en er waren allerlei kruiden in en veldgewassen en ingewanden van offerdieren en zwijnenlever. Rondom op den beker waren allerlei teekenen gegrift en rood er in gebrand: de lange slang van de heide en een dierenmuil en korenaren.

Grimhilde sprak tot haar dochter:

—"Goedroen, al het goud zal ik u geven, dat u toekomt na uws vaders dood, en den burcht en de ringen en heel het heir van koning Lodver en de dienstmaagden van Boedli, Brunhilde's vader, die loovertjes in goudstof weven. Want alleen zult gij heerschen over de schatten des konings,—als Atli's vrouw. Zoek geen vergelding meer voor Siegfrieds dood en wees goed en gelukkig, dan zult gij zonen baren, alsof Siegmond en Siegfried nog leefden."

Goedroen echter antwoordde haar:

—"Ik wil niet goed zijn en niet gelukkig, Grimhilde, en ik wil geen man gelukkig maken, sinds de raven en de wolven vochten om Siegfrieds bloed. Nooit zou ik Brunhildes broeder nemen, en het past mij niet den zoon van Boedli kinderen te baren uit innigen bond."

Grimhilde sprak tot haar:

—"Hij is de edelste en de eerste onder de vorsten, Goedroen. Neem hem tot man. Eens zal de ouderdom tot u komen,—gij zult dan alleen zijn, wanneer gij hem niet neemt."

Goedroen antwoordde en zeide:

—"Moeder, laat het toch om zoo ijverig den man uit dat onheilsgeslacht mij aan te prijzen. Hij zal slechts jammer over Goenther brengen, en hij zal Hagen het hart uitrukken. Geen rust zou ik kennen, voor ik dien koning van het leven beroofde."

Vol afschuw hoorde Grimhilde de woorden, die haar zonen onheil voorspelden en verderf aan haar gansche geslacht.

Goedroen nam nu den beker, dien Grimhilde haar nogmaals aanbood, en zij dronk hem leeg terwijl zij zeide:

—"Door bloedverwanten word ik gedrongen. Nooit zou Atli mij geluk aanbrengen, en als hij mijn broeders krenkte, zou het niet tot heil van zijn kinderen zijn."

Toen Goedroen gedronken had, was zij Siegfried en al haar leed vergeten, en zij wilde met Atli trouwen.

Spoedig stegen allen te paard, en de vreemde vrouwen werden in wagens geholpen. Zoo reden zij de eerste week door Noordland heen, trokken de tweede week over de zee en drongen de derde week het bergland in. De wachters openden de poort van den burcht, en allen reden er binnen.

Daar woonden Atli en Goedroen te zamen, en hunne zonen heetten Erp en Eitel.

Eens zond Atli gezanten naar het land der Gibichungen, om Goenther en Hagen uit te noodigen op zijn burcht. Want Atli wilde nu ook een gedeelte van het goud hebben, dat Siegfried nagelaten had. Ook had Atli gehoord, dat er een geheime liefde bestond tusschen zijn zuster Ortroen en Goenther. Atli was hierover zeer vertoornd en hij wilde de Gibichungen dooden.

Goedroen echter had gehoord hoe het moordplan werd besproken. Vol zorgen om haar broeders te redden zon zij op listen. Zij gaf aan de gezanten een gouden ring mede, waaromheen zij een wolvenhaar gewonden had. En in takken sneed zij runenteekens, en ook deze gaf zij als waarschuwing mede. Vleugel echter, een der gezanten, vervalschte de runen vóór hij ze afgaf.

Eens in een nacht, toen de gezanten vertrokken waren, schrok Goedroen plotseling wakker. Want zij was in grooten angst om haar broeders, en zij had een voorgevoel, dat hun iets overkomen zou. Atli sprak tot haar:

—"Ook ik werd plotseling gewekt door waarschuwende geesten. Ik droomde van mijn doodsvaart. Ik zag hoe gij, Goedroen, mij met een dolk gruwzaam doorboordet. Wat zou dat beduiden?"

Goedroen antwoordde hem:

—"Van dolken droomen wijst op vuur en de toorn van een vrouw op groote vreugde. Misschien moet ik u eens een wonde uitbranden om uw leed te verlichten."

Atli zeide tot haar:

—"Er vlogen valken van mijn vuist naar Hella, uitgehongerd. En ik droomde, dat ik hun harten at, die schuimden van bloed en bereid waren met honig. Twee lammeren rukten zich los uit mijn hand en blaattenklagend. Hun vleesch was bedorven, maar ik moest het eten."

Goedroen sprak:

—"Er zullen mannen komen, en den lammeren den kop afhakken. Na weinige nachten zal het gebeuren, kort voor den morgen, en zij zullen een maal voor den koning bereiden."

Goedroen bleef wakker, en mijmerde over de daad waarvan zij het plan maakte.

Toen de gezanten bij Goenther gekomen waren, zetten zij zich rondom den haard op de zetels, en zij dronken het zoete bier. Knievlug, die de voornaamste van de gasten was, zat op den hoogen zetel en hij zeide tot Goenther:

—"Atli zond mij op het brieschende paard door het onbekende donkere woud om u, Goenther, uit te noodigen met Hagen te komen naar zijn burcht, ten einde Atli te bezoeken. Zet met ringen versierde helmen op het hoofd, want strijdhelmen kunt gij uitkiezen bij hem, zooveel gij wilt, en gladde speerstangen en met goud versierde zadels en speerspitsen en brieschende paarden. Met schallende speren en vergulde schepen zal Atli u helpen, om de Gnitaheide met hare vele schatten te veroveren en de steden van Danpar en het beroemde bosch, dat de menschen Zwartwoud noemen."

Goenther wendde het hoofd tot Hagen en zeide:

—"Wat raadt gij aan te doen? Ik geloof niet, dat er op Gnitaheide meer goud te vinden is dan wij bezitten, en wij hebben zeven zalen vol zwaarden, en elk zwaard heeft een gouden greep. Ik weet dat mijn paard het beste is en mijn zwaard het scherpste, en dat mijn helm en mijn schild, die uit de hallen van koning Kiar stammen, de schitterendste van alle zijn."

Hagen antwoordde hem, voor anderen onhoorbaar:

—"Wat denkt gij, dat de vrouw ons wilde zeggen, toen zij ons een ring zond met een wolvenhaar omwonden? Ik denk, dat zij ons waarschuwen wilde: om den ring vond ik een wolvenhaar gewikkeld: als wij uitrijden naar Atli rijden wij naar wolven heen."

Geen van Goenthers bloedverwanten spoorde hem aan, en geen enkele van zijn vertrouwde raadslieden, noch een der machtigen uit het land raadde hem aan naar Atli te rijden. Zooals het een koning past sprak Goenther vol moed luide door de drinkhal:

—"Ik ga! Schenker, sta op en laat de dienaren gouden schalen vol drank aan de gasten geven."

De vrouw van Hagen kwam in de zaal om de gasten te begroeten, en ook de vrouw van Goenther kwam en zorgde voor hen. Meisjes droegen mede binnen en er werden vele hoornen leeggedronken, totdat allen verzadigd waren. Toen zocht een ieder zijn legerstede op.

De vrouw van Hagen was zeer verstandig. Zij kende runen lezen en in den schijn van het haardvuur las zij de runen, die Goedroen in de takken gesneden had. Deze waren echter zeer moeielijk te ontraadselen, en nadenkend ging zij met Hagen naar bed. Zij droomde, en tegen den morgen werd zij wakker en zeide tot Hagen:

—"Wilt gij van huis gaan Hagen? Luister naar mijn raad en ga ditmaal niet. Uit de runen van uw zuster heb ik gezien, dat zij u niet tot dien tocht heeft uitgenoodigd, het verwondert mij alleen, dat zij zoo raadselachtige runen sneed. Want zoo heeft zij ze ingesneden als stak voor u beiden de dood er onder, wanneer gij met vertrouwen naar Atli gaat. Een runenteeken liet zij uit, of een ander heeft het bedorven. Ik geloof dat het u slecht vergaan zal, Hagen. Ik droomde, dat er een beer binnenkwam, die de stutten van de zaal omstootte en ons allen wegdroeg in zijn muil."

Hagen echter antwoordde haar:

—"Dat zal storm beteekenen, en de wintersneeuw hebt gij voor een ijsbeer gehouden."

Zijn vrouw sprak wederom tot Hagen:

"Een arend vloog rond door de zaal en van zijn vleugels droop het bloed. Mij dunkt, dat is Atli."

Daarop zeide Hagen:

—"Wij slachtten veel vee, en dan druipt er veel bloed. Gij hebt van arenden gedroomd, maar het zijn ossen."

Toen zwegen beiden. Maar ook de vrouw van Goenther was ontwaakt, en zij zeide tot hem:

—"Ik zag u aan een galg hangen om verslonden te worden door slangen en gij waart nog in leven,—het wereldeinde was nabij,—wat moet dat beduiden? Dwars door uw pantser stak bloedig staal in uw borst, en rondom u huilden de wolven."

Goenther antwoordde haar:

—"De klank van speren werd wolvengehuil."

