Veertiende hoofdstuk.

Veertiende hoofdstuk.Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft.Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”„Ja,” zei Marius.De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, metdunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.„Mijnheer de commissaris van politie?”„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”„’t Betreft een zeer geheime zaak.”„Spreek dan.”„Er is veel haast bij.”„Spreek dan spoedig.”Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:„Wel mogelijk.”Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:„Daar moet iets vanPatron-Minetteonder schuilen.”Die naam trof Marius.„Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.De inspecteur mompelde:„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”Hij sloeg de oogen neder en dacht na.„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”„En Panchaud.”„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”„Neen.”„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”„Neen.”„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”„Neen.”„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.De inspecteur antwoordde:„’t Is trouwens hun uur niet.”Weder zweeg hij, waarna hij hernam:„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:„Zijt ge bang?”„Waarvoor?” zei Marius.„Voor die lieden?”„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”Marius viel hem in de rede:„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”De inspecteur antwoordde niets anders dan:„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”„Ja,” zei Marius.„Hebt ge hem bij u?”„Ja.”„Geef hem mij,” zei de inspecteur.Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”Marius deed het.„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”„Om zes uur,” zei Marius.„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”„Wees gerust,” antwoordde Marius.En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”Vijftiende hoofdstuk.Jondrette doet inkoopen.Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de richting der barrière ging.„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij hem niet aan.”„Waarom?”„Hij is ingespannen.”„Waarmee?”„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”„Wat dan?”„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”„’t Is waar.” zei Bossuet.„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.„Maar wie drommel volgt hij?”„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs geen vrouw.”Courfeyrac keek en riep:„Hij volgt een man!”Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.Bossuet lachte luidkeels.„Wie kan de man zijn?”„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. „Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van Frankrijk.”„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, zullen we?”„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!”Zij keerden om.Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, en sloeg hem gade.Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude rijtuigen had.Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Menherinnerezich, dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de voordeur sluiten.Zestiende hoofdstuk.Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode.Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.„Ik ben ’t,” zeide hij.„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.„Welnu?” vroeg de moeder.„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”„Gereed om uit te gaan.”„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”„Wees gerust.”„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”En met zachte stem voegde hij er bij:„De muizenval is open. De katten zijn er.”En met nog zachter stem:„Leg dit in het vuur.”Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”„Ja,” antwoordde de moeder.„Hoe laat is het?”„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”Er werd gefluisterd.Wederom verhief zich de stem van Jondrette.„Is vrouw Burgon uitgegaan?”„Ja,” zei de moeder.„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”„Zijt ge er zeker van?”„Zeker.”„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.„Va!” riep een stem, „hij is uit.”Marius herkende de stem der oudste dochter.„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”De vader riep:„Ga evenwel binnen.”De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:Nos amours ont duré toute une semaine.Mais que du bonheur les instants sont courts!S’adorer huit jours, c’était bien la peine!Le temps des amours devrait durer toujours!Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”Zij neuriede:Vous me quittez pour aller à la gloire,Mon triste coeur suivra partout vos pas.2Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”De oudste dochter bromde:„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.1Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!2Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.Zeventiende hoofdstuk.Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzerenkomfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkendeop de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.Eensklaps zeide Jondrette luid:„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”„En het geld?” vroeg de vrouw.Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.„Wat is dat?” riep zij verwonderd.Jondrette antwoordde deftig:„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”Na eene poos hernam hij:„Er zijn twee stoelen noodig.”„Waarom?”„Om op te zitten.”Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”Haastig opende zij de deur en trad in de gang.Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.„Neem de kaars,” riep Jondrette.„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.Vrouw Jondrette trad binnen.Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in hadgeborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.„Wat is dat?” riep hij.Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”Marius hield het pistool steeds in zijn hand.Achttiende hoofdstuk.De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander.Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.De heer Leblanc verscheen.Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:„Zend de huurkoets weg!”Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblancmet beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:„’t Is geschied.”De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.Negentiende hoofdstuk.Een donkere achtergrond.Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtendenglimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc,een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijngezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer inhetlicht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.Jondrette sprak met ophef:„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters;het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”Jondrette antwoordde heel bedaard:„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papierof stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”

