Boek II.

Boek II.De val.Eerste hoofdstuk.De avond na een dagreize.In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze manmoest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4denMaart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.”De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:„Wat wenscht mijnheer?”„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.”De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde:„Hier is geld.”„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud.Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan.„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.„Aanstonds,” zei de hospes.Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?”„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:„Ik kan u niet herbergen.”De man richtte zich ten halve op.„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”„Daarom is ’t niet.”„Waarom dan?”„Ge hebt geld...”„Ja,” zei de man.„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.”De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.”„Dat kan niet.”„Waarom?”„De stal is geheel vol paarden.”„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.”„Ik kan u niet te eten geven.”Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide:„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.”„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”„Dat alles is besteld.”„Door wie?”„Door de voerlieden.”„Met hoevelen zijn ze?”„Met hun twaalven.”„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”De man ging weer zitten en zeide zonder drift:„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier:„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken.De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken.Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open.„Wie is dáár?” vroeg de waard.„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”„Goed. Men kan hier slapen en eten.”Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide engewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch.Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide:„Ge moet u dadelijk voortmaken.”De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:„Zoo! weet ge?”„Ja.”„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”„En men jaagt u uit deze.”„Waarheen moet ik dan gaan?”„Waar ge wilt.”De man nam zijn stok en ransel en ging heen.Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?”Een stem antwoordde:„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.”Het raampje werd gesloten.Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hingeenjachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte.Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden.Zacht klopte hij tegen de glasruit.Men hoorde niet.Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”„Neen,” antwoordde de man.Ten derden male klopte de vreemde.De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?”„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?”„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Er is geen plaats.”„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?”„Ja.”„Nu?”De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.”„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut geweest?”De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.”Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering:„Zoudt gij soms die man zijn?”Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde.Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide:„Ga heen!”„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!”„Een geweerschot!” zei de boer.Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenbliklater werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd.Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.Hij lag in een hondenhok!Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden.Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten.Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op.Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren.Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen.„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R.„Op deze bank?” hernam zij.„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.”„Zijt gij soldaat geweest?”„Ja, goede vrouw, soldaat.”„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Wijl ik geen geld heb.”„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.”„Schenk ze mij.”De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.”„Ik heb overal aangeklopt.”„En?”„Men heeft mij overal weggejaagd.”De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis.„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”„Ja.”„Hebt ge dáár aangeklopt?”„Neen.”„Klop daar dan aan.”Tweede hoofdstuk.Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard.Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan deRomeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden.Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag.Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine.Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in eenpuce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als eenboerin, en mejuffrouw Baptistine als eendame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje,à l’enfantverborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlipwas, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren.Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, „bovenal de voordeuren.”Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op ’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder te mishagen, bedeesd te vragen:„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?”„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat doorhetvuur beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar bedreigd?”Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk gezicht.„Waarlijk?” zei de bisschop.Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij zegevierend voort:„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw zegt het ook...”„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.„Binnen,” riep de bisschop.Derde hoofdstuk.Heldenmoed der lijdelijke gehoorzaamheid.De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.Een man trad binnen.Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken.Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. ’t Was een onaangename verschijning.Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met open mond te beven.Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder volkomen kalm en onbezorgd.De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te wachten tot de bisschop sprak:„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan ’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goedeGod was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik blijven?”„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een persoon.”De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. „Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. „Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, ’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?”„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens op het bed in de alkoof.”Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide vrouwen was.Magloire ging om het bevel te volvoeren.De bisschop zeide nu tot den man:„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, die mij hierheen heeft gewezen!Ik zal eten! Een bed met matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de bisschop.„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog niet gezien!”Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine zag hem met deelneming aan. Hij hernam:„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?”„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”„En vijftien sous,” voegde de man er bij.„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, om dat geld te verdienen?”„Negentien jaren.”„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen zucht.De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop.”Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open was gebleven.Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t op de tafel.„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?”Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met brandende kaarsen op de tafel plaatste.„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en zeide:—„Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”De man opende wijd de oogen, en vroeg:„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn broeder.”„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat ik heb; ’t is over.”De bisschop zag hem aan en zeide:„Gij hebt veel geleden?”„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over hetbeschreid gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer.”Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn bijgevoegd.Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn linkerzijde.De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, ieder van soep. De man at gulzig.Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op tafel ontbreekt.Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t welk aan de armoede waardigheid verleende.Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.Vierde hoofdstuk.Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier.Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschenden galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn broeder antwoordde:„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor moeten zijn.”„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn broeder.„Een oogenblik later liet hij er op volgen:„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.„Ik geloof, dat de man zoo zeide.„Toen vervolgde hij:„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?„Ik antwoordde:„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt eenzeer aartsvaderlijke en schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zijgrurinnoemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets vleiends voor mij.„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van dengrurin(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in hethart mijns broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van ’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, zonder een woord te spreken.”