Zijn vrouw echter zeide:

—"Een stroom stortte zich in de zaal, en overstroomde de zetels, en u beiden wierp hij van de voeten en het water spaarde niets. Dat moet iets beteekenen. En in volle wapenrusting reden doodsvrouwen naar den koningsburcht, en zij riepen om u, en uw beschermgeesten waren verdwenen."

Goenther stond op en sprak:

—"Gij komt te laat,—ik besloot te gaan, en ik ga. De oude grauwe wolven zullen de schatten der Nevelingen bewaren als Goenther verloren gaat,—beren zullen met scherpe tanden de mannen verscheuren, als Goenther niet wederkeert."

Toen reden Goenther en Hagen met weinige mannen heen, maar vele dappere helden geleidden hen tot buiten de poort van den Nevelingenburcht. Daar zeide een zoon van Hagen, die niet verder medeging:

—"Veel geluk op uw reis. Maar weest op uw hoede waarheen uw hart u lokt."

Vol moed lieten zij toen hun brieschende paarden door het onbekende donkere woud draven. Heel Hunnenland daverde, toen de helden daar reden, en de paarden met zweepslagen door het groene bosch heendreven.

Zij kwamen in het land van Atli en zagen de diepe insnijdingen in de tinnen van den burcht, waar Boedli's strijders op stonden. De zaal van dat Zuidervolk was met banken omgeven en rondom stonden er schilden, rand aan rand. In de hal dronk Atli wijn met zijn makkers, en buiten stonden er wachters, en zij zagen uit of Goenther ook kwam om met luid schallende speren den strijd te beginnen tegen den koning.

Weldra zag Goedroen haar broeders naar de zaal komen, en zij zeide:

—"Goenther, gij zijt verraden. Wat wilt gij beginnen, held, tegen de rampzalige listen der Hunnen? Ga spoedig heen uit de hallen. Gij hadt beter gedaan, broeder, wanneer gij in pantsers gekomen waart, dan zoo, met ringen versierde helmen op het hoofd dragend, ten einde Arli te bezoeken. Het ware beter, wanneer gij dagen lang in het zadel gezeten hadt en gereden waart door de felle zon, en geesten liet klagen bij kille lijken, en vechtenden Hunnenvrouwen smaad hadt bereid, en Atli naar een slangengraf gesleept hadt, waarin gij nu wordt geworpen."

Goenther antwoordde:

—"Nu is het te laat om de Nevelingen bij elkander te roepen, het is te ver om mijn mannen tot het gevecht te halen, de onverschrokken helden van den roodrotsigen Rijn."

Toen kwamen de mannen van Atli te voorschijn, en zij riepen:

—"Het was reeds lang besloten uw leven te belagen."

Tevergeefs trachtte Goedroen den vrede te bewaren, en allen riepen:

—"Neen."

Ook vroeg zij aan haar zonen, dat zij den Nevelingen het leven zouden redden, maar deze zeiden:

—"Neen."

Toen ontstond er een groote strijd, waarin alle Nevelingen gedood werden, behalve Goenther en Hagen, en waarin ook velen van Atli's mannen vielen.

Zij namen Goenther gevangen en bonden hem in stevige boeien. Hagen echter sloeg zeven mannen neer en stiet den achtste in een brandend vuur: zoo trachtte hij nog zijn broeder te redden.

Daarop vroegen Atli's mannen aan Goenther, of hij zijn leven koopen wilde met Fafners goud. Goenther echter zeide,—en hij geloofde niet, dat het gebeuren kon—:

—"Als men Hagen het hart uit het lijf snijdt en het bloederig op mijn hand legt, zal ik mijn leven met Fafners goud afkoopen."

Toen sneden Atli's mannen Hialli, den kok van den koning, het hart uit het lijf en legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan. Deze echter zeide:

—"Dat is het hart van den laffen Hialli, het gelijkt niet op het hart van den dapperen Hagen: het beeft te zeer nu het op den schotel ligt, en het beefde nog meer in zijn borst."

Toen sneden Atli's mannen Hagen, den koenen krijgsman, het hart uit het lijf. En Hagen lachte zoo luid, dat heel de wereld het hoorde. En zij legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan.

Deze zeide:

—"Dit is het hart van den dapperen Hagen, het gelijkt niet op het hart van den laffen Hialli: het beeft slechts weinig, nu het op den schotel ligt, en het beefde nog minder in zijn borst. Moge gij, Atli, zoo ver uit het oog van de menschen verdwijnen, als Fafners goud van u verwijderd blijft. Hagen is dood, nu ken ik alleen slechts de plaats, waar het goud ligt. Zoolang wij haar beiden kenden, vreesde ik, dat zij ooit verraden werd,—nu ik alleen ben vrees ik niet meer. De Rijn zal het veel omvochten goud bewaren, dat de Nevelingen van de goden gekregen hebben: in het water schitteren de roode strijdringen beter dan aan de armen van een Hunnenkind."

Daarop zeide Atli:

—"Brengt den wagen voor,—de gevangene is gebonden."

Koning Atli steeg op zijn paard, en deed Goenther met gewapende mannen omringen. Daar kwam Goedroen op de rumoerige binnenplaats van den burcht,—zij bedwong hare tranen,—en zeide:

—"Atli, het moge u gaan naar de wijze waarop gij de eeden houdt, die gij eens aan Goenther hebt gezworen bij de zon in het Zuiden, bij de bergen van Wodan, bij het huis en de ringen van Uller."

Toen sleepten brieschende paarden Goenther, den heer der schatten, in den dood. Levend wierpen de krijgsknechten hem in een groeve, die wemelde van slangen. Maar Goenther sloeg grimmig in de harpesnaren en de slangen sliepen in. Eén slang echter bleef wakker en kroop naar Goenther en stak den held diep in het hart.

Goedroen, die thuis gebleven was, zon in hevige woede op wraak. Zij ging naar hare beide kinderen, die angstig weggekropen waren, en zij zeide tot hen:

—"Ik kom u het leven ontnemen,—dat lust mij sinds lang."

En zij sloeg beiden het hoofd af.

Na den moord op Goenther liet Atli zijn paarden terugdraven naar huis. In den hof was een luid gerucht van stampende paardenhoeven en van het wapengekletter der mannen, die van den moord uit het woud gekomen waren. Goedroen ging haar gemaal te gemoet met een gouden beker, en bood den koning een welkomstdrank aan, en zij zeide tot hem:

—"Mijn koning, neem vol vreugde van Goedroen dezen bloedjongen drank."

Atli ging met de langbaardige krijgers, die van den moord uit het woud gekomen waren, in de groote zaal, en zij dronken veel wijn dien Goedroen hun aanbood, en zij aten de spijzen die Goedroen hun gaf. Atli echter werd bleek als een doode, toen Goedroen hoonend tot hem sprak:

—"Menschenvleesch kunt gij goed verdragen en het schijnt een kostelijke spijs bij dien wijn. Gij hebt de bloederige harten van uw zonen gegeten: ik had ze met honig bereid. Die schalen zijn de schedels van uw kinderen, en van hun bloed brouwde ik den drank, dien ik u bracht. Erp en Eitel zullen niet meer vroolijk op uw knieën spelen, en nooit meer zult gij zien hoe zij speerschachten snijden."

Een luid geschreeuw steeg op in de zaal. De rijk gekleede vrouwen jammerden, het Hunnenvolk huilde en Goedroen zweeg. Zij weende niet om de beide knapen, die haar lieve kinderen waren.

Toen deelde de zwaanwitte Goedroen haar goud uit en gaf roode ringen aan haar dienaren en schonk al haar sieraden weg. Niets spaarde die vrouw uit hare schatkamers.

Atli nu was zeer dronken en hij ging zonder zorg en geheel ongewapend naar bed, en hij nam zich niet in acht voor Goedroen.

Dat was een vroolijker spel, toen zij elkander eens omhelsden! Nu voerde haar vuist een dolk en zij doorstak Atli en zij kleurde zijn bed met zijn bloed.

Atli zeide tot haar:

—"Helden vergezelden u, toen gij kwaamt in mijn burcht, en vele rijkdommen gaf ik u, dertig dienaren en zeven maagden en zilver zonder maat. Gij hebt het aangenomen, alsof het geen waarde had, en het goud van Brunhilde hieldt gij terug."

Toen herinnerde Goedroen zich wederom alles, wat er gebeurd was voor zij Grimhilde's drank had gedronken. En zij dacht weer aan Siegfried en zeide:

—"Siegfried stierf, en weg was al mijn geluk. Diep treurde ik om mijn droevige lot. Maar ik had het nog droeviger in het huis van Atli."

Toen Atli gestorven was, liet Goedroen de honden los en wekte de dienaren. Dan slingerde de vrouw een brandende fakkel in den burcht, en allen, die er in gebleven waren, wijdde zij aan den dood. De oude balken braken en stortten naar beneden, rook sloeg de schatkamers uit, en de strijdvrouwen in Atli's dienst verbrandden met den burcht.

Toen stortte ook Goedroen zich in den laaienden gloed, en verbrandde.

Sommigen echter zeggen, dat Goedroen zich niet in de vlammen wierp, maar dat zij na den dood van Atli naar de zee ging en zich in het water wierp om zich aldus te dooden. Maar zij kon niet verdrinken. Zij dreef over het water en kwam in het land van koning Jonaker en deze trouwde met haar en hun zoon was Erp, dien Goedroen zeer lief had. Koning Jonaker had nog twee andere zonen, die Sorli en Hamdir heetten, doch deze waren kinderen van eene andere vrouw.

