Boek IV.

Boek IV.Het oude huis Gorbeau.Eerste hoofdstuk.Meester Gorbeau.Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken derSalpêtrièrewaagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond:hier mag niets aangeplakt worden,—deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.Het gebouw had slechts één verdieping.Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheidvan dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:Maître Corbeau, sur un dossier perché,Tenait dans son bec une saisie exécutoire;Maître Renard, par l’odeur alléché,Lui fit à peu près cette histoire:Hé bonjour! etc.1De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, meteen pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen—naar ’t seizoen groen of slijkkleurig—beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.Zeven-en-dertig jaren geleden was—uitgezonderd dit pleinSt. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest—misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederendag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.Tweede hoofdstuk.Nest voor uil en vleermuis.Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentraden welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.Hij knielde voor Cosettes bed.Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madameThénardierver weg was? Of zij niet zou terugkomen?enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.„Speel maar,” zei Jean Valjean.Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.Derde hoofdstuk.Een dubbel ongeluk maakt één geluk.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.Iets nieuws kwam op in zijn ziel.Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugddoen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.De eerste dagen verstreken in deze verrukking.Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht,toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.Deze oude vrouw, die dehoofd-huurderesheette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.Zij noemde hemvader, en wist niet welken anderen naam hij had.Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.Vierde hoofdstuk.De opmerkingen der hoofd-huurderes.Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.Cosette was zeer vroolijk.De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam,een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.Vijfde hoofdstuk.Een vijffrancstuk valt op den vloer.Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hijglimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.Na verloop van eenige minuten verdween het licht.Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijnschaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hijtehuis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.„Hoe heet hij?”„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”„En wat is die mijnheer Daumont?”De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:„Een rentenier, evenals gij.”Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.Hij ging weder naar boven.„Kom,” zeide hij tot Cosette.Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

Boek IV.Het oude huis Gorbeau.Eerste hoofdstuk.Meester Gorbeau.Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken derSalpêtrièrewaagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond:hier mag niets aangeplakt worden,—deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.Het gebouw had slechts één verdieping.Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheidvan dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:Maître Corbeau, sur un dossier perché,Tenait dans son bec une saisie exécutoire;Maître Renard, par l’odeur alléché,Lui fit à peu près cette histoire:Hé bonjour! etc.1De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, meteen pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen—naar ’t seizoen groen of slijkkleurig—beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.Zeven-en-dertig jaren geleden was—uitgezonderd dit pleinSt. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest—misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederendag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.Tweede hoofdstuk.Nest voor uil en vleermuis.Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentraden welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.Hij knielde voor Cosettes bed.Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madameThénardierver weg was? Of zij niet zou terugkomen?enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.„Speel maar,” zei Jean Valjean.Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.Derde hoofdstuk.Een dubbel ongeluk maakt één geluk.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.Iets nieuws kwam op in zijn ziel.Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugddoen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.De eerste dagen verstreken in deze verrukking.Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht,toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.Deze oude vrouw, die dehoofd-huurderesheette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.Zij noemde hemvader, en wist niet welken anderen naam hij had.Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.Vierde hoofdstuk.De opmerkingen der hoofd-huurderes.Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.Cosette was zeer vroolijk.De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam,een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.Vijfde hoofdstuk.Een vijffrancstuk valt op den vloer.Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hijglimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.Na verloop van eenige minuten verdween het licht.Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijnschaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hijtehuis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.„Hoe heet hij?”„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”„En wat is die mijnheer Daumont?”De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:„Een rentenier, evenals gij.”Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.Hij ging weder naar boven.„Kom,” zeide hij tot Cosette.Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

Eerste hoofdstuk.Meester Gorbeau.Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken derSalpêtrièrewaagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond:hier mag niets aangeplakt worden,—deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.Het gebouw had slechts één verdieping.Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheidvan dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:Maître Corbeau, sur un dossier perché,Tenait dans son bec une saisie exécutoire;Maître Renard, par l’odeur alléché,Lui fit à peu près cette histoire:Hé bonjour! etc.1De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, meteen pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen—naar ’t seizoen groen of slijkkleurig—beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.Zeven-en-dertig jaren geleden was—uitgezonderd dit pleinSt. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest—misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederendag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.

Eerste hoofdstuk.Meester Gorbeau.

Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken derSalpêtrièrewaagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond:hier mag niets aangeplakt worden,—deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.Het gebouw had slechts één verdieping.Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheidvan dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:Maître Corbeau, sur un dossier perché,Tenait dans son bec une saisie exécutoire;Maître Renard, par l’odeur alléché,Lui fit à peu près cette histoire:Hé bonjour! etc.1De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, meteen pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen—naar ’t seizoen groen of slijkkleurig—beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.Zeven-en-dertig jaren geleden was—uitgezonderd dit pleinSt. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest—misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederendag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.

Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken derSalpêtrièrewaagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. ’t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; ’t was geen veld, want er waren huizen en straten; ’t was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; ’t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? ’t Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; ’t was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.

’t Was de oude wijk der Paardenmarkt.

Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond:hier mag niets aangeplakt worden,—deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.

Het gebouw had slechts één verdieping.

Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in ’t oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.

De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.

Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend jaloezie en blind was.

Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.

De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht doorsneden, naarmate de reten in ’t dak, of in de deur waren. Een belangrijke en schilderachtige bijzonderheidvan dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.

Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.

Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over is, kan een denkbeeld geven van ’t geen het was. In zijn geheel is ’t een met ’t ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des menschen schijnt in ’s menschen korten duur, en de tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.

De briefbestellers noemden dat gebouw 50–52, maar in de buurt was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.

Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:

Maître Corbeau, sur un dossier perché,Tenait dans son bec une saisie exécutoire;Maître Renard, par l’odeur alléché,Lui fit à peu près cette histoire:Hé bonjour! etc.1

Maître Corbeau, sur un dossier perché,

Tenait dans son bec une saisie exécutoire;

Maître Renard, par l’odeur alléché,

Lui fit à peu près cette histoire:

Hé bonjour! etc.1

De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, meteen pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.

Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l’Hôpital, genummerd 50–52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.

Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau’s-huis.

Tegenover No. 50–52 staat, onder het geboomte van den boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen—naar ’t seizoen groen of slijkkleurig—beplant was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.

De barrière was zeer dicht bij. In ’t jaar 1823 bestond de ringmuur nog.

Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. ’t Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde „moord aan de barrière van Fontainebleau” gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een melodrama.

Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft afschaffen, noch ze met kracht handhaven.

Zeven-en-dertig jaren geleden was—uitgezonderd dit pleinSt. Jaques, dat steeds afgrijselijk is geweest—misschien het treurigste punt van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50–52 vond.

Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te verheffen. ’t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. ’t Was een koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard er de toegang van geweest zijn.

Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.

Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes waren hartstochtelijke bedelaressen.

Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederendag verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen en nieuwe verheffen zich.

Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als ’t ware rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.

1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.

1Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.

Tweede hoofdstuk.Nest voor uil en vleermuis.Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentraden welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.Hij knielde voor Cosettes bed.Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madameThénardierver weg was? Of zij niet zou terugkomen?enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.„Speel maar,” zei Jean Valjean.Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.

Tweede hoofdstuk.Nest voor uil en vleermuis.

Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentraden welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.Hij knielde voor Cosettes bed.Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madameThénardierver weg was? Of zij niet zou terugkomen?enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.„Speel maar,” zei Jean Valjean.Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.

Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.

Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, klom hij de trap op.

Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentraden welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in ’t vertrek was een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.

Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, ’t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort zonder te weten waar zij was.

Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.

Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was ingeslapen.

Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.

Hij knielde voor Cosettes bed.

Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, zoodat het van boven tot onder schudde.

„Ja, madame!” riep Cosette, die verschrikt wakker werd, „ik kom, ik kom!”

Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.

„Ach, God! mijn bezem!” riep zij.

Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.

„Ha, ja, ’t is waar!” zei het kind. „Goeden morgen, mijnheer.”

Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.

Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean deed—Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madameThénardierver weg was? Of zij niet zou terugkomen?enz. enz. Eensklaps riep zij: „Hoe fraai is ’t hier!”

’t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.

„Moet ik ook vegen?” vroeg zij eindelijk.

„Speel maar,” zei Jean Valjean.

Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man onbeschrijfelijk gelukkig.

Derde hoofdstuk.Een dubbel ongeluk maakt één geluk.Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.Iets nieuws kwam op in zijn ziel.Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugddoen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.De eerste dagen verstreken in deze verrukking.Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht,toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.Deze oude vrouw, die dehoofd-huurderesheette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.Zij noemde hemvader, en wist niet welken anderen naam hij had.Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.

Derde hoofdstuk.Een dubbel ongeluk maakt één geluk.

Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.Iets nieuws kwam op in zijn ziel.Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugddoen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.De eerste dagen verstreken in deze verrukking.Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht,toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.Deze oude vrouw, die dehoofd-huurderesheette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.Zij noemde hemvader, en wist niet welken anderen naam hij had.Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.

Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en bespiedde haar ontwaken.

Iets nieuws kwam op in zijn ziel.

Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.

Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets zoets en geheimzinnigs.

Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!

Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.

’t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.

De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugddoen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.

De eerste dagen verstreken in deze verrukking.

Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij beproefd iets te beminnen. ’t Was haar niet gelukt. Allen hadden haar afgestooten, de Thénardier’s, hun kinderen, andere kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand meer van haar willen weten. ’t Is treurig om te zeggen, en wij hebben ’t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. ’t Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld—eene inwendige verwarming en ontluiking.

De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean schoon, evenals zij het krot fraai vond.

Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.

De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.

De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.

Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht,toen hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van God geweest.

Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.

De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.

Het benedengedeelte van No. 50–52, een soort van vervallen schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding van ’t huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.

Deze oude vrouw, die dehoofd-huurderesheette, doch in waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.

Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een gelukkig leven.

Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.

’t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.

Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.

Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.

Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.

Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder en liet haar bidden.

Zij noemde hemvader, en wist niet welken anderen naam hij had.

Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.

’t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op ’t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering thans inderdaad aan ’t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet op ’t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem. ’t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; ’t was door haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid van ’t evenwicht in ’s menschen lot.

Vierde hoofdstuk.De opmerkingen der hoofd-huurderes.Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.Cosette was zeer vroolijk.De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam,een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.

Vierde hoofdstuk.De opmerkingen der hoofd-huurderes.

Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.Cosette was zeer vroolijk.De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam,een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.

Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, en trad de kerken binnen als ’t donker was. Hij ging gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar ’t was een vreugd voor ’t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.

Cosette was zeer vroolijk.

De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de mondbehoeften.

Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes kamertje door een houten deur doen vervangen.

Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van „de bedelaar die aalmoezen geeft.”

De oude „hoofd-huurderes”, een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij ’t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam,een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat ’t een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.

Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.—Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór ’s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.—De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.

De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.

Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en—wat zeer verdacht was—pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen ’t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.

De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.

Vijfde hoofdstuk.Een vijffrancstuk valt op den vloer.Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hijglimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.Na verloop van eenige minuten verdween het licht.Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijnschaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hijtehuis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.„Hoe heet hij?”„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”„En wat is die mijnheer Daumont?”De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:„Een rentenier, evenals gij.”Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.Hij ging weder naar boven.„Kom,” zeide hij tot Cosette.Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

Vijfde hoofdstuk.Een vijffrancstuk valt op den vloer.

Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hijglimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.Na verloop van eenige minuten verdween het licht.Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijnschaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hijtehuis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.„Hoe heet hij?”„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”„En wat is die mijnheer Daumont?”De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:„Een rentenier, evenals gij.”Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.Hij ging weder naar boven.„Kom,” zeide hij tot Cosette.Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.

Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij „tot de politie” behoorde. ’t Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.

Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging—hij had Cosette niet bij zich—zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,—den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.—Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! ’t is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.

Nauwelijks durfde hij ’t zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.

Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.

Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.—Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: „Ik dank u, mijn goede heer.”—’t Was wel de oude bedelaar.

Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hijglimlachte.—„Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?” Hij dacht er niet verder over.

Eenige dagen later, ’t kon acht uren ’s avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. ’t Is waar, ’t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.

Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: „Ga heel stil naar bed,” en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in ’t donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in ’t donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.

Na verloop van eenige minuten verdween het licht.

Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, ’t geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.

Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.

Bij ’t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan ’t einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in ’t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in ’t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. ’t Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijnschaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. ’t Waren de forsche omtrekken van Javert.

Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.

’t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hijtehuis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?

Te zeven uren ’s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.

Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:

„Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen.”

Op dien leeftijd en op dien boulevard is ’t om acht ure reeds nacht.

„Ja, inderdaad,” antwoordde hij op onverschilligen toon. „Wie was het?”

„Een nieuwe inwoner,” zei de oude vrouw.

„Hoe heet hij?”

„Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets.”

„En wat is die mijnheer Daumont?”

De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:

„Een rentenier, evenals gij.”

Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.

Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.

Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. ’t Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.

Hij ging weder naar boven.

„Kom,” zeide hij tot Cosette.

Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.


Back to IndexNext