Zevende hoofdstuk.De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken.’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.De logementhoudster trad binnen.„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”Hij schudde ontkennend met het hoofd.„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”Nu sprak hij en vroeg:„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.„Ja, mijnheer.”De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”„Worden daar ook deassisesgehouden?”„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.Onderweg zei de burger:„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de manhem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal derassises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.„Afgeloopen?”Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”„Tot dwangarbeid?...„Levenslang.”Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:„De identiteit is dus bewezen?”„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”„Welke is die zaak?”„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”„Waar is de ingang?”„Door deze groote deur.”De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol derassisesbuitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeerknap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:„Zal de deur spoedig geopend worden?”„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”„Waarom?”„Omdat de zaal vol is.”„Is er geen plaats meer?”„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.Achtste hoofdstuk.Bevoorrechte toegang.Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zichdat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting derassiseste Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.Hij volgde den deurwaarder.Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om tedraaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in degang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.Hij bevond zich in de gerechtszaal.Negende hoofdstuk.Een plaats waar overtuigingen bezig zijn, zich te vormen.Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichtingvan een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor ’t oog der menigte.Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.Deze man—wasdeman.Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich bevond.Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder zóó worden?”Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom en woest voorkomen.Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijknieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen verschijnen en herleven.Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, Jean Valjean!’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door zijn eigen schim gespeeld werd.Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij gevonnist werd, was God afwezig.Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was dezeman? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige welluidendheid en statigen periodenbouwzoo bijzonder geschikt is: de taal waarin een gehuwd man,echtgenootwordt genoemd, de gehuwde vrouw,gade, Parijs,het middelpunt der kunsten en beschaving, de koning,de monarch, monseigneur de bisschop,een heilig kerkvoogd, de advocaat-generaal,de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV,de groote eeuw, een schouwburg,de tempel van Melpomene, de regeerende familie,het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert,een muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,de doorluchtige krijgsheld, dieenz., de seminaristen,deze jeugdige levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten,de logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstortenz. enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig beter zijn geweest enhem de toegevendheid der rechters verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn „royaliteit,” en maakte behendig van die „royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. Deze man wasdusJean Valjean. Dit was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van „school van den Satan” waarmede de schrijvers derQuotidienneinOriflammehaar vereerd hadden; aan den invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor ’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.—door zijn vorig leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de „krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange dwangarbeid.De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen.Tiende hoofdstuk.Het stelsel der ontkenningen.Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.De president herhaalde de vraag.Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klantenverliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.’t Was vreeselijk!De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en deappelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:„Wat het eerste betreft...”Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet hettrouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstalbij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”Brevet sloeg de oogen neder.„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar laterwerd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.Chenildieu lachte luid.„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”„Ga zitten,” zei de president.De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, „dezelfde dien men Jean le Cric1noemde, zoo sterk was hij.”Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaaroprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”De president vroeg hem nu:„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”Hij antwoordde:„Ik zeg—wel drommels!”Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:„De heer Madeleine.”1Cric=dommekracht
Zevende hoofdstuk.De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken.’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.De logementhoudster trad binnen.„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”Hij schudde ontkennend met het hoofd.„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”Nu sprak hij en vroeg:„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.„Ja, mijnheer.”De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”„Worden daar ook deassisesgehouden?”„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.Onderweg zei de burger:„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de manhem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal derassises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.„Afgeloopen?”Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”„Tot dwangarbeid?...„Levenslang.”Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:„De identiteit is dus bewezen?”„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”„Welke is die zaak?”„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”„Waar is de ingang?”„Door deze groote deur.”De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol derassisesbuitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeerknap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:„Zal de deur spoedig geopend worden?”„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”„Waarom?”„Omdat de zaal vol is.”„Is er geen plaats meer?”„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.Achtste hoofdstuk.Bevoorrechte toegang.Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zichdat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting derassiseste Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.Hij volgde den deurwaarder.Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om tedraaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in degang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.Hij bevond zich in de gerechtszaal.Negende hoofdstuk.Een plaats waar overtuigingen bezig zijn, zich te vormen.Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichtingvan een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor ’t oog der menigte.Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.Deze man—wasdeman.Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich bevond.Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder zóó worden?”Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom en woest voorkomen.Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijknieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen verschijnen en herleven.Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, Jean Valjean!’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door zijn eigen schim gespeeld werd.Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij gevonnist werd, was God afwezig.Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was dezeman? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige welluidendheid en statigen periodenbouwzoo bijzonder geschikt is: de taal waarin een gehuwd man,echtgenootwordt genoemd, de gehuwde vrouw,gade, Parijs,het middelpunt der kunsten en beschaving, de koning,de monarch, monseigneur de bisschop,een heilig kerkvoogd, de advocaat-generaal,de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV,de groote eeuw, een schouwburg,de tempel van Melpomene, de regeerende familie,het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert,een muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,de doorluchtige krijgsheld, dieenz., de seminaristen,deze jeugdige levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten,de logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstortenz. enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig beter zijn geweest enhem de toegevendheid der rechters verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn „royaliteit,” en maakte behendig van die „royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. Deze man wasdusJean Valjean. Dit was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van „school van den Satan” waarmede de schrijvers derQuotidienneinOriflammehaar vereerd hadden; aan den invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor ’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.—door zijn vorig leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de „krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange dwangarbeid.De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen.Tiende hoofdstuk.Het stelsel der ontkenningen.Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.De president herhaalde de vraag.Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klantenverliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.’t Was vreeselijk!De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en deappelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:„Wat het eerste betreft...”Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet hettrouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstalbij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”Brevet sloeg de oogen neder.„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar laterwerd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.Chenildieu lachte luid.„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”„Ga zitten,” zei de president.De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, „dezelfde dien men Jean le Cric1noemde, zoo sterk was hij.”Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaaroprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”De president vroeg hem nu:„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”Hij antwoordde:„Ik zeg—wel drommels!”Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:„De heer Madeleine.”1Cric=dommekracht
Zevende hoofdstuk.De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken.’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.De logementhoudster trad binnen.„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”Hij schudde ontkennend met het hoofd.„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”Nu sprak hij en vroeg:„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.„Ja, mijnheer.”De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”„Worden daar ook deassisesgehouden?”„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.Onderweg zei de burger:„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de manhem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal derassises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.„Afgeloopen?”Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”„Tot dwangarbeid?...„Levenslang.”Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:„De identiteit is dus bewezen?”„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”„Welke is die zaak?”„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”„Waar is de ingang?”„Door deze groote deur.”De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol derassisesbuitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeerknap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:„Zal de deur spoedig geopend worden?”„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”„Waarom?”„Omdat de zaal vol is.”„Is er geen plaats meer?”„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.
Zevende hoofdstuk.De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken.
’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.De logementhoudster trad binnen.„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”Hij schudde ontkennend met het hoofd.„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”Nu sprak hij en vroeg:„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.„Ja, mijnheer.”De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”„Worden daar ook deassisesgehouden?”„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.Onderweg zei de burger:„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de manhem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal derassises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.„Afgeloopen?”Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”„Tot dwangarbeid?...„Levenslang.”Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:„De identiteit is dus bewezen?”„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”„Welke is die zaak?”„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”„Waar is de ingang?”„Door deze groote deur.”De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol derassisesbuitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeerknap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:„Zal de deur spoedig geopend worden?”„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”„Waarom?”„Omdat de zaal vol is.”„Is er geen plaats meer?”„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.
’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.
De logementhoudster trad binnen.
„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”
Hij schudde ontkennend met het hoofd.
„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”
Nu sprak hij en vroeg:
„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”
„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”
„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer.”
De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.
„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”
Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.
Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.
„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”
„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”
„Worden daar ook deassisesgehouden?”
„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.
Onderweg zei de burger:
„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”
Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de manhem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.