Boek II.De val.Eerste hoofdstuk.De avond na een dagreize.In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze manmoest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4denMaart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.”De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:„Wat wenscht mijnheer?”„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.”De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde:„Hier is geld.”„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud.Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan.„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.„Aanstonds,” zei de hospes.Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?”„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:„Ik kan u niet herbergen.”De man richtte zich ten halve op.„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”„Daarom is ’t niet.”„Waarom dan?”„Ge hebt geld...”„Ja,” zei de man.„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.”De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.”„Dat kan niet.”„Waarom?”„De stal is geheel vol paarden.”„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.”„Ik kan u niet te eten geven.”Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide:„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.”„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”„Dat alles is besteld.”„Door wie?”„Door de voerlieden.”„Met hoevelen zijn ze?”„Met hun twaalven.”„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”De man ging weer zitten en zeide zonder drift:„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier:„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken.De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken.Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open.„Wie is dáár?” vroeg de waard.„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”„Goed. Men kan hier slapen en eten.”Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide engewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch.Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide:„Ge moet u dadelijk voortmaken.”De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:„Zoo! weet ge?”„Ja.”„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”„En men jaagt u uit deze.”„Waarheen moet ik dan gaan?”„Waar ge wilt.”De man nam zijn stok en ransel en ging heen.Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?”Een stem antwoordde:„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.”Het raampje werd gesloten.Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hingeenjachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte.Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden.Zacht klopte hij tegen de glasruit.Men hoorde niet.Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”„Neen,” antwoordde de man.Ten derden male klopte de vreemde.De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?”„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?”„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Er is geen plaats.”„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?”„Ja.”„Nu?”De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.”„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut geweest?”De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.”Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering:„Zoudt gij soms die man zijn?”Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde.Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide:„Ga heen!”„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!”„Een geweerschot!” zei de boer.Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenbliklater werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd.Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.Hij lag in een hondenhok!Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden.Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten.Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op.Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren.Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen.„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R.„Op deze bank?” hernam zij.„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.”„Zijt gij soldaat geweest?”„Ja, goede vrouw, soldaat.”„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Wijl ik geen geld heb.”„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.”„Schenk ze mij.”De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.”„Ik heb overal aangeklopt.”„En?”„Men heeft mij overal weggejaagd.”De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis.„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”„Ja.”„Hebt ge dáár aangeklopt?”„Neen.”„Klop daar dan aan.”Tweede hoofdstuk.Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard.Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan deRomeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden.Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag.Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine.Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in eenpuce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als eenboerin, en mejuffrouw Baptistine als eendame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje,à l’enfantverborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlipwas, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren.Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, „bovenal de voordeuren.”Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op ’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder te mishagen, bedeesd te vragen:„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?”„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat doorhetvuur beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar bedreigd?”Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk gezicht.„Waarlijk?” zei de bisschop.Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij zegevierend voort:„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw zegt het ook...”„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.„Binnen,” riep de bisschop.Derde hoofdstuk.Heldenmoed der lijdelijke gehoorzaamheid.De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.Een man trad binnen.Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken.Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. ’t Was een onaangename verschijning.Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met open mond te beven.Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder volkomen kalm en onbezorgd.De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te wachten tot de bisschop sprak:„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan ’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goedeGod was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik blijven?”„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een persoon.”De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. „Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. „Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, ’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?”„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens op het bed in de alkoof.”Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide vrouwen was.Magloire ging om het bevel te volvoeren.De bisschop zeide nu tot den man:„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, die mij hierheen heeft gewezen!Ik zal eten! Een bed met matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de bisschop.„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog niet gezien!”Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine zag hem met deelneming aan. Hij hernam:„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?”„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”„En vijftien sous,” voegde de man er bij.„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, om dat geld te verdienen?”„Negentien jaren.”„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen zucht.De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop.”Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open was gebleven.Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t op de tafel.„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?”Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met brandende kaarsen op de tafel plaatste.„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en zeide:—„Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”De man opende wijd de oogen, en vroeg:„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn broeder.”„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat ik heb; ’t is over.”De bisschop zag hem aan en zeide:„Gij hebt veel geleden?”„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over hetbeschreid gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer.”Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn bijgevoegd.Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn linkerzijde.De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, ieder van soep. De man at gulzig.Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op tafel ontbreekt.Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t welk aan de armoede waardigheid verleende.Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.Vierde hoofdstuk.Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier.Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschenden galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn broeder antwoordde:„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor moeten zijn.”„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn broeder.„Een oogenblik later liet hij er op volgen:„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.„Ik geloof, dat de man zoo zeide.„Toen vervolgde hij:„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?„Ik antwoordde:„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt eenzeer aartsvaderlijke en schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zijgrurinnoemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets vleiends voor mij.„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van dengrurin(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in hethart mijns broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van ’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, zonder een woord te spreken.”

