Boek VI.

Boek VI.De conjunctie van twee sterren.Eerste hoofdstuk.Hoe familienamen ontstaan.Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig tezijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.Tweede hoofdstuk.En ’t werd licht.In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, enhad sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven omzich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.De man was dezelfde gebleven.Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.Derde hoofdstuk.Werking der lente.Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor denatuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.Vierde hoofdstuk.Begin eener zware ziekte.Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast,kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goedfiguur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie vanGil-Blasheeft geplaatst.Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in,om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.Vijfde hoofdstuk.Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen.Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!Marius ging naar het Luxemburg.De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.Zesde hoofdstuk.Gevangen gemaakt.In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten,peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu komik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac:„Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”Hij was smoorlijk verliefd.Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac:„Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.”Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in deAuberge des Adretste zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken enleemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.Een blik had dat alles bewerkt.Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.Zevende hoofdstuk.Gissingen nopens de letter U.De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters warenhet eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.„O! onschuld!” zei Marius.Achtste hoofdstuk.Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?Dit was „hun eerste twist.”Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.Negende hoofdstuk.Eclips.Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ookweinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.„Aan de straat?” vroeg hij.„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.„En wat doet deze heer?” hernam Marius.„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”„Hoe heet hij?” vroeg Marius.De portier richtte het hoofd op en zeide:„Is mijnheer een stille verklikker?”Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijndochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.Treurig verwijderde hij zich.Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:„De heer der derde verdieping?”„Verhuisd,” antwoordde de portier.Marius wankelde en zeide stamelend:„Sinds wanneer?”„Sinds gisteren.”„Waar woont hij nu?”„Ik weet er niets van.”„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”„Neen.”De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”Boek VII.Patron-Minette.Eerste hoofdstuk.De mijnen en de mijnwerkers.De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert;een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.Het oog van den nacht is het andere teeken.Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden.Inferi.Deze grenst aan den afgrond.Tweede hoofdstuk.De diepte.Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Hetikzonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarendniet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, isalles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.Derde hoofdstuk.Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.”(Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarinhij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in denMessagergelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen,de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.Vierde hoofdstuk.Samenstelling der bende.Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangerscoups d’étatsvan den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.Patron-Minettewas de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekentPatron-Minetteochtend, zooalsentre chien et loupavond beteekent. De naamPatron-Minettekwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.Laveuve.Finistère.Homère-Hogu, een neger.Mardisoir.Dépêche.Fauntleroy, genaamd Bouquetière.Glorieux, een ontslagen galeislaaf.Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.Lesplanade-du-Sud.Poussagrive.Carmagnolet.Kruideniers, genaamd Bizarro.Mangedentelle.Les-pieds-en-l’air.Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen:Ambubaïarumcollegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.

Boek VI.De conjunctie van twee sterren.Eerste hoofdstuk.Hoe familienamen ontstaan.Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig tezijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.Tweede hoofdstuk.En ’t werd licht.In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, enhad sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven omzich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.De man was dezelfde gebleven.Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.Derde hoofdstuk.Werking der lente.Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor denatuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.Vierde hoofdstuk.Begin eener zware ziekte.Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast,kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goedfiguur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie vanGil-Blasheeft geplaatst.Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in,om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.Vijfde hoofdstuk.Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen.Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!Marius ging naar het Luxemburg.De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.Zesde hoofdstuk.Gevangen gemaakt.In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten,peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu komik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac:„Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”Hij was smoorlijk verliefd.Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac:„Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.”Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in deAuberge des Adretste zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken enleemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.Een blik had dat alles bewerkt.Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.Zevende hoofdstuk.Gissingen nopens de letter U.De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters warenhet eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.„O! onschuld!” zei Marius.Achtste hoofdstuk.Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?Dit was „hun eerste twist.”Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.Negende hoofdstuk.Eclips.Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ookweinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.„Aan de straat?” vroeg hij.„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.„En wat doet deze heer?” hernam Marius.„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”„Hoe heet hij?” vroeg Marius.De portier richtte het hoofd op en zeide:„Is mijnheer een stille verklikker?”Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijndochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.Treurig verwijderde hij zich.Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:„De heer der derde verdieping?”„Verhuisd,” antwoordde de portier.Marius wankelde en zeide stamelend:„Sinds wanneer?”„Sinds gisteren.”„Waar woont hij nu?”„Ik weet er niets van.”„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”„Neen.”De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”

Eerste hoofdstuk.Hoe familienamen ontstaan.Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig tezijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

Eerste hoofdstuk.Hoe familienamen ontstaan.

Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig tezijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.

In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.

Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.

Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig tezijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.

Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer de abt!

Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en Courfeyrac op den koop toe.

Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. ’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.

Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.

De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was of zij vader en dochter waren.

Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.

Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:

Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader „mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.

Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.

Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij onbevallig.

Tweede hoofdstuk.En ’t werd licht.In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, enhad sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven omzich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.De man was dezelfde gebleven.Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.

Tweede hoofdstuk.En ’t werd licht.

In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, enhad sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven omzich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.De man was dezelfde gebleven.Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.

In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, enhad sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.

Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.

Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers vol schaduw en kuischheid.

Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.

Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.

Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven omzich met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.

Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.

Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den voorbijganger als doordrong.

De man was dezelfde gebleven.

Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling voort, en dacht aan iets anders.

Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.

De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte was.

Derde hoofdstuk.Werking der lente.Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor denatuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.

Derde hoofdstuk.Werking der lente.

Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor denatuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.

Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius had zijn gansche ziel voor denatuur geopend; hij dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.

Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?

Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.

Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.

Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling weder gesloten had.

Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die haar dan nabij is.

Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. ’t Is een maagd met den blik eener vrouw.

Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde wordt genoemd.

Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.

Vierde hoofdstuk.Begin eener zware ziekte.Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast,kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goedfiguur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie vanGil-Blasheeft geplaatst.Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in,om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

Vierde hoofdstuk.Begin eener zware ziekte.

Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast,kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goedfiguur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie vanGil-Blasheeft geplaatst.Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in,om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast,kleedde zich, trok handschoenen aan—een ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.

Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:

„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer dom voorkomen.”

Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen deed.

Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.

Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht vulde.

Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer rechtop, om een goedfiguur te maken in geval iemand hem van achteren nastaarde.

Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.

Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie vanGil-Blasheeft geplaatst.

Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.

Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.

Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn gedrag wel wonderlijk moest vinden.

Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in,om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.

Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.

Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.

Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes opgevouwen te hebben.

Vijfde hoofdstuk.Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen.Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!Marius ging naar het Luxemburg.De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.

Vijfde hoofdstuk.Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen.

Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!Marius ging naar het Luxemburg.De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.

Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.

Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten had.

Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.

Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen!

Marius ging naar het Luxemburg.

De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.

Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond weder aan.

De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.

Zesde hoofdstuk.Gevangen gemaakt.In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten,peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu komik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac:„Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”Hij was smoorlijk verliefd.Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac:„Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.”Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in deAuberge des Adretste zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken enleemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.Een blik had dat alles bewerkt.Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.

Zesde hoofdstuk.Gevangen gemaakt.

In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten,peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu komik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac:„Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”Hij was smoorlijk verliefd.Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac:„Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.”Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in deAuberge des Adretste zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken enleemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.Een blik had dat alles bewerkt.Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.

In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel ’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame ging voorbij, hem strak en met een zachten,peinzenden blik aanziende, die hem van ’t hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: Nu komik. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende oogen.

Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen waren bestoven.

Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.

Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.

Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen vinden.

Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac:„Hebt ge de courant gelezen? Welk een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!”

Hij was smoorlijk verliefd.

Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac:„Ga mede naar den schouwburg; ik zal betalen.”Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in deAuberge des Adretste zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.

Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen.”

Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de gebreken enleemten der woordenboeken en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: „’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!”

„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.

„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is ernstig!”

’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.

Een blik had dat alles bewerkt.

Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer eenvoudig. Een blik is een vonk.

’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het onbekende in.

De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.

Zevende hoofdstuk.Gissingen nopens de letter U.De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters warenhet eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.„O! onschuld!” zei Marius.

Zevende hoofdstuk.Gissingen nopens de letter U.