Aan het hof van koning Jonaker verbleef ook Zwaanhilde, die de dochter van Goedroen en Siegfried was. En zij was verloofd met Ermanrik den machtige. Bij Ermanrik was Bikki en deze spoorde Randwer, den zoon van den koning, aan, om Zwaanhilde voor zich te nemen. En hij zeide dit toen aan den koning. De koning liet Randwer ophangen en Zwaanhilde door paarden vertrappen.

Den volgenden dag hoorde Goedroen deze droevige daad:—als menschen ontwaken worden weer al hunne zorgen wakker. Zij spoorde haar zonen aan om wraak te nemen en zeide:

—"Blijft gij daar liggen en uw leven verslapen? Hebt gij nog niet genoeg van uw vroolijk gepraat? Het was uwe zuster, Zwaanhilde, die Ermanrik door witte en zwarte en grijze paarden, waar Gothen op reden, vertrappen liet. Nu zijt gij de eenige overgebleven verwanten van mijn geslacht. En ik ben eenzaam als een boom in de woestijn en beroofd van alle vreugde, zooals een boom zijn bladeren verloor als er storm kwam na warme dagen. Slechts weinig gelijkt gij op Goenther, en gij zijt niet zoo heldhaftig als Hagen was. Wanneer gij zoo dapper waart als die beide broeders, zoudt gij heengaan om uw zuster te wreken."

Hamdir antwoordde haar:

—"Hebt gij den moed van Hagen ook zoo geprezen, toen zij Siegfried doodden in het bosch? Zijn moordenaren lachten, terwijl gij bij het lijk zat, maar gij hoordet het niet. Zoo lief had u Goenther! En gij dacht Atli te verderven door Erp en Eitel te dooden, maar gij hebt u zelve niet veel voordeel gedaan. Wel waren de knapen spoedig geslacht, maar nu hadden wij met hem onze zuster kunnen wreken."

En Sorli zeide:

—"Gij betreurt uwe broeders, maar, Goedroen, door uw schuld stortten zij zich in den strijd. Spoedig zult gij ook ons beklagen, want wij rijden onzen ondergang te gemoet en zullen, ver van u, vallen. Geef ons de wapenen van de duitsche vorsten,—gij hebt ons geprikkeld tot den strijd."

Goedroen lachtte en ging in de kamer. Daar haalde zij uit de kisten de helmen van de koningen, en bracht de pantsers aan de zonen. Toen stegen zij te paard en Hamdir zeide:

—"Ik zal niet meer naar moeder wederkeeren, maar door de Gothen worden gedood. Goedroen, dan kunt gij tegelijk voor Zwaanhilde en voor uw beide zonen het doodsmaal bereiden."

De beide koningskinderen reden heen en Goedroen bleef zorgenvol in de zaal achter en weende. Zij dacht aan den droevigen ondergang van haar geslacht, en zij zeide tot zichzelf:

—"Ik heb aan drie haardsteden gezeten en drie mannen gehad, maar Siegfried was mij de liefste van allen. Hem hebben mijn broeders gedood, en nog meer droefheid bereidden zij mij, toen zij mij aan Atli gaven. Ik wilde de woeste Hunnen ter wraakneming roepen, maar ik kon voor de wandaad geen boete verkrijgen. En ik moest mijn kinderen het hoofd afhouwen. Morrend ging ik naar het strand om den vloek van het noodlot af te wasschen. Maar de golven verzwolgen mij niet: zij droegen mij naar een nieuw land om te leven. Daar trouwde ik met een derden man en ik verwachtte vertroosting, toen ik een kind kreeg, dat met Jonakers kinderen mijn schatten en geslacht kon beschermen. Zwaanhilde was mij de liefste van alle meisjes, Zwaanhilde glansde in Goedroens zaal, zooals de schitterende zonnestralen glanzen. Ik had ze met goud gesierd en met schoone gewaden omhangen, voor ik ze naar het land der Gothen zond. Daar heb ik het hardste leed moeten dragen: zij hebben het blonde hoofd van mijn Zwaanhilde door paardenpooten in het stof gestampt. Mij brandt weer de pijn van toen zij Siegfried versloegen, mij steekt weer de smart als de slang die Goenther stak, mij snijdt het in het hart, als toen zij Hagens hart uitsneden."

Toen doorstak Goedroen zich met een zwaard en zeide:

—"Mijn Siegfried, kom nu op uw vlugge grauwe ros tot Goedroen gereden. Weet gij nog, Siegfried, wat wij tot elkander zeiden, toen wij beiden zaten op het bed? Mijn held, gij zoudt eens van Hella tot mij komen, of ik van de aarde tot u. Edelen, richt een hoogen brandstapel op, dat de vlammen langs den hemel lekken. Daar wil ik verbranden, daar wil ik mijn gemartelde hart verbranden."

Toen stierf Goedroen. En de koningskinderen reden door de vochtige bergen en zochten voor Zwaanhilde wraak. Ook Erp was uitgereden, geheel alleen, hij was zonder te morren ter wraakneming uitgereden. Hij ontmoette zijn beide broeders en zeide tot hen:

—"Aan lafaards wijst men den weg tevergeefs."

De broeders hoonden hem en zeiden:

—"Bastaard! Waarin zoudt gij ons kunnen helpen, bruine Neveling?"

Zij trokken de zwaarden uit de scheeden, en zwaaiden ze tot groote vreugde van de doodsgodin. En zij doodden Erp, en de strijd was zoo geweldig, dat het hun een derde deel hunner krachten kostte.

Toen reden zij verder, een weg van verschrikking. Ten westen van den burcht, aan een galg, slingerde bloederig heen en weer in den wind Zwaanhildes verleider, een vreeselijk lokaas voor ravensnavels. In de zaal van den burcht echter was een gegons van drinkers, en deze bemerkten niet, dat er paarden gekomen waren, vóór de torenwachter op den hoorn blies. Toen snelden zij naar Ermanrik en zeiden:

—"Wat zullen wij doen? Daar kwamen machtige mannen, geduchte strijders, wier zuster door uw paarden vertrapt werd."

Ermanrik echter grinnikte, greep naar zijn baard, dronk eens van den beker en wilde zijn strijdkleed niet nemen. En terwijl hij den beker van de eene hand in de andere nam, zeide hij:

—"Ik zal gelukkig zijn Sorli en Hamdir tot gasten te hebben. Ik zal ze met boogpezen binden en de laatste verwanten van Gibichs geslacht aan de galg hangen."

Daar stond een sterke man in de zaal. Hij had slechts één oog en het was Wodan en hij zeide:

—"Houd op met praten. Die twee trachten iets, wat toch niet is te bereiken. Hebben ooit twee mannen duizend Gothen gedood of in een stevigen burcht gevangen genomen?"

Er werd hevig gevochten en er vielen vele Gothen, zooals bekers vallen, die omgeworpen worden. Toen zeide Hamdir:

—"Zijt gij nog zoo gelukkig, Ermanrik, dat wij in uw hallen kwamen? Daar liggen uwe handen en daar liggen uw voeten in het vuur."

Daar sprong de eenoogige krijgsman op, als een leeuw was hij in zijn pantser, en hij zeide:

—"Steenigt die mannen, als geen speer of zwaard hen kan schaden."

Sorli zeide:

—"Wij hebben een onvoorzichtige daad begaan door Erp, Goedroens zoon, te dooden. Als Erp nog leefde, was Ermanriks hoofd nu wel afgehouwen. Nu hebben wij hem gedood op onzen tocht hierheen, dien dapperen krijger, en wij zijn er vermoeid van."

Hamdir antwoordde hem:

—"Maar hevig hebben wij gevochten, en wij staan op lijken van Gothen, zooals gieren op boomtakken staan. Wij hebben roem verworven, al vallen wij ook. En niemand zal den nacht beleven, als de Norne niet wil."

Vóór in de zaal werd toen Sorli gedood, en achter den burcht vielHamdir.

Ortroens klacht

Een man heette Heiderik en hij had een dochter, wier naam Borgni was. Haar geliefde heette Wilmond. Borgni nu moest een kind baren en zij kon niet worden verlost, vóór Ortroen, Atli's zuster, bij haar was gekomen. En Ortroen was de geliefde van den Gibichung Goenther.

Toen Ortroen hoorde, dat de dochter van Heiderik groote smarten leed en niet kon verlost worden, nam zij een paard uit den stal, legde het zelve een zadel op den rug, en reed langs lange wegen, totdat zij aan de hooge koningshallen kwam. Daar nam zij het zadel van het vermoeide paard en ging de groote zaal binnen.

Borgni zeide tot haar:

—"Hier ligt Borgni in bange pijnen. Ortroen, tracht haar te helpen."

Ortroen sprak tot haar:

—"Wie is de koning, die u zulk een smaad heeft berokkend?"

Borgni antwoordde haar:

—"Wilmond noemt men een vriend van den koning, en dezelfde deken dekte hem en de maagd. Lang heb ik het voor vader verborgen gehouden."

