Vijfde hoofdstuk.

Vijfde hoofdstuk.Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn.Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkistmet een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirarderfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”1Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormaligeFranschetuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, wasvan geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:„’t Is waarachtig grappig.”Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:„Wie zijt ge?”De man antwoordde:„De doodgraver.”Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.„De doodgraver?”„Ja.”„Gij!”„Ik.”„De oude Mestienne is doodgraver.”„Hij was ’t.”„Hoe! was?”„Hij is dood.”Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:„’t Is niet mogelijk!”„’t Is zóó.”„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.Fauchelevent begon luide te lachen.„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.De doodgraver ging voor hem.Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.„Kameraad!” riep Fauchelevent.De man keerde het hoofd om.„Ik ben de doodgraver van het klooster.”„Mijn collega alzoo,” zei de man.Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”De man antwoordde:„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:„De goede God...”„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glasledigtstort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”„Eerst het werk.”Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.De doodgraver hernam:„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.De doodgraver hernam glimlachend:„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”De lijkkoets hield stil.De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.1Au bon coing, (kweepeer) dat alscoin(hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”Zesde hoofdstuk.Tusschen vier planken.Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in ’t leven blijven en met moeite ademen kon.’t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama kunnen volgen, die hij met den dood speelde.Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, ’t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem van ’t graf en voelde een kille huivering.Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hijhoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.Een kinderstem zeide:„De profundis.”De plechtige stem hernam:„Requiem aeternam dona ei, domine.”De kinderstem antwoordde:„Et lux perpetua luceat ei.”Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige regendroppels. ’t Was waarschijnlijk het wijwater.Hij dacht: ’t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.De plechtige stem hernam:„Requiescat in pace.”De kinderstem antwoordde:„Amen.”Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die zich verwijderden.Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des donders’t Was een schop aarde die op de doodkist viel.Een tweede schop volgde.Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstoptEen derde schop aarde viel.Toen een vierde.Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor het bewustzijn.Zevende hoofdstuk.Zich niet van zijn stuk laten brengen.Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren,zag Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de armen over elkander en zeide:„Ik betaal!”De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:„Wat, landman?”Fauchelevent herhaalde: „Ik betaal!”„Wat?”„Den wijn.”„Welken wijn?”„Van Argenteuil.”„Waar?”„In de Goede Kweepeer.”„Loop naar den duivel,” zei de doodgraver.En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op ’t punt zelf in het graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:„Voor dat de „Goede Kweepeer” gesloten is.”De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:„Ik betaal,” en vatte den arm des doodgravers. „Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. ’t Is een werk dat ’s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken.”Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?„Landman,” zei de doodgraver, „zoo ge volstrekt wilt, ’t is mij wèl, maar wij drinken na den arbeid, niet eerder.”En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.„’t Is echte Argenteuil.”„Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd hetzelfde. Ga voort.”En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat men zegt.„Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!”„Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,” zei de doodgraver.Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:„Weet ge, ’t zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.”Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op gevestigd.De zon was nog niet beneden den horizont en ’t was nog licht genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:„Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?”„Welke kaart?” vroeg de doodgraver zijn werk stakende.„De zon gaat onder.”„Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten.”„Het hek van ’t kerkhof zal gesloten worden.”„Nu, en dan?”„Hebt ge uw kaart bij u?”„Mijn kaart!” herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.„Neen,” zeide hij, „ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben.”„Vijftien francs boete,” zei Fauchelevent.De doodgraver werd leikleurig-bleek.„Goede God!” riep hij, „vijftien francs boete!”„Ja, drie vijffrancsstukken,” zei Fauchelevent.De doodgraver liet zijn spade vallen.Nu was de beurt aan Fauchelevent.„Nu, nu, rekruut,” zeide hij, „geen wanhoop. Het is niet noodig, dat ge u om ’t leven brengt en van den kuil gebruik maakt. ’t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. ’t Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten.”„’t Is waar,” antwoordde de doodgraver.„In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten is.”„Ge hebt gelijk.”„Alzoo vijftien francs boete.”„Vijftien francs.”„Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?”„Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de straat Vaugirard No. 87.”„Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen.”„’t Is waar.”„Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope”„Ge redt mij ’t leven, landman.”„Maak nu dat ge weg komt,” zei Fauchelevent.De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij zich over den kuil en zeide halfluid:„Vader Madeleine!”Geen antwoord.Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:„Zijt ge er!”Stilte in de doodkist.Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer en opende het deksel.Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten oogen te voorschijn.Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen tegen den kant van den kuil, op ’t punt van op de doodkist te zinken, en aanschouwde Jean Valjean.Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:„Hij is dood!”Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.Hij riep uit:„Zóó heb ik hem dan gered!”Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te spreken. ’t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich zelven.„’t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem noodig had; hij is ’t, die Madeleine heeft doen sterven.Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! ’t Is uit.—Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is ’t, in ’s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! ’t is een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij ’t toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!”Hij rukte zich de haren uit het hoofd.In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. ’t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had de oogen geopend en staarde hem strak aan.Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.„Ik was in slaap geraakt,” zeide Jean Valjean, zich oprichtende.Fauchelevent zonk op de knieën.„Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!”En zich weder oprichtende riep hij: „Ik dank u, vader Madeleine!”Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had hem tot zich zelven gebracht.De blijdschap is de ebbe van den schrik. ’t Was voor Fauchelevent schier even moeielijk, als ’t voor Jean Valjean was geweest, tot besef te komen.„Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge doodwaart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!”„Ik ben koud,” zei Valjean.Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige plaats waar zij zich bevonden.„Spoeden wij ons,” riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.„Maar eerst een slok,” zeide hij.De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel opspijkeren.Drie minuten later waren zij uit den kuil.Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was niet te vreezen. Deze „rekruut” was te huis bezig met zijn kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven de ledige doodkist.Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:„Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel.”De nacht daalde.Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.„Ge zijt verstijfd,” zei Fauchelevent, „’t is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen gaan.”„O,” antwoordde Jean Valjean, „een paar schreden, en ik ben weder vlug ter been.”Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, die de kaart van den doodgraverin de hand had, ze in de bus; de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.„’t Gaat alles best!” zei Fauchelevent, „ge hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.”Zonder belemmering gingen zij door de barrièreVaugirard. In den omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.’t Was eenzaam in de straat Vaugirard.„Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,” zei Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. „Wijs mij eens No 87.”„’t Is hier.”„Er is niemand in de straat,” hernam Fauchelevent, „geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.”Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.„Binnen!”’t Was Gribier’s stem.Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol. Een pakkist—misschien een doodkist—verving er een ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. ’t Was alsof er een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. ’t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.Hij trad binnen en zeide:„Ik breng uw spade en houweel terug.”Gribier aanschouwde hem verstomd.„Gij hier, landman?”„Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart vinden,” en hij legde spade en houweel op den vloer.„Wat beteekent dat?” vroeg Gribier.„Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut.”„Ik dank u, landman!” riep Gribier verrukt, „een volgenden keer zal ik het gelag betalen.”Achtste hoofdstuk.Het goed afgeloopen verhoor.Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur derplaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:„Zijt gij de broeder?”„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.„Hoe heet gij?”Fauchelevent antwoordde:„Ultime Fauchelevent.”Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.„Van waar zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Van Picquigny bij Amiens.”„Hoe oud zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Vijftig jaar.”„Wat doet ge!”Fauchelevent antwoordde:„Tuinier.”„Zijt ge een goed Christen?”Fauchelevent antwoordde:„Allen zijn het in mijn familie.”„Behoort u dit meisje?”Fauchelevent antwoordde:„Ja, eerwaardige moeder.”„Zijt gij haar vader?”Fauchelevent antwoordde:„Haar grootvader.”De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:„Hij antwoordt goed.”Jean Valjean had geen woord gezegd.De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:„Zij zal leelijk zijn.”De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.Dit alles is zeer logisch.Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er dezeregels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in deIllustrated London Newsmet dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”Negende hoofdstuk.Besluit.Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.’t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: „Had ik ’t geweten, vader, ik zou haar meêgenomen hebben.”Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde.’t Was dezelfde rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, ’t welk hij zich wist te verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en droeg steeds den sleutel er van bij zich.—Vader, vroeg Cosette hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar hij veel van een snuifje hield,snoof hij in de aanwezigheid van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, dewijl Madeleine de snuif betaalde.De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den „anderen Fauvent.”Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.’t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om gelukkig te wezen.Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.In naam des Konings.GOED VOOR TIEN LIVRES,wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.Serie 3. No. 10390.STOFFLET.Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in hetklooster overleden was en wienFaucheleventwas opgevolgd.Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.Zelfs Cosette’s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van ’s menschen gelaat.Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. ’t Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij ’t zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en ’t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog,dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van ’t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van ’t jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; ’t waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in ’t geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in ’t vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in ’t ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, ’t welk de menschen den dood noemen.In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppuntvan mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware ’t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen—om—wie te bewaren? Engelen.De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.’t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.Waarom?Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door ’t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de „Verzoening” verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster—oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.Einde van het tweede deel.