Eerste hoofdstuk.De avond na een dagreize.In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze manmoest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4denMaart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.”De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:„Wat wenscht mijnheer?”„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.”De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde:„Hier is geld.”„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud.Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan.„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.„Aanstonds,” zei de hospes.Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?”„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:„Ik kan u niet herbergen.”De man richtte zich ten halve op.„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”„Daarom is ’t niet.”„Waarom dan?”„Ge hebt geld...”„Ja,” zei de man.„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.”De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.”„Dat kan niet.”„Waarom?”„De stal is geheel vol paarden.”„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.”„Ik kan u niet te eten geven.”Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide:„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.”„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”„Dat alles is besteld.”„Door wie?”„Door de voerlieden.”„Met hoevelen zijn ze?”„Met hun twaalven.”„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”De man ging weer zitten en zeide zonder drift:„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier:„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken.De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken.Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open.„Wie is dáár?” vroeg de waard.„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”„Goed. Men kan hier slapen en eten.”Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide engewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch.Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide:„Ge moet u dadelijk voortmaken.”De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:„Zoo! weet ge?”„Ja.”„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”„En men jaagt u uit deze.”„Waarheen moet ik dan gaan?”„Waar ge wilt.”De man nam zijn stok en ransel en ging heen.Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?”Een stem antwoordde:„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.”Het raampje werd gesloten.Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hingeenjachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte.Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden.Zacht klopte hij tegen de glasruit.Men hoorde niet.Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”„Neen,” antwoordde de man.Ten derden male klopte de vreemde.De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?”„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?”„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Er is geen plaats.”„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?”„Ja.”„Nu?”De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.”„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut geweest?”De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.”Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering:„Zoudt gij soms die man zijn?”Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde.Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide:„Ga heen!”„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!”„Een geweerschot!” zei de boer.Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenbliklater werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd.Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.Hij lag in een hondenhok!Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden.Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten.Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op.Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren.Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen.„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R.„Op deze bank?” hernam zij.„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.”„Zijt gij soldaat geweest?”„Ja, goede vrouw, soldaat.”„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Wijl ik geen geld heb.”„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.”„Schenk ze mij.”De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.”„Ik heb overal aangeklopt.”„En?”„Men heeft mij overal weggejaagd.”De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis.„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”„Ja.”„Hebt ge dáár aangeklopt?”„Neen.”„Klop daar dan aan.”

Eerste hoofdstuk.De avond na een dagreize.