Toen zette Ortroen zich voor de vrouw neder en zong haar machtige tooverzangen over Borgni. En spoedig baarde Borgni een jongen en een meisje, en het waren de kinderen van den man, die Hagen doodde, en dien Borgni Wilmond had genoemd.

Zoodra de zieke iets zeggen kon was haar alleréérste woord:

—"Heilige machten mogen u helpen, Ortroen,—Frigga en Freya en vele goden, zooals gij mij geholpen hebt in dit groote gevaar."

Ortroen echter sprak tot haar:

—"Ik zou niet gekomen zijn om u te helpen, want gij hebt het niet verdiend. Toen echter Atli's mannen mij van de mijnen beroofden, heb ik beloofd overal hulp te brengen en mijn belofte hield ik nu."

Borgni antwoordde zeer verwonderd:

—"Wat zijt gij ontdaan. Het is niet verstandig, dat gij zoo verstoord op mij zijt."

Ortroen zeide tot haar:

—"Moest gij na mij dan een zelfde voorbeeld aan meisjes geven?"

Toen zette zij zich vol droefheid neder en klaagde haar leed:

—"In de hallen van een held werd ik opgevoed en ik was de vreugde van vele vrienden. Vijf jaren van mijn jeugd bracht ik bij mijn vader door, en toen is hij gestorven. Maar vóór zijn dood gebood de koning, dat ik met gouden sieraden zou worden omhangen, en als vrouw moest gegeven worden aan Goenther in het zuidelijke land. En hij dacht, dat geen meisje op aarde zoo goed was bezorgd als ik. Toen kwam de overwinnaar van Fafner, en hij drong door tot waar Brunhilde zat. Veel behoef ik u niet te verhalen, gij weet wel hoe het bedrog werd ontdekt. Zij heeft er hard voor moeten boeten, en de heele wereld is het bekend, hoe zij zich zelf bij Siegfried doodde. Toen begon Goenther mij te beminnen zooals een man een vrouw bemint, en aan Atli bood hij vijftien schatten van Fafners goud. Maar Atli wilde die geschenken niet hebben, want hij wilde niet, dat een van Gibich's zonen met Ortroen trouwen zou.

Lang konden wij de liefde niet ontberen en ik omhelsde mijn held. Atli hoorde het van verwanten,—zij konden hun mond niet houden—maar hij geloofde niet, dat Ortroen zulk een daad zou begaan.

Laat toch niemand loochenen, wanneer er liefde in het spel is! Atli zond zijn boden door het donkere bosch naar mij heen,—en zij kwamen, waar zij niet komen moesten, en waar een deken Goenther dekte en mij. Wel gaven wij nog aan de mannen gouden ringen mede, opdat zij zwijgen zouden, maar zij reden spoedig naar huis terug en verhaalden er alles. Alleen Goedroen hoorde er niets van, en het ware voor haar van belang geweest het te weten.

Toen zond Atli boden naar het hof der Gibichungen om hen tot zich te noodigen. En dezen gingen bij mijn broeder op bezoek en zij reden op goudhoevige hengsten. Maar Hagen sneed men het hart uit het lijf en Goenther sleepte men in een slangengroeve.

Op het eiland in de zee kon ik hooren hoe heftig hij in de snaren sloeg: mijn heerlijke held verwachtte mijn hulp. En ik riep al mijn maagden om mijn liefste het leven te redden, en wij zeilden vlak voor den wind over het water, tot wij den burcht van Atli zagen. Juist kroop daar de slang—'t was Atli's moeder—en stak Goenther in het hart, en ik kon mijn held niet helpen.

't Is wonder, dat ik nog langer leven bleef: ik beminde dien man zoo veel als mijzelve.

Nu hebt gij het verhaal van mijn noodlot vernomen. Wat geeft het?—Een ieder leeft naar eigen verlangen."

Dit is het einde van "Ortroens klacht."

De Zang bij den molen

Koning Frodhi had een molen, die Grotti genoemd werd. Deze maalde alles wat hij verlangde, vrede zoowel als goud. De meisjes, die den molen draaiden, heetten Venja en Menja. Koning Frodhi had deze meisjes medegenomen en ze gedwongen hem te dienen. Men bracht haar naar den molen om er den grijzen steen te draaien, en aan geen van beiden gunde de koning rust, en hij was niet tevreden, wanneer hij het dreunend gedaver van den arbeid niet hoorde. Menja zong:

"Wij malen en draaien den molen van geluk voor den koning kostbare gaven. Moge hij rijk zijn en rusten in roem, altijd gelukkig, dan malen wij goed. Dat niemand een ander nadeel berokkene, en al vond men den moordenaar van zijn broeder gevangen, denke toch niemand aan misdaad of moord."

Toen hielden de meisjes op met malen, en Venja zeide:

—"Wij hebben zonder rust gewerkt, nu laten wij den molensteen eens liggen."

Koning Frodhi echter gebood de meisjes nog meer te malen, en hij wilde niet, dat zij langer rusten zouden, dan de koekoek zwijgt, of slechts zoolang men een lied zingt.

En beide meisjes zongen:

"Denkt Frodhi, dat hij een vriend is der Wanen? En dat hij goed uitkeek, toen hij ons kocht? Gij lettet alleen op de kracht van ons lichaam, en onze afkomst overwoogt gij niet. Onze voorvader was de sterke reus Rungnir; hij en zijn vader stammen van Skadi, van Idi en Ornir stammen wij, uit bergenbroeders geboren.

Grotti zou niet uit de rots zijn gekomen;de grauwe steen lage nog in den grond,als wij er niet waren geweest;hier zouden geen meisjes van bergreuzen malen,als iemand onze afkomst kende.

Geweldige vrouwen, uit steengrond gegroeid, speelden wij negen winters te zamen; bij ontzaggelijke werken zag men ons zwoegen: wij rolden de rotsen naar reuzenburcht, stieten de steenen met stevige stammen,— daarvan daverde d' aarde,—en wij duwden bergen naar boven, dat de bodem beefde, tot er steenenstapels in menschenland stonden.

Daarna trokken wij ten strijde. Bij Denenvolk verwachtten wij gevechten, wij joegen er beren, braken er schilden, vermoordden er grauwgepantserde mannen, velden er vorsten, beschermden er velen, gingen met den goeden Gottorm mee en lieten niet af voor het noodlot vervuld was. Bloed spoot er langs onze scherpe speren, vreeselijke wonden verfden ons zwaard: zoo zwierven wij daar vele zomers, tot de koningen ons kenden.

En men voerde ons gevangen naar dit vorstenverblijf meedoogenloos, en moeten nu dienen; wij staan hier in modder en malen moeizaam, malen den vrede voor Frodhi. Mochten wij rusten, mocht toch stilstaan de steen, wij zwoegden zoolang, ware de ellende geëindigd! Maar er is geen rust voor onze rustelooze handen vóór Frodhi meent, dat er genoeg is gemalen.

Daar mogen moorddadige mannen komen met bloeddronken wapenen. Frodhi, ontwaak, ontwaak toch, Frodhi, gij gaat vernemen, wat onze zangen u zeggen zullen.

Wij zien een blakenden brand om den burcht, dat is een voorspelling van komenden strijd; een leger trekt los op uw vreedzame landen en steekt uwen burcht in brand en uw gouden ringen en uw molen van geluk. Wij slingeren den steen nog sneller rond, wij, die uit 't bloed van het slagveld opbloeiden, de meisjes malen nu onvermoeid, want nu nadert de val van vele mannen. Malen Venja! Menja, malen! Reeds storten de sterke stutten inéén rondom den molen; wij malen verder, wij malen een wreker voor koning Frodhi, Yrza's zoon, wier vader is Halfdan;— uit haar geboren is hij haar broeder, wij alleen weten hoe dat wonder gebeurt."

Met groote kracht maalden de meisjes en zij knarsten op de tanden van reuzenwoede. De molenstang kraakte, de molen viel in elkaar. En er kwam een zeekoning, die Mysinger heette. En hij doodde Frodhi, den vredekoning, en roofde den molen. Toen zeide Menja:

—"Zoo hebben wij voor Frodhi gemalen! Nu stonden de meisjes toch lang genoeg aan den steen."

Mysinger echter nam de meisjes mede en hij beval haar om zout te malen. Op een schip maalden zij zooveel zout, als er sneeuw is in den winter. En na middernacht zonk het schip, en sedert dien tijd is er een draaikolk daar, waar de zee door het gat van den molensteen zinkt, en de zee bruist geweldig, terwijl zij daar ronddraait. En daardoor is de zee ook zout geworden.

Eddais de naam van het boek, dat Snorri, de zoon van Sturli, in de 13_de_ eeuw voor ijslandsche dichters samenstelde. Het geeft regels voor versbouw, een beschrijving van de noorsche mythologie en godenverhalen in proza; daarbij bevat het fragmenten van godenliederen in verzen, welke uit oudere handschriften overgenomen zijn.

Zulk een ouder handschrift werd in 1643 door bisschop Brynjolf, zoon van Swend, te Skalholt in het Z. W. van IJsland gevonden. Het perkament bevatte 29 liederen van goden en helden. Brynjolf gaf het den naam, dien het reeds bekende boek van Snorri droeg en noemde ook ditEdda, d. i. dichtkunst. Ten onrechte schreef hij het aan Saemundar den Wijze toe, maar den naam, dien Brynjolf het gaf, heeft het tot heden behouden.

