Zevende hoofdstuk.Strategie en tactiek.Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stondeven stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:„Hij komt!”De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.„Wie?” vroeg de vader.„De mijnheer.”„De menschenvriend?”„Ja.”„Van de kerk St. Jacques?”„Ja.”„Die oude?”„Ja.”„Zal hij spoedig komen?”„Hij volgt mij.”„Is ’t zeker?”„Gewis.—In een huurrijtuig.”„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”De vader stond op.„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”„Welk nummer?”„440.”„Goed, ge zijt een schrandere meid.”Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”De verbaasde moeder bewoog zich niet.Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”Zijn dochter begreep hem niet.Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:„Is ’t koud?”„Fel koud; het sneeuwt.”Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”Bibberend sprong het meisje van het bed.„Sla een ruit in!” herhaalde hij.Het kind was als versuft.„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op deteenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.„Goed,” zei de vader.Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:„Lieve man, wat wilt ge doen?”„Ga naar bed,” antwoordde de man.De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.Intusschen hoorde men in een hoek snikken.„Wat is er?” vroeg de vader.De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend...”„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”Achtste hoofdstuk.Een lichtstraal in het hol.Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:„Voel, hoe koud ik ben.”„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”De moeder riep heftig:„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”„Zwijg!” zei de man.De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijkdat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.„Zijwas ’t!”Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woordzijligt.Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.Negende hoofdstuk.Jondrette weent bijna.Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”„Fabantou,” antwoordde de dochter.„Dramatisch artist, goed!”’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”„Arme vrouw!” zei Leblanc.„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehoudente schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.Het meisje begon luide te krijten.De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:„Arm, lief kind!”„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:„Bezie dien man eens nauwkeurig!”Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, diedeugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.En hij voegde er zacht bij:„Bezie hem goed, vrouw!”Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.„Te zes uren?” riep Jondrette.„Te zes uren precies.”De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.Tiende hoofdstuk.Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur.Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hijkende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:„Bij ’t uur!”Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.„Wat?” zei Marius.„Vooraf betalen!” zei de koetsier.Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.„Hoeveel?” vroeg hij.„Twee francs.”„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denkendat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.Elfde hoofdstuk.Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”’t Was de dochter van Jondrette.„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”„Mij?” zei Marius.„Ja, u.”„Mij deert niets.”„Toch.”„Neen.”„Ik zeg u, ja.”„Laat mij met vrede.”Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.Hij naderde het meisje en zeide:„Luister.”Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:„Ha, nu doet gij wel.”„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.„Ja.”„Weet ge waar zij wonen?”„Neen.”„Poog het voor mij te ontdekken.”Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.„Ja.”„Kent gij hen?”„Neen.”„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.In dat woordjehaar, dat zij nu in plaats vanhengebruikte, lag iets bijzonders en scherps.„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”Zij zag hem strak aan.„Wat geeft ge mij?”„Al wat ge wilt.”„Al wat ik wil?”„Ja.”„Ge zult het adres hebben.”Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.Marius was alleen.Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.Hij zag weder in Jondrettes woning.Twaalfde hoofdstuk.Besteding van het vijffrancstuk van den heer Leblanc.Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”„Neen.”„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht,nauwelijksiets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”Zij stonden op om te gaan.De moeder stamelde:„Met haar gewonde hand?”„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:„Deze is ’t!”„Die?” hernam de vrouw.„Ja, zij!” herhaalde de man.’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.„Zal ik u nog eens iets zeggen?”„Wat?” vroeg zij.Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:„Dat mijn fortuin gemaakt is.”Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”Hij hernam:„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:„Gelijk anderen.”„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:„Wat ik bedoel? Luister!”„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.Marius hoorde nu dit:„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”Hij lachte luide.’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”En wederom lachte hij.Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.„’t Is een hondenweer!” zeide hij.Toen knoopte hij de jas dicht.„Ze is mij te wijd,” zeide hij.„Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.„Houtskool?” vroeg de vrouw.„Ja.”„Hoeveel maten?”„Twee.”