Vijfde hoofdstuk.Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn.Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkistmet een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirarderfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”1Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormaligeFranschetuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, wasvan geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:„’t Is waarachtig grappig.”Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:„Wie zijt ge?”De man antwoordde:„De doodgraver.”Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.„De doodgraver?”„Ja.”„Gij!”„Ik.”„De oude Mestienne is doodgraver.”„Hij was ’t.”„Hoe! was?”„Hij is dood.”Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:„’t Is niet mogelijk!”„’t Is zóó.”„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.Fauchelevent begon luide te lachen.„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.De doodgraver ging voor hem.Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.„Kameraad!” riep Fauchelevent.De man keerde het hoofd om.„Ik ben de doodgraver van het klooster.”„Mijn collega alzoo,” zei de man.Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”De man antwoordde:„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:„De goede God...”„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glasledigtstort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”„Eerst het werk.”Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.De doodgraver hernam:„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.De doodgraver hernam glimlachend:„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”De lijkkoets hield stil.De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.1Au bon coing, (kweepeer) dat alscoin(hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”Zesde hoofdstuk.Tusschen vier planken.Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in ’t leven blijven en met moeite ademen kon.’t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama kunnen volgen, die hij met den dood speelde.Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, ’t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem van ’t graf en voelde een kille huivering.Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hijhoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.Een kinderstem zeide:„De profundis.”De plechtige stem hernam:„Requiem aeternam dona ei, domine.”De kinderstem antwoordde:„Et lux perpetua luceat ei.”Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige regendroppels. ’t Was waarschijnlijk het wijwater.Hij dacht: ’t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.De plechtige stem hernam:„Requiescat in pace.”De kinderstem antwoordde:„Amen.”Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die zich verwijderden.Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des donders’t Was een schop aarde die op de doodkist viel.Een tweede schop volgde.Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstoptEen derde schop aarde viel.Toen een vierde.Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor het bewustzijn.Zevende hoofdstuk.Zich niet van zijn stuk laten brengen.Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren,zag Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de armen over elkander en zeide:„Ik betaal!”De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:„Wat, landman?”Fauchelevent herhaalde: „Ik betaal!”„Wat?”„Den wijn.”„Welken wijn?”„Van Argenteuil.”„Waar?”„In de Goede Kweepeer.”„Loop naar den duivel,” zei de doodgraver.En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op ’t punt zelf in het graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:„Voor dat de „Goede Kweepeer” gesloten is.”De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:„Ik betaal,” en vatte den arm des doodgravers. „Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. ’t Is een werk dat ’s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken.”Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?„Landman,” zei de doodgraver, „zoo ge volstrekt wilt, ’t is mij wèl, maar wij drinken na den arbeid, niet eerder.”En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.„’t Is echte Argenteuil.”„Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd hetzelfde. Ga voort.”En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat men zegt.„Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!”„Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,” zei de doodgraver.Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:„Weet ge, ’t zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.”Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op gevestigd.De zon was nog niet beneden den horizont en ’t was nog licht genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:„Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?”„Welke kaart?” vroeg de doodgraver zijn werk stakende.„De zon gaat onder.”„Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten.”„Het hek van ’t kerkhof zal gesloten worden.”„Nu, en dan?”„Hebt ge uw kaart bij u?”„Mijn kaart!” herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.„Neen,” zeide hij, „ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben.”„Vijftien francs boete,” zei Fauchelevent.De doodgraver werd leikleurig-bleek.„Goede God!” riep hij, „vijftien francs boete!”„Ja, drie vijffrancsstukken,” zei Fauchelevent.De doodgraver liet zijn spade vallen.Nu was de beurt aan Fauchelevent.„Nu, nu, rekruut,” zeide hij, „geen wanhoop. Het is niet noodig, dat ge u om ’t leven brengt en van den kuil gebruik maakt. ’t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. ’t Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten.”„’t Is waar,” antwoordde de doodgraver.„In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten is.”„Ge hebt gelijk.”„Alzoo vijftien francs boete.”„Vijftien francs.”„Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?”„Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de straat Vaugirard No. 87.”„Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen.”„’t Is waar.”„Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope”„Ge redt mij ’t leven, landman.”„Maak nu dat ge weg komt,” zei Fauchelevent.De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij zich over den kuil en zeide halfluid:„Vader Madeleine!”Geen antwoord.Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:„Zijt ge er!”Stilte in de doodkist.Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer en opende het deksel.Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten oogen te voorschijn.Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen tegen den kant van den kuil, op ’t punt van op de doodkist te zinken, en aanschouwde Jean Valjean.Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:„Hij is dood!”Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.Hij riep uit:„Zóó heb ik hem dan gered!”Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te spreken. ’t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich zelven.„’t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem noodig had; hij is ’t, die Madeleine heeft doen sterven.Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! ’t Is uit.—Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is ’t, in ’s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! ’t is een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij ’t toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!”Hij rukte zich de haren uit het hoofd.In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. ’t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had de oogen geopend en staarde hem strak aan.Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.„Ik was in slaap geraakt,” zeide Jean Valjean, zich oprichtende.Fauchelevent zonk op de knieën.„Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!”En zich weder oprichtende riep hij: „Ik dank u, vader Madeleine!”Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had hem tot zich zelven gebracht.De blijdschap is de ebbe van den schrik. ’t Was voor Fauchelevent schier even moeielijk, als ’t voor Jean Valjean was geweest, tot besef te komen.„Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge doodwaart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!”„Ik ben koud,” zei Valjean.Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige plaats waar zij zich bevonden.„Spoeden wij ons,” riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.„Maar eerst een slok,” zeide hij.De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel opspijkeren.Drie minuten later waren zij uit den kuil.Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was niet te vreezen. Deze „rekruut” was te huis bezig met zijn kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven de ledige doodkist.Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:„Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel.”De nacht daalde.Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.„Ge zijt verstijfd,” zei Fauchelevent, „’t is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen gaan.”„O,” antwoordde Jean Valjean, „een paar schreden, en ik ben weder vlug ter been.”Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, die de kaart van den doodgraverin de hand had, ze in de bus; de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.„’t Gaat alles best!” zei Fauchelevent, „ge hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.”Zonder belemmering gingen zij door de barrièreVaugirard. In den omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.’t Was eenzaam in de straat Vaugirard.„Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,” zei Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. „Wijs mij eens No 87.”„’t Is hier.”„Er is niemand in de straat,” hernam Fauchelevent, „geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.”Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.„Binnen!”’t Was Gribier’s stem.Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol. Een pakkist—misschien een doodkist—verving er een ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. ’t Was alsof er een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. ’t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.Hij trad binnen en zeide:„Ik breng uw spade en houweel terug.”Gribier aanschouwde hem verstomd.„Gij hier, landman?”„Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart vinden,” en hij legde spade en houweel op den vloer.„Wat beteekent dat?” vroeg Gribier.„Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut.”„Ik dank u, landman!” riep Gribier verrukt, „een volgenden keer zal ik het gelag betalen.”Achtste hoofdstuk.Het goed afgeloopen verhoor.Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur derplaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:„Zijt gij de broeder?”„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.„Hoe heet gij?”Fauchelevent antwoordde:„Ultime Fauchelevent.”Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.„Van waar zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Van Picquigny bij Amiens.”„Hoe oud zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Vijftig jaar.”„Wat doet ge!”Fauchelevent antwoordde:„Tuinier.”„Zijt ge een goed Christen?”Fauchelevent antwoordde:„Allen zijn het in mijn familie.”„Behoort u dit meisje?”Fauchelevent antwoordde:„Ja, eerwaardige moeder.”„Zijt gij haar vader?”Fauchelevent antwoordde:„Haar grootvader.”De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:„Hij antwoordt goed.”Jean Valjean had geen woord gezegd.De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:„Zij zal leelijk zijn.”De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.Dit alles is zeer logisch.Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er dezeregels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in deIllustrated London Newsmet dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”Negende hoofdstuk.Besluit.Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.’t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: „Had ik ’t geweten, vader, ik zou haar meêgenomen hebben.”Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde.’t Was dezelfde rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, ’t welk hij zich wist te verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en droeg steeds den sleutel er van bij zich.—Vader, vroeg Cosette hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar hij veel van een snuifje hield,snoof hij in de aanwezigheid van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, dewijl Madeleine de snuif betaalde.De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den „anderen Fauvent.”Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.’t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om gelukkig te wezen.Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.In naam des Konings.GOED VOOR TIEN LIVRES,wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.Serie 3. No. 10390.STOFFLET.Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in hetklooster overleden was en wienFaucheleventwas opgevolgd.Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.Zelfs Cosette’s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van ’s menschen gelaat.Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. ’t Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij ’t zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en ’t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog,dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van ’t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van ’t jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; ’t waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in ’t geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in ’t vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in ’t ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, ’t welk de menschen den dood noemen.In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppuntvan mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware ’t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen—om—wie te bewaren? Engelen.De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.’t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.Waarom?Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door ’t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de „Verzoening” verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster—oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.Einde van het tweede deel.

