Boek V.

Boek V.Het nut des ongeluks.Eerste hoofdstuk.Marius behoeftig.Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, dearmoede,—het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervandoor een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”Tweede hoofdstuk.Marius is arm.’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men erbrood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ookvijftigfrancs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij.Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voorhem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardierte zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.Derde hoofdstuk.Marius groot geworden.Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderdzijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen dieslecht jegens zijn vader was geweest.—’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nogslechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheidte zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.Vierde hoofdstuk.De heer Mabeuf.Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken deEumenidennoemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreepisttot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij wasbouquinist(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelderoem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zeldenFlorasverkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.Hij nam zijnFlora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchusdes avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:„Wij hebben de indigo!”Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”1Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren warenreeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.1La belle bouda et le dragon.Hierop slaat Bouddha en draak.Vijfde hoofdstuk.Armoede is een goed gebuur voor ellende.Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van hetLuxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt eralleen: onberispelijkheid—van geweten?—neen, van laarzen.”Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.„Waarom?” vroeg hij.„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”„Hoeveel bedraagt de som?”„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”Zesde hoofdstuk.De plaatsvervanger.Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, deQuotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon—want het gold haar gunsteling—zeide:„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”„Welke Theodule?”„Uw achterneef.”„Zoo,” zei de grootvader.Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren:dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren.Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”En zacht tot den luitenant:„Geef hem maar altijd gelijk.”Toen verwijderde zij zich.De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, dienauwelijksde min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”„’t Is waar,” zei Theodule.De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goedFranschzijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.De heer Gillenormand hernam:„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs deDrapeau blanc! Martainville wasinden grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”„Dat is duidelijk,” zei Theodule.En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:„Er moest geen ander blad dan deMoniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”De heer Gillenormand voer voort:„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekenddan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:„Gij zijt een ezel!”

Boek V.Het nut des ongeluks.Eerste hoofdstuk.Marius behoeftig.Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, dearmoede,—het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervandoor een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”Tweede hoofdstuk.Marius is arm.’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men erbrood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ookvijftigfrancs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij.Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voorhem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardierte zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.Derde hoofdstuk.Marius groot geworden.Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderdzijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen dieslecht jegens zijn vader was geweest.—’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nogslechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheidte zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.Vierde hoofdstuk.De heer Mabeuf.Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken deEumenidennoemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreepisttot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij wasbouquinist(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelderoem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zeldenFlorasverkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.Hij nam zijnFlora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchusdes avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:„Wij hebben de indigo!”Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”1Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren warenreeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.1La belle bouda et le dragon.Hierop slaat Bouddha en draak.Vijfde hoofdstuk.Armoede is een goed gebuur voor ellende.Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van hetLuxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt eralleen: onberispelijkheid—van geweten?—neen, van laarzen.”Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.„Waarom?” vroeg hij.„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”„Hoeveel bedraagt de som?”„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”Zesde hoofdstuk.De plaatsvervanger.Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, deQuotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon—want het gold haar gunsteling—zeide:„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”„Welke Theodule?”„Uw achterneef.”„Zoo,” zei de grootvader.Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren:dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren.Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”En zacht tot den luitenant:„Geef hem maar altijd gelijk.”Toen verwijderde zij zich.De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, dienauwelijksde min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”„’t Is waar,” zei Theodule.De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goedFranschzijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.De heer Gillenormand hernam:„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs deDrapeau blanc! Martainville wasinden grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”„Dat is duidelijk,” zei Theodule.En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:„Er moest geen ander blad dan deMoniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”De heer Gillenormand voer voort:„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekenddan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:„Gij zijt een ezel!”

Eerste hoofdstuk.Marius behoeftig.Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, dearmoede,—het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervandoor een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”

Eerste hoofdstuk.Marius behoeftig.

Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, dearmoede,—het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervandoor een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”

Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.

Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. ’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de verlatenheid, dearmoede,—het zijn slagvelden, die hun helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.

Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.

Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf braadde, leefde hij drie dagen.

Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens terug, zeggende dat hij niets behoefde.

Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in de tint des nachts.

In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.

Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervandoor een koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn.”

Tweede hoofdstuk.Marius is arm.’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men erbrood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ookvijftigfrancs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij.Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voorhem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardierte zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.

Tweede hoofdstuk.Marius is arm.

’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men erbrood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ookvijftigfrancs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij.Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voorhem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardierte zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.

’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had ingericht.

Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs ’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen ’t uitleggen.

Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; voor drie sous had men erbrood zooveel men wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.

Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem „den waterigen Rousseau.”

Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed vijftig en zijn wasch ookvijftigfrancs, zoodat alles te zamen geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, zeer vereenvoudigd.

Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.

Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der slavernij.Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voorhem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.

In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, die haar kooi draagt.

Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. ’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardierte zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste droom.

Derde hoofdstuk.Marius groot geworden.Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderdzijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen dieslecht jegens zijn vader was geweest.—’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nogslechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheidte zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.

Derde hoofdstuk.Marius groot geworden.

Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderdzijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen dieslecht jegens zijn vader was geweest.—’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nogslechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheidte zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.

Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.

Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.

Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede genaderdzijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”

Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.

Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar.”

Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen dieslecht jegens zijn vader was geweest.—’t Was nu de verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: „hij zal dit waardig zijn.” Woorden, die Marius voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.

Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nogslechts een knaap nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.

Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheidte zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.

Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.

’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.

Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.

Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang veranderde; ’t was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.

Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.

Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar gelicht,” zeide hij.

Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.

De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet de persoon geweest.

De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.

Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden nopens hem niet onnoodig.

Vierde hoofdstuk.De heer Mabeuf.Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken deEumenidennoemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreepisttot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij wasbouquinist(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelderoem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zeldenFlorasverkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.Hij nam zijnFlora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchusdes avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:„Wij hebben de indigo!”Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”1Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren warenreeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.1La belle bouda et le dragon.Hierop slaat Bouddha en draak.

Vierde hoofdstuk.De heer Mabeuf.

Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken deEumenidennoemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreepisttot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij wasbouquinist(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelderoem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zeldenFlorasverkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.Hij nam zijnFlora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchusdes avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:„Wij hebben de indigo!”Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”1Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren warenreeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.

Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: „zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken deEumenidennoemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreepisttot uitgang, zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij wasbouquinist(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.

Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.

Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.

Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een gezicht als een oud schaap.

Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelderoem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.

Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding zijner bloemen.

Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden zeldenFlorasverkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.

Hij nam zijnFlora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchusdes avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:

„Wij hebben de indigo!”

Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem vrij onaangenaam was.

Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien bij het spel onverschillig toe!

Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.

De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.

Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.

Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van een dragonderofficier en een schoone.

„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”1

Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.

„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, ’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren warenreeds door dat monster verbrand, dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”

En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.

1La belle bouda et le dragon.Hierop slaat Bouddha en draak.

1La belle bouda et le dragon.Hierop slaat Bouddha en draak.

Vijfde hoofdstuk.Armoede is een goed gebuur voor ellende.Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van hetLuxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt eralleen: onberispelijkheid—van geweten?—neen, van laarzen.”Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.„Waarom?” vroeg hij.„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”„Hoeveel bedraagt de som?”„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”

Vijfde hoofdstuk.Armoede is een goed gebuur voor ellende.

Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van hetLuxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt eralleen: onberispelijkheid—van geweten?—neen, van laarzen.”Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.„Waarom?” vroeg hij.„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”„Hoeveel bedraagt de som?”„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”

Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in de maand.

Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen van hetLuxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die zich aan zijn gedachten overgaf.

Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.

Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.

Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:

„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt eralleen: onberispelijkheid—van geweten?—neen, van laarzen.”

Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en nietig voor.

Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men in den put der waarheid zien kan.

Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar ’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.

In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.

„Waarom?” vroeg hij.

„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen schuldig.”

„Hoeveel bedraagt de som?”

„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.

„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”

Zesde hoofdstuk.De plaatsvervanger.Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, deQuotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon—want het gold haar gunsteling—zeide:„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”„Welke Theodule?”„Uw achterneef.”„Zoo,” zei de grootvader.Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren:dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren.Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”En zacht tot den luitenant:„Geef hem maar altijd gelijk.”Toen verwijderde zij zich.De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, dienauwelijksde min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”„’t Is waar,” zei Theodule.De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goedFranschzijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.De heer Gillenormand hernam:„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs deDrapeau blanc! Martainville wasinden grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”„Dat is duidelijk,” zei Theodule.En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:„Er moest geen ander blad dan deMoniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”De heer Gillenormand voer voort:„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekenddan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:„Gij zijt een ezel!”

Zesde hoofdstuk.De plaatsvervanger.

Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, deQuotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon—want het gold haar gunsteling—zeide:„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”„Welke Theodule?”„Uw achterneef.”„Zoo,” zei de grootvader.Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren:dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren.Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”En zacht tot den luitenant:„Geef hem maar altijd gelijk.”Toen verwijderde zij zich.De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, dienauwelijksde min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”„’t Is waar,” zei Theodule.De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goedFranschzijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.De heer Gillenormand hernam:„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs deDrapeau blanc! Martainville wasinden grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”„Dat is duidelijk,” zei Theodule.En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:„Er moest geen ander blad dan deMoniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”De heer Gillenormand voer voort:„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekenddan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:„Gij zijt een ezel!”

Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te stellen.

’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen ’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.

Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat neemt men een lansier.

Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen van een blad, deQuotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den vleiendsten toon—want het gold haar gunsteling—zeide:

„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen.”

„Welke Theodule?”

„Uw achterneef.”

„Zoo,” zei de grootvader.

Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van den dag waren:dat de studenten in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren.Het gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de „burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten „raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer Gillenormand op te winden.

Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan „delibereeren.”

Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden.”

Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, uw neef.”

En zacht tot den luitenant:

„Geef hem maar altijd gelijk.”

Toen verwijderde zij zich.

De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette werktuiglijk half als militair, half als burger.

„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.

Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in zijn oude vingers.

„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het Pantheon! knapen, dienauwelijksde min ontloopen zijn! Zoo men hun in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”

„’t Is waar,” zei Theodule.

De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging voort:

„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. ’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goedFranschzijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”

„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.

De heer Gillenormand hernam:

„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! ’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. ’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs deDrapeau blanc! Martainville wasinden grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben gebracht!”

„Dat is duidelijk,” zei Theodule.

En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:

„Er moest geen ander blad dan deMoniteur, en geen ander boek dan de militaire almanak zijn.”

De heer Gillenormand voer voort:

„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekenddan met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!”

„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk en waar!”

De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:

„Gij zijt een ezel!”


Back to IndexNext