„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”„Verduiveld, neen.”„Waarom?”„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”„Waarom?”„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”„Wat?”„Iets.”„Hoeveel hebt ge noodig?”„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”„In de straat Mouffetard.”„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”„Twee en een half of drie francs.”„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”„’t Is goed, mijn schat.”Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en detrapafgaan.Op St. Medard sloeg het één uur.Dertiende hoofdstuk.Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijnafgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.Er was slechts één zaak te doen.Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.Hij zag over den muur, langs welken hij ging.Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.De langharige stiet den andere aan en zeide:„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.Marius zette zijn weg voort.Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.Marius ging er heen.Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
Zevende hoofdstuk.Strategie en tactiek.Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stondeven stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:„Hij komt!”De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.„Wie?” vroeg de vader.„De mijnheer.”„De menschenvriend?”„Ja.”„Van de kerk St. Jacques?”„Ja.”„Die oude?”„Ja.”„Zal hij spoedig komen?”„Hij volgt mij.”„Is ’t zeker?”„Gewis.—In een huurrijtuig.”„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”De vader stond op.„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”„Welk nummer?”„440.”„Goed, ge zijt een schrandere meid.”Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”De verbaasde moeder bewoog zich niet.Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”Zijn dochter begreep hem niet.Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:„Is ’t koud?”„Fel koud; het sneeuwt.”Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”Bibberend sprong het meisje van het bed.„Sla een ruit in!” herhaalde hij.Het kind was als versuft.„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op deteenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.„Goed,” zei de vader.Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:„Lieve man, wat wilt ge doen?”„Ga naar bed,” antwoordde de man.De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.Intusschen hoorde men in een hoek snikken.„Wat is er?” vroeg de vader.De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend...”„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”Achtste hoofdstuk.Een lichtstraal in het hol.Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:„Voel, hoe koud ik ben.”„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”De moeder riep heftig:„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”„Zwijg!” zei de man.De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijkdat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.„Zijwas ’t!”Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woordzijligt.Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.Negende hoofdstuk.Jondrette weent bijna.Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”„Fabantou,” antwoordde de dochter.„Dramatisch artist, goed!”’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”„Arme vrouw!” zei Leblanc.„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehoudente schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.Het meisje begon luide te krijten.De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:„Arm, lief kind!”„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:„Bezie dien man eens nauwkeurig!”Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, diedeugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.En hij voegde er zacht bij:„Bezie hem goed, vrouw!”Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.„Te zes uren?” riep Jondrette.„Te zes uren precies.”De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.Tiende hoofdstuk.Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur.Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hijkende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:„Bij ’t uur!”Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.„Wat?” zei Marius.„Vooraf betalen!” zei de koetsier.Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.„Hoeveel?” vroeg hij.„Twee francs.”„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denkendat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.Elfde hoofdstuk.Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”’t Was de dochter van Jondrette.„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”„Mij?” zei Marius.„Ja, u.”„Mij deert niets.”„Toch.”„Neen.”„Ik zeg u, ja.”„Laat mij met vrede.”Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.Hij naderde het meisje en zeide:„Luister.”Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:„Ha, nu doet gij wel.”„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.„Ja.”„Weet ge waar zij wonen?”„Neen.”„Poog het voor mij te ontdekken.”Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.„Ja.”„Kent gij hen?”„Neen.”„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.In dat woordjehaar, dat zij nu in plaats vanhengebruikte, lag iets bijzonders en scherps.„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”Zij zag hem strak aan.„Wat geeft ge mij?”„Al wat ge wilt.”„Al wat ik wil?”„Ja.”„Ge zult het adres hebben.”Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.Marius was alleen.Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.Hij zag weder in Jondrettes woning.Twaalfde hoofdstuk.Besteding van het vijffrancstuk van den heer Leblanc.Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”„Neen.”