Vijfde hoofdstuk.Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn.Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkistmet een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirarderfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”1Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormaligeFranschetuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, wasvan geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:„’t Is waarachtig grappig.”Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:„Wie zijt ge?”De man antwoordde:„De doodgraver.”Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.„De doodgraver?”„Ja.”„Gij!”„Ik.”„De oude Mestienne is doodgraver.”„Hij was ’t.”„Hoe! was?”„Hij is dood.”Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:„’t Is niet mogelijk!”„’t Is zóó.”„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.Fauchelevent begon luide te lachen.„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.De doodgraver ging voor hem.Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.„Kameraad!” riep Fauchelevent.De man keerde het hoofd om.„Ik ben de doodgraver van het klooster.”„Mijn collega alzoo,” zei de man.Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”De man antwoordde:„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:„De goede God...”„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glasledigtstort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”„Eerst het werk.”Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.De doodgraver hernam:„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.De doodgraver hernam glimlachend:„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”De lijkkoets hield stil.De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.1Au bon coing, (kweepeer) dat alscoin(hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”

Vijfde hoofdstuk.Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn.

Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkistmet een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirarderfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”1Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormaligeFranschetuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, wasvan geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:„’t Is waarachtig grappig.”Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:„Wie zijt ge?”De man antwoordde:„De doodgraver.”Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.„De doodgraver?”„Ja.”„Gij!”„Ik.”„De oude Mestienne is doodgraver.”„Hij was ’t.”„Hoe! was?”„Hij is dood.”Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:„’t Is niet mogelijk!”„’t Is zóó.”„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.Fauchelevent begon luide te lachen.„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.De doodgraver ging voor hem.Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.„Kameraad!” riep Fauchelevent.De man keerde het hoofd om.„Ik ben de doodgraver van het klooster.”„Mijn collega alzoo,” zei de man.Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”De man antwoordde:„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:„De goede God...”„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glasledigtstort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”„Eerst het werk.”Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.De doodgraver hernam:„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.De doodgraver hernam glimlachend:„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”De lijkkoets hield stil.De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.

Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In deze lijkkoets was een doodkistmet een wit lijkkleed overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.

Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, een beitel en een nijptang steken.

Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.

Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde herberg bij het kerkhof Vaugirarderfde, welke een hoekhuis was en ’t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer was geschilderd met het onderschrift: „In de goede kweepeer.”1

Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne begraven worden, wijl ’t als van den arme geleek, maar liever op Père Lachaise. Hier te worden begraven is ’t zelfde als mahoniehouten meubelen te hebben, ’t is elegant.

Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormaligeFranschetuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des avonds was ’t er treurig en doodsch.

De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.

De bijzetting van moeder Crucifixion in ’t gewelf onder het altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige hindernis afgeloopen.

In ’t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster „gouvernement” noemt, is slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.

Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest worden, wasvan geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:

„’t Is waarachtig grappig.”

Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, ’t welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, achter de lijkkoets naast Fauchelevent. ’t Was een arbeider, die een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.

Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:

„Wie zijt ge?”

De man antwoordde:

„De doodgraver.”

Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op dit oogenblik.

„De doodgraver?”

„Ja.”

„Gij!”

„Ik.”

„De oude Mestienne is doodgraver.”

„Hij was ’t.”

„Hoe! was?”

„Hij is dood.”

Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven kon. ’t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.

Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:

„’t Is niet mogelijk!”

„’t Is zóó.”

„Maar de oude Mestienne is doodgraver,” herhaalde hij flauw.

„Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, vriend.”

Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.

Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.

Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was geworden.

Fauchelevent begon luide te lachen.

„Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? ’t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch gaan drinken.”

De man antwoordde: „Ik heb gestudeerd; ik drink niet.”

De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de breede laan van het kerkhof.

Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van kreupelheid.

De doodgraver ging voor hem.

Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.

’t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, zeer sterk zijn.

„Kameraad!” riep Fauchelevent.

De man keerde het hoofd om.

„Ik ben de doodgraver van het klooster.”

„Mijn collega alzoo,” zei de man.

Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij mompelde:

„Welzoo! is de oude Mestienne dood?”

De man antwoordde:

„Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. ’t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden.”

Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:

„De goede God...”

„De goede God,” hernam de man hoogdravend: „Voor de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen.”

„Willen wij geen kennis maken?” stamelde Fauchelevent.

„Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar.”

„Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die zijn glasledigtstort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert men niet.”

„Eerst het werk.”

Fauchelevent dacht: „ik ben verloren.”

Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen voerde.

De doodgraver hernam:

„Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, mag ik niet drinken.”

En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij er bij:

„Hun honger is de vijand van mijn dorst.”

De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en ’t ging met moeite verder.

Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.

„Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;” fluisterde hij.

„Man,” antwoordde de andere, „ik moest eigenlijk geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog openbaar schrijver.”

„Ge zijt dus geen doodgraver?” hernam Fauchelevent, zich als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.

„Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.”

Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: „Laat ons gaan drinken.”

Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt niet aan om het te betalen.

De doodgraver hernam glimlachend:

„Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, vriend.”

De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.

„Men kan echter geen twee heeren dienen,” vervolgde de doodgraver. „Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand.”

De lijkkoets hield stil.

De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de priester.

Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, waarachter men een open kuil zag.

„Wel! dat is een grap!” herhaalde Fauchelevent ontsteld.

1Au bon coing, (kweepeer) dat alscoin(hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”

1Au bon coing, (kweepeer) dat alscoin(hoek) wordt uitgesproken beteekent hier „in den goeden hoek.”

Zesde hoofdstuk.Tusschen vier planken.Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in ’t leven blijven en met moeite ademen kon.’t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama kunnen volgen, die hij met den dood speelde.Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, ’t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem van ’t graf en voelde een kille huivering.Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hijhoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.Een kinderstem zeide:„De profundis.”De plechtige stem hernam:„Requiem aeternam dona ei, domine.”De kinderstem antwoordde:„Et lux perpetua luceat ei.”Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige regendroppels. ’t Was waarschijnlijk het wijwater.Hij dacht: ’t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.De plechtige stem hernam:„Requiescat in pace.”De kinderstem antwoordde:„Amen.”Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die zich verwijderden.Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des donders’t Was een schop aarde die op de doodkist viel.Een tweede schop volgde.Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstoptEen derde schop aarde viel.Toen een vierde.Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor het bewustzijn.

Zesde hoofdstuk.Tusschen vier planken.

Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in ’t leven blijven en met moeite ademen kon.’t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama kunnen volgen, die hij met den dood speelde.Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, ’t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem van ’t graf en voelde een kille huivering.Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hijhoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.Een kinderstem zeide:„De profundis.”De plechtige stem hernam:„Requiem aeternam dona ei, domine.”De kinderstem antwoordde:„Et lux perpetua luceat ei.”Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige regendroppels. ’t Was waarschijnlijk het wijwater.Hij dacht: ’t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.De plechtige stem hernam:„Requiescat in pace.”De kinderstem antwoordde:„Amen.”Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die zich verwijderden.Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des donders’t Was een schop aarde die op de doodkist viel.Een tweede schop volgde.Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstoptEen derde schop aarde viel.Toen een vierde.Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor het bewustzijn.

Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.

Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in ’t leven blijven en met moeite ademen kon.

’t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.

De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.

In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama kunnen volgen, die hij met den dood speelde.

Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.

Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, ’t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem van ’t graf en voelde een kille huivering.

Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hijhoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:

Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.

Een kinderstem zeide:

„De profundis.”

De plechtige stem hernam:

„Requiem aeternam dona ei, domine.”

De kinderstem antwoordde:

„Et lux perpetua luceat ei.”

Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige regendroppels. ’t Was waarschijnlijk het wijwater.

Hij dacht: ’t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.

De plechtige stem hernam:

„Requiescat in pace.”

De kinderstem antwoordde:

„Amen.”

Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die zich verwijderden.

Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.

Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des donders

’t Was een schop aarde die op de doodkist viel.

Een tweede schop volgde.

Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt

Een derde schop aarde viel.

Toen een vierde.

Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor het bewustzijn.

Zevende hoofdstuk.Zich niet van zijn stuk laten brengen.Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren,zag Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de armen over elkander en zeide:„Ik betaal!”De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:„Wat, landman?”Fauchelevent herhaalde: „Ik betaal!”„Wat?”„Den wijn.”„Welken wijn?”„Van Argenteuil.”„Waar?”„In de Goede Kweepeer.”„Loop naar den duivel,” zei de doodgraver.En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op ’t punt zelf in het graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:„Voor dat de „Goede Kweepeer” gesloten is.”De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:„Ik betaal,” en vatte den arm des doodgravers. „Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. ’t Is een werk dat ’s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken.”Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?„Landman,” zei de doodgraver, „zoo ge volstrekt wilt, ’t is mij wèl, maar wij drinken na den arbeid, niet eerder.”En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.„’t Is echte Argenteuil.”„Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd hetzelfde. Ga voort.”En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat men zegt.„Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!”„Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,” zei de doodgraver.Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:„Weet ge, ’t zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.”Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op gevestigd.De zon was nog niet beneden den horizont en ’t was nog licht genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:„Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?”„Welke kaart?” vroeg de doodgraver zijn werk stakende.„De zon gaat onder.”„Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten.”„Het hek van ’t kerkhof zal gesloten worden.”„Nu, en dan?”„Hebt ge uw kaart bij u?”„Mijn kaart!” herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.„Neen,” zeide hij, „ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben.”„Vijftien francs boete,” zei Fauchelevent.De doodgraver werd leikleurig-bleek.„Goede God!” riep hij, „vijftien francs boete!”„Ja, drie vijffrancsstukken,” zei Fauchelevent.De doodgraver liet zijn spade vallen.Nu was de beurt aan Fauchelevent.„Nu, nu, rekruut,” zeide hij, „geen wanhoop. Het is niet noodig, dat ge u om ’t leven brengt en van den kuil gebruik maakt. ’t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. ’t Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten.”„’t Is waar,” antwoordde de doodgraver.„In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten is.”„Ge hebt gelijk.”„Alzoo vijftien francs boete.”„Vijftien francs.”„Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?”„Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de straat Vaugirard No. 87.”„Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen.”„’t Is waar.”„Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope”„Ge redt mij ’t leven, landman.”„Maak nu dat ge weg komt,” zei Fauchelevent.De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij zich over den kuil en zeide halfluid:„Vader Madeleine!”Geen antwoord.Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:„Zijt ge er!”Stilte in de doodkist.Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer en opende het deksel.Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten oogen te voorschijn.Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen tegen den kant van den kuil, op ’t punt van op de doodkist te zinken, en aanschouwde Jean Valjean.Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:„Hij is dood!”Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.Hij riep uit:„Zóó heb ik hem dan gered!”Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te spreken. ’t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich zelven.„’t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem noodig had; hij is ’t, die Madeleine heeft doen sterven.Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! ’t Is uit.—Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is ’t, in ’s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! ’t is een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij ’t toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!”Hij rukte zich de haren uit het hoofd.In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. ’t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had de oogen geopend en staarde hem strak aan.Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.„Ik was in slaap geraakt,” zeide Jean Valjean, zich oprichtende.Fauchelevent zonk op de knieën.„Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!”En zich weder oprichtende riep hij: „Ik dank u, vader Madeleine!”Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had hem tot zich zelven gebracht.De blijdschap is de ebbe van den schrik. ’t Was voor Fauchelevent schier even moeielijk, als ’t voor Jean Valjean was geweest, tot besef te komen.„Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge doodwaart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!”„Ik ben koud,” zei Valjean.Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige plaats waar zij zich bevonden.„Spoeden wij ons,” riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.„Maar eerst een slok,” zeide hij.De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel opspijkeren.Drie minuten later waren zij uit den kuil.Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was niet te vreezen. Deze „rekruut” was te huis bezig met zijn kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven de ledige doodkist.Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:„Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel.”De nacht daalde.Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.„Ge zijt verstijfd,” zei Fauchelevent, „’t is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen gaan.”„O,” antwoordde Jean Valjean, „een paar schreden, en ik ben weder vlug ter been.”Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, die de kaart van den doodgraverin de hand had, ze in de bus; de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.„’t Gaat alles best!” zei Fauchelevent, „ge hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.”Zonder belemmering gingen zij door de barrièreVaugirard. In den omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.’t Was eenzaam in de straat Vaugirard.„Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,” zei Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. „Wijs mij eens No 87.”„’t Is hier.”„Er is niemand in de straat,” hernam Fauchelevent, „geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.”Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.„Binnen!”’t Was Gribier’s stem.Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol. Een pakkist—misschien een doodkist—verving er een ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. ’t Was alsof er een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. ’t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.Hij trad binnen en zeide:„Ik breng uw spade en houweel terug.”Gribier aanschouwde hem verstomd.„Gij hier, landman?”„Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart vinden,” en hij legde spade en houweel op den vloer.„Wat beteekent dat?” vroeg Gribier.„Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut.”„Ik dank u, landman!” riep Gribier verrukt, „een volgenden keer zal ik het gelag betalen.”

