Boek VIII.De slechte arme.Eerste hoofdstuk.Marius zoekt een meisje met een hoed en ontmoet een man met een pet.De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.Tweede hoofdstuk.Een vond.Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen anderebewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:Qu’il luise ou qu’il luiserne,L’ours rentre en sa caverne.1Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevardachter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”1Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.Derde hoofdstuk.Vier brieven.Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.Hij opende het omslag.Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.Er stonden adressen op.Alle vier roken vreeselijk naar tabak.Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No....”Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:„Mevrouw de markiezin,„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,Mevrouw,„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:„Mevrouw de gravin.„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied„VrouwBalizard.”Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.Genflot, letterkundige.”P. S. „Al is ’t maar twee francs.”„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.„Weldadig man,„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,„Wezenlijk grootmoedig man,„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,„P. Fabantou, dramatisch artist.”Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden.Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.Men klopte nogmaals zeer zacht.„Binnen,” zei Marius.De deur werd geopend.„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:„Vergeving, mijnheer...”’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.Vierde hoofdstuk.Een roos in ellende.Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en eenrok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.„Wat begeert ge?” vroeg hij.Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig isJondrette.”P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij dooreen en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.Marius dacht, en liet haar begaan.Zij naderde de tafel.„Ha, zeide zij, boeken!”Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:„Ik kan lezen.”Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijfbataljonszijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen...”Zij brak ’t lezen af, met de woorden:„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was eenfameuzeslag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:„Ik kan ook schrijven!”Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”Toen hernam zij, de pen wegwerpende:„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:„Och, kom!”En op een vroolijke wijs zong zij:J’ai faim, mon père.Pas de fricot.J’ai froid, ma mère.Pas de tricot.Grelotte,Lolotte!Sanglote,Jacquot.Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid vanAusterlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.Marius was een weinig achteruit gegaan.„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.Zij klapte in haar handen en riep:„Wij hebben ’t overal gezocht.”Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”En wederom lachende, voegde zij er bij:„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”Zij zag hem verwilderd aan.Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.Zij nam het geld.„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”Toen verdween zij.Vijfde hoofdstuk.Het spiegat.Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellendeder armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, sprekenen hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.Zesde hoofdstuk.De wilde mensch in zijn hol.De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggenleelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggenschoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.Wat Marius zag was zulk een hol.Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond:de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:MarengoAusterlitsJenaWagrammeElotOnder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters:Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legtze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:„Ik zou de wereld willen verslinden!”Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zagde menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.
Boek VIII.De slechte arme.Eerste hoofdstuk.Marius zoekt een meisje met een hoed en ontmoet een man met een pet.De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.Tweede hoofdstuk.Een vond.Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen anderebewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:Qu’il luise ou qu’il luiserne,L’ours rentre en sa caverne.1Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevardachter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”1Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.Derde hoofdstuk.Vier brieven.Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.Hij opende het omslag.Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.Er stonden adressen op.Alle vier roken vreeselijk naar tabak.Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No....”Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:„Mevrouw de markiezin,„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,Mevrouw,„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:„Mevrouw de gravin.„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied„VrouwBalizard.”Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.Genflot, letterkundige.”P. S. „Al is ’t maar twee francs.”„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.„Weldadig man,„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,„Wezenlijk grootmoedig man,„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,„P. Fabantou, dramatisch artist.”Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden.Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.Men klopte nogmaals zeer zacht.„Binnen,” zei Marius.De deur werd geopend.„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:„Vergeving, mijnheer...”’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.Vierde hoofdstuk.Een roos in ellende.Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en eenrok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.„Wat begeert ge?” vroeg hij.Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig isJondrette.”P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij dooreen en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.Marius dacht, en liet haar begaan.Zij naderde de tafel.„Ha, zeide zij, boeken!”Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:„Ik kan lezen.”Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijfbataljonszijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen...”Zij brak ’t lezen af, met de woorden:„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was eenfameuzeslag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:„Ik kan ook schrijven!”Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”Toen hernam zij, de pen wegwerpende:„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:„Och, kom!”En op een vroolijke wijs zong zij:J’ai faim, mon père.Pas de fricot.J’ai froid, ma mère.Pas de tricot.Grelotte,Lolotte!Sanglote,Jacquot.Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid vanAusterlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.Marius was een weinig achteruit gegaan.„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.Zij klapte in haar handen en riep:„Wij hebben ’t overal gezocht.”Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”En wederom lachende, voegde zij er bij:„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”Zij zag hem verwilderd aan.Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.Zij nam het geld.„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”Toen verdween zij.Vijfde hoofdstuk.Het spiegat.Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellendeder armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, sprekenen hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.Zesde hoofdstuk.De wilde mensch in zijn hol.De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggenleelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggenschoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.Wat Marius zag was zulk een hol.Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond:de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:MarengoAusterlitsJenaWagrammeElotOnder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters:Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legtze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:„Ik zou de wereld willen verslinden!”Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zagde menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.