„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht,nauwelijksiets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”Zij stonden op om te gaan.De moeder stamelde:„Met haar gewonde hand?”„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:„Deze is ’t!”„Die?” hernam de vrouw.„Ja, zij!” herhaalde de man.’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.„Zal ik u nog eens iets zeggen?”„Wat?” vroeg zij.Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:„Dat mijn fortuin gemaakt is.”Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”Hij hernam:„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:„Gelijk anderen.”„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:„Wat ik bedoel? Luister!”„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.Marius hoorde nu dit:„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”Hij lachte luide.’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”En wederom lachte hij.Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.„’t Is een hondenweer!” zeide hij.Toen knoopte hij de jas dicht.„Ze is mij te wijd,” zeide hij.„Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.„Houtskool?” vroeg de vrouw.„Ja.”„Hoeveel maten?”„Twee.”„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”„Verduiveld, neen.”„Waarom?”„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”„Waarom?”„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”„Wat?”„Iets.”„Hoeveel hebt ge noodig?”„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”„In de straat Mouffetard.”„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”„Twee en een half of drie francs.”„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”„’t Is goed, mijn schat.”Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en detrapafgaan.Op St. Medard sloeg het één uur.Dertiende hoofdstuk.Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijnafgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.Er was slechts één zaak te doen.Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.Hij zag over den muur, langs welken hij ging.Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.De langharige stiet den andere aan en zeide:„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.Marius zette zijn weg voort.Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.Marius ging er heen.Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
Zevende hoofdstuk.Strategie en tactiek.Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stondeven stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:„Hij komt!”De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.„Wie?” vroeg de vader.„De mijnheer.”„De menschenvriend?”„Ja.”„Van de kerk St. Jacques?”„Ja.”„Die oude?”„Ja.”„Zal hij spoedig komen?”„Hij volgt mij.”„Is ’t zeker?”„Gewis.—In een huurrijtuig.”„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”De vader stond op.„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”„Welk nummer?”„440.”„Goed, ge zijt een schrandere meid.”Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”De verbaasde moeder bewoog zich niet.Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”Zijn dochter begreep hem niet.Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:„Is ’t koud?”„Fel koud; het sneeuwt.”Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”Bibberend sprong het meisje van het bed.„Sla een ruit in!” herhaalde hij.Het kind was als versuft.„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op deteenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.„Goed,” zei de vader.Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:„Lieve man, wat wilt ge doen?”„Ga naar bed,” antwoordde de man.De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.Intusschen hoorde men in een hoek snikken.„Wat is er?” vroeg de vader.De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend...”„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”
Zevende hoofdstuk.Strategie en tactiek.
Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stondeven stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:„Hij komt!”De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.„Wie?” vroeg de vader.„De mijnheer.”„De menschenvriend?”„Ja.”„Van de kerk St. Jacques?”„Ja.”„Die oude?”„Ja.”„Zal hij spoedig komen?”„Hij volgt mij.”„Is ’t zeker?”„Gewis.—In een huurrijtuig.”„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”De vader stond op.„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”„Welk nummer?”„440.”„Goed, ge zijt een schrandere meid.”Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”De verbaasde moeder bewoog zich niet.Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”Zijn dochter begreep hem niet.Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:„Is ’t koud?”„Fel koud; het sneeuwt.”Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”Bibberend sprong het meisje van het bed.„Sla een ruit in!” herhaalde hij.Het kind was als versuft.„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op deteenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.„Goed,” zei de vader.Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:„Lieve man, wat wilt ge doen?”„Ga naar bed,” antwoordde de man.De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.Intusschen hoorde men in een hoek snikken.„Wat is er?” vroeg de vader.De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend...”„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”
Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht trok en er hem deed blijven.
Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij ’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, stondeven stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden verheugden toon:
„Hij komt!”
De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje bewoog zich niet.
„Wie?” vroeg de vader.
„De mijnheer.”
„De menschenvriend?”
„Ja.”
„Van de kerk St. Jacques?”
„Ja.”
„Die oude?”
„Ja.”
„Zal hij spoedig komen?”
„Hij volgt mij.”
„Is ’t zeker?”
