Boek V.

Boek V.Een jacht in den nacht met stille honden.Eerste hoofdstuk.De zigzags der strategie.Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnenkonden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of hetJavert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zichbevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.Tweede hoofdstuk.Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan.Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:De Goblet fils c’est ici la fabrique;Venez choisir des cruches et des brocs.Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.Hij ging naar ’t brugwachtershuisje en betaalde een sou.„’t Is twee sous,” zei de invalide op de brug. „Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen.”Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.Vier donkere gestalten traden juist op de brug.Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.’t Waren de vier mannen.Jean Valjean rilde als ’t weder betrapte wild.Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op ’t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in ’t vrije veld te komen.Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.1’t Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.Derde hoofdstuk.Men zie den platten grond van Parijs in 1727.Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?Hij aarzelde niet en koos den rechter.Waarom?Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.Hij kwam aan een muur.Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.Jean Valjean trad achteruit.Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.Hier nu bevond zich Jean Valjean.Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.Vierde hoofdstuk.Het rondtasten der vlucht.Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.Vijfde hoofdstuk.’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn.In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.Javerts beide helpers waren bij hem.Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboomzag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan,dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”Cosette schrikte. Hij hernam:„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:„Ga tegen den muur staan.”Zij gehoorzaamde.„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.Toen voelde zij zich van den grond opheffen.Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komstder patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”De soldaten stormden het slop Genrot in.Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.Zesde hoofdstuk.Begin van een raadsel.Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingenwaren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.Cosette en Jean Valjean knielden.Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zijwaren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.Zevende hoofdstuk.Vervolg van het raadsel.De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.Zij beefde nog altijd.„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.„Ik ben koud,” antwoordde zij.Een oogenblik later hernam zij:„Is zij er nog?”„Wie?” vroeg Jean Valjean.„Madame Thénardier.”Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.„O, ja, vader.”„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarendvisioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.Hij ging naar Cosette. Zij sliep.Achtste hoofdstuk.Het raadsel wordt duisterder.Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”Zij opende de oogen niet.Hij schudde haar.Zij ontwaakte niet.„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.Negende hoofdstuk.De man met de schel.Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:„Honderd francs!”De man rilde van schrik en zag op.„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.„Wel, ik dek mijn meloenen.”De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.De tuinman vervolgde:„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”„Wat is dit voor een huis?”„Kom, dat weet ge immers wel?”„Neen, ik weet het niet.”„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:„Het klooster van Petit-Picpus!”„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”„En gij zijt er!”„Ik ben de eenige man.”„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”„Wat, mijnheer de maire?”„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Faucheleventzich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”Tiende hoofdstuk.Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt.De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.Toen Jean Valjean—in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam—uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.Hij dacht niet meer aan Jean Valjean—de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden—toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maarJavert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood.—Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dathet nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen.—„Wie was deze grootvader en hoe heette hij?”—Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.—De rentenier was zeer schuw—ging slechts ’s avonds uit—sprak met niemand—enkele keeren slechts met de armen—en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.—Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunjeen de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de metmillioenengevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben:—„Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.”—Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen—een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij dencommissarisin de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?”—„Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblikvan helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.Men kan zich zijne woede voorstellen.Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een foutdat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.

