Boek VIII.De kerkhoven nemen wat men ze geeft.Eerste hoofdstuk.Hoe men in het klooster komt.’t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd „uit den hemel was gevallen.â€Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent, gehecht.Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: „dus moet ik nu hier blijven.â€â€”Deze woorden hadden den ganschen nacht Fauchelevent door ’t hoofd gewoeld.Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hijer blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? ’t Is moeielijk, over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in de armen is ’t onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van ’t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, het klooster tot wijkplaats genomen, en ’t was natuurlijk dat hij er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het leven gered.Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem redden na ’t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn dankbaarheid, zijn goedenwil en een weinig van die oude boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan ’t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem had gemaakt.Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij hebben hem een „armen Picardischen boer†genoemd. Deze benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; ’t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar ’t schijnt, de paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of domheid aanduiden.Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve op en zeide:„Nu ge hier zijt, hoe zult ge ’t maken om er weer uit te komen?â€Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean uit zijn gepeins.Beide mannen raadpleegden.„Vooreerst,†zei Fauchelevent, „moet ge beginnen den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žGe zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,†hernam Fauchelevent, „ik wil zeggen een zeerslecht, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde zien. ’t Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op de been. ’t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.â€â€žMaar,†merkte Jean Valjean op, „het huisje staat tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan ’t van uit het klooster niet zien.â€â€žEn de nonnen komen nooit hier,†voeg ik er bij.„Welnu?†riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent antwoordde:„Ja, maar de meisjes!â€â€žWelke meisjes?†vroeg Jean Valjean.Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd had, hoorde men één slag van de klok.„De non is dood!†zeide hij, „’t is de doodsklok.â€En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.De klok werd weder gehoord.„’t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke minuut geklept worden.—Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. ’t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.â€â€žWie?†vroeg Jean Valjean.„De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. ’t Is de doodsklok.â€â€žNu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen.â€En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds gevonden zijn.Fauchelevent hernam:„Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, dat men mij een bel aan ’t been heeft gebonden, als aan een wild dier.â€Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.—„Dit klooster zou ons kunnen redden,†prevelde hij. En luid zeide hij:„Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven.â€â€žNeen,†zei Fauchelevent, „’t is om hier uit te komen.â€Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.„Hier uit te komen!â€â€žJa, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier uitgaan.â€Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:„Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.â€Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. „Ha!†zei Fauchelevent, „men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.â€Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.„Onmogelijk!†zeide hij. „Houd het er voor, dat ik van boven ben gevallen.â€â€žIk geloof het,†hernam Fauchelevent. „Ge behoeft het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat de lijkarts ze kome schouwen.Dat alles behoort tot de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat kan er gebeurd zijn?—Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?â€â€žCosette.â€â€žIs zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?â€â€žJa.â€â€žâ€™t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. ’t Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in ’t oor schreeuwen, dat ’t een nichtje van mij is en zij ’t tot morgen moet bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?â€Jean Valjean schudde het hoofd.„Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in een overdekte draagkorf hieruit te brengen.â€Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.Een derde gelui gaf een afleiding.„De lijkarts vertrekt,†zei Fauchelevent. „Hij heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.De profundis!â€Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean aanschouwde haar weder en luisterdeniet meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:„Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. ’t Is een oud kerkhof, dat buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. ’t Is jammer, want ’t is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine....â€â€žIs begraven,†zei Jean Valjean treurig glimlachend.Fauchelevent herhaalde het woord.„Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou ’t een wezenlijke begrafenis zijn.â€Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.„Nu is ’t mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge honger hebt.â€Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem antwoordde: „In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,†dat wil zeggen, „binnen.â€Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.Tweede hoofdstuk.Fauchelevent tegenover een bezwaar.Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?â€Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.Fauchelevent boog nogmaals.„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.â€â€žIk ben hier, eerwaardige moeder.â€â€žIk heb u iets te zeggen.â€â€žOok ik,†zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.â€De priorin staarde hem aan.„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?â€â€žEen verzoek.â€â€žNu, spreek.â€De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?â€â€žWaartoe?â€â€žOm tot hefboom te dienen.â€â€žJa, eerwaardige moeder,†antwoordde Fauchelevent.Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.Derde hoofdstuk.Moeder Innocentia.Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette zich op den stoel.Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen beiden mede:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGij kent de kapel?â€â€žIk heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren.â€â€žEn zijt ge wel eens wegens bezigheden in ’t koor geweest?â€â€žTwee of drie malen.â€â€žEr moet een steen worden opgeheven.â€â€žEen zwaren?â€â€žDe zerk naast het altaar.â€â€žDe zerk die het gewelf sluit?â€â€žJa.â€â€žDaarvoor zouden twee mannen noodig zijn.â€â€žMoeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen.â€â€žEen vrouw is nooit een man.â€â€žWij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.â€â€žIk evenmin.â€â€žDe verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een klooster is geen timmerwerf.â€â€žEn een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!â€â€žEn gij kunt een hefboom krijgen?â€â€žDit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past.â€â€žIn den steen is een ring.â€â€žIk zal den hefboom er door steken.â€â€žDe steen is zoo ingericht, dat hij draait.â€â€žGoed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen.â€â€žEn de vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žEn als het gewelf open is?â€â€žMoet het weder gesloten worden.â€â€žIs dat alles?â€â€žNeen.â€â€žGeef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.â€â€žWij stellen vertrouwen in u, Fauvent.â€â€žIk ben hier om alles te doen.â€â€žEn om te zwijgen.â€â€žGewis, eerwaardige moeder.â€â€žAls het gewelf open is...â€â€žZal ik het weder sluiten.â€â€žMaar eerst...â€â€žWat, eerwaardige moeder?â€â€žEr moet iets in nedergelaten worden.â€Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling scheen aan te duiden, hernam de priorin:„Vader Fauvent....â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGe weet dat van ochtend een moeder is overleden.â€â€žNeen.â€â€žHebt ge dan de klok niet gehoord?â€â€žMen hoort niets aan ’t einde van den tuin.â€â€žWaarlijk?â€â€žIk hoor nauwelijks als ik gescheld word.â€â€žZij is bij ’t aanbreken van den dag gestorven.â€â€žVan ochtend was de wind niet naar mijn kant.â€â€žâ€™t Is moeder Crucifixion. Een zalige.â€De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in stilte, en hernam:„Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.â€â€žHa ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder.â€â€žDe moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen.â€â€žIk ken die kamer.â€â€žGeen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. ’t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt.â€â€žVaker!â€â€žWat?â€â€žVaker!â€â€žWat zegt gij?â€â€žIk zeg vaker.â€â€žVaker dan wat?â€â€žEerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker.â€â€žIk begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?â€â€žOm te zeggen als gij, eerwaarde moeder.â€â€žMaar ik heb niet vaker gezegd.â€â€žGe hebt het niet gezegd, maar ik heb ’t gezegd om als gij te zeggen.â€Op dit oogenblik sloeg het negen uren.„Te negen ure ’s morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd,†zei de priorin.„Amen,†zei Fauchelevent.Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het „vaker.†’t Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en zeide toen luid:„In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood zal zij wonderen doen.â€â€žZij zal ze doen;†antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende nu niet meer te struikelen.„Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend geweest. ’t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God te geven met de woorden:Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.â€Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:„Amen.â€â€žVader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.â€De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:„Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.â€â€žEerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in den tuin.â€â€žZij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige.â€â€žGelijk gij, eerwaardige moeder.â€â€žZij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.â€â€žDie kei... Buonaparte gekroond heeft.â€Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten verdiept was, hem niet. Zij hernam:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žDe heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op zijn graf dit enkele woord grifte:Acarus, dat aardworm beteekent; ’t werd gedaan. Is ’t zoo niet?â€â€žJa, eerwaardige moeder.â€â€žDe welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden begraven; ’t werd gedaan.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žDe heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, ’t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men moet de dooden gehoorzamen.â€â€žHet zij zoo!â€â€žHet lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men dit ontkennen?â€â€žVolstrekt niet, eerwaardige moeder.â€â€žHet feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.â€Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden, toen hernam de priorin:„Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.â€â€žDat is recht.â€â€žâ€™t Is een voortzetting van den slaap.â€â€žIk zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?â€â€žJa.â€â€žEn wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?â€â€žZoo is het.â€â€žIk ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.â€â€žDe vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žOm de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig.â€â€žNeen, om ze neder te laten.â€â€žWaarin?â€â€žIn het gewelf.â€â€žWelk gewelf?â€â€žOnder het altaar.â€Fauchelevent ontstelde en riep:„In het gewelf onder het altaar?â€â€žOnder het altaar.â€â€žMaar...â€â€žGij kunt een ijzeren stang krijgen.â€â€žJa, maar...â€â€žGij licht den steen met den stang in den ring op...â€â€žMaar...â€â€žMen moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te zeggen bevolen.â€â€žMaar ’t is verboden.â€â€žDoor de menschen verboden, door God geboden.â€â€žZoo men het te weten kwam?â€â€žWij vertrouwen u.â€â€žO, ik, ik ben als een steen van uw muur.â€â€žHet kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen komen uit de graven.â€â€žMaar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie....â€â€žDe H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus Pogonat wederstaan.â€â€žMaar de commissaris van politie...â€â€žChonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend.â€â€žMaar de inspecteur der prefectuur...â€â€žDe wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:Stat crux dum volvitur orbis1.â€â€žAmen,†zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis verliet, met een aantal dilemma’s en syllogismen, die hij in zijn hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een woordenstroom als van een opengezette sluis:„Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl ’t hem heeft zien geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, Eon de l’Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de reglementen, het bestuur—kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschiktgemaakt aan den commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!