„Gewis.—In een huurrijtuig.”
„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”
De vader stond op.
„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”
„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: „Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur rechts, aan ’t einde van de gang.”
„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”
„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”
„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”
„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.”
„Welk nummer?”
„440.”
„Goed, ge zijt een schrandere meid.”
Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:
„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets.”
„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: „Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”
„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.
De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn gezicht.
„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het vuur uit.”
De verbaasde moeder bewoog zich niet.
Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.
Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:
„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”
Zijn dochter begreep hem niet.
Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er doorging.
Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:
„Is ’t koud?”
„Fel koud; het sneeuwt.”
Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster zat, riep hij haar toe, met donderende stem:
„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla een ruit in!”
Bibberend sprong het meisje van het bed.
„Sla een ruit in!” herhaalde hij.
Het kind was als versuft.
„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, dat ge een ruit moet stuk slaan.”
Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op deteenen omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.
„Goed,” zei de vader.
Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken van ’t vertrek.
Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.
De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak bevrozen waren:
„Lieve man, wat wilt ge doen?”
„Ga naar bed,” antwoordde de man.
De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.
Intusschen hoorde men in een hoek snikken.
„Wat is er?” vroeg de vader.
De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder gegaan, waar zij stil weende.
’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.
„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”
„Des te beter,” zei de man, „ik had er op gerekend...”
„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.
„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der pers op!”
En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.
Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd hemd.
„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een goed aanzien.”
Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, had beloofd, was inderdaad gekomen.
De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.
Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.”
Achtste hoofdstuk.Een lichtstraal in het hol.Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:„Voel, hoe koud ik ben.”„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”De moeder riep heftig:„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”„Zwijg!” zei de man.De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijkdat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.„Zijwas ’t!”Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woordzijligt.Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.
Achtste hoofdstuk.Een lichtstraal in het hol.
Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:„Voel, hoe koud ik ben.”„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”De moeder riep heftig:„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”„Zwijg!” zei de man.De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijkdat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.„Zijwas ’t!”Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woordzijligt.Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.
Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, zeggende:
„Voel, hoe koud ik ben.”
„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan gij.”
De moeder riep heftig:
„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het kwade toe.”
„Zwijg!” zei de man.
De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.
Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.
De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het met kussen, fluisterend zeggende:
„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw vader zou boos worden.”
„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en snik, dat is goed.”
En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:
„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”
„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.
„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! ’t is mogelijkdat alles brak, maar niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”
Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:
„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”
Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.
Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.
„Zijwas ’t!”
Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woordzijligt.
Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. ’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.
Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk verblijf, in deze ellende.
Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij verloren had.
Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.
Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.
Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.
De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het bekoorlijk, gelukkig gelaat.
Negende hoofdstuk.Jondrette weent bijna.Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”„Fabantou,” antwoordde de dochter.„Dramatisch artist, goed!”’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”„Arme vrouw!” zei Leblanc.„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehoudente schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.Het meisje begon luide te krijten.De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:„Arm, lief kind!”„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:„Bezie dien man eens nauwkeurig!”Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, diedeugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.En hij voegde er zacht bij:„Bezie hem goed, vrouw!”Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.„Te zes uren?” riep Jondrette.„Te zes uren precies.”De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.
Negende hoofdstuk.Jondrette weent bijna.
Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”„Fabantou,” antwoordde de dochter.„Dramatisch artist, goed!”’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”„Arme vrouw!” zei Leblanc.„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehoudente schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.Het meisje begon luide te krijten.De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:„Arm, lief kind!”„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:„Bezie dien man eens nauwkeurig!”Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, diedeugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.En hij voegde er zacht bij:„Bezie hem goed, vrouw!”Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.„Te zes uren?” riep Jondrette.„Te zes uren precies.”De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.
Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.
Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en zeide tot vader Jondrette:
„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en dekens vinden.”
„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:
„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm onderteekend?”
„Fabantou,” antwoordde de dochter.
„Dramatisch artist, goed!”
’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, die een naam zoekt:
„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer...”