Zevende hoofdstuk.Zich niet van zijn stuk laten brengen.

Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren,zag Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de armen over elkander en zeide:„Ik betaal!”De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:„Wat, landman?”Fauchelevent herhaalde: „Ik betaal!”„Wat?”„Den wijn.”„Welken wijn?”„Van Argenteuil.”„Waar?”„In de Goede Kweepeer.”„Loop naar den duivel,” zei de doodgraver.En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op ’t punt zelf in het graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:„Voor dat de „Goede Kweepeer” gesloten is.”De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:„Ik betaal,” en vatte den arm des doodgravers. „Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. ’t Is een werk dat ’s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken.”Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?„Landman,” zei de doodgraver, „zoo ge volstrekt wilt, ’t is mij wèl, maar wij drinken na den arbeid, niet eerder.”En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.„’t Is echte Argenteuil.”„Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd hetzelfde. Ga voort.”En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat men zegt.„Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!”„Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,” zei de doodgraver.Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:„Weet ge, ’t zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.”Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op gevestigd.De zon was nog niet beneden den horizont en ’t was nog licht genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:„Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?”„Welke kaart?” vroeg de doodgraver zijn werk stakende.„De zon gaat onder.”„Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten.”„Het hek van ’t kerkhof zal gesloten worden.”„Nu, en dan?”„Hebt ge uw kaart bij u?”„Mijn kaart!” herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.„Neen,” zeide hij, „ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben.”„Vijftien francs boete,” zei Fauchelevent.De doodgraver werd leikleurig-bleek.„Goede God!” riep hij, „vijftien francs boete!”„Ja, drie vijffrancsstukken,” zei Fauchelevent.De doodgraver liet zijn spade vallen.Nu was de beurt aan Fauchelevent.„Nu, nu, rekruut,” zeide hij, „geen wanhoop. Het is niet noodig, dat ge u om ’t leven brengt en van den kuil gebruik maakt. ’t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. ’t Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten.”„’t Is waar,” antwoordde de doodgraver.„In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten is.”„Ge hebt gelijk.”„Alzoo vijftien francs boete.”„Vijftien francs.”„Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?”„Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de straat Vaugirard No. 87.”„Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen.”„’t Is waar.”„Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope”„Ge redt mij ’t leven, landman.”„Maak nu dat ge weg komt,” zei Fauchelevent.De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij zich over den kuil en zeide halfluid:„Vader Madeleine!”Geen antwoord.Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:„Zijt ge er!”Stilte in de doodkist.Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer en opende het deksel.Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten oogen te voorschijn.Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen tegen den kant van den kuil, op ’t punt van op de doodkist te zinken, en aanschouwde Jean Valjean.Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:„Hij is dood!”Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.Hij riep uit:„Zóó heb ik hem dan gered!”Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te spreken. ’t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich zelven.„’t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem noodig had; hij is ’t, die Madeleine heeft doen sterven.Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! ’t Is uit.—Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is ’t, in ’s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! ’t is een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij ’t toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!”Hij rukte zich de haren uit het hoofd.In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. ’t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had de oogen geopend en staarde hem strak aan.Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.„Ik was in slaap geraakt,” zeide Jean Valjean, zich oprichtende.Fauchelevent zonk op de knieën.„Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!”En zich weder oprichtende riep hij: „Ik dank u, vader Madeleine!”Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had hem tot zich zelven gebracht.De blijdschap is de ebbe van den schrik. ’t Was voor Fauchelevent schier even moeielijk, als ’t voor Jean Valjean was geweest, tot besef te komen.„Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge doodwaart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!”„Ik ben koud,” zei Valjean.Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige plaats waar zij zich bevonden.„Spoeden wij ons,” riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.„Maar eerst een slok,” zeide hij.De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel opspijkeren.Drie minuten later waren zij uit den kuil.Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was niet te vreezen. Deze „rekruut” was te huis bezig met zijn kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven de ledige doodkist.Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:„Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel.”De nacht daalde.Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.„Ge zijt verstijfd,” zei Fauchelevent, „’t is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen gaan.”„O,” antwoordde Jean Valjean, „een paar schreden, en ik ben weder vlug ter been.”Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, die de kaart van den doodgraverin de hand had, ze in de bus; de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.„’t Gaat alles best!” zei Fauchelevent, „ge hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.”Zonder belemmering gingen zij door de barrièreVaugirard. In den omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.’t Was eenzaam in de straat Vaugirard.„Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,” zei Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. „Wijs mij eens No 87.”„’t Is hier.”„Er is niemand in de straat,” hernam Fauchelevent, „geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.”Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.„Binnen!”’t Was Gribier’s stem.Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol. Een pakkist—misschien een doodkist—verving er een ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. ’t Was alsof er een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. ’t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.Hij trad binnen en zeide:„Ik breng uw spade en houweel terug.”Gribier aanschouwde hem verstomd.„Gij hier, landman?”„Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart vinden,” en hij legde spade en houweel op den vloer.„Wat beteekent dat?” vroeg Gribier.„Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut.”„Ik dank u, landman!” riep Gribier verrukt, „een volgenden keer zal ik het gelag betalen.”

Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.

Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren,zag Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.

Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.

Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de armen over elkander en zeide:

„Ik betaal!”

De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:

„Wat, landman?”

Fauchelevent herhaalde: „Ik betaal!”

„Wat?”

„Den wijn.”

„Welken wijn?”

„Van Argenteuil.”

„Waar?”

„In de Goede Kweepeer.”

„Loop naar den duivel,” zei de doodgraver.

En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op ’t punt zelf in het graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:

„Voor dat de „Goede Kweepeer” gesloten is.”

De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:

„Ik betaal,” en vatte den arm des doodgravers. „Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. ’t Is een werk dat ’s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken.”

Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?

„Landman,” zei de doodgraver, „zoo ge volstrekt wilt, ’t is mij wèl, maar wij drinken na den arbeid, niet eerder.”