Boek V.Een jacht in den nacht met stille honden.Eerste hoofdstuk.De zigzags der strategie.Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnenkonden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of hetJavert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zichbevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.Tweede hoofdstuk.Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan.Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:De Goblet fils c’est ici la fabrique;Venez choisir des cruches et des brocs.Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.Hij ging naar ’t brugwachtershuisje en betaalde een sou.„’t Is twee sous,” zei de invalide op de brug. „Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen.”Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.Vier donkere gestalten traden juist op de brug.Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.’t Waren de vier mannen.Jean Valjean rilde als ’t weder betrapte wild.Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op ’t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in ’t vrije veld te komen.Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.1’t Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.Derde hoofdstuk.Men zie den platten grond van Parijs in 1727.Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?Hij aarzelde niet en koos den rechter.Waarom?Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.Hij kwam aan een muur.Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.Jean Valjean trad achteruit.Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.Hier nu bevond zich Jean Valjean.Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.Vierde hoofdstuk.Het rondtasten der vlucht.Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.Vijfde hoofdstuk.’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn.In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.Javerts beide helpers waren bij hem.Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboomzag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan,dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”Cosette schrikte. Hij hernam:„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:„Ga tegen den muur staan.”Zij gehoorzaamde.„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.Toen voelde zij zich van den grond opheffen.Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komstder patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”De soldaten stormden het slop Genrot in.Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.Zesde hoofdstuk.Begin van een raadsel.Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingenwaren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.Cosette en Jean Valjean knielden.Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zijwaren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.Zevende hoofdstuk.Vervolg van het raadsel.De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.Zij beefde nog altijd.„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.„Ik ben koud,” antwoordde zij.Een oogenblik later hernam zij:„Is zij er nog?”„Wie?” vroeg Jean Valjean.„Madame Thénardier.”Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.„O, ja, vader.”„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarendvisioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.Hij ging naar Cosette. Zij sliep.Achtste hoofdstuk.Het raadsel wordt duisterder.Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”Zij opende de oogen niet.Hij schudde haar.Zij ontwaakte niet.„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.Negende hoofdstuk.De man met de schel.Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:„Honderd francs!”De man rilde van schrik en zag op.„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.„Wel, ik dek mijn meloenen.”De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.De tuinman vervolgde:„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”„Wat is dit voor een huis?”„Kom, dat weet ge immers wel?”„Neen, ik weet het niet.”„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:„Het klooster van Petit-Picpus!”„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”„En gij zijt er!”„Ik ben de eenige man.”„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”„Wat, mijnheer de maire?”„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Faucheleventzich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”Tiende hoofdstuk.Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt.De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.Toen Jean Valjean—in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam—uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.Hij dacht niet meer aan Jean Valjean—de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden—toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maarJavert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood.—Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dathet nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen.—„Wie was deze grootvader en hoe heette hij?”—Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.—De rentenier was zeer schuw—ging slechts ’s avonds uit—sprak met niemand—enkele keeren slechts met de armen—en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.—Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunjeen de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de metmillioenengevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben:—„Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.”—Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen—een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij dencommissarisin de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?”—„Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblikvan helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.Men kan zich zijne woede voorstellen.Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een foutdat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.

Eerste hoofdstuk.De zigzags der strategie.Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnenkonden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of hetJavert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zichbevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.

Eerste hoofdstuk.De zigzags der strategie.

Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnenkonden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of hetJavert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zichbevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.

Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.

Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, ’t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. ’t Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: „In deze straat is dit huis,” thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van ’t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnenkonden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. ’t Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.

Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.

Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.

’t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in ’t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.

Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien—en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen—was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.

Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. ’t Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of hetJavert was; en ’t kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.

Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en ’t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.

Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.

„Kom, kind,” zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.

Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.

Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.

Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op ’t hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.

Op ’t midden van ’t pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zichbevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.

Tweede hoofdstuk.Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan.Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:De Goblet fils c’est ici la fabrique;Venez choisir des cruches et des brocs.Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.Hij ging naar ’t brugwachtershuisje en betaalde een sou.„’t Is twee sous,” zei de invalide op de brug. „Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen.”Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.Vier donkere gestalten traden juist op de brug.Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.’t Waren de vier mannen.Jean Valjean rilde als ’t weder betrapte wild.Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op ’t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in ’t vrije veld te komen.Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.1’t Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.

Tweede hoofdstuk.Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan.

Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:De Goblet fils c’est ici la fabrique;Venez choisir des cruches et des brocs.Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.Hij ging naar ’t brugwachtershuisje en betaalde een sou.„’t Is twee sous,” zei de invalide op de brug. „Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen.”Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.Vier donkere gestalten traden juist op de brug.Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.’t Waren de vier mannen.Jean Valjean rilde als ’t weder betrapte wild.Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op ’t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in ’t vrije veld te komen.Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.

Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; ’t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.

Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:

De Goblet fils c’est ici la fabrique;Venez choisir des cruches et des brocs.Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1

De Goblet fils c’est ici la fabrique;

Venez choisir des cruches et des brocs.

Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.

A tout venant le Cœur vend des Carreaux.1

Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.

Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.

Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.

Hij ging naar ’t brugwachtershuisje en betaalde een sou.

„’t Is twee sous,” zei de invalide op de brug. „Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen.”

Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.

Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.

Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.

Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.

Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.

Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.

Vier donkere gestalten traden juist op de brug.

Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.

’t Waren de vier mannen.

Jean Valjean rilde als ’t weder betrapte wild.

Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op ’t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.

In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in ’t vrije veld te komen.

Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.

1’t Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.

1’t Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.

Derde hoofdstuk.Men zie den platten grond van Parijs in 1727.Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?Hij aarzelde niet en koos den rechter.Waarom?Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.Hij kwam aan een muur.Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.Jean Valjean trad achteruit.Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.Hier nu bevond zich Jean Valjean.Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.

Derde hoofdstuk.Men zie den platten grond van Parijs in 1727.

Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?Hij aarzelde niet en koos den rechter.Waarom?Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.Hij kwam aan een muur.Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.Jean Valjean trad achteruit.Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.Hier nu bevond zich Jean Valjean.Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.

Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?

Hij aarzelde niet en koos den rechter.

Waarom?

Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.

Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette’s schreden vertraagden die van Valjean.

Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.

Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.

Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.

Hij kwam aan een muur.

Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.

Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.

Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.

Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.

’t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.

Jean Valjean trad achteruit.

Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.

Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal „Klein Picpus.”

Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.

Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.

Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.

Hier nu bevond zich Jean Valjean.

Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.

Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.—Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.

Vierde hoofdstuk.Het rondtasten der vlucht.Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

Vierde hoofdstuk.Het rondtasten der vlucht.

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in ’t bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.

De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.

Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.

In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo ’t hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.

In ’t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.

Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in ’t oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?

Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.

Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.

De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.

Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.

Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

Vijfde hoofdstuk.’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn.In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.Javerts beide helpers waren bij hem.Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboomzag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan,dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”Cosette schrikte. Hij hernam:„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:„Ga tegen den muur staan.”Zij gehoorzaamde.„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.Toen voelde zij zich van den grond opheffen.Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komstder patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”De soldaten stormden het slop Genrot in.Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.

Vijfde hoofdstuk.’t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn.

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.Javerts beide helpers waren bij hem.Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboomzag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan,dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”Cosette schrikte. Hij hernam:„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:„Ga tegen den muur staan.”Zij gehoorzaamde.„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.Toen voelde zij zich van den grond opheffen.Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komstder patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”De soldaten stormden het slop Genrot in.Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.

Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. ’t Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.

’t Was—deze gissing kon niet falen—een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.

Javerts beide helpers waren bij hem.

Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. ’t Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf. Één ding was nog slechts mogelijk.

Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.

Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.

Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboomzag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.

Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.

Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.

De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.

Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.

In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.

De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.

Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van ’t kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.

Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.

Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan,dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.

„Ik ben bang, vader,” zeide zij zacht. „Wat komt daar?”

„Stil!” antwoordde de ongelukkige man, „’t is vrouw Thénardier.”

Cosette schrikte. Hij hernam:

„Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier ’t hooren. Zij komt om u te halen.”

Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij ’t kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.

Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.

Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:

„Ga tegen den muur staan.”

Zij gehoorzaamde.

„Spreek geen woord en wees niet bang,” hernam Jean Valjean.

Toen voelde zij zich van den grond opheffen.

Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.

Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.

’t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.

Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komstder patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:

„Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in ’t slop is.”

De soldaten stormden het slop Genrot in.

Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.

Zesde hoofdstuk.Begin van een raadsel.Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingenwaren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.Cosette en Jean Valjean knielden.Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zijwaren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

Zesde hoofdstuk.Begin van een raadsel.

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingenwaren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.Cosette en Jean Valjean knielden.Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zijwaren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.

Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.

Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.

Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingenwaren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.

Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.

Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, ’t geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.