Het handschrift, dat zich in de koninklijke bibliotheek van Kopenhagen bevindt, was in de tweede helft van de 13_de_ eeuw overgeschreven uit een ouder werk, dat in de eerste helft dierzelfde, mogelijk ook reeds in de 12_de_ eeuw ontstaan was. De liederen zelf dateeren—althans in den vorm, waarin zij tot ons kwamen—uit den tijd tusschen 800 en 1250, zijn echter van verschillenden datum, welke voor ieder lied afzonderlijk tot heden nog niet is vastgesteld, evenmin als het land waar zij ontstonden, en dat voor sommige liederen Noorwegen, voor anderen IJsland is, terwijl één der heldenzangen (de Atlamal, waarin uitvoerig de ondergang der Nevelingen aan het hof van Atli en de wraak van Goedroen worden verhaald) waarschijnlijk uit Groenland stamt.

Het is hoofdzakelijk van deze laatste, de poëtische of liederen-, ook wel oude Edda genaamd, dat dit boek de Nederlandsche bewerking bevat. Enkele godenliederen, welke gelijkberechtigd naast die der poëtische Edda mogen staan, doch in andere handschriften voorkomen, nam ik er tevens in op, terwijl ik voor de heldenzangen uit andere bronnen putte wat mij voor een aaneensluitend verhaal wenschelijk voorkwam, en aan de Eddafragmenten ontbreekt.

Deze bewerking houdt tusschen een vertaling en een vrije omwerking het midden. Een vertaling van de Edda schijnt mij, buiten academisch gebruik, in dezen tijd niet meer gewenscht. Voor academici op de eerste plaats is dit boek ook niet geschreven, al hoop ik dan, dat de dank, welken ik aan hooggeleerden verschuldigd ben, door hen, zelfs in den vorm van dit "onwetenschappelijke" werk, welwillend mag worden aanvaard.

De Edda is mij vóór alles een fragmentenverzameling van oud-noorsche kunstliteratuur: daarom liet ik alles, wat ik literair onbelangrijk achtte, aan de belangstelling van anderen over. Waar de dichter der oorspronkelijke liederen zijn mythologische wijsheid lucht, en deze niet behoort tot denwezenlijkeninhoud van het lied, heb ik haar weggelaten of bekort. De volgorde der strofen veranderde ik, waar het mij noodig of wenschelijk scheen, om een aaneensluitend verhaal te verkrijgen, of de dramatische kracht der handeling beter te doen uitkomen. In de Godenliederen geschiedde dit vooral bij Vermomde en Roodspeer, van welk lied de oorspronkelijke tekst in alle uitgaven een strofenvolgorde heeft, welke geen verband houdt met de handeling in het lied;—bij den Zang der Wichelares, waarin ik de geleidelijke, door de zienares aanschouwde, wording en verwording der wereld naar den gang dezer verwording te rangschikken trachtte. In de Levensregels, die Wodan gaf na den zang van zijn Runenlied, liet ik mij zooveel mogelijk leiden door logischen gedachtengang, welke in Havamál, het oorspronkelijk, ontbreekt. Hans von Wolzogen's Eddavertaling (Reclam) hielp mij over vele moeielijkheden heen, en ook ik lichtte, als hij, de verhalende gedeelten Billings Dochter en De Roof van den Regendrank uit het laatstgenoemde Eddalied, en heb ze afzonderlijk behandeld.

Voor de wijze, waarop ik de Heldenzangen en meer in het bizonder de Siegfriedsage bewerkt heb, verwijs ik naar de verklaring, die ik er verder-op van geef.

Maar al is dit boek dan geen vertaling, het wil toch meer zijn dan een mededeeling van inhoud alleen, en zich nauwer aan het oorspronkelijke, als den neerslag van oud-noorschen geest verbinden, dan een vrije omwerking doorgaans doet. Die geest was ingegroeid in de mysteries der Natuur, en toch, stond er zoo vragend tegenover. Wat was het windewaaien in de wouden, de strijd van rijp en ijs en het flakkerende vuur, het sterven van de zon en het weer òpleven der eeuwig-jonge lente,—de geheimenissen van ondergang en altijd hernieuwden wederkeer,—de drakenwolken, die als wolven de zon en de maan verslinden, het dondergedaver over de bergen, die als reuzen zijn? De oud-noorsche geest was de geest van natuurkinderen en helden en wijzen tegelijk. Kon het anders in de koude landen van bergen en ijs en zee, die vol gevaren waren, welke overwonnen moesten worden om te kunnen leven, die vol grilligheden waren en mysteries, waarover te droomen was in de lange nachten bij den schijn van het vlammende Noorderlicht? Die geest moest worden bewaard—ook daar, waar hij zich in de meest bloederige wraakneming uitleven ging, en ik streefde er naar, zooals ik ook trachtte de soms zoo harde taal te benaderen en het stafrijm gebruikte, waar het zich aanbood.

Wat de namen betreft, die in de Edda voorkomen: bijna allen duiden een karaktereigenschap, wezenlijk kenmerk of bizonderheid aan van personen of plaatsen of zaken, die er mede worden genoemd. Ik trachtte ze zooveel mogelijk in nederlandsch weer te geven, waarbij ik op de woordelijke of wezenlijke beteekenis lette. Sommige echter, die door hun grootere bekendheid meer de bizonderheid van namen verkregen, en tegelijk de aanduiding der kenmerkelijkheid meer verloren hebben, liet ik onveranderd, of koos er den naam voor, die in onze germaansche streken bekend was. De Oppergod, dien de oude Noorschen Odinn noemden, heette hier Wodan; de naam Freyer bleef onveranderd. Waar ik echter Wodan niet b.v. de Waaiende noemde, en Freyer niet Heer, heb ik Vafthrudnir, Svipdagr, Geirrodh, enz. die al te onbekend of al te noorsch zouden klinken en onbegrijpelijk zouden zijn, Stormsterk, Dagdrager, Roodspeer, enz. genoemd. Andere weer zette ik in bijvoegelijke naamwoorden om en nam ze in een beschrijving op, opdat een min of meer lange lijst van namen, die niet wezenlijk tot den inhoud of tot het verhaal behoort, zou vermeden worden. Zoo geschiedde in het lied van Vermomde en Roodspeer, waar Vermomde ongeveer veertig namen noemt van stroomen, die uit de bron aan Schrikesch ontspringen; en met de namen der paarden, waarop de goden ter vergadering rijden, en waarvan er tien staan genoemd; en bij de slangen, die Schrikesch' voet omslingeren, en bij de Walkuren, die in Walhalla mede bieden aan de helden.

De godenleer der oude, uit Aziatischen stam gesproten, Germanen duidt velerlei verwantschap aan met de mythologie der volkeren van helleenschen grond. De alleroudste herinneringen waren dan ook gelijk,—nog afgezien van de gelijkheid in alle menschenwezen. Men zette, als voorbeeld, Prometheus, die aan de rots geklonken is maar wiens bevrijding de ondergang zal zijn van Zeus, eens naast den noorschen Loki-Veenrookwolf, die aan stevige banden ligt, maar op den dag der godenschemering zijn boeien zal verbreken om Wodan te verslinden;—vergelijke den verlamden Hephaistos met Weland, den smid, wiens kniepezen doorgesneden zijn. Maar de Germanenstam, die door Rusland naar het hooge Noorden ging en ten slotte IJsland bewoonde, bleef op zijn langen weg, en later in zijn nieuwe land, niet zonder invloed van de volkeren die hem omringden, en van het koude, ruwe klimaat. Van hun wereldbeschouwing en godenopvatting is de Edda de laatste—ook de eenige?—poëtische neerslag. Maar tevens is zij de voornaamste bron voor de kennis van de godenleer der Germanen, die woonden ten Zuiden van de zee. Wat in het Noorden Odinn was, was Wodan hier,—en de naam beteekent hetzelfde,—hun Thor was onze Thonarr. De hamer van den dondergod op het huis bleef in het midden en het Oosten van ons land tot zelfs in dèze tijden een weermiddel tegen den bliksem,—een hoefijzer van Wodans paard voorspelt ook hier geluk,—en op de Veluwe en in Drenthe, waar de grond van Germaansche graven en Germaansche woonplaatsen vol is, heerscht nog menig gebruik, dat de gewoonten en godsdienstplechtigheden onzer voorvaderen—althans aanduidend—bewaart.

De aandacht voor de Godenliederen en Heldensagen der oude Germanen is tot nu toe echter—wat Nederland betreft—vrijwel omsloten gebleven binnen de collegezalen der germanistische universiteitsprofessoren. En wat er, in een kring daarbuiten, die toch altijd nog beperkt bleef, werd bekend, kwam op de muziek van Wagner's "Ring des Nibelungen" hier heen. In Duitschland is dat anders: daar is op de scholen het Nibelungenlied, waarin de oude sage der Nevelingen een nieuwen vorm vond en tot groot nationaal ridderepos werd, gemeen goed van het volk, leesstof op scholen; en de wensch van Schiller, dat het tragische vergaan van het aan goden verwante geslacht een dramatische vervorming mocht beleven, heeft meer dan een te vervullen getracht.