„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal derassises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”
„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”
„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”
Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.
’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.
Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.
De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.
„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.
„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.
„Afgeloopen?”
Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.
„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”
„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”
„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”
„Tot dwangarbeid?...
„Levenslang.”
Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:
„De identiteit is dus bewezen?”
„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”
„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.
„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”
„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”
„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”
„Welke is die zaak?”
„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”
„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”
„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”
„Waar is de ingang?”
„Door deze groote deur.”
De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.
Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol derassisesbuitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeerknap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.
Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:
„Zal de deur spoedig geopend worden?”
„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.
„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”
„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”
„Waarom?”
„Omdat de zaal vol is.”
„Is er geen plaats meer?”
„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”
Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”
Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.
Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”
De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.
Achtste hoofdstuk.Bevoorrechte toegang.Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zichdat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting derassiseste Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.Hij volgde den deurwaarder.Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om tedraaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in degang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.Hij bevond zich in de gerechtszaal.
Achtste hoofdstuk.Bevoorrechte toegang.
Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zichdat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting derassiseste Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.Hij volgde den deurwaarder.Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om tedraaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in degang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.Hij bevond zich in de gerechtszaal.
Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zichdat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.
De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting derassiseste Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”
De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”
’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”
Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.
Hij volgde den deurwaarder.
Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om tedraaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.
De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.
Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.
Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.
In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.
Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in degang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.
Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.
Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.
Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!
Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.
Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.
Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.
Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.
Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.
Hij bevond zich in de gerechtszaal.
Negende hoofdstuk.Een plaats waar overtuigingen bezig zijn, zich te vormen.Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichtingvan een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor ’t oog der menigte.Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.Deze man—wasdeman.Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich bevond.Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder zóó worden?”Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom en woest voorkomen.Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijknieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen verschijnen en herleven.Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, Jean Valjean!’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door zijn eigen schim gespeeld werd.Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij gevonnist werd, was God afwezig.Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was dezeman? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige welluidendheid en statigen periodenbouwzoo bijzonder geschikt is: de taal waarin een gehuwd man,echtgenootwordt genoemd, de gehuwde vrouw,gade, Parijs,het middelpunt der kunsten en beschaving, de koning,de monarch, monseigneur de bisschop,een heilig kerkvoogd, de advocaat-generaal,de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV,de groote eeuw, een schouwburg,de tempel van Melpomene, de regeerende familie,het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert,een muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,de doorluchtige krijgsheld, dieenz., de seminaristen,deze jeugdige levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten,de logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstortenz. enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig beter zijn geweest enhem de toegevendheid der rechters verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn „royaliteit,” en maakte behendig van die „royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. Deze man wasdusJean Valjean. Dit was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van „school van den Satan” waarmede de schrijvers derQuotidienneinOriflammehaar vereerd hadden; aan den invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor ’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.—door zijn vorig leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de „krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange dwangarbeid.De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen.
Negende hoofdstuk.Een plaats waar overtuigingen bezig zijn, zich te vormen.
Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichtingvan een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor ’t oog der menigte.Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.Deze man—wasdeman.Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich bevond.Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder zóó worden?”Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom en woest voorkomen.Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijknieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen verschijnen en herleven.Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, Jean Valjean!’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door zijn eigen schim gespeeld werd.Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij gevonnist werd, was God afwezig.Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was dezeman? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige welluidendheid en statigen periodenbouwzoo bijzonder geschikt is: de taal waarin een gehuwd man,echtgenootwordt genoemd, de gehuwde vrouw,gade, Parijs,het middelpunt der kunsten en beschaving, de koning,de monarch, monseigneur de bisschop,een heilig kerkvoogd, de advocaat-generaal,de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV,de groote eeuw, een schouwburg,de tempel van Melpomene, de regeerende familie,het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert,een muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,de doorluchtige krijgsheld, dieenz., de seminaristen,deze jeugdige levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten,de logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstortenz. enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig beter zijn geweest enhem de toegevendheid der rechters verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn „royaliteit,” en maakte behendig van die „royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. Deze man wasdusJean Valjean. Dit was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van „school van den Satan” waarmede de schrijvers derQuotidienneinOriflammehaar vereerd hadden; aan den invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor ’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.—door zijn vorig leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de „krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange dwangarbeid.De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen.
Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.
’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichtingvan een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor ’t oog der menigte.
Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.
Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.
Deze man—wasdeman.
Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich bevond.
Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.
Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder zóó worden?”
Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom en woest voorkomen.
Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.
Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijknieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen verschijnen en herleven.
Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!
En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, Jean Valjean!
’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door zijn eigen schim gespeeld werd.
Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij gevonnist werd, was God afwezig.
Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.
Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.
Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.
Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was dezeman? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.
De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.
De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige welluidendheid en statigen periodenbouwzoo bijzonder geschikt is: de taal waarin een gehuwd man,echtgenootwordt genoemd, de gehuwde vrouw,gade, Parijs,het middelpunt der kunsten en beschaving, de koning,de monarch, monseigneur de bisschop,een heilig kerkvoogd, de advocaat-generaal,de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV,de groote eeuw, een schouwburg,de tempel van Melpomene, de regeerende familie,het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert,een muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,de doorluchtige krijgsheld, dieenz., de seminaristen,deze jeugdige levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten,de logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstortenz. enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig beter zijn geweest enhem de toegevendheid der rechters verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.
De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.
Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn „royaliteit,” en maakte behendig van die „royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. Deze man wasdusJean Valjean. Dit was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van „school van den Satan” waarmede de schrijvers derQuotidienneinOriflammehaar vereerd hadden; aan den invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor ’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.—door zijn vorig leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de „krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.
Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange dwangarbeid.
De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen.
Tiende hoofdstuk.Het stelsel der ontkenningen.Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.De president herhaalde de vraag.Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klantenverliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.’t Was vreeselijk!De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en deappelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:„Wat het eerste betreft...”Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet hettrouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstalbij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”Brevet sloeg de oogen neder.„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar laterwerd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.Chenildieu lachte luid.„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”„Ga zitten,” zei de president.De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, „dezelfde dien men Jean le Cric1noemde, zoo sterk was hij.”Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaaroprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”De president vroeg hem nu:„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”Hij antwoordde:„Ik zeg—wel drommels!”Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:„De heer Madeleine.”1Cric=dommekracht
Tiende hoofdstuk.Het stelsel der ontkenningen.
Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.De president herhaalde de vraag.Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klantenverliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.’t Was vreeselijk!De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en deappelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:„Wat het eerste betreft...”Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet hettrouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstalbij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”Brevet sloeg de oogen neder.„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar laterwerd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.Chenildieu lachte luid.„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”„Ga zitten,” zei de president.De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, „dezelfde dien men Jean le Cric1noemde, zoo sterk was hij.”Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaaroprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”De president vroeg hem nu:„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”Hij antwoordde:„Ik zeg—wel drommels!”Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:„De heer Madeleine.”
Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?
De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.
De president herhaalde de vraag.
Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:
„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klantenverliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”
De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.
’t Was vreeselijk!
De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.
Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:
„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en deappelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”
De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:
„Wat het eerste betreft...”
Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.
„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”
De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:
„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet hettrouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”
De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.
„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”
„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”
„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstalbij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”
Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.
De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.
De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.
„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”
Brevet sloeg de oogen neder.
„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”
Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:
„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar laterwerd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”
„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”
Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).
De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.
Chenildieu lachte luid.
„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”
„Ga zitten,” zei de president.
De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.
De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.
„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, „dezelfde dien men Jean le Cric1noemde, zoo sterk was hij.”
Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaaroprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”
De president vroeg hem nu:
„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”
Hij antwoordde:
„Ik zeg—wel drommels!”
Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.
„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”
Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:
„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”
Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:
„De heer Madeleine.”
1Cric=dommekracht
1Cric=dommekracht