Boek IV.De vrienden van het A. B. C.Eerste hoofdstuk.Een groep, die bijna tot de historie had behoord.In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekererevolutionairehuivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogstrevolutionairverschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeienvan den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Hetabaissé(A. B. C. klinkt alsabaisséen beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan hetCastratus ad castradat van Narsés een veldheer maakte; hetBarbari et Barberini; hetFueros y Fuegos; hetTu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, hetCafé Musaingenaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds derevolutionaireapokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, opal dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker.HomoenVir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards,Hombre(man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in deFranschedictionnaire de l’ académieaan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van denMoniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling,aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in decamera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldelooszijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg,namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen.Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd enne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebbengeen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!Courfeyrac had een vader, dien men mijnheerdeCourfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat hetdevolstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd vanla Minervewaardeerde dat armedezoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaatquasi cuisoresvan de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.„Een postkantoor, sire.”„Hoe heet ge?”„L’Aigle.”De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naamLesgle.Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.1Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneindenaar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hijpoogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig:J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, diegeschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordjeengeschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.Tweede hoofdstuk.Lijkrede van Bossuet op Blondeau.Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen,dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters:Marius Pontmercystond.Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:„Mijnheer Marius Pontmercy!”De aangeroepen cabriolet hield stil.De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.„Nu?” zeide hij.„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”„Ja gewis.”„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”„’t Is mogelijk.”„’t Is zeker.”„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven:zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”„Mijnheer,” zei Marius.„Maarikben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.„Ik begrijp u niet,” zei Marius.L’aigle hernam:„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als gePontmercyzijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik:Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”„Ik ben wanhopig...”Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden.Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”„In deze cabriolet,” zei Marius.„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.Marius glimlachte treurig en zeide:„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.Derde hoofdstuk.Marius is verbaasd.In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.„Wat zijt ge?”„Democraat-Bonapartist.”„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillendemeeningentrachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn.Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogeltenaast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”En Enjolras duwde Courfeyrac toe:„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeideBuonaparte.Marius was wel eenigszins verbaasd.Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.Vierde hoofdstuk.De achterkamer van het koffiehuis Musain.Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok in zijn geest teweeg.Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep om van en naar haar arbeid te gaan.Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is een gymnasticus,een bokser is een kampvechter of worstelaar, een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou zij deduivelhekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, dieCesar vermoordde, was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica.Si volet usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo ge het zijntime is money(tijd is geld) ontneemt? Wat van Amerika zoo ge het zijncotton is king(de katoen is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij bewonderdeChina ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, teStockholmde meeste brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heetenbibinesen de vermaardste zijnla Casserolle(braadpan), en deAbbatoir(slachtplaats). Dus, kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij ’t Louison, goeden avond.”Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de vatenwaschster beet nam.Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig;de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!”„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, hypotheken......”„Echos, nymphes plaintives!” neuriede Grantaire er tusschen.In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp vanzelf.”„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”„Mijnheer Dorimon.”„Rentenier?”„Zeker.”„Zijn dochter Célestine.”„...tine. Verder?”„Kolonel Sainval.”„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, met welk een tegenstander hij te doen had.„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook.”In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en spraken over liefdezaken.„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een liefje, dat altijd lacht.”„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. „De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij twist nooit met elkander?”„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”„De vrede is een verterend geluk.”„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge weet wat ik zeggen wil?”„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”„Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid.”„Helaas!”„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”„Dat is gemakkelijk gezegd.”„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar.”„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij beurtelings lachend en lyrisch.„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollenstam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van Pissevache is.”In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier parend.„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:„De Charte in een vlam herschapen!”Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschenentrain, wat de Engelschenhumornoemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk gebulder.Vijfde hoofdstuk.Uitbreiding van den gezichteinder.Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide,plotselingmet deze dagteekening:„18 Juni 1815. Waterloo.”Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleuwas op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is.Quia nominor leo.”Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op deudrukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts,artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher zijn?”„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. Dekamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:Si César m’avait donnéLa gloire et la guerre,Et qu’il me fallût quitterL’amour de ma mêre.Je dirais au grand César:Reprends ton sceptre et ton char,J’aime mieux ma mêre, o gué’J’aime mieux ma mêre.1De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.Zesde hoofdstuk.Res Augusta.Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij namzich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”„Ja.”„Maar ik heb geld noodig!”„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.„Wat zult ge doen?”„Ik weet het niet.”„Hebt ge geld?”„Vijftien francs.”„Wil ik u leenen?”„Neen.”„Hebt ge kleederen?”„Deze.”„Hebt ge kostbaarheden?”„Een horloge.”„Een zilveren?”„Een gouden, zie.”„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”„Goed.”„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”„En mijn laarzen.”„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”„Genoeg!”„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”„Goed.”„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”„Verstaat ge Engelsch?”„Neen.”„Verstaat ge Duitsch?”„Neen.”„Des te erger.”„Waarom?”„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”„En intusschen?”„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam,vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.