Toch waren,—'t is reeds gezegd—de Noorsche goden ons nietvreemd, want zij waren onze eigen goden, en de middeleeuwscheNibelungendichter deed zijn lied in Nederland geboren worden:Siegfried,—onze Zegevrijt….

Behalve de bewondering voor de poëzie der oude Nooren bracht de liefde voor een geestesleven, dat ook in onze landen eenmaal welig was, mij er toe de Edda-liederen in het Nederlandsch te bewerken. Wat tien eeuwen aan verandering brachten aan de mentaliteit van ons wezen weerhield mij van een vertaling.

De Godenliederenvolgen elkander in de volgorde der groepen van Lente-, Zomer-, en Herfst- en Winterzangen.

De aarde bevindt zich in de macht van den winter als de zonnegod haar ziet. Hij tracht zich met haar te vereenigen, en de bruiloft van zon en aarde is de lente in Bloesemenland. In den winter was er geen onweer: de dondergod was zijn hamer kwijt, maar na lentebegin haalt hij hem terug. Dan komt de zomer met menigvuldige onweders, maar ook met de warmte van de zon, die het graan doet rijpen. Als de zon haar hoogsten stand heeft bereikt, nadert de tijd van den herfst: de tijd van godenondergang. Maar de herleving mag worden verwacht, als in de nieuwe lente de zon opnieuw de aarde zal verwerven. Dat is het mysterie van eeuwige jeugd en wederkeer. Fluisterde Wodan dit geheimzinnige woord in Balder's oor,—was dit het woord, dat winterreus Stormsterk niet kende?

Ondergang en opstanding is de oude, eeuwig-jonge wijsheid, te gelijk het mysterie van het bestaan. En dit mysterie ging van de godenliederen over in de helden-sagen, waaraan het opkomen en vergaan van geslachten ten grondslag ligt. De Welsingen, met Siegfried als heldenkind, stammen van Wodan, en de gunst van den hoogen God ging met Siegfried op de Nevelingen over. Maar Nevelingen vergaan, en als de laatste afstammelingen van het geslacht door Gothenhanden vallen, staat Wodan aan de zijde van de nieuwe menschheid, die meer aan de geschiedenis, dan aan de sage behoort. Wodan was de God, en Siegfried het godenkind der sage. En als het razende Noodlot Siegfried en Goedroen en alle verwanten van beiden heeft gedood, verrijst het historische geslacht der Gothen. In de laatste fragmenten der eddaïsche heldenzangen wordt Diederik van Bern genoemd: "Diederik en Goedroen klaagden elkander hun rampspoed." Zoo loopt er als het ware een lijn van de Godenmythen door de heldensagen naar de geschiedenis: de idee van ondergang en wederkeer.

De zending van Skirnir, den zonnegezant, moge het eerste der lenteliederen zijn. Gerda, de Aarde, bevindt zich in de macht van de winterreuzen, door Wodan als wintergod en de beide doodshonden bewaakt. In het volgende lied is haar verblijf door een omgording van ijs en door den vlammengloed der morgenvuren als van een doodenbrandstapel omgeven.

Freyer, de jonge lentezonnegod, zag en beminde haar en hij zond zijn bode om haar voor zich te verwerven. Gerda-Aarde erkent de macht van de zonnewarmte en de heerlijkheden, welke de liefde van Freyer haar geven zal na al de jammerlijkheden van winterwee, en de bruiloft wordt in Bloesemenland gevierd.

In het lied vanDagdrager en Goudvreugdegaat Freyer zelf uit om het aarde-meisje voor zich te werven. Goudvreugde is Freya, als godin van de aarde, die zich in het gouden graan verheugt. Zij is voorgesteld als de dochter van Slaapdoorn, d. i. van den winter. Zooals de slaapdoorn-treftwijg (zie het motief in de teekening) des avonds alle wezens steekt, "opdat ze rusten zouden", zoo steekt in den nacht van het jaar de winter de aarde in slaap. De sluimerende winteraarde is de dochter van Slaapdoorn, en hij voert macht over haar,—zooals Gerda de dochter was van Gymir, d. i. van de winterzee, waaruit de aarde ontsproot, en in gevangenschap leefde.

Ook hier houdt Wodan-Wintergod als wachter den lichten Freyer tegen, en hun strijd—de strijd tusschen lente en winter—is, op echt noorsche wijze, voorgesteld als een vragen- en antwoordenspel. Daar komt ter sprake, wat de lente van den winter: Dagdrager van Goudvreugde, scheidt: de ijsomgording, Wodan's wakende doodswolven en de wintervuren van den noordelijken hemel.—Weerhaan, die boven op den wereldboom zit, is de zon. Zijn gouden veder, de zonnestraal, moet eens in de aarde zijn weggezonken vóór Sinmara, de aardevrouw, de treftwijg geeft die de aarde in slaap gestoken houdt, en waarmede Weerhaan gedood kan worden, zooals Balder gedood wordt door den misteltak, die in den winter groeit. De vleugels van den gedooden Weerhaan is een kost, waardoor de honden, die Goudvreugde bewaken, hun wacht vergeten. Wie Goudvreugde bevrijden en voor zich verkrijgen wil moet de vleugels van Weerhaan aan de honden geven,—wie Weerhaan dooden wil moet treftwijg hebben,—wie de treftwijg wil verkrijgen moet Weerhaan's zongouden veder aan Sinmara geven, of met andere woorden: wie Weerhaan dooden wil—moet Weerhaan dooden! Gaf hier de oude dichter op wonderlijke wijze aan hoe zwaar de strijd is tusschen lentezon en winteraarde,—of bedroog zijn lust tot vertoon van mythologische kennis zijn wijsheid?

Freyer, de zon, is de heer van de warmte en het nieuw-ontluikende leven, hij is de meester van de koesterende zonnestralen, hij is lentedrager, Dagdrager. Voor hem is de aarde bestemd en Goudvreugde verwachtte hem sinds lang.

Het Freyermotief, met den naam van den zonnegod in runen (germaansche letterteekens) er boven, is de zonne-ever met de gouden borstels op den rug.

Hoe Thonarr zijn hamer terugkreeg, is het lied van den eersten donder. De dondergod was zijn hamer kwijt, en Thrym, (d. i. die veel geraas maakt), de vorst van de Dorstigen,—de winterreus hield dien hamer onder de harde winteraarde verborgen. Dat wist Loge te vertellen, de slimme god van het vuur, die in Freya's wolkige vederenkleed vooruit was gevlogen naar Reuzenland: zoo gaat het schemerige weerlichten in de samengepakte wolken aan den komenden donder vooraf. Thonarr verkleedt zich als Freya, de lichte godin, en gaat naar Thrym, den reus. Loge, de listige, vergezelt hem. Bij het bruidsmaal, dat de reus hun aanbiedt, eet Thonarr twee ossen, en drinkt hij drie emmers mede leeg,—gulzig, zooals de wolken van een zich samenpakkend onweer alle dampen van de aarde opslurpen. Dan breekt het onweer los: Thonarr is weer in het bezit van den hamer.—De Noorsche humor durfde met den populairen dondergod, die de beschermer van de menschen, want groote vijand van de reuzen, van de brutale krachten in de natuur is, wel eens lachen.

Het Thonarr-motief is de hamer, Mjölnir, waarmede de dondergod op de reuzen beukt, van den rondslingerenden bliksem omgeven en Thonarr's naam staat er boven. Het reuzenmotief: de gapende muil, waar de tanden in staan als rotsen om een afgrond. De reuzen zijn de woeste elementen, de tot ontzaggelijke menschwezens gemaakte vormen van het berggevaarte. Zij heetten in het oud-noorsch: Jotnar d. i. eters, Vraten, Thursen, Dorstigen.

Het motief van Loge: de opflikkerende vlam, waarboven in runen de naam: Loge.

InDwerg Weetal wil vrijenis Thonarr de goede god van de landbouw, de weldoener van de boeren. In den winter, toen hij op reis was—'s winters als er geen onweer is, was Thonarr altijd in het Oosten de reuzen aan 't bevechten—had een van de dwergen, die onder de aarde wonen (Innewoonds zonen, zie Vermomde en Roodspeer) macht gekregen over het zaad, dat de dochter van Thonarr is. De hard bevroren bodem hield alle groeikracht gevangen. Zoodra Thonarr terugkwam ging de dwerg tot hem, meenende, dat hij de bruid wel van den vader krijgen zou. 't Was tegen het aanbreken van den dag, 't was in de lente, de morgen van zomertij. De oolijke god hield den dwerg aan den praat, tot de zon over de heuvelen scheen, en de zon doet de dwergen versteenen, zoodra ze op hen schijnt. Zoo verdwijnen de spookgestalten voor het licht, zoo verliest de winter zijn beangstigende macht over het leven.

De sluw-kijkende oogen en de lange neus, die als een smeedhamer op het aanbeeld tikt, daar boven de schitterende edelsteen werden tot een motief van het geslepen, in smeedkunst ervarene onderaardsche dwergenvolk vereenigd,—het geheel den indruk gevend van den nachtuil.