En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.

„’t Is echte Argenteuil.”

„Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd hetzelfde. Ga voort.”

En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.

Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat men zegt.

„Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!”

„Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,” zei de doodgraver.

Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.

Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:

„Weet ge, ’t zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.”

Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op gevestigd.

De zon was nog niet beneden den horizont en ’t was nog licht genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.

Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.

De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.

Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:

„Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?”

„Welke kaart?” vroeg de doodgraver zijn werk stakende.

„De zon gaat onder.”

„Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten.”

„Het hek van ’t kerkhof zal gesloten worden.”

„Nu, en dan?”

„Hebt ge uw kaart bij u?”

„Mijn kaart!” herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.

„Neen,” zeide hij, „ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben.”

„Vijftien francs boete,” zei Fauchelevent.

De doodgraver werd leikleurig-bleek.

„Goede God!” riep hij, „vijftien francs boete!”

„Ja, drie vijffrancsstukken,” zei Fauchelevent.

De doodgraver liet zijn spade vallen.

Nu was de beurt aan Fauchelevent.

„Nu, nu, rekruut,” zeide hij, „geen wanhoop. Het is niet noodig, dat ge u om ’t leven brengt en van den kuil gebruik maakt. ’t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. ’t Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten.”

„’t Is waar,” antwoordde de doodgraver.

„In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten is.”

„Ge hebt gelijk.”

„Alzoo vijftien francs boete.”

„Vijftien francs.”

„Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?”

„Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de straat Vaugirard No. 87.”

„Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen.”

„’t Is waar.”

„Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope”

„Ge redt mij ’t leven, landman.”

„Maak nu dat ge weg komt,” zei Fauchelevent.

De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.

Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij zich over den kuil en zeide halfluid:

„Vader Madeleine!”

Geen antwoord.

Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:

„Zijt ge er!”

Stilte in de doodkist.

Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer en opende het deksel.

Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten oogen te voorschijn.

Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen tegen den kant van den kuil, op ’t punt van op de doodkist te zinken, en aanschouwde Jean Valjean.

Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.

Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:

„Hij is dood!”

Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.

Hij riep uit:

„Zóó heb ik hem dan gered!”

Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te spreken. ’t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich zelven.

„’t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem noodig had; hij is ’t, die Madeleine heeft doen sterven.Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! ’t Is uit.—Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is ’t, in ’s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! ’t is een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij ’t toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!”

Hij rukte zich de haren uit het hoofd.

In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. ’t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.

Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had de oogen geopend en staarde hem strak aan.

Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.

„Ik was in slaap geraakt,” zeide Jean Valjean, zich oprichtende.

Fauchelevent zonk op de knieën.

„Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!”

En zich weder oprichtende riep hij: „Ik dank u, vader Madeleine!”

Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had hem tot zich zelven gebracht.

De blijdschap is de ebbe van den schrik. ’t Was voor Fauchelevent schier even moeielijk, als ’t voor Jean Valjean was geweest, tot besef te komen.

„Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge doodwaart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!”

„Ik ben koud,” zei Valjean.

Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige plaats waar zij zich bevonden.

„Spoeden wij ons,” riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.

„Maar eerst een slok,” zeide hij.

De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.

Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel opspijkeren.

Drie minuten later waren zij uit den kuil.

Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was niet te vreezen. Deze „rekruut” was te huis bezig met zijn kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.

Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven de ledige doodkist.

Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:

„Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel.”

De nacht daalde.

Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.

„Ge zijt verstijfd,” zei Fauchelevent, „’t is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen gaan.”

„O,” antwoordde Jean Valjean, „een paar schreden, en ik ben weder vlug ter been.”

Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, die de kaart van den doodgraverin de hand had, ze in de bus; de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.

„’t Gaat alles best!” zei Fauchelevent, „ge hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.”

Zonder belemmering gingen zij door de barrièreVaugirard. In den omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.

’t Was eenzaam in de straat Vaugirard.

„Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,” zei Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. „Wijs mij eens No 87.”

„’t Is hier.”

„Er is niemand in de straat,” hernam Fauchelevent, „geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.”

Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.

„Binnen!”

’t Was Gribier’s stem.

Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol. Een pakkist—misschien een doodkist—verving er een ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. ’t Was alsof er een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. ’t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.

Hij trad binnen en zeide:

„Ik breng uw spade en houweel terug.”

Gribier aanschouwde hem verstomd.

„Gij hier, landman?”

„Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart vinden,” en hij legde spade en houweel op den vloer.

„Wat beteekent dat?” vroeg Gribier.

„Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut.”

„Ik dank u, landman!” riep Gribier verrukt, „een volgenden keer zal ik het gelag betalen.”

Achtste hoofdstuk.Het goed afgeloopen verhoor.Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur derplaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:„Zijt gij de broeder?”„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.„Hoe heet gij?”Fauchelevent antwoordde:„Ultime Fauchelevent.”Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.„Van waar zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Van Picquigny bij Amiens.”„Hoe oud zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Vijftig jaar.”„Wat doet ge!”Fauchelevent antwoordde:„Tuinier.”„Zijt ge een goed Christen?”Fauchelevent antwoordde:„Allen zijn het in mijn familie.”„Behoort u dit meisje?”Fauchelevent antwoordde:„Ja, eerwaardige moeder.”„Zijt gij haar vader?”Fauchelevent antwoordde:„Haar grootvader.”De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:„Hij antwoordt goed.”Jean Valjean had geen woord gezegd.De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:„Zij zal leelijk zijn.”De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.Dit alles is zeer logisch.Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er dezeregels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in deIllustrated London Newsmet dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”

Achtste hoofdstuk.Het goed afgeloopen verhoor.

Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur derplaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:„Zijt gij de broeder?”„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.„Hoe heet gij?”Fauchelevent antwoordde:„Ultime Fauchelevent.”Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.„Van waar zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Van Picquigny bij Amiens.”„Hoe oud zijt ge?”Fauchelevent antwoordde:„Vijftig jaar.”„Wat doet ge!”Fauchelevent antwoordde:„Tuinier.”„Zijt ge een goed Christen?”Fauchelevent antwoordde:„Allen zijn het in mijn familie.”„Behoort u dit meisje?”Fauchelevent antwoordde:„Ja, eerwaardige moeder.”„Zijt gij haar vader?”Fauchelevent antwoordde:„Haar grootvader.”De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:„Hij antwoordt goed.”Jean Valjean had geen woord gezegd.De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:„Zij zal leelijk zijn.”De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.Dit alles is zeer logisch.Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er dezeregels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in deIllustrated London Newsmet dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”

Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.