â€Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De priorin hernam:„Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij Christus’ kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren—Bérulle, François Bourgoin—Gondren, Jean François Senault—Bourgoin, en pater Santa Marta—Jean François Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan de dooden, schuldig is. ’t Is verboden heilig te sterven. De begrafenis is een burgerlijke zaak. ’t Is afgrijselijk! De heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, verzette zich in dezelfde zaaktegen Otto, hertog van Bourgondië. De vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te Monte Cassino op Zaterdag, den 21ender maand Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, Trithème, Marolicus en dom Luc d’Achery.â€De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:„’t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?â€â€žâ€™t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.â€â€žKan men op u rekenen?â€â€žIk zal gehoorzamen.â€â€žGoed.â€â€žIk ben geheel ten dienste van het klooster.â€â€žAfgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder Ascension en gij.â€â€žEn de zuster aan den paal.â€â€žZij zal niet omzien.â€â€žMaar hooren.â€â€žZij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der wereld onbekend.â€Wederom een pauze. De priorin vervolgde:„Gij moet uwe schel afleggen. ’t Is niet noodig dat de zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat, vader Fauvent?â€â€žIs de arts voor de lijkschouwing er geweest?â€â€žHij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?â€â€žIk let slechts op het mijne.â€â€žDat is zeer goed, vader Fauvent.â€â€žEerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn.â€â€žWaar zult ge dien krijgen?â€â€žWaar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.â€â€žVergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat?â€â€žZoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk als een Turk.â€â€žHaast u zooveel mogelijk.â€â€žHaastig zal ’t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.â€â€žKreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de kreupele.â€â€žTwee wijn-amen zijn beter dan een,†mompelde Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.„Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te voren verricht zijn.â€â€žIk zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er zijn. ’t Ware beter twee mannen. Om ’t even! ik zal mijn hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten en ’t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, eerwaardige moeder?â€â€žNeen.â€â€žWat nog?â€â€žDe ledige doodkist.â€Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.„Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?â€â€žBuiten begraven.â€â€žLedig?â€Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, als om een moeielijke vraag op te lossen.Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er het lijkkleed over.â€â€žJa, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.â€â€žO! dui...!†riep Fauchelevent.De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.„Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. ’t Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.â€â€žGij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo voor de ledige kist?â€â€žIk belast er mij mede.â€Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:„Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt.â€1Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.Vierde Hoofdstuk.Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen.De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!â€Cosette knikte ernstig met het hoofd.Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:„Welnu?â€â€žAlles en niets is in orde,†zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlatenmoet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.â€â€žGe draagt haar weg?â€â€žZal zij stil zijn?â€â€žDaarvoor sta ik in.â€â€žMaar gij, vader Madeleine?â€Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!â€Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!â€Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.â€Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.Fauchelevent hernam:„Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.â€Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.„Welke ledige doodkist?†vroeg Valjean.„De doodkist, welke het bestuur zendt,†antwoordde Fauchelevent.„Welke doodkist en welk bestuur?â€â€žZoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.â€â€žLeg er iets in.â€â€žEene doode? ik heb geen doode.â€â€žNeen.â€â€žWat dan?â€â€žEen levende.â€â€žWelken levende?â€â€žMij,†zei Jean Valjean.Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.„Gij?â€â€žWaarom niet?â€Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.â€â€žOch, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.â€â€žIn vollen ernst. Moet ik niet van hier?â€â€žZekerlijk.â€â€žIk heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.â€â€žNu?â€â€žDe draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.â€â€žEen wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.â€â€žGoed. Een wit laken.â€â€žGe zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.â€Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.Jean Valjean hernam:„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?â€â€žDe ledige?â€â€žJa.â€â€žBeneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.â€â€žHoe lang is de doodkist?â€â€žZes voet.â€â€žHoedanig is de lijkkamer?â€â€žâ€™t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.â€â€žWelke kerk?â€â€žDe kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.â€â€žHebt ge de sleutels van deze twee deuren?â€â€žNeen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.â€â€žWanneer opent de portier deze deur?â€â€žAlleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.â€â€žWie spijkert de kist dicht?â€â€žIk.â€â€žWie legt er het lijkkleed op?â€â€žIk.â€â€žZijt gij alleen?â€â€žGeen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.â€â€žZoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?â€â€žNeen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.â€â€žHoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?â€â€žTegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.â€â€žIk zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.â€â€žIk zal u eten brengen.â€â€žZoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.â€Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.„Onmogelijk!â€â€žHoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?â€Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:„Maar hoe zult ge lucht krijgen?â€â€žIk zal ademen.â€â€žIn deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.â€â€žGe hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.â€â€žGoed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?â€â€žHij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,†voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.â€Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot dieweifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:„’t Is waar, ik zie geen ander middel.â€Jean Valjean hernam:„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.â€â€žDat bekommert mij juist volstrekt niet,†riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.â€Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.â€â€žZoo er niets tusschenbeide komt,†dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.â€
Boek VIII.De kerkhoven nemen wat men ze geeft.Eerste hoofdstuk.Hoe men in het klooster komt.’t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd „uit den hemel was gevallen.â€Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent, gehecht.Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: „dus moet ik nu hier blijven.â€â€”Deze woorden hadden den ganschen nacht Fauchelevent door ’t hoofd gewoeld.Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hijer blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? ’t Is moeielijk, over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in de armen is ’t onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van ’t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, het klooster tot wijkplaats genomen, en ’t was natuurlijk dat hij er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het leven gered.Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem redden na ’t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn dankbaarheid, zijn goedenwil en een weinig van die oude boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan ’t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem had gemaakt.Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij hebben hem een „armen Picardischen boer†genoemd. Deze benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; ’t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar ’t schijnt, de paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of domheid aanduiden.Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve op en zeide:„Nu ge hier zijt, hoe zult ge ’t maken om er weer uit te komen?â€Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean uit zijn gepeins.Beide mannen raadpleegden.„Vooreerst,†zei Fauchelevent, „moet ge beginnen den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žGe zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,†hernam Fauchelevent, „ik wil zeggen een zeerslecht, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde zien. ’t Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op de been. ’t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.â€â€žMaar,†merkte Jean Valjean op, „het huisje staat tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan ’t van uit het klooster niet zien.â€â€žEn de nonnen komen nooit hier,†voeg ik er bij.„Welnu?†riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent antwoordde:„Ja, maar de meisjes!â€â€žWelke meisjes?†vroeg Jean Valjean.Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd had, hoorde men één slag van de klok.„De non is dood!†zeide hij, „’t is de doodsklok.â€En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.De klok werd weder gehoord.„’t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke minuut geklept worden.—Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. ’t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.â€â€žWie?†vroeg Jean Valjean.„De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. ’t Is de doodsklok.â€â€žNu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen.â€En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds gevonden zijn.Fauchelevent hernam:„Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, dat men mij een bel aan ’t been heeft gebonden, als aan een wild dier.â€Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.—„Dit klooster zou ons kunnen redden,†prevelde hij. En luid zeide hij:„Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven.â€â€žNeen,†zei Fauchelevent, „’t is om hier uit te komen.â€Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.„Hier uit te komen!â€â€žJa, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier uitgaan.â€Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:„Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.â€Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. „Ha!†zei Fauchelevent, „men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.â€Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.„Onmogelijk!†zeide hij. „Houd het er voor, dat ik van boven ben gevallen.â€â€žIk geloof het,†hernam Fauchelevent. „Ge behoeft het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat de lijkarts ze kome schouwen.Dat alles behoort tot de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat kan er gebeurd zijn?—Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?â€â€žCosette.â€â€žIs zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?â€â€žJa.â€â€žâ€™t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. ’t Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in ’t oor schreeuwen, dat ’t een nichtje van mij is en zij ’t tot morgen moet bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?â€Jean Valjean schudde het hoofd.„Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in een overdekte draagkorf hieruit te brengen.â€Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.Een derde gelui gaf een afleiding.„De lijkarts vertrekt,†zei Fauchelevent. „Hij heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.De profundis!â€Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean aanschouwde haar weder en luisterdeniet meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:„Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. ’t Is een oud kerkhof, dat buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. ’t Is jammer, want ’t is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine....â€â€žIs begraven,†zei Jean Valjean treurig glimlachend.Fauchelevent herhaalde het woord.„Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou ’t een wezenlijke begrafenis zijn.â€Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.„Nu is ’t mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge honger hebt.â€Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem antwoordde: „In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,†dat wil zeggen, „binnen.â€Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.Tweede hoofdstuk.Fauchelevent tegenover een bezwaar.Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?â€Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.Fauchelevent boog nogmaals.„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.â€â€žIk ben hier, eerwaardige moeder.â€â€žIk heb u iets te zeggen.â€â€žOok ik,†zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.â€De priorin staarde hem aan.„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?â€â€žEen verzoek.â€â€žNu, spreek.â€De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?â€â€žWaartoe?â€â€žOm tot hefboom te dienen.â€â€žJa, eerwaardige moeder,†antwoordde Fauchelevent.Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.Derde hoofdstuk.Moeder Innocentia.Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette zich op den stoel.Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen beiden mede:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGij kent de kapel?â€â€žIk heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren.â€â€žEn zijt ge wel eens wegens bezigheden in ’t koor geweest?â€â€žTwee of drie malen.â€â€žEr moet een steen worden opgeheven.â€â€žEen zwaren?â€â€žDe zerk naast het altaar.â€â€žDe zerk die het gewelf sluit?â€â€žJa.â€â€žDaarvoor zouden twee mannen noodig zijn.â€â€žMoeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen.â€â€žEen vrouw is nooit een man.â€â€žWij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.â€â€žIk evenmin.â€â€žDe verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een klooster is geen timmerwerf.â€â€žEn een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!â€â€žEn gij kunt een hefboom krijgen?â€â€žDit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past.â€â€žIn den steen is een ring.â€â€žIk zal den hefboom er door steken.â€â€žDe steen is zoo ingericht, dat hij draait.â€â€žGoed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen.â€â€žEn de vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žEn als het gewelf open is?â€â€žMoet het weder gesloten worden.â€â€žIs dat alles?â€â€žNeen.â€â€žGeef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.â€â€žWij stellen vertrouwen in u, Fauvent.â€â€žIk ben hier om alles te doen.â€â€žEn om te zwijgen.â€â€žGewis, eerwaardige moeder.â€â€žAls het gewelf open is...â€â€žZal ik het weder sluiten.â€â€žMaar eerst...â€â€žWat, eerwaardige moeder?â€â€žEr moet iets in nedergelaten worden.â€Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling scheen aan te duiden, hernam de priorin:„Vader Fauvent....â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGe weet dat van ochtend een moeder is overleden.â€â€žNeen.â€â€žHebt ge dan de klok niet gehoord?â€â€žMen hoort niets aan ’t einde van den tuin.â€â€žWaarlijk?â€â€žIk hoor nauwelijks als ik gescheld word.â€â€žZij is bij ’t aanbreken van den dag gestorven.â€â€žVan ochtend was de wind niet naar mijn kant.â€â€žâ€™t Is moeder Crucifixion. Een zalige.â€De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in stilte, en hernam:„Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.â€â€žHa ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder.â€â€žDe moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen.â€â€žIk ken die kamer.â€â€žGeen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. ’t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt.â€â€žVaker!â€â€žWat?â€â€žVaker!â€â€žWat zegt gij?â€â€žIk zeg vaker.â€â€žVaker dan wat?â€â€žEerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker.â€â€žIk begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?â€â€žOm te zeggen als gij, eerwaarde moeder.â€â€žMaar ik heb niet vaker gezegd.â€â€žGe hebt het niet gezegd, maar ik heb ’t gezegd om als gij te zeggen.â€Op dit oogenblik sloeg het negen uren.„Te negen ure ’s morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd,†zei de priorin.„Amen,†zei Fauchelevent.Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het „vaker.†’t Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en zeide toen luid:„In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood zal zij wonderen doen.â€â€žZij zal ze doen;†antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende nu niet meer te struikelen.„Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend geweest. ’t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God te geven met de woorden:Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.â€Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:„Amen.â€â€žVader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.â€De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:„Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.â€â€žEerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in den tuin.â€â€žZij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige.â€â€žGelijk gij, eerwaardige moeder.â€â€žZij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.â€â€žDie kei... Buonaparte gekroond heeft.â€Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten verdiept was, hem niet. Zij hernam:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žDe heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op zijn graf dit enkele woord grifte:Acarus, dat aardworm beteekent; ’t werd gedaan. Is ’t zoo niet?â€â€žJa, eerwaardige moeder.â€â€žDe welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden begraven; ’t werd gedaan.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žDe heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, ’t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men moet de dooden gehoorzamen.â€â€žHet zij zoo!â€â€žHet lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men dit ontkennen?â€â€žVolstrekt niet, eerwaardige moeder.â€â€žHet feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.â€Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden, toen hernam de priorin:„Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.â€â€žDat is recht.â€â€žâ€™t Is een voortzetting van den slaap.â€â€žIk zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?â€â€žJa.â€â€žEn wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?â€â€žZoo is het.â€â€žIk ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.â€â€žDe vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žOm de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig.â€â€žNeen, om ze neder te laten.â€â€žWaarin?â€â€žIn het gewelf.â€â€žWelk gewelf?â€â€žOnder het altaar.â€Fauchelevent ontstelde en riep:„In het gewelf onder het altaar?â€â€žOnder het altaar.â€â€žMaar...â€â€žGij kunt een ijzeren stang krijgen.â€â€žJa, maar...â€â€žGij licht den steen met den stang in den ring op...â€â€žMaar...â€â€žMen moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te zeggen bevolen.â€â€žMaar ’t is verboden.â€â€žDoor de menschen verboden, door God geboden.â€â€žZoo men het te weten kwam?â€â€žWij vertrouwen u.â€â€žO, ik, ik ben als een steen van uw muur.â€â€žHet kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen komen uit de graven.â€â€žMaar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie....â€â€žDe H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus Pogonat wederstaan.â€â€žMaar de commissaris van politie...â€â€žChonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend.â€â€žMaar de inspecteur der prefectuur...â€â€žDe wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:Stat crux dum volvitur orbis1.â€â€žAmen,†zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis verliet, met een aantal dilemma’s en syllogismen, die hij in zijn hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een woordenstroom als van een opengezette sluis:„Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl ’t hem heeft zien geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, Eon de l’Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de reglementen, het bestuur—kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschiktgemaakt aan den commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!â€Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De priorin hernam:„Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij Christus’ kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren—Bérulle, François Bourgoin—Gondren, Jean François Senault—Bourgoin, en pater Santa Marta—Jean François Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan de dooden, schuldig is. ’t Is verboden heilig te sterven. De begrafenis is een burgerlijke zaak. ’t Is afgrijselijk! De heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, verzette zich in dezelfde zaaktegen Otto, hertog van Bourgondië. De vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te Monte Cassino op Zaterdag, den 21ender maand Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, Trithème, Marolicus en dom Luc d’Achery.â€De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:„’t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?â€â€žâ€™t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.â€â€žKan men op u rekenen?â€â€žIk zal gehoorzamen.â€â€žGoed.â€â€žIk ben geheel ten dienste van het klooster.â€â€žAfgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder Ascension en gij.â€â€žEn de zuster aan den paal.â€â€žZij zal niet omzien.â€â€žMaar hooren.â€â€žZij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der wereld onbekend.â€Wederom een pauze. De priorin vervolgde:„Gij moet uwe schel afleggen. ’t Is niet noodig dat de zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat, vader Fauvent?â€â€žIs de arts voor de lijkschouwing er geweest?â€â€žHij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?â€â€žIk let slechts op het mijne.â€â€žDat is zeer goed, vader Fauvent.â€â€žEerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn.â€â€žWaar zult ge dien krijgen?â€â€žWaar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.â€â€žVergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat?â€â€žZoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk als een Turk.â€â€žHaast u zooveel mogelijk.â€â€žHaastig zal ’t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.â€â€žKreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de kreupele.â€â€žTwee wijn-amen zijn beter dan een,†mompelde Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.„Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te voren verricht zijn.â€â€žIk zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er zijn. ’t Ware beter twee mannen. Om ’t even! ik zal mijn hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten en ’t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, eerwaardige moeder?â€â€žNeen.â€â€žWat nog?â€â€žDe ledige doodkist.â€Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.„Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?â€â€žBuiten begraven.â€â€žLedig?â€Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, als om een moeielijke vraag op te lossen.Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er het lijkkleed over.â€â€žJa, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.â€â€žO! dui...!†riep Fauchelevent.De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.„Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. ’t Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.â€â€žGij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo voor de ledige kist?â€â€žIk belast er mij mede.â€Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:„Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt.â€1Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.Vierde Hoofdstuk.Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen.De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!â€Cosette knikte ernstig met het hoofd.Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:„Welnu?â€â€žAlles en niets is in orde,†zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlatenmoet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.â€â€žGe draagt haar weg?â€â€žZal zij stil zijn?â€â€žDaarvoor sta ik in.â€â€žMaar gij, vader Madeleine?â€Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!â€Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!â€Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.â€Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.Fauchelevent hernam:„Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.â€Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.„Welke ledige doodkist?†vroeg Valjean.„De doodkist, welke het bestuur zendt,†antwoordde Fauchelevent.„Welke doodkist en welk bestuur?â€â€žZoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.â€â€žLeg er iets in.â€â€žEene doode? ik heb geen doode.â€â€žNeen.â€â€žWat dan?â€â€žEen levende.â€â€žWelken levende?â€â€žMij,†zei Jean Valjean.Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.„Gij?â€â€žWaarom niet?â€Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.â€â€žOch, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.â€â€žIn vollen ernst. Moet ik niet van hier?â€â€žZekerlijk.â€â€žIk heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.â€â€žNu?â€â€žDe draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.â€â€žEen wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.â€â€žGoed. Een wit laken.â€â€žGe zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.â€Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.Jean Valjean hernam:„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?â€â€žDe ledige?â€â€žJa.â€â€žBeneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.â€â€žHoe lang is de doodkist?â€â€žZes voet.â€â€žHoedanig is de lijkkamer?â€â€žâ€™t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.â€â€žWelke kerk?â€â€žDe kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.â€â€žHebt ge de sleutels van deze twee deuren?â€â€žNeen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.â€â€žWanneer opent de portier deze deur?â€â€žAlleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.â€â€žWie spijkert de kist dicht?â€â€žIk.â€â€žWie legt er het lijkkleed op?â€â€žIk.â€â€žZijt gij alleen?â€â€žGeen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.â€â€žZoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?â€â€žNeen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.â€â€žHoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?â€â€žTegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.â€â€žIk zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.â€â€žIk zal u eten brengen.â€â€žZoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.â€Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.„Onmogelijk!â€â€žHoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?â€Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:„Maar hoe zult ge lucht krijgen?â€â€žIk zal ademen.â€â€žIn deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.â€â€žGe hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.â€â€žGoed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?â€â€žHij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,†voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.â€Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot dieweifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:„’t Is waar, ik zie geen ander middel.â€Jean Valjean hernam:„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.â€â€žDat bekommert mij juist volstrekt niet,†riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.â€Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.â€â€žZoo er niets tusschenbeide komt,†dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.â€