Eerste hoofdstuk.Marius zoekt een meisje met een hoed en ontmoet een man met een pet.De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.
Eerste hoofdstuk.Marius zoekt een meisje met een hoed en ontmoet een man met een pet.
De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.
De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen hem alsof alles verdwenen was.
Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”
Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière.”
Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.
Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, door liefde verstompt.
Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.
Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een gelijkenis, dacht hij.
Tweede hoofdstuk.Een vond.Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen anderebewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:Qu’il luise ou qu’il luiserne,L’ours rentre en sa caverne.1Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevardachter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”1Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.
Tweede hoofdstuk.Een vond.
Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen anderebewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:Qu’il luise ou qu’il luiserne,L’ours rentre en sa caverne.1Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevardachter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”
Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.
Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen anderebewoners dan hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat gezet.
Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:
Qu’il luise ou qu’il luiserne,L’ours rentre en sa caverne.1
Qu’il luise ou qu’il luiserne,
L’ours rentre en sa caverne.1
Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. ’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!
Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:
„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed voor niets.”
Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den boulevard naar de straat St. Jacques.
Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide met zachte stem:
„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”
De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den haal.”
Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t ontkomen waren.
Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevardachter hem, en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig verdween.
Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat papieren scheen te bevatten.
De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.
Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn zak en ging naar zijn diner.
Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in ’t geheugen.
„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”
Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn gewone mijmeringen.
Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.
„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. „Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren ’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”
1Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.
1
Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.
Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.
Zij moge schijnen of stralen,De beer keert naar zijn hol terug.
Zij moge schijnen of stralen,
De beer keert naar zijn hol terug.
Derde hoofdstuk.Vier brieven.Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.Hij opende het omslag.Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.Er stonden adressen op.Alle vier roken vreeselijk naar tabak.Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No....”Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:„Mevrouw de markiezin,„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,Mevrouw,„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:„Mevrouw de gravin.„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied„VrouwBalizard.”Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.Genflot, letterkundige.”P. S. „Al is ’t maar twee francs.”„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.„Weldadig man,„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,„Wezenlijk grootmoedig man,„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,„P. Fabantou, dramatisch artist.”Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden.Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.Men klopte nogmaals zeer zacht.„Binnen,” zei Marius.De deur werd geopend.„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:„Vergeving, mijnheer...”’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.
Derde hoofdstuk.Vier brieven.
Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.Hij opende het omslag.Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.Er stonden adressen op.Alle vier roken vreeselijk naar tabak.Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No....”Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:„Mevrouw de markiezin,„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,Mevrouw,„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:„Mevrouw de gravin.„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied„VrouwBalizard.”Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.Genflot, letterkundige.”P. S. „Al is ’t maar twee francs.”„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.„Weldadig man,„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,„Wezenlijk grootmoedig man,„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,„P. Fabantou, dramatisch artist.”Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden.Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.Men klopte nogmaals zeer zacht.„Binnen,” zei Marius.De deur werd geopend.„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:„Vergeving, mijnheer...”’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.
Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, die het verloren had.
Hij opende het omslag.
Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld waren.
Er stonden adressen op.
Alle vier roken vreeselijk naar tabak.
Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der gedeputeerden, No....”
Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder bezwaar gelezen worden.
Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:
„Mevrouw de markiezin,„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,Mevrouw,„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”
„Mevrouw de markiezin,
„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een aangename herinnering blijven.
„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,
Mevrouw,
„DonAlvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”
Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” Marius las het volgende:
„Mevrouw de gravin.„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied„VrouwBalizard.”
„Mevrouw de gravin.
„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.
„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te zijn met diepen eerbied
„VrouwBalizard.”
Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, en las:
„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.Genflot, letterkundige.”P. S. „Al is ’t maar twee francs.”„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”
„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.
„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling in een letterkundige, die aan hetThéâtreFrançaiseen drama heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen oplost.
„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.
„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.
„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. ’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd worden.
„Aan mijnheeren mevrouw Pabourgeotmijn eerbiedigste hulde.
Genflot, letterkundige.”
P. S. „Al is ’t maar twee francs.”
„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te gaan...”
Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.
„Weldadig man,„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,„Wezenlijk grootmoedig man,„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,„P. Fabantou, dramatisch artist.”
„Weldadig man,
„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.
„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.
„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.
„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,
„Wezenlijk grootmoedig man,
„Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,
„P. Fabantou, dramatisch artist.”
Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer dan vroeger.
Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.
Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.
Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden persoon kwamen?
Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij den Spaanschen kapitein.
’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden.Zoo ’t geen vond ware geweest, zou ’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den mal hielden.
Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.
Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde zich te bed.
Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd geklopt.
Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote zelfvoldoening van vrouw Bougon.
Men klopte nogmaals zeer zacht.
„Binnen,” zei Marius.
De deur werd geopend.
„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.
Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:
„Vergeving, mijnheer...”
’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die dronken is of zich overschreeuwd heeft.
Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.
Vierde hoofdstuk.Een roos in ellende.Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en eenrok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.„Wat begeert ge?” vroeg hij.Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig isJondrette.”P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij dooreen en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.Marius dacht, en liet haar begaan.Zij naderde de tafel.„Ha, zeide zij, boeken!”Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:„Ik kan lezen.”Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijfbataljonszijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen...”Zij brak ’t lezen af, met de woorden:„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was eenfameuzeslag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:„Ik kan ook schrijven!”Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”Toen hernam zij, de pen wegwerpende:„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:„Och, kom!”En op een vroolijke wijs zong zij:J’ai faim, mon père.Pas de fricot.J’ai froid, ma mère.Pas de tricot.Grelotte,Lolotte!Sanglote,Jacquot.Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid vanAusterlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.Marius was een weinig achteruit gegaan.„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.Zij klapte in haar handen en riep:„Wij hebben ’t overal gezocht.”Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”En wederom lachende, voegde zij er bij:„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”Zij zag hem verwilderd aan.Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.Zij nam het geld.„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”Toen verdween zij.
Vierde hoofdstuk.Een roos in ellende.
Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en eenrok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.„Wat begeert ge?” vroeg hij.Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig isJondrette.”P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij dooreen en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.Marius dacht, en liet haar begaan.Zij naderde de tafel.„Ha, zeide zij, boeken!”Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:„Ik kan lezen.”Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijfbataljonszijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen...”Zij brak ’t lezen af, met de woorden:„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was eenfameuzeslag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:„Ik kan ook schrijven!”Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”Toen hernam zij, de pen wegwerpende:„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:„Och, kom!”En op een vroolijke wijs zong zij:J’ai faim, mon père.Pas de fricot.J’ai froid, ma mère.Pas de tricot.Grelotte,Lolotte!Sanglote,Jacquot.Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid vanAusterlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.Marius was een weinig achteruit gegaan.„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.Zij klapte in haar handen en riep:„Wij hebben ’t overal gezocht.”Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”En wederom lachende, voegde zij er bij:„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”Zij zag hem verwilderd aan.Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.Zij nam het geld.„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”Toen verdween zij.
Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en eenrok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.
Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom verschijnen.
Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.
Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich te herinneren het ergens gezien te hebben.
„Wat begeert ge?” vroeg hij.
Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:
„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”
Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn naam?
Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.
Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.
Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:
„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig isJondrette.”P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”
„Lieve buurman,—geëerde jonge heer!