De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters warenhet eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.„O! onschuld!” zei Marius.

De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. De liefde kwam!

Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.

Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.

Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.

Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. „De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht „zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.

Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; deze twee letters warenhet eerste wat hij van haar bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.

U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.

„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.

Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak had laten vallen.

Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare teekenen blijken.

„O! onschuld!” zei Marius.

Achtste hoofdstuk.Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?Dit was „hun eerste twist.”Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.

Achtste hoofdstuk.Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.

Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?Dit was „hun eerste twist.”Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.

Vermits wij het woord „onschuld” hebben genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.

Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.

Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.

Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.

De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?

Dit was „hun eerste twist.”

Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen vernielen.

Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen „Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.

Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn liefde schier tot waanzin aan.

Negende hoofdstuk.Eclips.Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ookweinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.„Aan de straat?” vroeg hij.„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.„En wat doet deze heer?” hernam Marius.„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”„Hoe heet hij?” vroeg Marius.De portier richtte het hoofd op en zeide:„Is mijnheer een stille verklikker?”Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijndochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.Treurig verwijderde hij zich.Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:„De heer der derde verdieping?”„Verhuisd,” antwoordde de portier.Marius wankelde en zeide stamelend:„Sinds wanneer?”„Sinds gisteren.”„Waar woont hij nu?”„Ik weet er niets van.”„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”„Neen.”De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”

Negende hoofdstuk.Eclips.

Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ookweinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.„Aan de straat?” vroeg hij.„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.„En wat doet deze heer?” hernam Marius.„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”„Hoe heet hij?” vroeg Marius.De portier richtte het hoofd op en zeide:„Is mijnheer een stille verklikker?”Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijndochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.Treurig verwijderde hij zich.Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:„De heer der derde verdieping?”„Verhuisd,” antwoordde de portier.Marius wankelde en zeide stamelend:„Sinds wanneer?”„Sinds gisteren.”„Waar woont hij nu?”„Ik weet er niets van.”„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”„Neen.”De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”

Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.

Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ookweinig. Marius had zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.

Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”

Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.

Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.

Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.

Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den portier:

„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis is gekomen?”

„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de heer der derde verdieping.”

’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.

„Aan de straat?” vroeg hij.

„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei de portier.

„En wat doet deze heer?” hernam Marius.

„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”

„Hoe heet hij?” vroeg Marius.

De portier richtte het hoofd op en zeide:

„Is mijnheer een stille verklikker?”

Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij was iets gevorderd.

„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping woont.”

Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.

Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijndochter binnengaan, bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.

Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos wachtte Marius den geheelen dag.

Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot het licht werd uitgedaan.

Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.

Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.

Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. ’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.

Treurig verwijderde hij zich.

Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën waren dicht; alles was donker.

Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:

„De heer der derde verdieping?”

„Verhuisd,” antwoordde de portier.

Marius wankelde en zeide stamelend:

„Sinds wanneer?”

„Sinds gisteren.”

„Waar woont hij nu?”

„Ik weet er niets van.”

„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”

„Neen.”

De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: „Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een verspieder?”

Boek VII.Patron-Minette.Eerste hoofdstuk.De mijnen en de mijnwerkers.De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert;een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.Het oog van den nacht is het andere teeken.Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden.Inferi.Deze grenst aan den afgrond.Tweede hoofdstuk.De diepte.Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Hetikzonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarendniet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, isalles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.Derde hoofdstuk.Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.”(Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarinhij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in denMessagergelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen,de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.Vierde hoofdstuk.Samenstelling der bende.Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangerscoups d’étatsvan den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.Patron-Minettewas de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekentPatron-Minetteochtend, zooalsentre chien et loupavond beteekent. De naamPatron-Minettekwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.Laveuve.Finistère.Homère-Hogu, een neger.Mardisoir.Dépêche.Fauntleroy, genaamd Bouquetière.Glorieux, een ontslagen galeislaaf.Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.Lesplanade-du-Sud.Poussagrive.Carmagnolet.Kruideniers, genaamd Bizarro.Mangedentelle.Les-pieds-en-l’air.Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen:Ambubaïarumcollegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.