De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.

Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.

Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.

Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.

De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.

Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. ’t Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, ’t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.

Cosette en Jean Valjean knielden.

Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zijwaren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.

Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. ’t Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.

Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. ’t Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.

Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.

Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

Zevende hoofdstuk.Vervolg van het raadsel.De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.Zij beefde nog altijd.„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.„Ik ben koud,” antwoordde zij.Een oogenblik later hernam zij:„Is zij er nog?”„Wie?” vroeg Jean Valjean.„Madame Thénardier.”Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.„O, ja, vader.”„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarendvisioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.Hij ging naar Cosette. Zij sliep.

Zevende hoofdstuk.Vervolg van het raadsel.

De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.Zij beefde nog altijd.„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.„Ik ben koud,” antwoordde zij.Een oogenblik later hernam zij:„Is zij er nog?”„Wie?” vroeg Jean Valjean.„Madame Thénardier.”Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.„O, ja, vader.”„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarendvisioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.Hij ging naar Cosette. Zij sliep.

De nachtwind verhief zich, ’t geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in ’t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, ’t geen Jean Valjean leed deed.

Zij beefde nog altijd.

„Hebt ge slaap?” vroeg Jean Valjean.

„Ik ben koud,” antwoordde zij.

Een oogenblik later hernam zij:

„Is zij er nog?”

„Wie?” vroeg Jean Valjean.

„Madame Thénardier.”

Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.

„O,” zeide hij, „zij is weg. Vrees niet meer.”

Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.

De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.

„Voelt ge u nu minder koud?” vroeg hij.

„O, ja, vader.”

„Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.”

Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.

Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.

De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.

Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.

Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of ’t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. ’t Scheen hem dat, zoo hij ’t hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.

Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; ’t zweet brak hem van alle kanten uit.

Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarendvisioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. ’t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! ’t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.

De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.

Hij ging naar Cosette. Zij sliep.

Achtste hoofdstuk.Het raadsel wordt duisterder.Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”Zij opende de oogen niet.Hij schudde haar.Zij ontwaakte niet.„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.

Achtste hoofdstuk.Het raadsel wordt duisterder.

Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”Zij opende de oogen niet.Hij schudde haar.Zij ontwaakte niet.„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.

Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.

Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.

Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.

Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. ’t Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die ’s nachts in de weide zijn.

Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.

’t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.

Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in ’t licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.

Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.

Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook ’t geluid; ’t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, dan zweeg ook het geluid. ’t Scheen duidelijk, dat de schel aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, die een bel droeg als een ram of os?

Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij waren ijskoud.

„Mijn God!” zuchtte hij. Hij riep zacht: „Cosette!”

Zij opende de oogen niet.

Hij schudde haar.

Zij ontwaakte niet.

„Zou zij dood zijn!” zeide hij, en richtte zich op, van ’t hoofd tot de voeten bevende.

De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.

Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.

Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, flauw en op ’t punt van te bezwijken.

Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?

Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld ijlde hij uit de schuur.

Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te bed zijn.

Negende hoofdstuk.De man met de schel.Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:„Honderd francs!”De man rilde van schrik en zag op.„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.„Wel, ik dek mijn meloenen.”De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.De tuinman vervolgde:„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”„Wat is dit voor een huis?”„Kom, dat weet ge immers wel?”„Neen, ik weet het niet.”„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:„Het klooster van Petit-Picpus!”„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”„En gij zijt er!”„Ik ben de eenige man.”„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”„Wat, mijnheer de maire?”„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Faucheleventzich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”

Negende hoofdstuk.De man met de schel.

Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:„Honderd francs!”De man rilde van schrik en zag op.„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.„Wel, ik dek mijn meloenen.”De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.De tuinman vervolgde:„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”„Wat is dit voor een huis?”„Kom, dat weet ge immers wel?”„Neen, ik weet het niet.”„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:„Het klooster van Petit-Picpus!”„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”„En gij zijt er!”„Ik ben de eenige man.”„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”„Wat, mijnheer de maire?”„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Faucheleventzich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”

Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.