De roof van den regendrankeen lied van den verfrisschenden lenteregen, en van dichterweelde tevens. De reuzen hadden dien drank gestolen en onder de aarde verborgen, en zij plaatsten er Gunnlödh (d. i. die ten strijde draagt, Strijdvreugde) bij als wachteres. Wodan kroop door het gat, dat hij een slang liet knagen, kwam bij Strijdvreugde en bleef drie nachten bij haar. Strijdvreugde liet hem drie teugen drinken van den drank, die in drie ketels werd bewaard, en in iedere teug dronk Wodan een ketel leeg. Hij werd licht als een vogel, zoodra hij den drank gedronken had, waar alle wijsheid en alle dichterkracht in ligt, en hij vloog terug naar Walhalla, als een regenwolk op den wind.

Daar gaf hij den drank weer van zich weg en verheugde de goden, zooals de lenteregen de aarde verfrischt,—zooals dichterschap blijheid brengt in het leven.

InGodentwistvinden wij een wel wat plat en boersch gehouden—lied van den strijd tusschen de zon en het opkomende onweer. Wodan, de éénoogige, is zonnegod, hij draagt den hemelsch-blauwen mantel, maar zijn lange grauwe baard waait erover heen, zooals een wolk waait over het winderige water. Tegenover Thonarr, die verhaalt van zijn krijgsverrichtingen tegen de reuzen en van de weldaden, die hij aan de menschen doet, beroemt Wodan zich op zijn gestoei met vrouwen en meisjes en hoont den dondergod schamper. Nadat hij lang is opgehouden en tevergeefs, vragend en dreigend, trachtte over het water te komen, trekt Thonarr af. Zoo moet ook het onweer, na uitgeraasd te zijn, in een andere richting aftrekken, en is de zon weer meester aan den hemel.

Het Wodan-motief: speerspits, ravenvleugels en oog; Wodan's naam in germaansche runen erboven;—de zwaan als motief van de Walkuren.

Wodans spot over den angst van Thonarr, toen deze zich in een handschoen verborg, doelt op de volgende gebeurtenis: Thonarr kwam, gedurende een reis door Reuzenland, op zekeren avond aan een groote woning, waarvan de ingang zoo breed was als het geheele huis. De Dondergod nam er intrek met zijn dienaar, en toen bij nacht een hevige aardbeving ontstond, verborg hij zich in een zijvertrek, dat zeer ruim was, maar minder groot dan de uitgestrekte zaal. Zoodra het dag was geworden begaf Thonarr zich naar buiten, en zag daar een man slapen, die zoo groot was als het gebergte en wiens snurken de aardbeving veroorzaakt had. Thonarr nam zijn hamer om den man te dooden, doch deze ontwaakte en Thonarr stond voor de eerste maal in zijn leven ontsteld van schrik. De man nam zijn handschoen van den grond; en nu zag Thonarr, dat deze de woning was, waarin hij gedurende den nacht verblijf had gehouden.

Het was Loge, die bij Thonarr's vrouw Sippia "op bezoek" was, en door haar verborgen werd gehouden: zoo wordt gedurende den winter, als er geen onweders zijn, de warmte verborgen gehouden in de aarde, en brandt het vuur in den huiselijken haard. Zie ook Loges verwijt aan Sippia op het Feest bij Egir.

Verhevener, en van grooter dramatische kracht is de onweersmythe in het lied vanVermomde en Roodspeer. Wodan, de door wolken bedekte zon, is als Vermomde in het land gekomen waar Roodspeer, de bliksem, koning is. Wodan is Doodengod, heer van de doodshemden, en daarom durven de honden niet tegen Vermomde blaffen. Maar Roodspeer nam hem gevangen en plaatste hem tusschen wolken, die van bliksemvuur doortrokken waren. Tevergeefs smeekte Vermomde, dat de vuren van hem weggenomen mochten worden: Roodspeer wil het niet. Meer en meer openbaart Vermomde zich in zijn beleeringen, zooals de zon achter de donderwolken zich tracht door te breken tot een nieuw uitzicht op aarde. Vermomde verhaalt van de wonderen der wordende wereld, maar de wijsheid, die hij toont door dat alles te weten, doet hem aan Roodspeer niet kennen als de wijze God. Dan spreekt Vermomde van den wereldboom, van het geheimnisvolle werken des tijdeloozen Levens, van de goden, wier dagelijksche doen hij kent, van de paarden, waarop zij ter vergadering rijden aan Schrikesch' stam. Maar voor Roodspeer blijft Wodan Vermomde. Al meer openbaart Vermomde de geheimen van Godenland, zijn eigen land, beschrijft de burchten van de Asen, die hem allen bekend zijn,—doch Roodspeer herkent den Oppergod niet. Zelfs de zaal van Walhalla, Wodans zaal, zijn honden die hem altijd begeleiden, de raven, die hem op den schouder zitten of uitvliegen om te zien en hem te melden wat ergens ter wereld gebeurt, de helden-meisjes die er mede bieden, alles kent Vermomde als een, die het van nabij heeft gezien, maar de heilige openbaring dringt niet tot Roodspeer door. Zelfs de bekentenis van Vermomde, dat de Walhalla-meisjes ook hèm den beker bieden, gaat Roodspeers hoofd voorbij. Dan noemt Vermomde zijn namen: het zijn de namen van Wodan,—doch slechts zijn woorden: "Vermomde was ik bij Roodspeer, nu ben ik Wodan geworden" slaan Roodspeer den schrik in het hart. Roodspeer staat op om Wodan van de vuren te bevrijden, maar het is te laat. Hij heeft de gunst van de goden verloren, is dronken van schrik, struikelt en doodt zich in zijn eigen zwaard: dat is de laatste bliksemstraal van het onweer. Agnar volgt Roodspeer op in de landen waar deze koning was. Agnar, die eens den regen had gegeven als een verfrisschenden drank, is hier nevengestalte van Wodan, zon. Aan hem geeft Wodan de heerschappij voor zeer langen tijd.

Die lange tijd is de zomer, waarin de zon en de warmte heersenen. Reeds roept Wodan de goden op om het oogstfeest te gaan vieren.

Egiris de god van de zomerzee, maar Hymir, (Gymir) de winterzeegod, regeert nog over het water: Egirs ketel is in Hymirs macht. Beiden, Egir en Hymir, zijn dezelfde reuzengod, lager in rang dan de Asen, en voorgesteld als twee personen. Hymir, de winterzeegod, is de zoon van de vrouw met negenhonderd hoofden—het gebergte dat de zee omgeeft,—voor zijn blik breken de zuilen en doet de ketels naar beneden vallen, zooals de winterzee met storm en kou en ijs de klippen vergruizelt. Als Hymir terugkomt van de jacht is zijn baard bevroren, en hij stapt zoo zwaar, dat de aarde ervan beeft. Om het oogstfeest te kunnen vieren bij Egir gaat Thonarr diens ketel halen: eerst moet de macht van den zomer volkomen heerschen, de ketel moet in het bezit van den zomerzeegod zijn, vóór dat het graan is gerijpt en de oogst kan binnengehaald worden.

Dat de zeegod de gastheer der goden op het oogstmaal is, is niet willekeurig. Zooals naar de voorstelling der oude Germanen het goud ontsproten is uit het water, zoo is ook het graan, het aardegoud, een product van het waterrijk. Men denke o. a. aan den goudroof van Loge in de beek van Andwari, zooals de Siegfriedsage dien verhaalt,—aan Gerda, die dezelfde is als Goudvreugde, de aan graan-goud rijke aarde, die de dochter en gevangene van Hymir heet.

Door Thonarrs kracht en den raad van Tyr komt de ketel in Egirs bezit. Tyr was waarschijnlijk de oude, door Wodan later verdrongen hemelgod, en zijn naam staat in verband met het grieksche Zeus, en het indische Dyaus, dat "hemel" beteekent (Tyr = Ziu = Tîw) Thonarr en Tyr zijn de machten van den zomer, zijn beiden ook strijdende goden. Dat in dit lied Thonarr meer op den voorgrond treedt dan Tyr, mag verklaard worden uit de voorstelling der Germanen, voor wie Thonarr de sterke bestrijder van de reuzen, der landbouw vijandige machten was, aan wien het dus wel was toevertrouwd den ketel bij Hymir te halen, opdat het oogstfeest kon worden gevierd.

Op hetFeest bij Egiris de zaal met goud verlicht: alles is vol graan en zomerweelde.

Maar de macht van den zomer is op het hoogste gekomen: Loge bespot alle goden en is hun zeer lastig. Aan allen, goden en godinnen, verwijt hij op dit feest van vruchtenrijpheid hun liefdesavonturen, en niemand blijft voor zijn spot gespaard. Maar dan komt Thonarr en jaagt Loge heen: zooals het laatste onweer in den zomer de hitte verdrijft. Loge gaat, maar met een onheilspellende bedreiging aan Egir,—reeds had hij Thonarr bespot, dat zelfs hij den wolf niet kon dooden, waardoor Wodan eens zou verslonden worden. In den tijd van den graanoogst komen zoo de teekenen van den herfst, het begin van den winter,—nadert de godenondergang. Wel bonden de goden Loge nog met stevige banden en lieten gif druipen op zijn hoofd, maar hij schudde zich zoo hevig, dat de aarde er van beefde. Het zal niet lang meer duren, vóórdat de aardbeving de banden der vernietiging verbreekt, die over de goden komen gaat.