Eerste hoofdstuk.De mijnen en de mijnwerkers.De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert;een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.Het oog van den nacht is het andere teeken.Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden.Inferi.Deze grenst aan den afgrond.

Eerste hoofdstuk.De mijnen en de mijnwerkers.

De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert;een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.Het oog van den nacht is het andere teeken.Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden.Inferi.Deze grenst aan den afgrond.

De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche gewelven der wereld.

Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het buitenste door het binnenste verandert;een verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.

Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters wordt hier mogelijk.

De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den wijsgeer.

Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien beeld!

Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.

Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in ’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien hemelschen blik bezit.

Het oog van den nacht is het andere teeken.

Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.

Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.

Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de galerij der duisternissen, de kolder der blinden.Inferi.

Deze grenst aan den afgrond.

Tweede hoofdstuk.De diepte.Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Hetikzonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarendniet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, isalles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.

Tweede hoofdstuk.De diepte.

Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Hetikzonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarendniet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, isalles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.

Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Hetikzonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.

De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarendniet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.

Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, isalles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.

Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke diepten, te aanschouwen.

Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het kwaad.

Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping van alles ten doel.

Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn gewelf is uit onwetendheid samengesteld.

Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol—misdaad.

Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.

Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in hem het kwaad.

Derde hoofdstuk.Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.”(Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarinhij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in denMessagergelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen,de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.

Derde hoofdstuk.Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.

Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.”(Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarinhij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in denMessagergelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen,de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.

Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.

Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.

De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: „Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van de gelegenheid.”(Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarinhij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in denMessagergelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!”

Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” zooals hij zich uitdrukte.

Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen uit de aarde.

Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, vrouwenheupen,de borst van een pruisisch officier, door al de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was deze moordenaarpronker.

Vierde hoofdstuk.Samenstelling der bende.Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangerscoups d’étatsvan den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.Patron-Minettewas de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekentPatron-Minetteochtend, zooalsentre chien et loupavond beteekent. De naamPatron-Minettekwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.Laveuve.Finistère.Homère-Hogu, een neger.Mardisoir.Dépêche.Fauntleroy, genaamd Bouquetière.Glorieux, een ontslagen galeislaaf.Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.Lesplanade-du-Sud.Poussagrive.Carmagnolet.Kruideniers, genaamd Bizarro.Mangedentelle.Les-pieds-en-l’air.Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen:Ambubaïarumcollegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.

Vierde hoofdstuk.Samenstelling der bende.

Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangerscoups d’étatsvan den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.Patron-Minettewas de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekentPatron-Minetteochtend, zooalsentre chien et loupavond beteekent. De naamPatron-Minettekwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.Laveuve.Finistère.Homère-Hogu, een neger.Mardisoir.Dépêche.Fauntleroy, genaamd Bouquetière.Glorieux, een ontslagen galeislaaf.Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.Lesplanade-du-Sud.Poussagrive.Carmagnolet.Kruideniers, genaamd Bizarro.Mangedentelle.Les-pieds-en-l’air.Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen:Ambubaïarumcollegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.

Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.

Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.

Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de voorbijgangerscoups d’étatsvan den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.

Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en regelden het gebruik daarvan.

Patron-Minettewas de naam, die aan het onderaardsche genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekentPatron-Minetteochtend, zooalsentre chien et loupavond beteekent. De naamPatron-Minettekwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: „’t Is misschien Patron-Minette.”

Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.

Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.

Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord zullen zeggen).

Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.

Laveuve.

Finistère.

Homère-Hogu, een neger.

Mardisoir.

Dépêche.

Fauntleroy, genaamd Bouquetière.

Glorieux, een ontslagen galeislaaf.

Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.

Lesplanade-du-Sud.

Poussagrive.

Carmagnolet.

Kruideniers, genaamd Bizarro.

Mangedentelle.

Les-pieds-en-l’air.

Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.

Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van den ondergrond der beschaving.

Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen in den grond.

Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd bestaan. Horatius spreekt van hen:Ambubaïarumcollegia, pharmacopolæ, mendici, mimœ; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde lichamen niet meer.

Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.

Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een gedrochtelijk leven te voeren.

Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste rangen der maatschappij.


Back to IndexNext