Elfde hoofdstuk.Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd.Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, wit geworden.Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die zoo luid had geroepen.Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.„Herkent ge mij niet?” zeide hij.Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets ontzettends geschiedt.Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te staan en hem naar zijn woning te geleiden.”Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk,zooals ze terstond na de zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik wasdom, ik benslechtgeworden; ik was eenblok hout, ik ben eenklomp vuurgeworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!”De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden lag, is niet te beschrijven.Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het bagno droegt?”Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’„’t Is waar,” zei Chenildieu.Daarop zeide hij tot Cochepaille :„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de dagteekening stond er.Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean ben.”Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de eenvoudige engrootsche geschiedenis van een man, die zich zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik onwederstaanbaar.„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil.”Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.Daar wendde hij zich om en zeide:„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking.”Vervolgens sprak hij tot het publiek:„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet gebeurd ware.”Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand onder de menigte hen helpen zal.Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.
Elfde hoofdstuk.Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd.Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, wit geworden.Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die zoo luid had geroepen.Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.„Herkent ge mij niet?” zeide hij.Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets ontzettends geschiedt.Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te staan en hem naar zijn woning te geleiden.”Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk,zooals ze terstond na de zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik wasdom, ik benslechtgeworden; ik was eenblok hout, ik ben eenklomp vuurgeworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!”De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden lag, is niet te beschrijven.Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het bagno droegt?”Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’„’t Is waar,” zei Chenildieu.Daarop zeide hij tot Cochepaille :„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de dagteekening stond er.Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean ben.”Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de eenvoudige engrootsche geschiedenis van een man, die zich zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik onwederstaanbaar.„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil.”Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.Daar wendde hij zich om en zeide:„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking.”Vervolgens sprak hij tot het publiek:„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet gebeurd ware.”Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand onder de menigte hen helpen zal.Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.
Elfde hoofdstuk.Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd.Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, wit geworden.Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die zoo luid had geroepen.Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.„Herkent ge mij niet?” zeide hij.Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets ontzettends geschiedt.Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te staan en hem naar zijn woning te geleiden.”Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk,zooals ze terstond na de zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik wasdom, ik benslechtgeworden; ik was eenblok hout, ik ben eenklomp vuurgeworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!”De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden lag, is niet te beschrijven.Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het bagno droegt?”Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’„’t Is waar,” zei Chenildieu.Daarop zeide hij tot Cochepaille :„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de dagteekening stond er.Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean ben.”Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de eenvoudige engrootsche geschiedenis van een man, die zich zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik onwederstaanbaar.„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil.”Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.Daar wendde hij zich om en zeide:„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking.”Vervolgens sprak hij tot het publiek:„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet gebeurd ware.”Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand onder de menigte hen helpen zal.Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.
Elfde hoofdstuk.Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd.
Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, wit geworden.Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die zoo luid had geroepen.Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.„Herkent ge mij niet?” zeide hij.Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets ontzettends geschiedt.Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te staan en hem naar zijn woning te geleiden.”Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk,zooals ze terstond na de zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik wasdom, ik benslechtgeworden; ik was eenblok hout, ik ben eenklomp vuurgeworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!”De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden lag, is niet te beschrijven.Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het bagno droegt?”Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’„’t Is waar,” zei Chenildieu.Daarop zeide hij tot Cochepaille :„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de dagteekening stond er.Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean ben.”Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de eenvoudige engrootsche geschiedenis van een man, die zich zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik onwederstaanbaar.„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil.”Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.Daar wendde hij zich om en zeide:„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking.”Vervolgens sprak hij tot het publiek:„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet gebeurd ware.”Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand onder de menigte hen helpen zal.Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.
Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, wit geworden.
Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die zoo luid had geroepen.
Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.
„Herkent ge mij niet?” zeide hij.
Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:
„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”
Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets ontzettends geschiedt.
Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:
„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”
Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:
„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te staan en hem naar zijn woning te geleiden.”
Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk,zooals ze terstond na de zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.
„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik wasdom, ik benslechtgeworden; ik was eenblok hout, ik ben eenklomp vuurgeworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!”
De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden lag, is niet te beschrijven.
Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:
„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”
Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:
„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het bagno droegt?”
Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:
„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’
„’t Is waar,” zei Chenildieu.
Daarop zeide hij tot Cochepaille :
„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”
Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de dagteekening stond er.
Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.
„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean ben.”
Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.
’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de eenvoudige engrootsche geschiedenis van een man, die zich zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.
De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik onwederstaanbaar.
„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil.”
Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.
Daar wendde hij zich om en zeide:
„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking.”
Vervolgens sprak hij tot het publiek:
„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet gebeurd ware.”
Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand onder de menigte hen helpen zal.
Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.