„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is.Zoo ik mij in mijn gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.
Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de weldoeners der menschheid schuldig is
Jondrette.”
P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius.”
Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.
Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, dezelfde tabaksreuk.
Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.
Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.
Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij dooreen en ander, te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.
Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd worden.
Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in alle hoeken.
„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”
En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is een schande.
Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.
Marius dacht, en liet haar begaan.
Zij naderde de tafel.
„Ha, zeide zij, boeken!”
Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen menschelijk schepsel ongevoelig is:
„Ik kan lezen.”
Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk vlug:
„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijfbataljonszijner brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van Waterloo ligt, in te nemen...”
Zij brak ’t lezen af, met de woorden:
„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was eenfameuzeslag! mijn vader was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen.”
Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:
„Ik kan ook schrijven!”
Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:
„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om ’t u te toonen.”
Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”
Toen hernam zij, de pen wegwerpende:
„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”
Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche onverschilligheid onderdrukt verried:
„Och, kom!”
En op een vroolijke wijs zong zij:
J’ai faim, mon père.Pas de fricot.J’ai froid, ma mère.Pas de tricot.Grelotte,Lolotte!Sanglote,Jacquot.
J’ai faim, mon père.
Pas de fricot.
J’ai froid, ma mère.
Pas de tricot.
Grelotte,
Lolotte!
Sanglote,
Jacquot.
Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:
„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die leelijk rieken.”
Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:
„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?”
En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar deed glimlachen en hem deed blozen.
Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:
„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid vanAusterlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed.”
Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.
Marius was een weinig achteruit gegaan.
„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, „ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij ’t u weder te geven.”
En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.
Zij klapte in haar handen en riep:
„Wij hebben ’t overal gezocht.”
Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:
„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij ’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, ’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat ’t een heer was.”
Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.
„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”
En wederom lachende, voegde zij er bij:
„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, berst dan, honden!”
Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.
Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.
Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, dat Marius tegenwoordig was.
„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, ’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”
Zij zag hem verwilderd aan.
Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op dit oogenblik in de wereld bezat.
„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, „morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.
Zij nam het geld.
„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”
En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:
„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude opzoeken.”
De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:
„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk.”
Toen verdween zij.
Vijfde hoofdstuk.Het spiegat.Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellendeder armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, sprekenen hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.
Vijfde hoofdstuk.Het spiegat.
Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellendeder armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, sprekenen hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.
Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellendeder armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.
Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot eerloosheden.
Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.
Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.
Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.
Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.
Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, sprekenen hij merkte ’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord „verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?
Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.
Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn oog voor de opening en gluurde er door.
Zesde hoofdstuk.De wilde mensch in zijn hol.De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggenleelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggenschoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.Wat Marius zag was zulk een hol.Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond:de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:MarengoAusterlitsJenaWagrammeElotOnder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters:Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legtze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:„Ik zou de wereld willen verslinden!”Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zagde menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.
Zesde hoofdstuk.De wilde mensch in zijn hol.
De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggenleelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggenschoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.Wat Marius zag was zulk een hol.Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond:de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:MarengoAusterlitsJenaWagrammeElotOnder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters:Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legtze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:„Ik zou de wereld willen verslinden!”Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zagde menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.
De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; dat wil zeggenleelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggenschoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.
Wat Marius zag was zulk een hol.
Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.
De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er treurig.
De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, monsterachtige menschelijke wezens.
Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote letters geschreven stond:de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:
Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze later weder op te hangen.
Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.
Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk te maken.
Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, waaruit de teenen staken.
Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.
Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote kapitale letters:Dieu, le Roi, l’honneur et les dames par Ducray-Duminil. 1814.
Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:
„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legtze beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”
Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde hij er bij:
„Ik zou de wereld willen verslinden!”
Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.
Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.
Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden roman.
Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, noch te zien, noch te leven.
Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.
Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: „Ik ging aan den haal!”
Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.
Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.
Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.
Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zagde menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.
De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.
De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.
De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, canaille, alles is canaille!”
Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” enz., deed de vrouw zuchten.
„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, mijn beste.”
In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.
De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.