Boek III.De grootvader en de kleinzoon.Eerste hoofdstuk.Een voormalig salon.Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kretenvan afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraaktener in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:Renfoncez dans vos culottesLe bout d’ chemise qui vous pend.Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotesOnt arboré l’ drapeau blanc!1Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,Il faut changer de sol et de serre et de case2Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van hetça iraom en zong:Ah! çaira! çaira! çaira!Les buonapartist’ à la lanterne!Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen,omdathij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg menin zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van denCourier Françaisveroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op3, datsushier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons hetTe Deumwerd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.1Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.2Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem,de sol, van broeikas,de serre, en van hut,de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.3Een woordspeling. Door vansuspendu(geschorst) de eerste lettergreepsuste nemen, krijgt menpendu(gehangen).Tweede hoofdstuk.Een der roode spoken van dien tijd.Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren,hoven, en zoo zij kleinerwaren,bloemruikerskonden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij wasvindingrijken Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, denMoniteuren de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden.Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert denColde-Tendeverdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9ereg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde eenbataljonvan het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levenddit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichkolonel baron Pontmercyte teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragendezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Menwas nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenisbekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.Derde hoofdstuk.Requiescant.De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aanla Foudrezeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal,merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen,postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in denConservateurnaast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschopinpartibusvan Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te beteren.De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouwmevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw dekolonelsezeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw dekolonelse.Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden erbediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was erultra.Ultrate zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.Ultrazijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên,die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den grootevergezeldenen de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.Die salons hadden een eigenliteratuuren politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenigedoctrinairesop, als een onrustbarend verschijnsel.Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk derdoctrinaireswas, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalismetegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! HetrevolutionaireFrankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.Vierde hoofdstuk.De bandiet sterft.Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”„Waarom?” vroeg Marius.„Om uw vader te bezoeken.”Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aananderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”En hij voegde er na eenig zwijgen bij:„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.De vrouw bleef onbewegelijk.„Ben ik terecht?” vroeg Marius.De vrouw knikte bevestigend.„Zou ik hem dan kunnen spreken?”De vrouw schudde ontkennend het hoofd.„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.Toen zag hij, dat zij weende.Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernonhad de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb,zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.Vijfde hoofdstuk.Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen.Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug:de heer Mabeuf, kerkmeestergeschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:„Mijnheer, dit is mijn plaats.”Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:„Zeker een liefdesgeschiedenis.”Zesde hoofdstuk.Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet.Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzameldeMoniteurs.Hij las denMoniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud,Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en omhemvoor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengdenzich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen hadvan „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvaderverwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”Marius was nu en dan afwezig.„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.Zevende hoofdstuk.Een vrouw in ’t spel.Wij hebben van een lansier gesproken.Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.„Gij hier, Théodule!” riep zij.„Voor een oogenblik, tante.”„Maar kus mij toch!”„Komaan,” zei Théodule.En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.„Ge blijft immers de geheele week?”„Neen, ik vertrek van avond, tante.”„Dat is onmogelijk!”„Stellig!”„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”„Wat dan?”„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”„Welnu?”„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”„Welken naam?”„Marius Pontmercy.”„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”„Evenals ik.”„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”„Duivels!” zei Théodule.Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”„Waar gaat die diligence heen?”„Naar Andelys.”„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.„Luister, Théodule.”„Ik luister al, tante.”„Let dan op.”„Ik let op.”„Nu, luistert ge?”„Ja.”„Marius is dikwerf afwezig.”„Ei, ei!”„Hij reist veel.”„Aha!”„Hij blijft ’s nachts uit.”„Zoo, zoo!”„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:„Een vrouw in ’t spel.”En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:„Een liefje.”„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:„Nu ben ik duegna geworden.”Juffrouw Gillenormand kuste hem.„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij,zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.Het was Marius.Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wilhaarzien.”En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.Marius ging naar de kerk.„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.Daar gekomen bleef hij verstomd staan.Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:Kolonel Baron Pontmercy.Marius weende hoorbaar.Het liefje was een graf.Achtste hoofdstuk.Marmer tegen graniet.Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van hetnoodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”„O, laat mij lezen,” zei tante.En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:„’t Is het schrift van den voorvechter.”De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.”De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:„Breng die plunje weg.”Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde.Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:„’t Is mooi!”Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots,waarin ietsverpletterends lag, hem toeriep:„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”Marius bloosde en antwoordde:„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:„Ik ben uw vader.”„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wondenontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het vensteren van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:„Ga heen!”Marius verliet het huis.Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.Wat zal er van Marius worden?