De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:

„Honderd francs!”

De man rilde van schrik en zag op.

„Honderd francs,” hernam Jean Valjean, „zoo ge mij voor dezen nacht huisvesting geeft.”

De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.

„Mijn Hemel! zijt gij ’t, mijnheer Madeleine?” zei de man.

Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon men niet onderscheiden.

De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:

„Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch hier gekomen?”

Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder ’t spreken toonde hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.

„Wie zijt gij? en wat is dit huis?” vroeg Jean Valjean.

„Wel drommels, hoe is ’t mogelijk!” riep de grijsaard; „ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?”

„Neen,” zei Jean Valjean. „Maar van waar kent ge mij?”

„Ge hebt mij het leven gered,” zei de man.

Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean Valjean herkende den ouden Fauchelevent.

„Ha!” zei Jean Valjean, „zijt gij ’t? ja, nu herken ik u.”

„’t Is wel gelukkig,” zei de oude man op verwijtenden toon.

„En wat doet ge hier?” hernam Jean Valjean.

„Wel, ik dek mijn meloenen.”

De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den tuin was, meerdere op het bed gelegd.

’t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.

De tuinman vervolgde:

„Ik dacht: de maan is helder, ’t zal vriezen. Ik zal mijn meloenen hun jas aandoen. En,” voegde hij er luid lachend bij, „gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?”

Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen omgekeerd: hij, de indringer, was ’t die vroeg:

„En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?”

„De schel,” antwoordde Fauchelevent, „dient opdat men mij uit den weg ga.”

„Hoe! opdat men u uit den weg ga?”

De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.

„Te drommel!” zeide hij, „in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. ’t Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen.”

„Wat is dit voor een huis?”

„Kom, dat weet ge immers wel?”

„Neen, ik weet het niet.”

„En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.”

„Antwoord mij, alsof ik niets weet.”

„Welnu, ’t is het klooster van Petit-Picpus.”

Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door ’t omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:

„Het klooster van Petit-Picpus!”

„Maar spreek,” hernam Fauchelevent, „hoe drommels is ’t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen.”

„En gij zijt er!”

„Ik ben de eenige man.”

„Ik moet hier echter blijven,” hernam Jean Valjean.

„Ach, mijn God!” riep Fauchelevent.

Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:

„Vader Fauchelevent, ik heb u ’t leven gered.”

„Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,” antwoordde Fauchelevent.

„Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed.”

Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te kunnen spreken. Eindelijk riep hij:

„O! ’t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, ouden man.”

Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat scheen te schitteren.

„Wat wilt ge dat ik doen zal?” vroeg hij.

„Ik zal ’t u zeggen. Hebt ge een kamer?”

„Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers.”

Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het niet had gezien.

„Goed,” zei Jean Valjean. „Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken.”

„Wat, mijnheer de maire?”

„Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.”

„Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij immers hier bezorgd. ’t Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst.”

„Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.”

„Zoo!” zei Fauchelevent. „Hebt ge een kind?”

Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond zijn meester.

Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas aantrok, had Faucheleventzich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean leggende, tot dezen zeide:

„O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!”

Tiende hoofdstuk.Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt.De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.Toen Jean Valjean—in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam—uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.Hij dacht niet meer aan Jean Valjean—de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden—toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maarJavert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood.—Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dathet nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen.—„Wie was deze grootvader en hoe heette hij?”—Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.—De rentenier was zeer schuw—ging slechts ’s avonds uit—sprak met niemand—enkele keeren slechts met de armen—en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.—Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunjeen de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de metmillioenengevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben:—„Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.”—Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen—een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij dencommissarisin de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?”—„Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblikvan helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.Men kan zich zijne woede voorstellen.Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een foutdat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.

Tiende hoofdstuk.Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt.