Eerste hoofdstuk.Hoe men in het klooster komt.’t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd „uit den hemel was gevallen.â€Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent, gehecht.Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: „dus moet ik nu hier blijven.â€â€”Deze woorden hadden den ganschen nacht Fauchelevent door ’t hoofd gewoeld.Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hijer blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? ’t Is moeielijk, over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in de armen is ’t onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van ’t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, het klooster tot wijkplaats genomen, en ’t was natuurlijk dat hij er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het leven gered.Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem redden na ’t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn dankbaarheid, zijn goedenwil en een weinig van die oude boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan ’t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem had gemaakt.Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij hebben hem een „armen Picardischen boer†genoemd. Deze benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; ’t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar ’t schijnt, de paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of domheid aanduiden.Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve op en zeide:„Nu ge hier zijt, hoe zult ge ’t maken om er weer uit te komen?â€Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean uit zijn gepeins.Beide mannen raadpleegden.„Vooreerst,†zei Fauchelevent, „moet ge beginnen den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žGe zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,†hernam Fauchelevent, „ik wil zeggen een zeerslecht, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde zien. ’t Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op de been. ’t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.â€â€žMaar,†merkte Jean Valjean op, „het huisje staat tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan ’t van uit het klooster niet zien.â€â€žEn de nonnen komen nooit hier,†voeg ik er bij.„Welnu?†riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent antwoordde:„Ja, maar de meisjes!â€â€žWelke meisjes?†vroeg Jean Valjean.Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd had, hoorde men één slag van de klok.„De non is dood!†zeide hij, „’t is de doodsklok.â€En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.De klok werd weder gehoord.„’t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke minuut geklept worden.—Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. ’t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.â€â€žWie?†vroeg Jean Valjean.„De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. ’t Is de doodsklok.â€â€žNu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen.â€En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds gevonden zijn.Fauchelevent hernam:„Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, dat men mij een bel aan ’t been heeft gebonden, als aan een wild dier.â€Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.—„Dit klooster zou ons kunnen redden,†prevelde hij. En luid zeide hij:„Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven.â€â€žNeen,†zei Fauchelevent, „’t is om hier uit te komen.â€Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.„Hier uit te komen!â€â€žJa, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier uitgaan.â€Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:„Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.â€Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. „Ha!†zei Fauchelevent, „men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.â€Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.„Onmogelijk!†zeide hij. „Houd het er voor, dat ik van boven ben gevallen.â€â€žIk geloof het,†hernam Fauchelevent. „Ge behoeft het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat de lijkarts ze kome schouwen.Dat alles behoort tot de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat kan er gebeurd zijn?—Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?â€â€žCosette.â€â€žIs zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?â€â€žJa.â€â€žâ€™t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. ’t Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in ’t oor schreeuwen, dat ’t een nichtje van mij is en zij ’t tot morgen moet bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?â€Jean Valjean schudde het hoofd.„Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in een overdekte draagkorf hieruit te brengen.â€Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.Een derde gelui gaf een afleiding.„De lijkarts vertrekt,†zei Fauchelevent. „Hij heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.De profundis!â€Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean aanschouwde haar weder en luisterdeniet meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:„Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. ’t Is een oud kerkhof, dat buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. ’t Is jammer, want ’t is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine....â€â€žIs begraven,†zei Jean Valjean treurig glimlachend.Fauchelevent herhaalde het woord.„Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou ’t een wezenlijke begrafenis zijn.â€Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.„Nu is ’t mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge honger hebt.â€Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem antwoordde: „In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,†dat wil zeggen, „binnen.â€Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.
Eerste hoofdstuk.Hoe men in het klooster komt.
’t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd „uit den hemel was gevallen.â€Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent, gehecht.Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: „dus moet ik nu hier blijven.â€â€”Deze woorden hadden den ganschen nacht Fauchelevent door ’t hoofd gewoeld.Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hijer blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? ’t Is moeielijk, over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in de armen is ’t onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van ’t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, het klooster tot wijkplaats genomen, en ’t was natuurlijk dat hij er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het leven gered.Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem redden na ’t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn dankbaarheid, zijn goedenwil en een weinig van die oude boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan ’t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem had gemaakt.Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij hebben hem een „armen Picardischen boer†genoemd. Deze benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; ’t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar ’t schijnt, de paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of domheid aanduiden.Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve op en zeide:„Nu ge hier zijt, hoe zult ge ’t maken om er weer uit te komen?â€Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean uit zijn gepeins.Beide mannen raadpleegden.„Vooreerst,†zei Fauchelevent, „moet ge beginnen den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žGe zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,†hernam Fauchelevent, „ik wil zeggen een zeerslecht, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde zien. ’t Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op de been. ’t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.â€â€žMaar,†merkte Jean Valjean op, „het huisje staat tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan ’t van uit het klooster niet zien.â€â€žEn de nonnen komen nooit hier,†voeg ik er bij.„Welnu?†riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent antwoordde:„Ja, maar de meisjes!â€â€žWelke meisjes?†vroeg Jean Valjean.Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd had, hoorde men één slag van de klok.„De non is dood!†zeide hij, „’t is de doodsklok.â€En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.De klok werd weder gehoord.„’t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke minuut geklept worden.—Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. ’t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.â€â€žWie?†vroeg Jean Valjean.„De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. ’t Is de doodsklok.â€â€žNu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen.â€En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds gevonden zijn.Fauchelevent hernam:„Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, dat men mij een bel aan ’t been heeft gebonden, als aan een wild dier.â€Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.—„Dit klooster zou ons kunnen redden,†prevelde hij. En luid zeide hij:„Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven.â€â€žNeen,†zei Fauchelevent, „’t is om hier uit te komen.â€Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.„Hier uit te komen!â€â€žJa, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier uitgaan.â€Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:„Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.â€Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. „Ha!†zei Fauchelevent, „men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.â€Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.„Onmogelijk!†zeide hij. „Houd het er voor, dat ik van boven ben gevallen.â€â€žIk geloof het,†hernam Fauchelevent. „Ge behoeft het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat de lijkarts ze kome schouwen.Dat alles behoort tot de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat kan er gebeurd zijn?—Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?â€â€žCosette.â€â€žIs zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?â€â€žJa.â€â€žâ€™t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. ’t Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in ’t oor schreeuwen, dat ’t een nichtje van mij is en zij ’t tot morgen moet bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?â€Jean Valjean schudde het hoofd.„Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in een overdekte draagkorf hieruit te brengen.â€Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.Een derde gelui gaf een afleiding.„De lijkarts vertrekt,†zei Fauchelevent. „Hij heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.De profundis!â€Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean aanschouwde haar weder en luisterdeniet meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:„Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. ’t Is een oud kerkhof, dat buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. ’t Is jammer, want ’t is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine....â€â€žIs begraven,†zei Jean Valjean treurig glimlachend.Fauchelevent herhaalde het woord.„Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou ’t een wezenlijke begrafenis zijn.â€Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.„Nu is ’t mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge honger hebt.â€Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem antwoordde: „In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,†dat wil zeggen, „binnen.â€Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.
’t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd „uit den hemel was gevallen.â€
Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent, gehecht.
Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: „dus moet ik nu hier blijven.â€â€”Deze woorden hadden den ganschen nacht Fauchelevent door ’t hoofd gewoeld.
Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.
Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hijer blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.
Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? ’t Is moeielijk, over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in de armen is ’t onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van ’t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, het klooster tot wijkplaats genomen, en ’t was natuurlijk dat hij er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het leven gered.
Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.
Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.
Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem redden na ’t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.
Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn dankbaarheid, zijn goedenwil en een weinig van die oude boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan ’t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem had gemaakt.
Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij hebben hem een „armen Picardischen boer†genoemd. Deze benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; ’t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar ’t schijnt, de paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of domheid aanduiden.
Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve op en zeide:
„Nu ge hier zijt, hoe zult ge ’t maken om er weer uit te komen?â€
Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean uit zijn gepeins.
Beide mannen raadpleegden.
„Vooreerst,†zei Fauchelevent, „moet ge beginnen den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.â€
„’t Is waar.â€
„Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,†hernam Fauchelevent, „ik wil zeggen een zeerslecht, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde zien. ’t Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op de been. ’t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.â€
„Maar,†merkte Jean Valjean op, „het huisje staat tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan ’t van uit het klooster niet zien.â€
„En de nonnen komen nooit hier,†voeg ik er bij.
„Welnu?†riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent antwoordde:
„Ja, maar de meisjes!â€
„Welke meisjes?†vroeg Jean Valjean.
Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd had, hoorde men één slag van de klok.
„De non is dood!†zeide hij, „’t is de doodsklok.â€
En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.
De klok werd weder gehoord.
„’t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke minuut geklept worden.—Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. ’t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.â€
„Wie?†vroeg Jean Valjean.
„De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. ’t Is de doodsklok.â€
„Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen.â€
En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds gevonden zijn.
Fauchelevent hernam:
„Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, dat men mij een bel aan ’t been heeft gebonden, als aan een wild dier.â€
Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.—„Dit klooster zou ons kunnen redden,†prevelde hij. En luid zeide hij:
„Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven.â€
„Neen,†zei Fauchelevent, „’t is om hier uit te komen.â€
Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.
„Hier uit te komen!â€
„Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier uitgaan.â€
Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:
„Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.â€
Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. „Ha!†zei Fauchelevent, „men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.â€
Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.
„Onmogelijk!†zeide hij. „Houd het er voor, dat ik van boven ben gevallen.â€
„Ik geloof het,†hernam Fauchelevent. „Ge behoeft het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat de lijkarts ze kome schouwen.Dat alles behoort tot de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat kan er gebeurd zijn?—Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?â€
„Cosette.â€
„Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?â€
„Ja.â€
„’t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. ’t Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in ’t oor schreeuwen, dat ’t een nichtje van mij is en zij ’t tot morgen moet bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?â€
Jean Valjean schudde het hoofd.
„Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in een overdekte draagkorf hieruit te brengen.â€
Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.
Een derde gelui gaf een afleiding.
„De lijkarts vertrekt,†zei Fauchelevent. „Hij heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.De profundis!â€
Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean aanschouwde haar weder en luisterdeniet meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:
„Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. ’t Is een oud kerkhof, dat buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. ’t Is jammer, want ’t is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine....â€
„Is begraven,†zei Jean Valjean treurig glimlachend.
Fauchelevent herhaalde het woord.
„Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou ’t een wezenlijke begrafenis zijn.â€
Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.
„Nu is ’t mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge honger hebt.â€
Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!
Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.
In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem antwoordde: „In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,†dat wil zeggen, „binnen.â€
Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.
Tweede hoofdstuk.Fauchelevent tegenover een bezwaar.Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?â€Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.Fauchelevent boog nogmaals.„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.â€â€žIk ben hier, eerwaardige moeder.â€â€žIk heb u iets te zeggen.â€â€žOok ik,†zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.â€De priorin staarde hem aan.„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?â€â€žEen verzoek.â€â€žNu, spreek.â€De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?â€â€žWaartoe?â€â€žOm tot hefboom te dienen.â€â€žJa, eerwaardige moeder,†antwoordde Fauchelevent.Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.
Tweede hoofdstuk.Fauchelevent tegenover een bezwaar.
Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?â€Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.Fauchelevent boog nogmaals.„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.â€â€žIk ben hier, eerwaardige moeder.â€â€žIk heb u iets te zeggen.â€â€žOok ik,†zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.â€De priorin staarde hem aan.„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?â€â€žEen verzoek.â€â€žNu, spreek.â€De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?â€â€žWaartoe?â€â€žOm tot hefboom te dienen.â€â€žJa, eerwaardige moeder,†antwoordde Fauchelevent.Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.
Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.
De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers liet glijden, hief de oogen op en zeide:
„Ha, zijt gij ’t, vader Fauvent?â€
Men had zijn naam in ’t klooster zoo verkort.
Fauchelevent boog nogmaals.
„Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.â€
„Ik ben hier, eerwaardige moeder.â€
„Ik heb u iets te zeggen.â€
„Ook ik,†zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig deed beven, „heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen.â€
De priorin staarde hem aan.
„Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?â€
„Een verzoek.â€
„Nu, spreek.â€
De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk te vervangen geweest.
Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had—(de priorin maakte een beweging)—een bejaarde broeder,—(tweede beweging der priorin, maar weer gerustgesteld)—dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van hem, spreker, zelf;—dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen zijn ontslag te verzoeken;—dat zijn broeder een dochtertje had, ’t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.
Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:
„Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?â€
„Waartoe?â€
„Om tot hefboom te dienen.â€
„Ja, eerwaardige moeder,†antwoordde Fauchelevent.
Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent bleef alleen.
Derde hoofdstuk.Moeder Innocentia.Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette zich op den stoel.Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen beiden mede:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGij kent de kapel?â€â€žIk heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren.â€â€žEn zijt ge wel eens wegens bezigheden in ’t koor geweest?â€â€žTwee of drie malen.â€â€žEr moet een steen worden opgeheven.â€â€žEen zwaren?â€â€žDe zerk naast het altaar.â€â€žDe zerk die het gewelf sluit?â€â€žJa.â€â€žDaarvoor zouden twee mannen noodig zijn.â€â€žMoeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen.â€â€žEen vrouw is nooit een man.â€â€žWij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.â€â€žIk evenmin.â€â€žDe verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een klooster is geen timmerwerf.â€â€žEn een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!â€â€žEn gij kunt een hefboom krijgen?â€â€žDit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past.â€â€žIn den steen is een ring.â€â€žIk zal den hefboom er door steken.â€â€žDe steen is zoo ingericht, dat hij draait.â€â€žGoed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen.â€â€žEn de vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žEn als het gewelf open is?â€â€žMoet het weder gesloten worden.â€â€žIs dat alles?â€â€žNeen.â€â€žGeef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.â€â€žWij stellen vertrouwen in u, Fauvent.â€â€žIk ben hier om alles te doen.â€â€žEn om te zwijgen.â€â€žGewis, eerwaardige moeder.â€â€žAls het gewelf open is...â€â€žZal ik het weder sluiten.â€â€žMaar eerst...â€â€žWat, eerwaardige moeder?â€â€žEr moet iets in nedergelaten worden.â€Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling scheen aan te duiden, hernam de priorin:„Vader Fauvent....â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGe weet dat van ochtend een moeder is overleden.â€â€žNeen.â€â€žHebt ge dan de klok niet gehoord?â€â€žMen hoort niets aan ’t einde van den tuin.â€â€žWaarlijk?â€â€žIk hoor nauwelijks als ik gescheld word.â€â€žZij is bij ’t aanbreken van den dag gestorven.â€â€žVan ochtend was de wind niet naar mijn kant.â€â€žâ€™t Is moeder Crucifixion. Een zalige.â€De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in stilte, en hernam:„Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.â€â€žHa ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder.â€â€žDe moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen.â€â€žIk ken die kamer.â€â€žGeen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. ’t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt.â€â€žVaker!â€â€žWat?â€â€žVaker!â€â€žWat zegt gij?â€â€žIk zeg vaker.â€â€žVaker dan wat?â€â€žEerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker.â€â€žIk begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?â€â€žOm te zeggen als gij, eerwaarde moeder.â€â€žMaar ik heb niet vaker gezegd.â€â€žGe hebt het niet gezegd, maar ik heb ’t gezegd om als gij te zeggen.â€Op dit oogenblik sloeg het negen uren.„Te negen ure ’s morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd,†zei de priorin.„Amen,†zei Fauchelevent.Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het „vaker.†’t Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en zeide toen luid:„In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood zal zij wonderen doen.â€â€žZij zal ze doen;†antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende nu niet meer te struikelen.„Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend geweest. ’t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God te geven met de woorden:Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.â€Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:„Amen.â€â€žVader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.â€De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:„Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.â€â€žEerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in den tuin.â€â€žZij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige.â€â€žGelijk gij, eerwaardige moeder.â€â€žZij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.â€â€žDie kei... Buonaparte gekroond heeft.â€Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten verdiept was, hem niet. Zij hernam:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žDe heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op zijn graf dit enkele woord grifte:Acarus, dat aardworm beteekent; ’t werd gedaan. Is ’t zoo niet?â€â€žJa, eerwaardige moeder.â€â€žDe welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden begraven; ’t werd gedaan.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žDe heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, ’t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men moet de dooden gehoorzamen.â€â€žHet zij zoo!â€â€žHet lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men dit ontkennen?â€â€žVolstrekt niet, eerwaardige moeder.â€â€žHet feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.â€Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden, toen hernam de priorin:„Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.â€â€žDat is recht.â€â€žâ€™t Is een voortzetting van den slaap.â€â€žIk zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?â€â€žJa.â€â€žEn wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?â€â€žZoo is het.â€â€žIk ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.â€â€žDe vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žOm de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig.â€â€žNeen, om ze neder te laten.â€â€žWaarin?â€â€žIn het gewelf.â€â€žWelk gewelf?â€â€žOnder het altaar.â€Fauchelevent ontstelde en riep:„In het gewelf onder het altaar?â€â€žOnder het altaar.â€â€žMaar...â€â€žGij kunt een ijzeren stang krijgen.â€â€žJa, maar...â€â€žGij licht den steen met den stang in den ring op...â€â€žMaar...â€â€žMen moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te zeggen bevolen.â€â€žMaar ’t is verboden.â€â€žDoor de menschen verboden, door God geboden.â€â€žZoo men het te weten kwam?â€â€žWij vertrouwen u.â€â€žO, ik, ik ben als een steen van uw muur.â€â€žHet kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen komen uit de graven.â€â€žMaar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie....â€â€žDe H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus Pogonat wederstaan.â€â€žMaar de commissaris van politie...â€â€žChonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend.â€â€žMaar de inspecteur der prefectuur...â€â€žDe wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:Stat crux dum volvitur orbis1.â€â€žAmen,†zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis verliet, met een aantal dilemma’s en syllogismen, die hij in zijn hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een woordenstroom als van een opengezette sluis:„Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl ’t hem heeft zien geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, Eon de l’Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de reglementen, het bestuur—kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschiktgemaakt aan den commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!