Boek III.De grootvader en de kleinzoon.Eerste hoofdstuk.Een voormalig salon.Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kretenvan afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraaktener in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:Renfoncez dans vos culottesLe bout d’ chemise qui vous pend.Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotesOnt arboré l’ drapeau blanc!1Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,Il faut changer de sol et de serre et de case2Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van hetça iraom en zong:Ah! çaira! çaira! çaira!Les buonapartist’ à la lanterne!Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen,omdathij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg menin zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van denCourier Françaisveroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op3, datsushier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons hetTe Deumwerd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.1Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.2Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem,de sol, van broeikas,de serre, en van hut,de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.3Een woordspeling. Door vansuspendu(geschorst) de eerste lettergreepsuste nemen, krijgt menpendu(gehangen).Tweede hoofdstuk.Een der roode spoken van dien tijd.Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren,hoven, en zoo zij kleinerwaren,bloemruikerskonden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij wasvindingrijken Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, denMoniteuren de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden.Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert denColde-Tendeverdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9ereg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde eenbataljonvan het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levenddit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichkolonel baron Pontmercyte teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragendezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Menwas nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenisbekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.Derde hoofdstuk.Requiescant.De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aanla Foudrezeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal,merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen,postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in denConservateurnaast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschopinpartibusvan Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te beteren.De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouwmevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw dekolonelsezeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw dekolonelse.Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden erbediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was erultra.Ultrate zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.Ultrazijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên,die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den grootevergezeldenen de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.Die salons hadden een eigenliteratuuren politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenigedoctrinairesop, als een onrustbarend verschijnsel.Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk derdoctrinaireswas, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalismetegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! HetrevolutionaireFrankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.Vierde hoofdstuk.De bandiet sterft.Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”„Waarom?” vroeg Marius.„Om uw vader te bezoeken.”Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aananderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”En hij voegde er na eenig zwijgen bij:„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.De vrouw bleef onbewegelijk.„Ben ik terecht?” vroeg Marius.De vrouw knikte bevestigend.„Zou ik hem dan kunnen spreken?”De vrouw schudde ontkennend het hoofd.„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.Toen zag hij, dat zij weende.Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernonhad de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb,zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.Vijfde hoofdstuk.Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen.Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug:de heer Mabeuf, kerkmeestergeschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:„Mijnheer, dit is mijn plaats.”Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:„Zeker een liefdesgeschiedenis.”Zesde hoofdstuk.Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet.Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzameldeMoniteurs.Hij las denMoniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud,Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en omhemvoor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengdenzich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen hadvan „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvaderverwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”Marius was nu en dan afwezig.„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.Zevende hoofdstuk.Een vrouw in ’t spel.Wij hebben van een lansier gesproken.Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.„Gij hier, Théodule!” riep zij.„Voor een oogenblik, tante.”„Maar kus mij toch!”„Komaan,” zei Théodule.En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.„Ge blijft immers de geheele week?”„Neen, ik vertrek van avond, tante.”„Dat is onmogelijk!”„Stellig!”„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”„Wat dan?”„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”„Welnu?”„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”„Welken naam?”„Marius Pontmercy.”„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”„Evenals ik.”„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”„Duivels!” zei Théodule.Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”„Waar gaat die diligence heen?”„Naar Andelys.”„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.„Luister, Théodule.”„Ik luister al, tante.”„Let dan op.”„Ik let op.”„Nu, luistert ge?”„Ja.”„Marius is dikwerf afwezig.”„Ei, ei!”„Hij reist veel.”„Aha!”„Hij blijft ’s nachts uit.”„Zoo, zoo!”„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:„Een vrouw in ’t spel.”En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:„Een liefje.”„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:„Nu ben ik duegna geworden.”Juffrouw Gillenormand kuste hem.„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij,zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.Het was Marius.Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wilhaarzien.”En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.Marius ging naar de kerk.„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.Daar gekomen bleef hij verstomd staan.Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:Kolonel Baron Pontmercy.Marius weende hoorbaar.Het liefje was een graf.Achtste hoofdstuk.Marmer tegen graniet.Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van hetnoodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”„O, laat mij lezen,” zei tante.En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:„’t Is het schrift van den voorvechter.”De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.”De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:„Breng die plunje weg.”Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde.Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:„’t Is mooi!”Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots,waarin ietsverpletterends lag, hem toeriep:„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”Marius bloosde en antwoordde:„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:„Ik ben uw vader.”„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wondenontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het vensteren van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:„Ga heen!”Marius verliet het huis.Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.Wat zal er van Marius worden?