Boek IV.De vrienden van het A. B. C.Eerste hoofdstuk.Een groep, die bijna tot de historie had behoord.In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekererevolutionairehuivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogstrevolutionairverschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeienvan den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Hetabaissé(A. B. C. klinkt alsabaisséen beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan hetCastratus ad castradat van Narsés een veldheer maakte; hetBarbari et Barberini; hetFueros y Fuegos; hetTu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, hetCafé Musaingenaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds derevolutionaireapokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, opal dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker.HomoenVir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards,Hombre(man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in deFranschedictionnaire de l’ académieaan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van denMoniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling,aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in decamera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldelooszijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg,namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen.Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd enne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebbengeen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!Courfeyrac had een vader, dien men mijnheerdeCourfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat hetdevolstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd vanla Minervewaardeerde dat armedezoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaatquasi cuisoresvan de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.„Een postkantoor, sire.”„Hoe heet ge?”„L’Aigle.”De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naamLesgle.Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.1Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneindenaar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hijpoogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig:J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, diegeschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordjeengeschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.Tweede hoofdstuk.Lijkrede van Bossuet op Blondeau.Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen,dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters:Marius Pontmercystond.Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:„Mijnheer Marius Pontmercy!”De aangeroepen cabriolet hield stil.De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.„Nu?” zeide hij.„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”„Ja gewis.”„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”„’t Is mogelijk.”„’t Is zeker.”„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven:zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”„Mijnheer,” zei Marius.„Maarikben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.„Ik begrijp u niet,” zei Marius.L’aigle hernam:„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als gePontmercyzijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik:Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”„Ik ben wanhopig...”Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden.Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”„In deze cabriolet,” zei Marius.„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.Marius glimlachte treurig en zeide:„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.Derde hoofdstuk.Marius is verbaasd.In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.„Wat zijt ge?”„Democraat-Bonapartist.”„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillendemeeningentrachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn.Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogeltenaast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”En Enjolras duwde Courfeyrac toe:„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeideBuonaparte.Marius was wel eenigszins verbaasd.Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.Vierde hoofdstuk.De achterkamer van het koffiehuis Musain.Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok in zijn geest teweeg.Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep om van en naar haar arbeid te gaan.Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is een gymnasticus,een bokser is een kampvechter of worstelaar, een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou zij deduivelhekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, dieCesar vermoordde, was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica.Si volet usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo ge het zijntime is money(tijd is geld) ontneemt? Wat van Amerika zoo ge het zijncotton is king(de katoen is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij bewonderdeChina ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, teStockholmde meeste brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heetenbibinesen de vermaardste zijnla Casserolle(braadpan), en deAbbatoir(slachtplaats). Dus, kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij ’t Louison, goeden avond.”Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de vatenwaschster beet nam.Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig;de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!”„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, hypotheken......”„Echos, nymphes plaintives!” neuriede Grantaire er tusschen.In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp vanzelf.”„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”„Mijnheer Dorimon.”„Rentenier?”„Zeker.”„Zijn dochter Célestine.”„...tine. Verder?”„Kolonel Sainval.”„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, met welk een tegenstander hij te doen had.„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook.”In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en spraken over liefdezaken.„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een liefje, dat altijd lacht.”„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. „De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij twist nooit met elkander?”„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”„De vrede is een verterend geluk.”„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge weet wat ik zeggen wil?”„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”„Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid.”„Helaas!”„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”„Dat is gemakkelijk gezegd.”„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar.”„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij beurtelings lachend en lyrisch.„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollenstam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van Pissevache is.”In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier parend.„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:„De Charte in een vlam herschapen!”Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschenentrain, wat de Engelschenhumornoemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk gebulder.Vijfde hoofdstuk.Uitbreiding van den gezichteinder.Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide,plotselingmet deze dagteekening:„18 Juni 1815. Waterloo.”Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleuwas op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is.Quia nominor leo.”Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op deudrukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts,artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher zijn?”„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. Dekamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:Si César m’avait donnéLa gloire et la guerre,Et qu’il me fallût quitterL’amour de ma mêre.Je dirais au grand César:Reprends ton sceptre et ton char,J’aime mieux ma mêre, o gué’J’aime mieux ma mêre.1De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.Zesde hoofdstuk.Res Augusta.Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij namzich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”„Ja.”„Maar ik heb geld noodig!”„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.„Wat zult ge doen?”„Ik weet het niet.”„Hebt ge geld?”„Vijftien francs.”„Wil ik u leenen?”„Neen.”„Hebt ge kleederen?”„Deze.”„Hebt ge kostbaarheden?”„Een horloge.”„Een zilveren?”„Een gouden, zie.”„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”„Goed.”„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”„En mijn laarzen.”„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”„Genoeg!”„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”„Goed.”„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”„Verstaat ge Engelsch?”„Neen.”„Verstaat ge Duitsch?”„Neen.”„Des te erger.”„Waarom?”„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”„En intusschen?”„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam,vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.
Eerste hoofdstuk.Een groep, die bijna tot de historie had behoord.In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekererevolutionairehuivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogstrevolutionairverschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeienvan den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Hetabaissé(A. B. C. klinkt alsabaisséen beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan hetCastratus ad castradat van Narsés een veldheer maakte; hetBarbari et Barberini; hetFueros y Fuegos; hetTu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, hetCafé Musaingenaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds derevolutionaireapokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, opal dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker.HomoenVir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards,Hombre(man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in deFranschedictionnaire de l’ académieaan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van denMoniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling,aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in decamera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldelooszijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg,namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen.Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd enne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebbengeen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!Courfeyrac had een vader, dien men mijnheerdeCourfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat hetdevolstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd vanla Minervewaardeerde dat armedezoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaatquasi cuisoresvan de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.„Een postkantoor, sire.”„Hoe heet ge?”„L’Aigle.”De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naamLesgle.Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.1Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneindenaar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hijpoogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig:J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, diegeschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordjeengeschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.
Eerste hoofdstuk.Een groep, die bijna tot de historie had behoord.
In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekererevolutionairehuivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogstrevolutionairverschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeienvan den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Hetabaissé(A. B. C. klinkt alsabaisséen beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan hetCastratus ad castradat van Narsés een veldheer maakte; hetBarbari et Barberini; hetFueros y Fuegos; hetTu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, hetCafé Musaingenaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds derevolutionaireapokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, opal dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker.HomoenVir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards,Hombre(man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in deFranschedictionnaire de l’ académieaan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van denMoniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling,aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in decamera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldelooszijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg,namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen.Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd enne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebbengeen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!Courfeyrac had een vader, dien men mijnheerdeCourfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat hetdevolstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd vanla Minervewaardeerde dat armedezoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaatquasi cuisoresvan de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.„Een postkantoor, sire.”„Hoe heet ge?”„L’Aigle.”De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naamLesgle.Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.1Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneindenaar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hijpoogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig:J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, diegeschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordjeengeschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”
In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekererevolutionairehuivering door ’t land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen democraten.
’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het Bonapartisch liberalisme.
Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.
De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht en gluipend was. Een hoogstrevolutionairverschijnsel. De nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks samen. Het broeienvan den opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.
Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.
Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen ten doel had.
Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Hetabaissé(A. B. C. klinkt alsabaisséen beteekent „vernederd”) was het volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan hetCastratus ad castradat van Narsés een veldheer maakte; hetBarbari et Barberini; hetFueros y Fuegos; hetTu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.
De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis op het plein St. Michel, hetCafé Musaingenaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, het tweede voor de studenten.
De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om hen op het spoor te komen.
Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en Grantaire.
Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.
Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van een treurig voorval wegzinken ziet.
Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.
Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in het vorig leven reeds derevolutionaireapokalypse was doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden ziende, opal dat ochtendrood belust ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.
Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was mannelijker, Combeferre menschelijker.HomoenVir, mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de Spanjaards,Hombre(man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in deFranschedictionnaire de l’ académieaan, bestudeerde Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van denMoniteur, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en zedelijke ontwikkeling,aan de uitbreiding der wetenschap, aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in decamera obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „Het goede moet schuldelooszijn,” herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.
Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.
Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg,namelijk zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen.Er is geen krachtiger welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd enne varietur, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebbengeen toekomst. Men kan het merk eener natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!
Courfeyrac had een vader, dien men mijnheerdeCourfeyrac noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet dat hetdevolstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den tijd vanla Minervewaardeerde dat armedezoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.
Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.
Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.
De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van geestigheid over; zij gaatquasi cuisoresvan de eene in de andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.
Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.
Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.
Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets liever dan oproer of’t moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn leuze was: „nooit advocaat!” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, ’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij „een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: „een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.
Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; daarom hebben zij verstand.
Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.
Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te voorschijn zouden treden.
In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.
„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.
„Een postkantoor, sire.”
„Hoe heet ge?”
„L’Aigle.”
De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van het request en zag den naamLesgle.
Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.1
Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.
Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. ’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: „Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” noemde.
Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf louisd’or; trek mijn laarzen uit.”
Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger dan Bossuet.
Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het voeteneindenaar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.
Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.
Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.
Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.
Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.
Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: „Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik wilde!” en hijpoogde zijn vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.
Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig:J’aimons les filles et j’aimons le bon vin; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)
Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; ’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn menschen, diegeschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het voegwoordjeengeschreven; hun leven behoort hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.
Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.
Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd hij verdragen.
Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.
Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai marmer!”
1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.
1L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te Meaux was.
Tweede hoofdstuk.Lijkrede van Bossuet op Blondeau.Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen,dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters:Marius Pontmercystond.Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:„Mijnheer Marius Pontmercy!”De aangeroepen cabriolet hield stil.De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.„Nu?” zeide hij.„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”„Ja gewis.”„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”„’t Is mogelijk.”„’t Is zeker.”„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven:zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”„Mijnheer,” zei Marius.„Maarikben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.„Ik begrijp u niet,” zei Marius.L’aigle hernam:„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als gePontmercyzijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik:Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”„Ik ben wanhopig...”Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden.Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”„In deze cabriolet,” zei Marius.„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.Marius glimlachte treurig en zeide:„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
Tweede hoofdstuk.Lijkrede van Bossuet op Blondeau.
Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen,dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters:Marius Pontmercystond.Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:„Mijnheer Marius Pontmercy!”De aangeroepen cabriolet hield stil.De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.„Nu?” zeide hij.„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”„Ja gewis.”„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”„’t Is mogelijk.”„’t Is zeker.”„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven:zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”„Mijnheer,” zei Marius.„Maarikben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.„Ik begrijp u niet,” zei Marius.L’aigle hernam:„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als gePontmercyzijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik:Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”„Ik ben wanhopig...”Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden.Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”„In deze cabriolet,” zei Marius.„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.Marius glimlachte treurig en zeide:„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de „arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.
Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een voertuig met twee wielen,dat stapvoets en besluiteloos over het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De arend lette er op.
Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters:Marius Pontmercystond.
Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en riep den jongeling in de cabriolet toe:
„Mijnheer Marius Pontmercy!”
De aangeroepen cabriolet hield stil.
De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.
„Nu?” zeide hij.
„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”
„Ja gewis.”
„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.
„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u niet.”
„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.
Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:
„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”
„’t Is mogelijk.”
„’t Is zeker.”
„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.
„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!”
Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:
„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij mij zelven:zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”
„Mijnheer,” zei Marius.