In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze manmoest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4denMaart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.”De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:„Wat wenscht mijnheer?”„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.”De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde:„Hier is geld.”„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud.Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan.„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.„Aanstonds,” zei de hospes.Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?”„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:„Ik kan u niet herbergen.”De man richtte zich ten halve op.„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”„Daarom is ’t niet.”„Waarom dan?”„Ge hebt geld...”„Ja,” zei de man.„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.”De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.”„Dat kan niet.”„Waarom?”„De stal is geheel vol paarden.”„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.”„Ik kan u niet te eten geven.”Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide:„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.”„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”„Dat alles is besteld.”„Door wie?”„Door de voerlieden.”„Met hoevelen zijn ze?”„Met hun twaalven.”„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”De man ging weer zitten en zeide zonder drift:„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier:„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken.De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken.Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open.„Wie is dáár?” vroeg de waard.„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”„Goed. Men kan hier slapen en eten.”Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide engewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch.Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide:„Ge moet u dadelijk voortmaken.”De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:„Zoo! weet ge?”„Ja.”„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”„En men jaagt u uit deze.”„Waarheen moet ik dan gaan?”„Waar ge wilt.”De man nam zijn stok en ransel en ging heen.Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?”Een stem antwoordde:„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.”Het raampje werd gesloten.Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hingeenjachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte.Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden.Zacht klopte hij tegen de glasruit.Men hoorde niet.Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”„Neen,” antwoordde de man.Ten derden male klopte de vreemde.De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?”„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?”„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Er is geen plaats.”„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?”„Ja.”„Nu?”De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.”„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut geweest?”De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.”Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering:„Zoudt gij soms die man zijn?”Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde.Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide:„Ga heen!”„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!”„Een geweerschot!” zei de boer.Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenbliklater werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd.Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.Hij lag in een hondenhok!Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden.Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten.Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op.Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren.Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen.„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R.„Op deze bank?” hernam zij.„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.”„Zijt gij soldaat geweest?”„Ja, goede vrouw, soldaat.”„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”„Wijl ik geen geld heb.”„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.”„Schenk ze mij.”De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.”„Ik heb overal aangeklopt.”„En?”„Men heeft mij overal weggejaagd.”De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis.„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”„Ja.”„Hebt ge dáár aangeklopt?”„Neen.”„Klop daar dan aan.”

In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.

Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.

Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze manmoest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4denMaart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.

Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.”

De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.

De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:

„Wat wenscht mijnheer?”

„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.

„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.”

De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde:

„Hier is geld.”

„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.

De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud.

Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan.

„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.

„Aanstonds,” zei de hospes.

Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.

De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?”

„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.

De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:

„Ik kan u niet herbergen.”

De man richtte zich ten halve op.

„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”

„Daarom is ’t niet.”

„Waarom dan?”

„Ge hebt geld...”

„Ja,” zei de man.

„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.”

De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.”

„Dat kan niet.”

„Waarom?”

„De stal is geheel vol paarden.”

„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.”

„Ik kan u niet te eten geven.”

Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide:

„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.”

„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.

De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”

„Dat alles is besteld.”

„Door wie?”

„Door de voerlieden.”

„Met hoevelen zijn ze?”

„Met hun twaalven.”

„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”

„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”

De man ging weer zitten en zeide zonder drift:

„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”

Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”

De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:

„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”

Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier:

„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.

Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.

Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.

Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken.

De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.

’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.

De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken.

Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.

De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open.

„Wie is dáár?” vroeg de waard.

„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”

„Goed. Men kan hier slapen en eten.”

Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.

De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”

Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide engewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.

Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch.

Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.

De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide:

„Ge moet u dadelijk voortmaken.”

De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:

„Zoo! weet ge?”

„Ja.”

„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”

„En men jaagt u uit deze.”

„Waarheen moet ik dan gaan?”

„Waar ge wilt.”

De man nam zijn stok en ransel en ging heen.

Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.

Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.

„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?”

Een stem antwoordde:

„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.”

Het raampje werd gesloten.

Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hingeenjachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte.

Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden.

Zacht klopte hij tegen de glasruit.

Men hoorde niet.

Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”

„Neen,” antwoordde de man.

Ten derden male klopte de vreemde.

De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.

’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.

„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?”

„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.

De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?”

„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?”

„Er is geen plaats.”

„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?”

„Ja.”

„Nu?”

De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.”

„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut geweest?”

De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.”

Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering:

„Zoudt gij soms die man zijn?”

Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.

Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde.

Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide:

„Ga heen!”

„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!”

„Een geweerschot!” zei de boer.

Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenbliklater werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd.

Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.

Hij lag in een hondenhok!

Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.

Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden.

Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!

Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten.

Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.

Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.

De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.

Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.

’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.

Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op.

Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren.

Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.

Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen.

„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.

Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”

De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R.

„Op deze bank?” hernam zij.

„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.”

„Zijt gij soldaat geweest?”

„Ja, goede vrouw, soldaat.”

„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”

„Wijl ik geen geld heb.”

„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.”

„Schenk ze mij.”

De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.”

„Ik heb overal aangeklopt.”

„En?”

„Men heeft mij overal weggejaagd.”

De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis.

„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”

„Ja.”

„Hebt ge dáár aangeklopt?”

„Neen.”

„Klop daar dan aan.”

Tweede hoofdstuk.Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard.Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan deRomeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden.Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag.Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine.Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in eenpuce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als eenboerin, en mejuffrouw Baptistine als eendame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje,à l’enfantverborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlipwas, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren.Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, „bovenal de voordeuren.”Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op ’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder te mishagen, bedeesd te vragen:„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?”„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat doorhetvuur beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar bedreigd?”Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk gezicht.„Waarlijk?” zei de bisschop.Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij zegevierend voort:„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw zegt het ook...”„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.„Binnen,” riep de bisschop.

Tweede hoofdstuk.Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard.

Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan deRomeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden.Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag.Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine.Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in eenpuce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als eenboerin, en mejuffrouw Baptistine als eendame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje,à l’enfantverborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlipwas, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren.Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, „bovenal de voordeuren.”Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op ’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder te mishagen, bedeesd te vragen:„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?”„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat doorhetvuur beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar bedreigd?”Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk gezicht.„Waarlijk?” zei de bisschop.Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij zegevierend voort:„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw zegt het ook...”„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.„Binnen,” riep de bisschop.

Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan deRomeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.

Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden.

Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.

Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag.

Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine.

Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.

Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in eenpuce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als eenboerin, en mejuffrouw Baptistine als eendame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje,à l’enfantverborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlipwas, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!

Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren.

Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.

Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, „bovenal de voordeuren.”

Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op ’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder te mishagen, bedeesd te vragen:

„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?”

„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat doorhetvuur beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:

„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar bedreigd?”

Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk gezicht.

„Waarlijk?” zei de bisschop.

Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij zegevierend voort:

„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw zegt het ook...”

„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”

Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:

„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.

„Binnen,” riep de bisschop.

Derde hoofdstuk.Heldenmoed der lijdelijke gehoorzaamheid.De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.Een man trad binnen.Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken.Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. ’t Was een onaangename verschijning.Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met open mond te beven.Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder volkomen kalm en onbezorgd.De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te wachten tot de bisschop sprak:„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan ’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goedeGod was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik blijven?”„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een persoon.”De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. „Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. „Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, ’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?”„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens op het bed in de alkoof.”Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide vrouwen was.Magloire ging om het bevel te volvoeren.De bisschop zeide nu tot den man:„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, die mij hierheen heeft gewezen!Ik zal eten! Een bed met matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de bisschop.„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog niet gezien!”Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine zag hem met deelneming aan. Hij hernam:„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?”„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”„En vijftien sous,” voegde de man er bij.„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, om dat geld te verdienen?”„Negentien jaren.”„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen zucht.De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop.”Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open was gebleven.Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t op de tafel.„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?”Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met brandende kaarsen op de tafel plaatste.„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en zeide:—„Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”De man opende wijd de oogen, en vroeg:„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn broeder.”„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat ik heb; ’t is over.”De bisschop zag hem aan en zeide:„Gij hebt veel geleden?”„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over hetbeschreid gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer.”Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn bijgevoegd.Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn linkerzijde.De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, ieder van soep. De man at gulzig.Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op tafel ontbreekt.Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t welk aan de armoede waardigheid verleende.Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.

Derde hoofdstuk.Heldenmoed der lijdelijke gehoorzaamheid.