Eerste hoofdstuk.Een voormalig salon.Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kretenvan afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraaktener in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:Renfoncez dans vos culottesLe bout d’ chemise qui vous pend.Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotesOnt arboré l’ drapeau blanc!1Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,Il faut changer de sol et de serre et de case2Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van hetça iraom en zong:Ah! çaira! çaira! çaira!Les buonapartist’ à la lanterne!Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen,omdathij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg menin zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van denCourier Françaisveroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op3, datsushier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons hetTe Deumwerd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.1Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.2Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem,de sol, van broeikas,de serre, en van hut,de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.3Een woordspeling. Door vansuspendu(geschorst) de eerste lettergreepsuste nemen, krijgt menpendu(gehangen).
Eerste hoofdstuk.Een voormalig salon.
Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kretenvan afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraaktener in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:Renfoncez dans vos culottesLe bout d’ chemise qui vous pend.Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotesOnt arboré l’ drapeau blanc!1Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,Il faut changer de sol et de serre et de case2Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van hetça iraom en zong:Ah! çaira! çaira! çaira!Les buonapartist’ à la lanterne!Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen,omdathij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg menin zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van denCourier Françaisveroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op3, datsushier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons hetTe Deumwerd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.
Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.
Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kretenvan afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.
Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraaktener in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:
Renfoncez dans vos culottesLe bout d’ chemise qui vous pend.Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotesOnt arboré l’ drapeau blanc!1
Renfoncez dans vos culottes
Le bout d’ chemise qui vous pend.
Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotes
Ont arboré l’ drapeau blanc!1
Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.
Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,Il faut changer de sol et de serre et de case2
Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,
Il faut changer de sol et de serre et de case2
Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.
Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van hetça iraom en zong:
Ah! çaira! çaira! çaira!Les buonapartist’ à la lanterne!
Ah! çaira! çaira! çaira!
Les buonapartist’ à la lanterne!
Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.
In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.
Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”
Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.
In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen,omdathij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.
De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.
Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.
Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.
Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg menin zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van denCourier Françaisveroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op3, datsushier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.
Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons hetTe Deumwerd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”
Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.
Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.
1Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.2Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem,de sol, van broeikas,de serre, en van hut,de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.3Een woordspeling. Door vansuspendu(geschorst) de eerste lettergreepsuste nemen, krijgt menpendu(gehangen).
1Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.
2Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem,de sol, van broeikas,de serre, en van hut,de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.
3Een woordspeling. Door vansuspendu(geschorst) de eerste lettergreepsuste nemen, krijgt menpendu(gehangen).
Tweede hoofdstuk.Een der roode spoken van dien tijd.Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren,hoven, en zoo zij kleinerwaren,bloemruikerskonden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij wasvindingrijken Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, denMoniteuren de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden.Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert denColde-Tendeverdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9ereg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde eenbataljonvan het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levenddit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichkolonel baron Pontmercyte teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragendezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Menwas nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenisbekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.
Tweede hoofdstuk.Een der roode spoken van dien tijd.
Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren,hoven, en zoo zij kleinerwaren,bloemruikerskonden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij wasvindingrijken Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, denMoniteuren de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden.Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert denColde-Tendeverdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9ereg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde eenbataljonvan het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levenddit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichkolonel baron Pontmercyte teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragendezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Menwas nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenisbekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.
Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren,hoven, en zoo zij kleinerwaren,bloemruikerskonden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.
Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij wasvindingrijken Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.
Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, denMoniteuren de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden.Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert denColde-Tendeverdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.
In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9ereg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde eenbataljonvan het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levenddit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.
Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.
De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zichkolonel baron Pontmercyte teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragendezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.
Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”
Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.
Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.
Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Menwas nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.
De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.
Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.
Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.
Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.
Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenisbekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.
Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.