„Maarikben wèl geschrapt,” voegde de arend van Meaux er bij.
„Ik begrijp u niet,” zei Marius.
L’aigle hernam:
„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”
„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie naam.”
„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als gePontmercyzijt, kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij.”
„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk leed!”
„Vóór alles,” hernam L’aigle, „zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik:Erudimini qui judicatis terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van ’t appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt heeft.”
„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.
„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”
„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”
„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil geschrapt worde.”
„Ik ben wanhopig...”
Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.
„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te worden.Die schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?”
„In deze cabriolet,” zei Marius.
„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van 9000 francs per jaar.”
Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.
Marius glimlachte treurig en zeide:
„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!”
„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.
„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, „maar ik heb zelf geen woning?”
„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.
„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u L’aigle hebt genoemd.”
„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, „bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en zei:
„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”
Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
Derde hoofdstuk.Marius is verbaasd.In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.„Wat zijt ge?”„Democraat-Bonapartist.”„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillendemeeningentrachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn.Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogeltenaast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”En Enjolras duwde Courfeyrac toe:„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeideBuonaparte.Marius was wel eenigszins verbaasd.Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.
Derde hoofdstuk.Marius is verbaasd.
In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.„Wat zijt ge?”„Democraat-Bonapartist.”„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillendemeeningentrachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn.Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogeltenaast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”En Enjolras duwde Courfeyrac toe:„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeideBuonaparte.Marius was wel eenigszins verbaasd.Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.
In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.
Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:
„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”
„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.
„Wat zijt ge?”
„Democraat-Bonapartist.”
„De grijze kleur van de geruste muis,” zei Courfeyrac.
Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: „Een leerling.”
Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.
Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillendemeeningentrachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.
Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog beschroomden geest hinderde.
Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:
„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn.Smartekreten, die ons doen lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogeltenaast den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet tegenover de tragedie der ouden zou staan.”
Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm en zeide:
„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”
En Enjolras duwde Courfeyrac toe:
„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan.”
Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras zeideBuonaparte.
Marius was wel eenigszins verbaasd.Initium Sapientiæ—het begin der wijsheid.
Vierde hoofdstuk.De achterkamer van het koffiehuis Musain.Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok in zijn geest teweeg.Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep om van en naar haar arbeid te gaan.Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is een gymnasticus,een bokser is een kampvechter of worstelaar, een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou zij deduivelhekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, dieCesar vermoordde, was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica.Si volet usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo ge het zijntime is money(tijd is geld) ontneemt? Wat van Amerika zoo ge het zijncotton is king(de katoen is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij bewonderdeChina ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, teStockholmde meeste brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heetenbibinesen de vermaardste zijnla Casserolle(braadpan), en deAbbatoir(slachtplaats). Dus, kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij ’t Louison, goeden avond.”Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de vatenwaschster beet nam.Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig;de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!”„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, hypotheken......”„Echos, nymphes plaintives!” neuriede Grantaire er tusschen.In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp vanzelf.”„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”„Mijnheer Dorimon.”„Rentenier?”„Zeker.”„Zijn dochter Célestine.”„...tine. Verder?”„Kolonel Sainval.”„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, met welk een tegenstander hij te doen had.„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook.”In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en spraken over liefdezaken.„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een liefje, dat altijd lacht.”„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. „De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij twist nooit met elkander?”„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”„De vrede is een verterend geluk.”„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge weet wat ik zeggen wil?”„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”„Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid.”„Helaas!”„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”„Dat is gemakkelijk gezegd.”„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar.”„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij beurtelings lachend en lyrisch.„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollenstam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van Pissevache is.”In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier parend.„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:„De Charte in een vlam herschapen!”Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschenentrain, wat de Engelschenhumornoemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk gebulder.
Vierde hoofdstuk.De achterkamer van het koffiehuis Musain.
Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok in zijn geest teweeg.Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep om van en naar haar arbeid te gaan.Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is een gymnasticus,een bokser is een kampvechter of worstelaar, een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou zij deduivelhekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, dieCesar vermoordde, was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica.Si volet usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo ge het zijntime is money(tijd is geld) ontneemt? Wat van Amerika zoo ge het zijncotton is king(de katoen is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij bewonderdeChina ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, teStockholmde meeste brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heetenbibinesen de vermaardste zijnla Casserolle(braadpan), en deAbbatoir(slachtplaats). Dus, kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij ’t Louison, goeden avond.”Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de vatenwaschster beet nam.Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig;de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!”„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, hypotheken......”„Echos, nymphes plaintives!” neuriede Grantaire er tusschen.In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp vanzelf.”„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”„Mijnheer Dorimon.”„Rentenier?”„Zeker.”„Zijn dochter Célestine.”„...tine. Verder?”„Kolonel Sainval.”„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, met welk een tegenstander hij te doen had.„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook.”In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en spraken over liefdezaken.„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een liefje, dat altijd lacht.”„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. „De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij twist nooit met elkander?”„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”„De vrede is een verterend geluk.”„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge weet wat ik zeggen wil?”„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”„Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid.”„Helaas!”„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”„Dat is gemakkelijk gezegd.”„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar.”„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij beurtelings lachend en lyrisch.„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollenstam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van Pissevache is.”In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier parend.„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:„De Charte in een vlam herschapen!”Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschenentrain, wat de Engelschenhumornoemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk gebulder.
Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok in zijn geest teweeg.
Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.
Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep om van en naar haar arbeid te gaan.
Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:
„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.
„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is een gymnasticus,een bokser is een kampvechter of worstelaar, een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou zij deduivelhekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.
„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, dieCesar vermoordde, was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica.Si volet usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo ge het zijntime is money(tijd is geld) ontneemt? Wat van Amerika zoo ge het zijncotton is king(de katoen is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij bewonderdeChina ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, teStockholmde meeste brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heetenbibinesen de vermaardste zijnla Casserolle(braadpan), en deAbbatoir(slachtplaats). Dus, kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij ’t Louison, goeden avond.”
Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de vatenwaschster beet nam.
Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:
„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig;de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!”
„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:
„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, hypotheken......”
„Echos, nymphes plaintives!” neuriede Grantaire er tusschen.
In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.
„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp vanzelf.”
„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”
„Mijnheer Dorimon.”
„Rentenier?”
„Zeker.”
„Zijn dochter Célestine.”
„...tine. Verder?”
„Kolonel Sainval.”
„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”
Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, met welk een tegenstander hij te doen had.
„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook.”
In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en spraken over liefdezaken.
„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een liefje, dat altijd lacht.”
„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. „De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”
„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij twist nooit met elkander?”
„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”
„De vrede is een verterend geluk.”
„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge weet wat ik zeggen wil?”
„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”
„Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid.”
„Helaas!”
„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”
„Dat is gemakkelijk gezegd.”
„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”
„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar.”
„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”
In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij beurtelings lachend en lyrisch.
„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollenstam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van Pissevache is.”
In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier parend.
„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”
’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:
„De Charte in een vlam herschapen!”
Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschenentrain, wat de Engelschenhumornoemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk gebulder.
Vijfde hoofdstuk.Uitbreiding van den gezichteinder.Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide,plotselingmet deze dagteekening:„18 Juni 1815. Waterloo.”Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleuwas op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is.Quia nominor leo.”Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op deudrukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts,artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher zijn?”„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. Dekamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:Si César m’avait donnéLa gloire et la guerre,Et qu’il me fallût quitterL’amour de ma mêre.Je dirais au grand César:Reprends ton sceptre et ton char,J’aime mieux ma mêre, o gué’J’aime mieux ma mêre.1De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
Vijfde hoofdstuk.Uitbreiding van den gezichteinder.
Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide,plotselingmet deze dagteekening:„18 Juni 1815. Waterloo.”Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleuwas op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is.Quia nominor leo.”Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op deudrukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts,artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher zijn?”„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. Dekamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:Si César m’avait donnéLa gloire et la guerre,Et qu’il me fallût quitterL’amour de ma mêre.Je dirais au grand César:Reprends ton sceptre et ton char,J’aime mieux ma mêre, o gué’J’aime mieux ma mêre.1De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”
Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.
Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen schermden.
Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide,plotselingmet deze dagteekening:
„18 Juni 1815. Waterloo.”
Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag het gezelschap met strakken blik.
„Pardieu!” riep Courfeyrac (Parbleuwas op dat tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. ’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den voet wordt gevolgd.”
Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot Courfeyrac.
„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”
Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.
Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland zag; hierop legde hij den vinger en sprak:
„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt.”
’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.
Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het echter.
Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:
„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is.Quia nominor leo.”
Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van zijn hart ontstond.
„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u Buonaparte zeggen en op deudrukken evenals de koningsgezinden. Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts,artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den oorlog!”
Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende geestdrift voort:
„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher zijn?”
„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.
Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren hem gevolgd. Dekamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. ’t Was Combeferre, die zong:
Si César m’avait donnéLa gloire et la guerre,Et qu’il me fallût quitterL’amour de ma mêre.Je dirais au grand César:Reprends ton sceptre et ton char,J’aime mieux ma mêre, o gué’J’aime mieux ma mêre.1
Si César m’avait donné
La gloire et la guerre,
Et qu’il me fallût quitter
L’amour de ma mêre.
Je dirais au grand César:
Reprends ton sceptre et ton char,
J’aime mieux ma mêre, o gué’
J’aime mieux ma mêre.1
De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...
Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.
„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is de republiek.”
1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
1Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
Zesde hoofdstuk.Res Augusta.Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij namzich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”„Ja.”„Maar ik heb geld noodig!”„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.„Wat zult ge doen?”„Ik weet het niet.”„Hebt ge geld?”„Vijftien francs.”„Wil ik u leenen?”„Neen.”„Hebt ge kleederen?”„Deze.”„Hebt ge kostbaarheden?”„Een horloge.”„Een zilveren?”„Een gouden, zie.”„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”„Goed.”„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”„En mijn laarzen.”„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”„Genoeg!”„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”„Goed.”„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”„Verstaat ge Engelsch?”„Neen.”„Verstaat ge Duitsch?”„Neen.”„Des te erger.”„Waarom?”„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”„En intusschen?”„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam,vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.
Zesde hoofdstuk.Res Augusta.
Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij namzich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”„Ja.”„Maar ik heb geld noodig!”„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.„Wat zult ge doen?”„Ik weet het niet.”„Hebt ge geld?”„Vijftien francs.”„Wil ik u leenen?”„Neen.”„Hebt ge kleederen?”„Deze.”„Hebt ge kostbaarheden?”„Een horloge.”„Een zilveren?”„Een gouden, zie.”„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”„Goed.”„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”„En mijn laarzen.”„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”„Genoeg!”„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”„Goed.”„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”„Verstaat ge Engelsch?”„Neen.”„Verstaat ge Duitsch?”„Neen.”„Des te erger.”„Waarom?”„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”„En intusschen?”„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam,vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.
Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.
Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest hij die nu reeds weder verwerpen? Hij namzich voor het niet te doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.
In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.
Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen en zeide:
„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”
„Ja.”
„Maar ik heb geld noodig!”
„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei Marius.
Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en alleen op de wereld was.
„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.
„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.
„Wat zult ge doen?”
„Ik weet het niet.”
„Hebt ge geld?”
„Vijftien francs.”
„Wil ik u leenen?”
„Neen.”
„Hebt ge kleederen?”
„Deze.”
„Hebt ge kostbaarheden?”
„Een horloge.”
„Een zilveren?”
„Een gouden, zie.”
„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen.”
„Goed.”
„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over.”
„En mijn laarzen.”
„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!”
„Genoeg!”
„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen.”
„Goed.”
„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”
„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk zij.”
„Verstaat ge Engelsch?”
„Neen.”
„Verstaat ge Duitsch?”
„Neen.”
„Des te erger.”
„Waarom?”
„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch van leven.”
„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”
„En intusschen?”
„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven.”
Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge veertig francs.
„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit.”
„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac op.
„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.
De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij bedroeg zeventig francs.
„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.
„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”
Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in geslaagd Marius’ verblijf te vinden.
Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam,vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld doosje.
Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij nog drie francs over.
Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!
Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden te komen.