De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.Toen Jean Valjean—in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam—uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.Hij dacht niet meer aan Jean Valjean—de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden—toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maarJavert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood.—Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dathet nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen.—„Wie was deze grootvader en hoe heette hij?”—Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.—De rentenier was zeer schuw—ging slechts ’s avonds uit—sprak met niemand—enkele keeren slechts met de armen—en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.—Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunjeen de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de metmillioenengevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben:—„Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.”—Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen—een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij dencommissarisin de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?”—„Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblikvan helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.Men kan zich zijne woede voorstellen.Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een foutdat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.

De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.

Toen Jean Valjean—in denzelfden nacht dat Javert hem bij het sterfbed van Fantine in hechtenis nam—uit de stadsgevangenis van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.

Hij dacht niet meer aan Jean Valjean—de honden, die altijd ter jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden—toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet met couranten ophield; maarJavert, een koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: „Ja, de dood is de beste keten!” Toen wierp hij het blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.

Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en maakte hem nadenkend.

De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was dood.—Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in ’t rijtuig van „le Plat d’étain” in het slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.

Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.

In de eerste dagen hadden de Thénardier’s in hun wrevel veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in ’t dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, spoedig begrepen, dathet nooit goed is mijnheer den procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van Cosettes „ontvoering” vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen in ’t licht brenge. En hoe zou hij ’t maken met de vijftienhonderd francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem van het „gestolen” kind sprak. Hij begreep er niets van; ’t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem „de lieve kleine” zoo spoedig „ontnomen” had, welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar ’t was haar „grootvader,” die op de natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean verdwijnen.

Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn geschiedenis te peilen.—„Wie was deze grootvader en hoe heette hij?”—Thénardier antwoordde onnoozel: „Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet.”

Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde naar Parijs terug.

„Jean Valjean is wel degelijk dood,” zeide hij, „en ik ben een uilskuiken.”

Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart 1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St. Médard woonde en die men noemde den „bedelaar, die aalmoezen geeft.” Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.—De rentenier was zeer schuw—ging slechts ’s avonds uit—sprak met niemand—enkele keeren slechts met de armen—en liet zich niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.—Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunjeen de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.

De „verdachte” naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.

Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean’s dood was officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.

Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw uit te hooren, ’t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit van de metmillioenengevoerden jas, en verhaalde hem de episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.

Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en haastte zich Javert te verwittigen.

Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met twee mannen achter de boomen op den boulevard.

Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn geheim; ’t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de „gevaarlijkste soort van boosdoeners” genoemd hadden, een schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in ’t licht te onthullen.

Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.

Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen herhaald, gemaakt zou hebben:—„Gisteren is een oud man met wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der prefectuur overgebracht.”—

Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij twijfelde werkelijk.

Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.

Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, eindelijk het geloof dat hij in ’t bagno gestorven was, vergrootten Javerts twijfel.

Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere talenten te verbergen—een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten zou wezen „de hen met gouden eieren slachten.” Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.

Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.

’t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.

In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde deze hevige siddering.

Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet dus bij dencommissarisin de straat Pontoise versterking vragen. Vóór men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.

Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem voldoende: „Hebt ge een man met een meisje gezien?”—„Ik heb hem twee sous laten betalen,” antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.

Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.

Thans begon hij te spelen. ’t Was voor hem een oogenblikvan helsche opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in ’t vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, ’t is de gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een vangst.

Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.

Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen mocht.

Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de zakken van een dief navorschende en onderzoekende.

Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de vlieg niet meer.

Men kan zich zijne woede voorstellen.

Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet zien voorbijgaan.

Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te denken. „’t Was geen hert, ’t was een toovenaar.”

Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.

Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.

’t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean fouten beging. ’t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem overtuigd hebben. ’t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in zijn woning in hechtenis nam. ’t Was een fout, dat hij hem niet had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. ’t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en ’t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal was ’t een foutdat, na het spoor op de brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een jachtterm noemt „een volleerde hond.” Maar wie is volmaakt?

De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.

De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk kunnen breken, ’t zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; ’t is Attila die weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; ’t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; ’t is Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.

Hoe ’t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het eerste dat hem in ’t oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.

Bij ’t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, die door een dief verschalkt is.


Back to IndexNext