Derde hoofdstuk.Requiescant.De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aanla Foudrezeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal,merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen,postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in denConservateurnaast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschopinpartibusvan Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te beteren.De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouwmevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw dekolonelsezeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw dekolonelse.Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden erbediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was erultra.Ultrate zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.Ultrazijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên,die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den grootevergezeldenen de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.Die salons hadden een eigenliteratuuren politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenigedoctrinairesop, als een onrustbarend verschijnsel.Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk derdoctrinaireswas, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalismetegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! HetrevolutionaireFrankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.
Derde hoofdstuk.Requiescant.
De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aanla Foudrezeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal,merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen,postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in denConservateurnaast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschopinpartibusvan Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te beteren.De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouwmevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw dekolonelsezeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw dekolonelse.Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden erbediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was erultra.Ultrate zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.Ultrazijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên,die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den grootevergezeldenen de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.Die salons hadden een eigenliteratuuren politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenigedoctrinairesop, als een onrustbarend verschijnsel.Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk derdoctrinaireswas, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalismetegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! HetrevolutionaireFrankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.
De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.
Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.
Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aanla Foudrezeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal,merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen,postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in denConservateurnaast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschopinpartibusvan Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.
Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te beteren.
De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.
Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.
Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouwmevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw dekolonelsezeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw dekolonelse.
Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”
Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.
Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden erbediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.
Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”
Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was erultra.
Ultrate zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.
Ultrazijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!
De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.
Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên,die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den grootevergezeldenen de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!
Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.
Die salons hadden een eigenliteratuuren politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.
Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenigedoctrinairesop, als een onrustbarend verschijnsel.Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk derdoctrinaireswas, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalismetegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! HetrevolutionaireFrankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”
Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.
In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.
Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.
Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.
Vierde hoofdstuk.De bandiet sterft.Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”„Waarom?” vroeg Marius.„Om uw vader te bezoeken.”Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aananderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”En hij voegde er na eenig zwijgen bij:„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.De vrouw bleef onbewegelijk.„Ben ik terecht?” vroeg Marius.De vrouw knikte bevestigend.„Zou ik hem dan kunnen spreken?”De vrouw schudde ontkennend het hoofd.„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.Toen zag hij, dat zij weende.Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernonhad de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb,zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.
Vierde hoofdstuk.De bandiet sterft.
Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”„Waarom?” vroeg Marius.„Om uw vader te bezoeken.”Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aananderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”En hij voegde er na eenig zwijgen bij:„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.De vrouw bleef onbewegelijk.„Ben ik terecht?” vroeg Marius.De vrouw knikte bevestigend.„Zou ik hem dan kunnen spreken?”De vrouw schudde ontkennend het hoofd.„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.Toen zag hij, dat zij weende.Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernonhad de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb,zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.
Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.
In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.
„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”
„Waarom?” vroeg Marius.
„Om uw vader te bezoeken.”
Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.
Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aananderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.
Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:
„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”
En hij voegde er na eenig zwijgen bij:
„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”
Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.
Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.
Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.
„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.
De vrouw bleef onbewegelijk.
„Ben ik terecht?” vroeg Marius.
De vrouw knikte bevestigend.
„Zou ik hem dan kunnen spreken?”
De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”
„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.
Toen zag hij, dat zij weende.
Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.
In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.
De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.
De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernonhad de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.
Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.
De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.
Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.
Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.
Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.
Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.
Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.
Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.
Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.
Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!
De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:
„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb,zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”
Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.
Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.
Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.
Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.
Vijfde hoofdstuk.Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen.Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug:de heer Mabeuf, kerkmeestergeschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:„Mijnheer, dit is mijn plaats.”Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:„Zeker een liefdesgeschiedenis.”
Vijfde hoofdstuk.Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen.
Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug:de heer Mabeuf, kerkmeestergeschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:„Mijnheer, dit is mijn plaats.”Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:„Zeker een liefdesgeschiedenis.”
Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug:de heer Mabeuf, kerkmeestergeschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:
„Mijnheer, dit is mijn plaats.”
Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.
Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:
„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”
„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.
„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”
„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.
„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”
„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”
De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”
Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:
„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”
„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”
En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:
„Zeker een liefdesgeschiedenis.”
Zesde hoofdstuk.Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet.Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzameldeMoniteurs.Hij las denMoniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud,Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en omhemvoor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengdenzich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen hadvan „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvaderverwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”Marius was nu en dan afwezig.„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.
Zesde hoofdstuk.Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet.
Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzameldeMoniteurs.Hij las denMoniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud,Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en omhemvoor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengdenzich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen hadvan „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvaderverwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”Marius was nu en dan afwezig.„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.
Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.
Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzameldeMoniteurs.
Hij las denMoniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.
Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”
En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.
Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.
De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.
De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud,Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.
Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.
Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.
Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.
Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.
Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.
Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en omhemvoor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.
Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.
Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.
Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengdenzich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!
Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”
Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden bleek.
Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen hadvan „de groote natie” te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.
Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende omstandigheden.
Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had zich omgewend.
Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets van vermoedde.
En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius Pontmercy.”
Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.
Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij zich meer van zijn grootvaderverwijderde. Wij hebben ’t reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind zijn vader ontnomen had.
Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn grootvader geworden.
Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is verliefd; ik ken die dingen.”
Marius was nu en dan afwezig.
„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.
Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.
„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn hoofd raakt in de war.”
Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd iets aan een zwart lint om den hals droeg.
Zevende hoofdstuk.Een vrouw in ’t spel.Wij hebben van een lansier gesproken.Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.„Gij hier, Théodule!” riep zij.„Voor een oogenblik, tante.”„Maar kus mij toch!”„Komaan,” zei Théodule.En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.„Ge blijft immers de geheele week?”„Neen, ik vertrek van avond, tante.”„Dat is onmogelijk!”„Stellig!”„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”„Wat dan?”„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”„Welnu?”„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”„Welken naam?”„Marius Pontmercy.”„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”„Evenals ik.”„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”„Duivels!” zei Théodule.Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”„Waar gaat die diligence heen?”„Naar Andelys.”„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.„Luister, Théodule.”„Ik luister al, tante.”„Let dan op.”„Ik let op.”„Nu, luistert ge?”„Ja.”„Marius is dikwerf afwezig.”„Ei, ei!”„Hij reist veel.”„Aha!”„Hij blijft ’s nachts uit.”„Zoo, zoo!”„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:„Een vrouw in ’t spel.”En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:„Een liefje.”„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:„Nu ben ik duegna geworden.”Juffrouw Gillenormand kuste hem.„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij,zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.Het was Marius.Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wilhaarzien.”En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.Marius ging naar de kerk.„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.Daar gekomen bleef hij verstomd staan.Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:Kolonel Baron Pontmercy.Marius weende hoorbaar.Het liefje was een graf.
Zevende hoofdstuk.Een vrouw in ’t spel.
Wij hebben van een lansier gesproken.Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.„Gij hier, Théodule!” riep zij.„Voor een oogenblik, tante.”„Maar kus mij toch!”„Komaan,” zei Théodule.En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.„Ge blijft immers de geheele week?”„Neen, ik vertrek van avond, tante.”„Dat is onmogelijk!”„Stellig!”„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”„Wat dan?”„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”„Welnu?”„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”„Welken naam?”„Marius Pontmercy.”„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”„Evenals ik.”„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”„Duivels!” zei Théodule.Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”„Waar gaat die diligence heen?”„Naar Andelys.”„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.„Luister, Théodule.”„Ik luister al, tante.”„Let dan op.”„Ik let op.”„Nu, luistert ge?”„Ja.”„Marius is dikwerf afwezig.”„Ei, ei!”„Hij reist veel.”„Aha!”„Hij blijft ’s nachts uit.”„Zoo, zoo!”„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:„Een vrouw in ’t spel.”En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:„Een liefje.”„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:„Nu ben ik duegna geworden.”Juffrouw Gillenormand kuste hem.„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij,zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.Het was Marius.Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wilhaarzien.”En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.Marius ging naar de kerk.„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.Daar gekomen bleef hij verstomd staan.Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:Kolonel Baron Pontmercy.Marius weende hoorbaar.Het liefje was een graf.
Wij hebben van een lansier gesproken.
Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.
Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: „Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: „’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een schandaal.
Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te vernemen.
Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.
Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te zien.
„Gij hier, Théodule!” riep zij.
„Voor een oogenblik, tante.”
„Maar kus mij toch!”
„Komaan,” zei Théodule.
En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en opende ze.
„Ge blijft immers de geheele week?”
„Neen, ik vertrek van avond, tante.”
„Dat is onmogelijk!”
„Stellig!”
„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag.”
„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken.”
„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien louisd’ors in de hand.
„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante.”
En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.