„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.
„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”
„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht.”
Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!”
„Arme vrouw!” zei Leblanc.
„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.
Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehoudente schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.
„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de behendigheid van een goochelaar.
Het meisje begon luide te krijten.
De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:
„Arm, lief kind!”
„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet moeten worden.”
„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.
Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te schreien.
„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.
Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht tot haar:
„Bezie dien man eens nauwkeurig!”
Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn jammerklacht:
„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. ’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, diedeugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! dat wil zeggen zestig francs.”
Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.
Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op de tafel.
Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te fluisteren:
„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog kosten!”
Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel geworpen.
„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”
Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig antwoordde hij:
„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn.”
„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen.”
„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.
En hij voegde er zacht bij:
„Bezie hem goed, vrouw!”
Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde zich naar de deur.
„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.
„Te zes uren?” riep Jondrette.
„Te zes uren precies.”
De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog der oudste dochter, die zeide:
„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”
Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier.”
„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig uitgeleide doe.”
„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”
Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine overjas aan.
Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.
Tiende hoofdstuk.Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur.Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hijkende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:„Bij ’t uur!”Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.„Wat?” zei Marius.„Vooraf betalen!” zei de koetsier.Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.„Hoeveel?” vroeg hij.„Twee francs.”„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denkendat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.
Tiende hoofdstuk.Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t uur.
Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hijkende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:„Bij ’t uur!”Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.„Wat?” zei Marius.„Vooraf betalen!” zei de koetsier.Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.„Hoeveel?” vroeg hij.„Twee francs.”„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denkendat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.
Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.
Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar woorden te verstaan. Hijkende haar oogen, haar voorhoofd, haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem als zag hij een colibri tusschen padden.
Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.
In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.
Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste en zekerste middel.
Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:
„Bij ’t uur!”
Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, voor de borst was zijn overhemd gescheurd.
De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.
„Wat?” zei Marius.
„Vooraf betalen!” zei de koetsier.
Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich had.
„Hoeveel?” vroeg hij.
„Twee francs.”
„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”
De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde de zweep over zijn paard.
Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend keerde hij naar zijn woning terug.
Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.
Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den „menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts werken.
Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er nauwelijks op.
Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denkendat de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in ’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.
Elfde hoofdstuk.Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”’t Was de dochter van Jondrette.„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”„Mij?” zei Marius.„Ja, u.”„Mij deert niets.”„Toch.”„Neen.”„Ik zeg u, ja.”„Laat mij met vrede.”Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.Hij naderde het meisje en zeide:„Luister.”Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:„Ha, nu doet gij wel.”„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.„Ja.”„Weet ge waar zij wonen?”„Neen.”„Poog het voor mij te ontdekken.”Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.„Ja.”„Kent gij hen?”„Neen.”„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.In dat woordjehaar, dat zij nu in plaats vanhengebruikte, lag iets bijzonders en scherps.„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”Zij zag hem strak aan.„Wat geeft ge mij?”„Al wat ge wilt.”„Al wat ik wil?”„Ja.”„Ge zult het adres hebben.”Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.Marius was alleen.Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.Hij zag weder in Jondrettes woning.
Elfde hoofdstuk.Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.
Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”’t Was de dochter van Jondrette.„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”„Mij?” zei Marius.„Ja, u.”„Mij deert niets.”„Toch.”„Neen.”„Ik zeg u, ja.”„Laat mij met vrede.”Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.Hij naderde het meisje en zeide:„Luister.”Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:„Ha, nu doet gij wel.”„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.„Ja.”„Weet ge waar zij wonen?”„Neen.”„Poog het voor mij te ontdekken.”Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.„Ja.”„Kent gij hen?”„Neen.”„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.In dat woordjehaar, dat zij nu in plaats vanhengebruikte, lag iets bijzonders en scherps.„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”Zij zag hem strak aan.„Wat geeft ge mij?”„Al wat ge wilt.”„Al wat ik wil?”„Ja.”„Ge zult het adres hebben.”Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.Marius was alleen.Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.Hij zag weder in Jondrettes woning.
Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan „den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas.”
Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de half opene deur tegenhield.
„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”
’t Was de dochter van Jondrette.
„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, „gij wederom! Wat wilt ge?”
Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.
„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. „Wat wilt ge?”
Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht scheen te ontsteken, en zeide:
„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”
„Mij?” zei Marius.
„Ja, u.”
„Mij deert niets.”
„Toch.”
„Neen.”
„Ik zeg u, ja.”
„Laat mij met vrede.”
Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.
„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”
Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.
Hij naderde het meisje en zeide:
„Luister.”
Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en zeide:
„Ha, nu doet gij wel.”
„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?” hernam hij.
„Ja.”
„Weet ge waar zij wonen?”
„Neen.”
„Poog het voor mij te ontdekken.”
Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu werd het weder van vroolijk treurig.
„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.
„Ja.”
„Kent gij hen?”
„Neen.”
„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,” hernam zij levendig.
In dat woordjehaar, dat zij nu in plaats vanhengebruikte, lag iets bijzonders en scherps.
„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.
„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”
Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets dat Marius hinderde. Hij hernam:
„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. Hun woning! hoor?”
Zij zag hem strak aan.
„Wat geeft ge mij?”
„Al wat ge wilt.”
„Al wat ik wil?”
„Ja.”
„Ge zult het adres hebben.”
Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur achter zich dicht.
Marius was alleen.
Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste belangstelling inboezemden:
„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb.”
Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!
Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich weder voor het kleine spiegat in den wand.
Hij zag weder in Jondrettes woning.
Twaalfde hoofdstuk.Besteding van het vijffrancstuk van den heer Leblanc.Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”„Neen.”„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht,nauwelijksiets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”Zij stonden op om te gaan.De moeder stamelde:„Met haar gewonde hand?”„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:„Deze is ’t!”„Die?” hernam de vrouw.„Ja, zij!” herhaalde de man.’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.„Zal ik u nog eens iets zeggen?”„Wat?” vroeg zij.Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:„Dat mijn fortuin gemaakt is.”Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”Hij hernam:„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:„Gelijk anderen.”„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:„Wat ik bedoel? Luister!”„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.Marius hoorde nu dit:„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”Hij lachte luide.’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”En wederom lachte hij.Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.„’t Is een hondenweer!” zeide hij.Toen knoopte hij de jas dicht.„Ze is mij te wijd,” zeide hij.„Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.„Houtskool?” vroeg de vrouw.„Ja.”„Hoeveel maten?”„Twee.”„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”„Verduiveld, neen.”„Waarom?”„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”„Waarom?”„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”„Wat?”„Iets.”„Hoeveel hebt ge noodig?”„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”„In de straat Mouffetard.”„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”„Twee en een half of drie francs.”„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”„’t Is goed, mijn schat.”Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en detrapafgaan.Op St. Medard sloeg het één uur.
Twaalfde hoofdstuk.Besteding van het vijffrancstuk van den heer Leblanc.
Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”„Neen.”„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht,nauwelijksiets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”Zij stonden op om te gaan.De moeder stamelde:„Met haar gewonde hand?”„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:„Deze is ’t!”„Die?” hernam de vrouw.„Ja, zij!” herhaalde de man.’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.„Zal ik u nog eens iets zeggen?”„Wat?” vroeg zij.Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:„Dat mijn fortuin gemaakt is.”Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”Hij hernam:„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:„Gelijk anderen.”„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:„Wat ik bedoel? Luister!”„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.Marius hoorde nu dit:„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”Hij lachte luide.’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”En wederom lachte hij.Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.„’t Is een hondenweer!” zeide hij.Toen knoopte hij de jas dicht.„Ze is mij te wijd,” zeide hij.„Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.„Houtskool?” vroeg de vrouw.„Ja.”„Hoeveel maten?”„Twee.”„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”„Verduiveld, neen.”„Waarom?”„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”„Waarom?”„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”„Wat?”„Iets.”„Hoeveel hebt ge noodig?”„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”„In de straat Mouffetard.”„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”„Twee en een half of drie francs.”„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”„’t Is goed, mijn schat.”Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en detrapafgaan.Op St. Medard sloeg het één uur.
Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben gelegd.
Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.
De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:
„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”
„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in het oog gevallen?”
„Neen.”
„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is zijn gestalte, zijn gezicht,nauwelijksiets verouderd; er zijn lieden die niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige duivel, nu heb ik u!
Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:
„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in ’t oog is gevallen.”
Zij stonden op om te gaan.
De moeder stamelde:
„Met haar gewonde hand?”
„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. „Gaat.”
De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak dulden. De beide meisjes gingen.
Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:
„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig.”
Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.
Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder in zijn broek te stoppen.
Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander en riep:
„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”
„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge dame?”
Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in zijn ooren.
Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:
„Deze is ’t!”
„Die?” hernam de vrouw.
„Ja, zij!” herhaalde de man.
’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk vreeselijk.
„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan het niet zijn!”
„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”
Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was een zeug met den blik van een tijgerin.
„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen.”
Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.
Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.
„Zal ik u nog eens iets zeggen?”
„Wat?” vroeg zij.
Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:
„Dat mijn fortuin gemaakt is.”
Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: „Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”
Hij hernam:
„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn.”
Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:
„Gelijk anderen.”
„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.
Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:
„Wat ik bedoel? Luister!”
„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; ’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”
„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, uitgegaan.”
Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen woord ontging.
Marius hoorde nu dit:
„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”
„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.
Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:
„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”
Hij lachte luide.
’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en flauw en deed iemand rillen.
Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.
„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te huis.”
Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in nadenken staan en riep eindelijk:
„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”
En wederom lachte hij.
Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was grijs.
„’t Is een hondenweer!” zeide hij.
Toen knoopte hij de jas dicht.
„Ze is mij te wijd,” zeide hij.„Om ’t even; de oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de gebeurtenissen?”
Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.
Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning verscheen.
„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de „menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der vrouw.
„Houtskool?” vroeg de vrouw.
„Ja.”
„Hoeveel maten?”
„Twee.”
„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed maken.”
„Verduiveld, neen.”
„Waarom?”
„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”
„Waarom?”
„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”
„Wat?”
„Iets.”
„Hoeveel hebt ge noodig?”
„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?”
„In de straat Mouffetard.”
„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”
„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”
„Twee en een half of drie francs.”
„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”
„Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen.”
„’t Is goed, mijn schat.”
Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde Marius hem haastig door de gang en detrapafgaan.
Op St. Medard sloeg het één uur.
Dertiende hoofdstuk.Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijnafgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.Er was slechts één zaak te doen.Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.Hij zag over den muur, langs welken hij ging.Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.De langharige stiet den andere aan en zeide:„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.Marius zette zijn weg voort.Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.Marius ging er heen.Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
Dertiende hoofdstuk.Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.
Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijnafgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.Er was slechts één zaak te doen.Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.Hij zag over den muur, langs welken hij ging.Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.De langharige stiet den andere aan en zeide:„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.Marius zette zijn weg voort.Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.Marius ging er heen.Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.
Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.
Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier spinnen moest verscheurd worden.
Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.
Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen gerucht te maken.
In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijnafgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.
Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf uren voor zich.
Er was slechts één zaak te doen.
Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort met in het oud ijzer te rammelen.
Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat Petit-Banquier.
Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij duidelijk stemmen.
Hij zag over den muur, langs welken hij ging.
Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die zacht spraken.
’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw in de haren.
Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.
De langharige stiet den andere aan en zeide:
„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”
„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:
„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!”
De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch mutsje bibberend:
„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken kan voortkomen.”
„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de langharige.
Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de Gaîté gezien hadden.
Marius zette zijn weg voort.
Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. ’t Kon de bewuste „zaak” zijn.
Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den besten winkel naar een commissaris van politie.
Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.
Marius ging er heen.
Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.
Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.