Wodan bij de waarzegster.—Balder is de zon op haar hoogste punt, dan gaan de dagen korten, buigt de aarde zich naar den herfsttijd. Balder had van ondergang gedroomd: de goden werden beangst voor de schemering van hun levensdag.

Toen de goden hoorden, dat Balder's leven in gevaar was, liet Frigga alle wezens een eed zweren, dat zij hem geen nadeel zouden doen. Een misteltakje echter, dat in het Oosten van Walhalla groeide, weigerde dien eed af te leggen. Loge kwam dit door list te weten en, naijverig op de onschendbaarheid van Balder, besloot hij dit middel te gebruiken om hem te dooden. Hij plukte den misteltak, en terwijl de goden zich ermede vermaakten allerlei wapenen naar Balder te werpen, waarvan geen enkele hem wonden kon, spoorde Loge den blinden Hader aan, zich onder de spelers te begeven. Hij gaf hem den misteltak als wapen in de hand,—Hader wierp naar Balder, trof en doodde hem. Balder werd verbrand en Wodan legde op zijn brandstapel een ring, waaruit in iederen negenden nacht acht nieuwe ringen dropen,—en hij fluisterde hem een woord in het oor. Toen zonden de goden gezanten naar Hella om haar te vragen Balder toch terug te geven aan het leven, want alle goden en de geheele wereld treurden om hem. Hella stemde toe, op voorwaarde, dat alle wezens, zonder uitzondering, over Balder's dood zouden weenen. De goden zonden dan boden uit over de wereld om alle wezens, bezielde en onbezielde, tot tranen te bewegen. En allen weenden, behalve Thökk, de winterdonkere reuzevrouw. Balder kon niet uit Hella's macht worden verlost.

Van dezen droevigen ondergang hadden de goden een bang vermoeden gekregen door Balder's beangstigenden droom. Wodan gaat naar de waarzegster om haar de verklaring van hun angst te vragen. Daar verneemt hij welk onafwendbaar onheil Balder en de goden dreigt. Maar ook voorspelt zij hem de geboorte van een kind,—de nieuwe zon, die ten tijde van den winter, in den langsten nacht, als wreker van den dooden Balder zal geboren worden, en het begin zal zijn van een nieuwen tijd. Aan Wodan's vraag, wie niet wil weenen, herkent de waarzegster hem als Wodan zelf, en zij weigert meer te zeggen: het noodlot zal voltrokken worden, de goden zullen ondergaan. Dan verwijt Wodan haar, dat zij zelve is de vrouw, die niet wil weenen, de hard-bevroren koude aarde, wintermoeder.

Het lied eindigt met den spot van de waarzegster, die Wodan's naderenden ondergang ziet: "wees Overwinnaar". Maar de spotnaam sluit een voorspelling in zich: eens zal Wodan Overwinnaar zijn: eens zal een nieuwe lichtmacht over de duisternis zegevieren.

HetVoorspelliedvan het einde wordt gezongen: het is herfst. Idoena zit aan den voet van Schrikesch, en zwijgt. Zij is het beeld van stille, droeve herfstdagen, als de bladeren van de boomen gevallen zijn, en de regen stil en onafgebroken stroomt. Niets kunnen de godsgezanten van de treurende te weten komen, en na vergeefsche pogingen keeren zij naar Walhalla terug. Alleen Bragi blijft bij Idoena achter en zwijgt als zij: de vogelenliederen zijn verstomd. De goden zaten nog aan den maaltijd, verlangend te weten hoe het naderende onheil kon worden afgewend, en Wodan vroeg nog één nacht te beraden.

De zon daalt achter de bergen, waar reeds koude nevel hangt,—zwijgend gaan de goden uit elkaar. Nog eenmaal komt een glorierijke, kleurenweelderige herfstdag over de aarde, maar reeds houdt Helderwit den hoorn, waarmede de goden tot den laatsten strijd worden opgeroepen.

Billings dochteris de aarde, en tevergeefs werft Wodan om haar. Zij weert hem af met wintervuren en de fakkels van den noorschen winternacht en den wolf van den winter. Wodans macht gaat ten einde.

Wodan'swoordenstrijdbij Stormsterk, is weer zoo een echt noorsch skaldenspel van wijsheid, waarin, naar vragen en antwoorden, de germaansche godenleer en wereldbeschouwing besproken wordt. Stormsterk is onder de reuzen wat Wodan onder de Asen is, de grootste en machtigste van allen. Beider namen zijn verwant: Vafthrudnir is de krachtig-waaiende, Wodan de waaiende lucht, de alles vullende. Stormsterk is wintergeweld, Wodan is zomermacht. De wedstrijd in wijsheid wordt door Wodan gewonnen: 't is een voorteeken van het komende herstel na godenondergang. Wodan wint om een woord, dat Stormsterk niet kende, het woord dat Wodan eens in het oor van Balder fluisterde, toen deze op den brandstapel lag.

DeWereldzang der wichelaresis als een groote aanschouwing van worden en vergaan,—de mythe van het jaar gezien als de mythe van het geheele wereldleven. De zienares spreekt van wat hare extatische oogen van verleden en heden en toekomst doorschouwen in een ondeelbaar eeuwigheidsmoment: het in den tijd zich uitwerkende, in wezen tijdelooze leven van de Lichtmacht, Alvader der wereld. Zij zelf staat buiten de tijden, buiten de ruimten. Alle werelden zijn haar bekend, liggen open voor haar oogen.

Als een boom is het wereldleven, diep geworteld in de geheimenissen van den oergrond, waar de wondere bronnen zijn, waaruit alle worden ontspringt, waar de vrouwen geboren zijn, die het leven weven van alle wezens op de aarde,—hoog in den hemel is zijn kruin, die als de wolkenlucht de wereld omvat, en waarin de zon woont als een vogel.

In den beginne was de Wijde Gaping. Aan het Zuiden daarvan strekte Vuurland zich uit,—in het Noorden was Nevelland. In Nevelland lag Ruischkolk, waaruit de twaalf Hagelstroomen ontsprongen, die het geheele noordelijke deel van Wijde Gaping vulden met ijs. Doch uit Vuurland vlogen vonken over, en zij gaven warmte aan het ijs, dat afdroop. Daaruit ontstond het eerste leven, Ruischreus, en hij voedde zich met de melk van de koe, die Vochtrijk heette, en ook uit ijs geboren was. De koe, de vruchtbare, likte aan de ijsblokken, en daaruit kwam Buri, de Barende, op de wereld, wiens zoon Borr, de Geborene, was. Van dezen waren Wodan, Will en Wei de zonen. Zij doodden Ruischreus en schiepen uit hem hemel en aarde en zeeën, en zij maakten Midgaarde in het midden en plaatsten er boomen in en gras, en daarboven slingerden zij de lichtende schijven aan den hemel en gaven haar banen en ordenden den dag en den nacht en maanden en jaren.

Toen verlangden de goden naar goud, dat stamt uit het diepe waterrijk, en de noodlotsvrouwen stegen op uit de ondergeheimenissen van de wereld. Met de begeerte naar goud kwam zondenschuld, het leed van de menschen, die op aarde geschapen waren, strijd, oorlog, broedermoord. Tegen de goden stormden de Wanen ten strijde, en de Reuzen bouwden hun een burcht, maar vroegen de goud-lichte Freya als loon. Toen daverde Thonarr's hamer zijn toornige slagen neer op de krachten, die naar vernietiging streven.

Ook in Asengaarde, waar de goden eens zoo gelukkig waren geweest, kwam afgunst en moord: Loge's nijd deed den blinden Hader Balder dooden. Het was stormentijd, wolventijd, vóór de wereld vergaat.

Wodan had aan Mimir's bron een oog geofferd, om te mogen drinken van het wijsheidswater, en de Wanen hadden Mimir gedood en zijn hoofd naar de Asen gezonden. Wodan mompelt met Mimirs hoofd, wanneer hij vragend staat voor het wonderlijke gebeuren der dingen.

Reeds nadert de godenschemering, het wereldeinde is nabij. De wolven in IJzerwoud zijn groot gegroeid, Helderwits hoorn roept de helden van Walhalla ten strijde voor de goden. Van alle kanten uit den diepen grond en uit den hoogen hemel is de vernietiging losgebroken. Wodan wordt verslonden door den wolf, die zijn banden verbrak, Freyer vecht met den zwarten Rook uit het Zuiden, en valt,—Thonarr strijdt met de wereldslang, en beiden vallen. De wereld is ten einde,—'t is winter-eeuw.

Maar weer komt de lente van een nieuwen tijd, eeuwig groen groeit op de aarde. Nu zal er altijd vrede zijn, en de arend aast niet meer op lijken, maar op de visschen van de zee. De goden komen op de Velden van Geluk: Widar, de wreker van Wodan, zijn vader, en Vali, die, één nacht van den winter oud, Balders dood gewroken heeft, en Moed en Kracht, de zonen van Thonarr, die Mjölnir bezitten, en Balder zelf en Hader, die nu in goede gezindheid leven, en Henir, die als gijzelaar van de Asen bij de Wanen was en nu wederkeert onder de goden. Zoo zijn weer Asen en Wanen verzoend, en alle ellende is geëindigd.


Back to IndexNext