„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg zij.
„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”
„Wat dan?”
„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?”
„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.
„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats te bespreken.”
„Welnu?”
„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik zag zijn naam op het register.”
„Welken naam?”
„Marius Pontmercy.”
„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!”
„Evenals ik.”
„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid.”
„Duivels!” zei Théodule.
Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef u kent?” vroeg zij.
„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd op mij te letten.”
„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”
„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”
„Waar gaat die diligence heen?”
„Naar Andelys.”
„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”
„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”
„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”
„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de officier.
„Luister, Théodule.”
„Ik luister al, tante.”
„Let dan op.”
„Ik let op.”
„Nu, luistert ge?”
„Ja.”
„Marius is dikwerf afwezig.”
„Ei, ei!”
„Hij reist veel.”
„Aha!”
„Hij blijft ’s nachts uit.”
„Zoo, zoo!”
„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”
Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:
„Een vrouw in ’t spel.”
En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij er bij:
„Een liefje.”
„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:
„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.”
Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: „Zooals’t u belieft, tante;” en voegde er in stilte bij:
„Nu ben ik duegna geworden.”
Juffrouw Gillenormand kuste hem.
„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne na te loopen.”
De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men dezen om zijn eerlijkheid prees.
Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.
Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule ontwaakte.
„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik er uit.”
Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.
„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht hij,zijn kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat drommel zal ik de goede oude schrijven?”
Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje der coupé voorbij.
„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.
Het was Marius.
Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt bloemen voor uw dames.
Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.
„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wilhaarzien.”
En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.
Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.
„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.
Marius ging naar de kerk.
„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat.”
Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.
„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, „laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”
En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.
Daar gekomen bleef hij verstomd staan.
Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:Kolonel Baron Pontmercy.
Marius weende hoorbaar.
Het liefje was een graf.
Achtste hoofdstuk.Marmer tegen graniet.Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van hetnoodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”„O, laat mij lezen,” zei tante.En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:„’t Is het schrift van den voorvechter.”De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.”De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:„Breng die plunje weg.”Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde.Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:„’t Is mooi!”Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots,waarin ietsverpletterends lag, hem toeriep:„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”Marius bloosde en antwoordde:„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:„Ik ben uw vader.”„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wondenontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het vensteren van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:„Ga heen!”Marius verliet het huis.Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.Wat zal er van Marius worden?
Achtste hoofdstuk.Marmer tegen graniet.
Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van hetnoodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”„O, laat mij lezen,” zei tante.En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:„’t Is het schrift van den voorvechter.”De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.”De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:„Breng die plunje weg.”Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde.Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:„’t Is mooi!”Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots,waarin ietsverpletterends lag, hem toeriep:„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”Marius bloosde en antwoordde:„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:„Ik ben uw vader.”„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wondenontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het vensteren van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:„Ga heen!”Marius verliet het huis.Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.Wat zal er van Marius worden?
Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: „hij blijft van nacht weêr uit.”
Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; ’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen van hetnoodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.
Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een bad nemen.
Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen van waar hij kwam.
Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos nedergelegd.
„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.
En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende intocht.
In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb het portret!”
Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, hing aan het lint.
De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”
„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.
Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een zorgvuldig dichtgevouwen papier.
„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een minnebrief.”
„O, laat mij lezen,” zei tante.
En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:
„Voor mijn zoon.De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”
Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich zelven:
„’t Is het schrift van den voorvechter.”
De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde het weder in het doosje.
Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: „Baron Marius Pontmercy.”
De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek op den vloer en zeide:
„Breng die plunje weg.”
Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder waarschijnlijk aan hetzelfde.Na verloop van dat uur zeide tante Gillenormand:
„’t Is mooi!”
Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon en met burgerlijken trots,waarin ietsverpletterends lag, hem toeriep:
„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat beteekent dat?”
Marius bloosde en antwoordde:
„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”
Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:
„Ik ben uw vader.”
„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, twintig wondenontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord „republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.
„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”
Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak aan en riep met donderende stem:
„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!”
Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij zich niet.
Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den schoorsteen naar het vensteren van het venster naar den schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:
„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder hetzelfde dak blijven.”
En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar Marius uit en schreeuwde hem toe:
„Ga heen!”
Marius verliet het huis.
Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:
„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”
Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.
Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?
Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk laten brengen.
Wat zal er van Marius worden?