De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.Een man trad binnen.Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken.Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. ’t Was een onaangename verschijning.Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met open mond te beven.Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder volkomen kalm en onbezorgd.De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te wachten tot de bisschop sprak:„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan ’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goedeGod was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik blijven?”„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een persoon.”De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. „Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. „Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, ’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?”„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens op het bed in de alkoof.”Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide vrouwen was.Magloire ging om het bevel te volvoeren.De bisschop zeide nu tot den man:„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, die mij hierheen heeft gewezen!Ik zal eten! Een bed met matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de bisschop.„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog niet gezien!”Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine zag hem met deelneming aan. Hij hernam:„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?”„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”„En vijftien sous,” voegde de man er bij.„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, om dat geld te verdienen?”„Negentien jaren.”„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen zucht.De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop.”Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open was gebleven.Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t op de tafel.„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?”Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met brandende kaarsen op de tafel plaatste.„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en zeide:—„Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”De man opende wijd de oogen, en vroeg:„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn broeder.”„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat ik heb; ’t is over.”De bisschop zag hem aan en zeide:„Gij hebt veel geleden?”„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over hetbeschreid gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer.”Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn bijgevoegd.Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn linkerzijde.De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, ieder van soep. De man at gulzig.Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op tafel ontbreekt.Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t welk aan de armoede waardigheid verleende.Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.

De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.

Een man trad binnen.

Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks een nachtverblijf hebben zien zoeken.

Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. ’t Was een onaangename verschijning.

Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met open mond te beven.

Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder volkomen kalm en onbezorgd.

De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te wachten tot de bisschop sprak:

„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan ’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goedeGod was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik blijven?”

„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een persoon.”

De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. „Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. „Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, ’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?”

„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens op het bed in de alkoof.”

Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide vrouwen was.

Magloire ging om het bevel te volvoeren.

De bisschop zeide nu tot den man:

„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”

Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!

„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, die mij hierheen heeft gewezen!Ik zal eten! Een bed met matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?

„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de bisschop.

„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog niet gezien!”

Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine zag hem met deelneming aan. Hij hernam:

„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?”

„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”

„En vijftien sous,” voegde de man er bij.

„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, om dat geld te verdienen?”

„Negentien jaren.”

„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen zucht.

De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop.”

Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open was gebleven.

Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t op de tafel.

„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?”

Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.

„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.

Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met brandende kaarsen op de tafel plaatste.

„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”

De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en zeide:—„Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”

De man opende wijd de oogen, en vroeg:

„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”

„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn broeder.”

„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat ik heb; ’t is over.”

De bisschop zag hem aan en zeide:

„Gij hebt veel geleden?”

„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”

„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over hetbeschreid gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer.”

Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn bijgevoegd.

Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn linkerzijde.

De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, ieder van soep. De man at gulzig.

Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op tafel ontbreekt.

Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t welk aan de armoede waardigheid verleende.

Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.

Vierde hoofdstuk.Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier.Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschenden galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn broeder antwoordde:„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor moeten zijn.”„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn broeder.„Een oogenblik later liet hij er op volgen:„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.„Ik geloof, dat de man zoo zeide.„Toen vervolgde hij:„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?„Ik antwoordde:„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt eenzeer aartsvaderlijke en schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zijgrurinnoemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets vleiends voor mij.„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van dengrurin(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in hethart mijns broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van ’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, zonder een woord te spreken.”

Vierde hoofdstuk.Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier.

Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschenden galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn broeder antwoordde:„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor moeten zijn.”„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn broeder.„Een oogenblik later liet hij er op volgen:„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.„Ik geloof, dat de man zoo zeide.„Toen vervolgde hij:„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?„Ik antwoordde:„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt eenzeer aartsvaderlijke en schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zijgrurinnoemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets vleiends voor mij.„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van dengrurin(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in hethart mijns broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van ’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, zonder een woord te spreken.”

Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, waarin het gesprek tusschenden galeiboef en den bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.

„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:

„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.

„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn broeder antwoordde:

„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”

„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor moeten zijn.”

„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn broeder.

„Een oogenblik later liet hij er op volgen:

„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?

„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.

„Ik geloof, dat de man zoo zeide.

„Toen vervolgde hij:

„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”

„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...

„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:

„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?

„Ik antwoordde:

„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.

„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt eenzeer aartsvaderlijke en schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”

„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zijgrurinnoemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.

„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets vleiends voor mij.

„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van dengrurin(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in hethart mijns broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van ’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.

„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.

„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, zonder een woord te spreken.”


Back to IndexNext