â€Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De priorin hernam:„Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij Christus’ kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren—Bérulle, François Bourgoin—Gondren, Jean François Senault—Bourgoin, en pater Santa Marta—Jean François Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan de dooden, schuldig is. ’t Is verboden heilig te sterven. De begrafenis is een burgerlijke zaak. ’t Is afgrijselijk! De heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, verzette zich in dezelfde zaaktegen Otto, hertog van Bourgondië. De vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te Monte Cassino op Zaterdag, den 21ender maand Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, Trithème, Marolicus en dom Luc d’Achery.â€De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:„’t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?â€â€žâ€™t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.â€â€žKan men op u rekenen?â€â€žIk zal gehoorzamen.â€â€žGoed.â€â€žIk ben geheel ten dienste van het klooster.â€â€žAfgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder Ascension en gij.â€â€žEn de zuster aan den paal.â€â€žZij zal niet omzien.â€â€žMaar hooren.â€â€žZij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der wereld onbekend.â€Wederom een pauze. De priorin vervolgde:„Gij moet uwe schel afleggen. ’t Is niet noodig dat de zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat, vader Fauvent?â€â€žIs de arts voor de lijkschouwing er geweest?â€â€žHij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?â€â€žIk let slechts op het mijne.â€â€žDat is zeer goed, vader Fauvent.â€â€žEerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn.â€â€žWaar zult ge dien krijgen?â€â€žWaar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.â€â€žVergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat?â€â€žZoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk als een Turk.â€â€žHaast u zooveel mogelijk.â€â€žHaastig zal ’t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.â€â€žKreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de kreupele.â€â€žTwee wijn-amen zijn beter dan een,†mompelde Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.„Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te voren verricht zijn.â€â€žIk zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er zijn. ’t Ware beter twee mannen. Om ’t even! ik zal mijn hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten en ’t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, eerwaardige moeder?â€â€žNeen.â€â€žWat nog?â€â€žDe ledige doodkist.â€Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.„Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?â€â€žBuiten begraven.â€â€žLedig?â€Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, als om een moeielijke vraag op te lossen.Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er het lijkkleed over.â€â€žJa, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.â€â€žO! dui...!†riep Fauchelevent.De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.„Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. ’t Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.â€â€žGij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo voor de ledige kist?â€â€žIk belast er mij mede.â€Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:„Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt.â€1Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.
Derde hoofdstuk.Moeder Innocentia.
Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette zich op den stoel.Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen beiden mede:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGij kent de kapel?â€â€žIk heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren.â€â€žEn zijt ge wel eens wegens bezigheden in ’t koor geweest?â€â€žTwee of drie malen.â€â€žEr moet een steen worden opgeheven.â€â€žEen zwaren?â€â€žDe zerk naast het altaar.â€â€žDe zerk die het gewelf sluit?â€â€žJa.â€â€žDaarvoor zouden twee mannen noodig zijn.â€â€žMoeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen.â€â€žEen vrouw is nooit een man.â€â€žWij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.â€â€žIk evenmin.â€â€žDe verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een klooster is geen timmerwerf.â€â€žEn een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!â€â€žEn gij kunt een hefboom krijgen?â€â€žDit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past.â€â€žIn den steen is een ring.â€â€žIk zal den hefboom er door steken.â€â€žDe steen is zoo ingericht, dat hij draait.â€â€žGoed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen.â€â€žEn de vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žEn als het gewelf open is?â€â€žMoet het weder gesloten worden.â€â€žIs dat alles?â€â€žNeen.â€â€žGeef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.â€â€žWij stellen vertrouwen in u, Fauvent.â€â€žIk ben hier om alles te doen.â€â€žEn om te zwijgen.â€â€žGewis, eerwaardige moeder.â€â€žAls het gewelf open is...â€â€žZal ik het weder sluiten.â€â€žMaar eerst...â€â€žWat, eerwaardige moeder?â€â€žEr moet iets in nedergelaten worden.â€Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling scheen aan te duiden, hernam de priorin:„Vader Fauvent....â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žGe weet dat van ochtend een moeder is overleden.â€â€žNeen.â€â€žHebt ge dan de klok niet gehoord?â€â€žMen hoort niets aan ’t einde van den tuin.â€â€žWaarlijk?â€â€žIk hoor nauwelijks als ik gescheld word.â€â€žZij is bij ’t aanbreken van den dag gestorven.â€â€žVan ochtend was de wind niet naar mijn kant.â€â€žâ€™t Is moeder Crucifixion. Een zalige.â€De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in stilte, en hernam:„Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.â€â€žHa ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder.â€â€žDe moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen.â€â€žIk ken die kamer.â€â€žGeen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. ’t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt.â€â€žVaker!â€â€žWat?â€â€žVaker!â€â€žWat zegt gij?â€â€žIk zeg vaker.â€â€žVaker dan wat?â€â€žEerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker.â€â€žIk begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?â€â€žOm te zeggen als gij, eerwaarde moeder.â€â€žMaar ik heb niet vaker gezegd.â€â€žGe hebt het niet gezegd, maar ik heb ’t gezegd om als gij te zeggen.â€Op dit oogenblik sloeg het negen uren.„Te negen ure ’s morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd,†zei de priorin.„Amen,†zei Fauchelevent.Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het „vaker.†’t Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en zeide toen luid:„In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood zal zij wonderen doen.â€â€žZij zal ze doen;†antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende nu niet meer te struikelen.„Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend geweest. ’t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God te geven met de woorden:Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.â€Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:„Amen.â€â€žVader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.â€De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:„Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.â€â€žEerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in den tuin.â€â€žZij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige.â€â€žGelijk gij, eerwaardige moeder.â€â€žZij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.â€â€žDie kei... Buonaparte gekroond heeft.â€Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten verdiept was, hem niet. Zij hernam:„Vader Fauvent?â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žDe heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op zijn graf dit enkele woord grifte:Acarus, dat aardworm beteekent; ’t werd gedaan. Is ’t zoo niet?â€â€žJa, eerwaardige moeder.â€â€žDe welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden begraven; ’t werd gedaan.â€â€žâ€™t Is waar.â€â€žDe heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, ’t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men moet de dooden gehoorzamen.â€â€žHet zij zoo!â€â€žHet lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men dit ontkennen?â€â€žVolstrekt niet, eerwaardige moeder.â€â€žHet feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.â€Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden, toen hernam de priorin:„Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.â€â€žDat is recht.â€â€žâ€™t Is een voortzetting van den slaap.â€â€žIk zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?â€â€žJa.â€â€žEn wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?â€â€žZoo is het.â€â€žIk ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.â€â€žDe vier koormoeders zullen u helpen.â€â€žOm de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig.â€â€žNeen, om ze neder te laten.â€â€žWaarin?â€â€žIn het gewelf.â€â€žWelk gewelf?â€â€žOnder het altaar.â€Fauchelevent ontstelde en riep:„In het gewelf onder het altaar?â€â€žOnder het altaar.â€â€žMaar...â€â€žGij kunt een ijzeren stang krijgen.â€â€žJa, maar...â€â€žGij licht den steen met den stang in den ring op...â€â€žMaar...â€â€žMen moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te zeggen bevolen.â€â€žMaar ’t is verboden.â€â€žDoor de menschen verboden, door God geboden.â€â€žZoo men het te weten kwam?â€â€žWij vertrouwen u.â€â€žO, ik, ik ben als een steen van uw muur.â€â€žHet kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen komen uit de graven.â€â€žMaar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie....â€â€žDe H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus Pogonat wederstaan.â€â€žMaar de commissaris van politie...â€â€žChonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend.â€â€žMaar de inspecteur der prefectuur...â€â€žDe wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:Stat crux dum volvitur orbis1.â€â€žAmen,†zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis verliet, met een aantal dilemma’s en syllogismen, die hij in zijn hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een woordenstroom als van een opengezette sluis:„Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl ’t hem heeft zien geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, Eon de l’Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de reglementen, het bestuur—kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschiktgemaakt aan den commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!â€Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De priorin hernam:„Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij Christus’ kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren—Bérulle, François Bourgoin—Gondren, Jean François Senault—Bourgoin, en pater Santa Marta—Jean François Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan de dooden, schuldig is. ’t Is verboden heilig te sterven. De begrafenis is een burgerlijke zaak. ’t Is afgrijselijk! De heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, verzette zich in dezelfde zaaktegen Otto, hertog van Bourgondië. De vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te Monte Cassino op Zaterdag, den 21ender maand Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, Trithème, Marolicus en dom Luc d’Achery.â€De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:„’t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?â€â€žâ€™t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.â€â€žKan men op u rekenen?â€â€žIk zal gehoorzamen.â€â€žGoed.â€â€žIk ben geheel ten dienste van het klooster.â€â€žAfgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder Ascension en gij.â€â€žEn de zuster aan den paal.â€â€žZij zal niet omzien.â€â€žMaar hooren.â€â€žZij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der wereld onbekend.â€Wederom een pauze. De priorin vervolgde:„Gij moet uwe schel afleggen. ’t Is niet noodig dat de zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat, vader Fauvent?â€â€žIs de arts voor de lijkschouwing er geweest?â€â€žHij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?â€â€žIk let slechts op het mijne.â€â€žDat is zeer goed, vader Fauvent.â€â€žEerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn.â€â€žWaar zult ge dien krijgen?â€â€žWaar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.â€â€žVergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht.â€â€žEerwaardige moeder?â€â€žWat?â€â€žZoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk als een Turk.â€â€žHaast u zooveel mogelijk.â€â€žHaastig zal ’t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.â€â€žKreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de kreupele.â€â€žTwee wijn-amen zijn beter dan een,†mompelde Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.„Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te voren verricht zijn.â€â€žIk zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er zijn. ’t Ware beter twee mannen. Om ’t even! ik zal mijn hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten en ’t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, eerwaardige moeder?â€â€žNeen.â€â€žWat nog?â€â€žDe ledige doodkist.â€Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.„Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?â€â€žBuiten begraven.â€â€žLedig?â€Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, als om een moeielijke vraag op te lossen.Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er het lijkkleed over.â€â€žJa, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.â€â€žO! dui...!†riep Fauchelevent.De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.„Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. ’t Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.â€â€žGij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo voor de ledige kist?â€â€žIk belast er mij mede.â€Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:„Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt.â€
Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette zich op den stoel.
Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen beiden mede:
„Vader Fauvent?â€
„Eerwaardige moeder?â€
„Gij kent de kapel?â€
„Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren.â€
„En zijt ge wel eens wegens bezigheden in ’t koor geweest?â€
„Twee of drie malen.â€
„Er moet een steen worden opgeheven.â€
„Een zwaren?â€
„De zerk naast het altaar.â€
„De zerk die het gewelf sluit?â€
„Ja.â€
„Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn.â€
„Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen.â€
„Een vrouw is nooit een man.â€
„Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.â€
„Ik evenmin.â€
„De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een klooster is geen timmerwerf.â€
„En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!â€
„En gij kunt een hefboom krijgen?â€
„Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past.â€
„In den steen is een ring.â€
„Ik zal den hefboom er door steken.â€
„De steen is zoo ingericht, dat hij draait.â€
„Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen.â€
„En de vier koormoeders zullen u helpen.â€
„En als het gewelf open is?â€
„Moet het weder gesloten worden.â€
„Is dat alles?â€
„Neen.â€
„Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.â€
„Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent.â€
„Ik ben hier om alles te doen.â€
„En om te zwijgen.â€
„Gewis, eerwaardige moeder.â€
„Als het gewelf open is...â€
„Zal ik het weder sluiten.â€
„Maar eerst...â€
„Wat, eerwaardige moeder?â€
„Er moet iets in nedergelaten worden.â€
Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling scheen aan te duiden, hernam de priorin:
„Vader Fauvent....â€
„Eerwaardige moeder?â€
„Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden.â€
„Neen.â€
„Hebt ge dan de klok niet gehoord?â€
„Men hoort niets aan ’t einde van den tuin.â€
„Waarlijk?â€
„Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word.â€
„Zij is bij ’t aanbreken van den dag gestorven.â€
„Van ochtend was de wind niet naar mijn kant.â€
„’t Is moeder Crucifixion. Een zalige.â€
De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in stilte, en hernam:
„Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.â€
„Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder.â€
„De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen.â€
„Ik ken die kamer.â€
„Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. ’t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt.â€
„Vaker!â€
„Wat?â€
„Vaker!â€
„Wat zegt gij?â€
„Ik zeg vaker.â€
„Vaker dan wat?â€
„Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker.â€
„Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?â€
„Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder.â€
„Maar ik heb niet vaker gezegd.â€
„Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb ’t gezegd om als gij te zeggen.â€
Op dit oogenblik sloeg het negen uren.
„Te negen ure ’s morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd,†zei de priorin.
„Amen,†zei Fauchelevent.
Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het „vaker.†’t Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.
Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.
De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en zeide toen luid:
„In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood zal zij wonderen doen.â€
„Zij zal ze doen;†antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende nu niet meer te struikelen.
„Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend geweest. ’t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God te geven met de woorden:Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.â€
Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:
„Amen.â€
„Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.â€
De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:
„Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.â€
„Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in den tuin.â€
„Zij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige.â€
„Gelijk gij, eerwaardige moeder.â€
„Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.â€
„Die kei... Buonaparte gekroond heeft.â€
Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten verdiept was, hem niet. Zij hernam:
„Vader Fauvent?â€
„Eerwaardige moeder?â€
„De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op zijn graf dit enkele woord grifte:Acarus, dat aardworm beteekent; ’t werd gedaan. Is ’t zoo niet?â€
„Ja, eerwaardige moeder.â€
„De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden begraven; ’t werd gedaan.â€
„’t Is waar.â€
„De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, ’t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men moet de dooden gehoorzamen.â€
„Het zij zoo!â€
„Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men dit ontkennen?â€
„Volstrekt niet, eerwaardige moeder.â€
„Het feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.â€
Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers glijden, toen hernam de priorin:
„Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.â€
„Dat is recht.â€
„’t Is een voortzetting van den slaap.â€
„Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?â€
„Ja.â€
„En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?â€
„Zoo is het.â€
„Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.â€
„De vier koormoeders zullen u helpen.â€
„Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig.â€
„Neen, om ze neder te laten.â€
„Waarin?â€
„In het gewelf.â€
„Welk gewelf?â€
„Onder het altaar.â€
Fauchelevent ontstelde en riep:
„In het gewelf onder het altaar?â€
„Onder het altaar.â€
„Maar...â€
„Gij kunt een ijzeren stang krijgen.â€
„Ja, maar...â€
„Gij licht den steen met den stang in den ring op...â€
„Maar...â€
„Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te zeggen bevolen.â€
„Maar ’t is verboden.â€
„Door de menschen verboden, door God geboden.â€
„Zoo men het te weten kwam?â€
„Wij vertrouwen u.â€
„O, ik, ik ben als een steen van uw muur.â€
„Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen komen uit de graven.â€
„Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie....â€
„De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus Pogonat wederstaan.â€
„Maar de commissaris van politie...â€
„Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend.â€
„Maar de inspecteur der prefectuur...â€
„De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:Stat crux dum volvitur orbis1.â€
„Amen,†zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.
Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis verliet, met een aantal dilemma’s en syllogismen, die hij in zijn hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een woordenstroom als van een opengezette sluis:
„Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl ’t hem heeft zien geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, Eon de l’Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de reglementen, het bestuur—kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschiktgemaakt aan den commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!â€
Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De priorin hernam:
„Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij Christus’ kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren—Bérulle, François Bourgoin—Gondren, Jean François Senault—Bourgoin, en pater Santa Marta—Jean François Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan de dooden, schuldig is. ’t Is verboden heilig te sterven. De begrafenis is een burgerlijke zaak. ’t Is afgrijselijk! De heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, verzette zich in dezelfde zaaktegen Otto, hertog van Bourgondië. De vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te Monte Cassino op Zaterdag, den 21ender maand Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, Trithème, Marolicus en dom Luc d’Achery.â€
De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:
„’t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?â€
„’t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.â€
„Kan men op u rekenen?â€
„Ik zal gehoorzamen.â€
„Goed.â€
„Ik ben geheel ten dienste van het klooster.â€
„Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder Ascension en gij.â€
„En de zuster aan den paal.â€
„Zij zal niet omzien.â€
„Maar hooren.â€
„Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der wereld onbekend.â€
Wederom een pauze. De priorin vervolgde:
„Gij moet uwe schel afleggen. ’t Is niet noodig dat de zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.â€
„Eerwaardige moeder?â€
„Wat, vader Fauvent?â€
„Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?â€
„Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?â€
„Ik let slechts op het mijne.â€
„Dat is zeer goed, vader Fauvent.â€
„Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn.â€
„Waar zult ge dien krijgen?â€
„Waar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.â€
„Vergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht.â€
„Eerwaardige moeder?â€
„Wat?â€
„Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk als een Turk.â€
„Haast u zooveel mogelijk.â€
„Haastig zal ’t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.â€
„Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de kreupele.â€
„Twee wijn-amen zijn beter dan een,†mompelde Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.
„Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te voren verricht zijn.â€
„Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er zijn. ’t Ware beter twee mannen. Om ’t even! ik zal mijn hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten en ’t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, eerwaardige moeder?â€
„Neen.â€
„Wat nog?â€
„De ledige doodkist.â€
Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.
„Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?â€
„Buiten begraven.â€
„Ledig?â€
Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, als om een moeielijke vraag op te lossen.
Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er het lijkkleed over.â€
„Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.â€
„O! dui...!†riep Fauchelevent.
De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.
Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.
„Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. ’t Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.â€
„Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo voor de ledige kist?â€
„Ik belast er mij mede.â€
Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:
„Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt.â€
1Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.
1Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.
Vierde Hoofdstuk.Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen.De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!â€Cosette knikte ernstig met het hoofd.Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:„Welnu?â€â€žAlles en niets is in orde,†zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlatenmoet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.â€â€žGe draagt haar weg?â€â€žZal zij stil zijn?â€â€žDaarvoor sta ik in.â€â€žMaar gij, vader Madeleine?â€Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!â€Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!â€Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.â€Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.Fauchelevent hernam:„Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.â€Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.„Welke ledige doodkist?†vroeg Valjean.„De doodkist, welke het bestuur zendt,†antwoordde Fauchelevent.„Welke doodkist en welk bestuur?â€â€žZoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.â€â€žLeg er iets in.â€â€žEene doode? ik heb geen doode.â€â€žNeen.â€â€žWat dan?â€â€žEen levende.â€â€žWelken levende?â€â€žMij,†zei Jean Valjean.Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.„Gij?â€â€žWaarom niet?â€Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.â€â€žOch, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.â€â€žIn vollen ernst. Moet ik niet van hier?â€â€žZekerlijk.â€â€žIk heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.â€â€žNu?â€â€žDe draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.â€â€žEen wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.â€â€žGoed. Een wit laken.â€â€žGe zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.â€Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.Jean Valjean hernam:„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?â€â€žDe ledige?â€â€žJa.â€â€žBeneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.â€â€žHoe lang is de doodkist?â€â€žZes voet.â€â€žHoedanig is de lijkkamer?â€â€žâ€™t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.â€â€žWelke kerk?â€â€žDe kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.â€â€žHebt ge de sleutels van deze twee deuren?â€â€žNeen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.â€â€žWanneer opent de portier deze deur?â€â€žAlleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.â€â€žWie spijkert de kist dicht?â€â€žIk.â€â€žWie legt er het lijkkleed op?â€â€žIk.â€â€žZijt gij alleen?â€â€žGeen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.â€â€žZoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?â€â€žNeen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.â€â€žHoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?â€â€žTegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.â€â€žIk zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.â€â€žIk zal u eten brengen.â€â€žZoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.â€Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.„Onmogelijk!â€â€žHoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?â€Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:„Maar hoe zult ge lucht krijgen?â€â€žIk zal ademen.â€â€žIn deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.â€â€žGe hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.â€â€žGoed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?â€â€žHij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,†voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.â€Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot dieweifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:„’t Is waar, ik zie geen ander middel.â€Jean Valjean hernam:„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.â€â€žDat bekommert mij juist volstrekt niet,†riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.â€Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.â€â€žZoo er niets tusschenbeide komt,†dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.â€
Vierde Hoofdstuk.Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen.
De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!â€Cosette knikte ernstig met het hoofd.Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:„Welnu?â€â€žAlles en niets is in orde,†zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlatenmoet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.â€â€žGe draagt haar weg?â€â€žZal zij stil zijn?â€â€žDaarvoor sta ik in.â€â€žMaar gij, vader Madeleine?â€Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!â€Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!â€Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.â€Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.Fauchelevent hernam:„Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.â€Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.„Welke ledige doodkist?†vroeg Valjean.„De doodkist, welke het bestuur zendt,†antwoordde Fauchelevent.„Welke doodkist en welk bestuur?â€â€žZoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.â€â€žLeg er iets in.â€â€žEene doode? ik heb geen doode.â€â€žNeen.â€â€žWat dan?â€â€žEen levende.â€â€žWelken levende?â€â€žMij,†zei Jean Valjean.Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.„Gij?â€â€žWaarom niet?â€Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.â€â€žOch, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.â€â€žIn vollen ernst. Moet ik niet van hier?â€â€žZekerlijk.â€â€žIk heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.â€â€žNu?â€â€žDe draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.â€â€žEen wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.â€â€žGoed. Een wit laken.â€â€žGe zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.â€Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.Jean Valjean hernam:„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?â€â€žDe ledige?â€â€žJa.â€â€žBeneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.â€â€žHoe lang is de doodkist?â€â€žZes voet.â€â€žHoedanig is de lijkkamer?â€â€žâ€™t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.â€â€žWelke kerk?â€â€žDe kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.â€â€žHebt ge de sleutels van deze twee deuren?â€â€žNeen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.â€â€žWanneer opent de portier deze deur?â€â€žAlleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.â€â€žWie spijkert de kist dicht?â€â€žIk.â€â€žWie legt er het lijkkleed op?â€â€žIk.â€â€žZijt gij alleen?â€â€žGeen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.â€â€žZoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?â€â€žNeen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.â€â€žHoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?â€â€žTegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.â€â€žIk zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.â€â€žIk zal u eten brengen.â€â€žZoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.â€Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.„Onmogelijk!â€â€žHoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?â€Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:„Maar hoe zult ge lucht krijgen?â€â€žIk zal ademen.â€â€žIn deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.â€â€žGe hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.â€â€žGoed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?â€â€žHij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,†voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.â€Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot dieweifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:„’t Is waar, ik zie geen ander middel.â€Jean Valjean hernam:„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.â€â€žDat bekommert mij juist volstrekt niet,†riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.â€Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.â€â€žZoo er niets tusschenbeide komt,†dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.â€
De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:
„Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge gehoorzamen en niet spreken!â€
Cosette knikte ernstig met het hoofd.
Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem en vroeg:
„Welnu?â€
„Alles en niets is in orde,†zei Fauchelevent. „Ik heb het verlof u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlatenmoet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk.â€
„Ge draagt haar weg?â€
„Zal zij stil zijn?â€
„Daarvoor sta ik in.â€
„Maar gij, vader Madeleine?â€
Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:
„Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!â€
Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: „Onmogelijk!â€
Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, mompelde:
„Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in ’t geheel niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers zullen ’t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er achter komen.â€
Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.
Fauchelevent hernam:
„Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin wacht u.â€
Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die ’s morgens gestorven was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat men aan deze doode in ’t bijzonder niets kon weigeren. Dat de priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.
„Welke ledige doodkist?†vroeg Valjean.
„De doodkist, welke het bestuur zendt,†antwoordde Fauchelevent.
„Welke doodkist en welk bestuur?â€
„Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er niets in de doodkist is.â€
„Leg er iets in.â€
„Eene doode? ik heb geen doode.â€
„Neen.â€
„Wat dan?â€
„Een levende.â€
„Welken levende?â€
„Mij,†zei Jean Valjean.
Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder zijn stoel gesprongen.
„Gij?â€
„Waarom niet?â€
Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.
„Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal ’t geschieden.â€
„Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.â€
„In vollen ernst. Moet ik niet van hier?â€
„Zekerlijk.â€
„Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel moest vinden.â€
„Nu?â€
„De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn.â€
„Een wit laken. De nonnen worden in ’t wit begraven.â€
„Goed. Een wit laken.â€
„Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.â€
Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.
Jean Valjean hernam:
„’t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?â€
„De ledige?â€
„Ja.â€
„Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op twee schragen, en is door ’t lijkkleed bedekt.â€
„Hoe lang is de doodkist?â€
„Zes voet.â€
„Hoedanig is de lijkkamer?â€
„’t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert.â€
„Welke kerk?â€
„De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.â€
„Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?â€
„Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk.â€
„Wanneer opent de portier deze deur?â€
„Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten.â€
„Wie spijkert de kist dicht?â€
„Ik.â€
„Wie legt er het lijkkleed op?â€
„Ik.â€
„Zijt gij alleen?â€
„Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. ’t Staat zelfs op den muur geschreven.â€
„Zoudt ge mij van nacht, als alles in ’t klooster slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?â€
„Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg en waarvan ik den sleutel heb.â€
„Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?â€
„Tegen drie uren ’s namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. ’t Is tamelijk ver van hier.â€
„Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger krijgen.â€
„Ik zal u eten brengen.â€
„Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren.â€
Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.
„Onmogelijk!â€
„Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?â€
Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.
Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen en het haar te doen verlaten.
Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:
„Maar hoe zult ge lucht krijgen?â€
„Ik zal ademen.â€
„In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.â€
„Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist.â€
„Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?â€
„Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent,†voegde Jean Valjean er bij, „er moet een besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden.â€
Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot dieweifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:
„’t Is waar, ik zie geen ander middel.â€
Jean Valjean hernam:
„Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren.â€
„Dat bekommert mij juist volstrekt niet,†riep Fauchelevent. „Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. ’t Is de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten van het hek van ’t kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; ’t is niet moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is ’t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.â€
Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid drukte.
„’t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan.â€
„Zoo er niets tusschenbeide komt,†dacht Fauchelevent. „Het zou anders vreeselijk kunnen worden.â€