’t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van ’t geen zij sedert twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: „zeg niets.” De vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.

Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed hebben.

Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle deuren werden voor hem geopend.

Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: „uitgaan en binnenkomen”, opgelost.

De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden nog van de straat in den achtermuur derplaats tegenover de koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.

De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de spreekkamer.

De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:

„Zijt gij de broeder?”

„Ja, eerwaardige moeder,” antwoordde Fauchelevent.

„Hoe heet gij?”

Fauchelevent antwoordde:

„Ultime Fauchelevent.”

Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die overleden was.

„Van waar zijt ge?”

Fauchelevent antwoordde:

„Van Picquigny bij Amiens.”

„Hoe oud zijt ge?”

Fauchelevent antwoordde:

„Vijftig jaar.”

„Wat doet ge!”

Fauchelevent antwoordde:

„Tuinier.”

„Zijt ge een goed Christen?”

Fauchelevent antwoordde:

„Allen zijn het in mijn familie.”

„Behoort u dit meisje?”

Fauchelevent antwoordde:

„Ja, eerwaardige moeder.”

„Zijt gij haar vader?”

Fauchelevent antwoordde:

„Haar grootvader.”

De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:

„Hij antwoordt goed.”

Jean Valjean had geen woord gezegd.

De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de kapittelmoeder:

„Zij zal leelijk zijn.”

De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:

„Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans zijn er twee noodig.”

Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak de stilte om elkander te zeggen: „’t Is een hulptuinier.”

De kapittelmoeders voegden er bij: „’t Is een broeder van vader Fauvent.”

Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime Fauchelevent.

De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking geweest der priorin: „zij zal leelijk zijn.”

Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.

Dit alles is zeer logisch.

Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.

Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals hij, Della Genga heette; men leest er dezeregels in: „’t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd Fauvan is.” Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in deIllustrated London Newsmet dit opschrift voorkomt: „os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft.”

Negende hoofdstuk.Besluit.Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.’t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: „Had ik ’t geweten, vader, ik zou haar meêgenomen hebben.”Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde.’t Was dezelfde rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, ’t welk hij zich wist te verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en droeg steeds den sleutel er van bij zich.—Vader, vroeg Cosette hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar hij veel van een snuifje hield,snoof hij in de aanwezigheid van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, dewijl Madeleine de snuif betaalde.De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den „anderen Fauvent.”Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.’t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om gelukkig te wezen.Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.In naam des Konings.GOED VOOR TIEN LIVRES,wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.Serie 3. No. 10390.STOFFLET.Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in hetklooster overleden was en wienFaucheleventwas opgevolgd.Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.Zelfs Cosette’s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van ’s menschen gelaat.Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. ’t Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij ’t zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en ’t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog,dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van ’t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van ’t jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; ’t waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in ’t geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in ’t vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in ’t ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, ’t welk de menschen den dood noemen.In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppuntvan mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware ’t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen—om—wie te bewaren? Engelen.De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.’t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.Waarom?Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door ’t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de „Verzoening” verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster—oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.Einde van het tweede deel.

Negende hoofdstuk.Besluit.

Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.’t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: „Had ik ’t geweten, vader, ik zou haar meêgenomen hebben.”Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde.’t Was dezelfde rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, ’t welk hij zich wist te verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en droeg steeds den sleutel er van bij zich.—Vader, vroeg Cosette hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar hij veel van een snuifje hield,snoof hij in de aanwezigheid van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, dewijl Madeleine de snuif betaalde.De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den „anderen Fauvent.”Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.’t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om gelukkig te wezen.Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.In naam des Konings.GOED VOOR TIEN LIVRES,wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.Serie 3. No. 10390.STOFFLET.Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in hetklooster overleden was en wienFaucheleventwas opgevolgd.Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.Zelfs Cosette’s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van ’s menschen gelaat.Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. ’t Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij ’t zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en ’t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog,dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van ’t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van ’t jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; ’t waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in ’t geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in ’t vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in ’t ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, ’t welk de menschen den dood noemen.In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppuntvan mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware ’t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen—om—wie te bewaren? Engelen.De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.’t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.Waarom?Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door ’t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de „Verzoening” verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster—oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.Einde van het tweede deel.

Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.

’t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: „Had ik ’t geweten, vader, ik zou haar meêgenomen hebben.”

Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde.’t Was dezelfde rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, ’t welk hij zich wist te verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en droeg steeds den sleutel er van bij zich.—Vader, vroeg Cosette hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?

Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar hij veel van een snuifje hield,snoof hij in de aanwezigheid van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, dewijl Madeleine de snuif betaalde.

De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den „anderen Fauvent.”

Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.

’t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.

Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om gelukkig te wezen.

Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.

Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.

Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:

KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.In naam des Konings.GOED VOOR TIEN LIVRES,wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.Serie 3. No. 10390.STOFFLET.

KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.

In naam des Konings.

GOED VOOR TIEN LIVRES,

wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.

Serie 3. No. 10390.

STOFFLET.

Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in hetklooster overleden was en wienFaucheleventwas opgevolgd.

Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.

Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.

Zelfs Cosette’s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van ’s menschen gelaat.

Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.

God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. ’t Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij ’t zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.

Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.

Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en ’t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog,dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.

Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.

Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van ’t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.

Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.

Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van ’t jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.

Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.

De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.

Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; ’t waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.

Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.

Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in ’t geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!

Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.

Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in ’t vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in ’t ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, ’t welk de menschen den dood noemen.

In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.

Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.

En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.

Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?

Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.

Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.

Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppuntvan mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.

En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!

Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.

Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware ’t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?

Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.

Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen—om—wie te bewaren? Engelen.

De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.

’t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.

Waarom?

Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.

Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.

Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.

Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door ’t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de „Verzoening” verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.

Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.

Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster—oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.

Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.

Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.

Einde van het tweede deel.


Back to IndexNext