Veertiende hoofdstuk.Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft.Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”„Ja,” zei Marius.De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, metdunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.„Mijnheer de commissaris van politie?”„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”„’t Betreft een zeer geheime zaak.”„Spreek dan.”„Er is veel haast bij.”„Spreek dan spoedig.”Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:„Wel mogelijk.”Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:„Daar moet iets vanPatron-Minetteonder schuilen.”Die naam trof Marius.„Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.De inspecteur mompelde:„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”Hij sloeg de oogen neder en dacht na.„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”„En Panchaud.”„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”„Neen.”„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”„Neen.”„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”„Neen.”„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.De inspecteur antwoordde:„’t Is trouwens hun uur niet.”Weder zweeg hij, waarna hij hernam:„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:„Zijt ge bang?”„Waarvoor?” zei Marius.„Voor die lieden?”„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”Marius viel hem in de rede:„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”De inspecteur antwoordde niets anders dan:„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”„Ja,” zei Marius.„Hebt ge hem bij u?”„Ja.”„Geef hem mij,” zei de inspecteur.Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”Marius deed het.„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”„Om zes uur,” zei Marius.„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”„Wees gerust,” antwoordde Marius.En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”Vijftiende hoofdstuk.Jondrette doet inkoopen.Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de richting der barrière ging.„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij hem niet aan.”„Waarom?”„Hij is ingespannen.”„Waarmee?”„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”„Wat dan?”„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”„’t Is waar.” zei Bossuet.„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.„Maar wie drommel volgt hij?”„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs geen vrouw.”Courfeyrac keek en riep:„Hij volgt een man!”Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.Bossuet lachte luidkeels.„Wie kan de man zijn?”„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. „Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van Frankrijk.”„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, zullen we?”„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!”Zij keerden om.Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, en sloeg hem gade.Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude rijtuigen had.Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Menherinnerezich, dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de voordeur sluiten.Zestiende hoofdstuk.Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode.Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.„Ik ben ’t,” zeide hij.„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.„Welnu?” vroeg de moeder.„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”„Gereed om uit te gaan.”„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”„Wees gerust.”„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”En met zachte stem voegde hij er bij:„De muizenval is open. De katten zijn er.”En met nog zachter stem:„Leg dit in het vuur.”Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”„Ja,” antwoordde de moeder.„Hoe laat is het?”„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”Er werd gefluisterd.Wederom verhief zich de stem van Jondrette.„Is vrouw Burgon uitgegaan?”„Ja,” zei de moeder.„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”„Zijt ge er zeker van?”„Zeker.”„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.„Va!” riep een stem, „hij is uit.”Marius herkende de stem der oudste dochter.„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”De vader riep:„Ga evenwel binnen.”De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:Nos amours ont duré toute une semaine.Mais que du bonheur les instants sont courts!S’adorer huit jours, c’était bien la peine!Le temps des amours devrait durer toujours!Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”Zij neuriede:Vous me quittez pour aller à la gloire,Mon triste coeur suivra partout vos pas.2Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”De oudste dochter bromde:„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.1Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!2Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.Zeventiende hoofdstuk.Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzerenkomfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkendeop de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.Eensklaps zeide Jondrette luid:„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”„En het geld?” vroeg de vrouw.Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.„Wat is dat?” riep zij verwonderd.Jondrette antwoordde deftig:„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”Na eene poos hernam hij:„Er zijn twee stoelen noodig.”„Waarom?”„Om op te zitten.”Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”Haastig opende zij de deur en trad in de gang.Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.„Neem de kaars,” riep Jondrette.„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.Vrouw Jondrette trad binnen.Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in hadgeborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.„Wat is dat?” riep hij.Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”Marius hield het pistool steeds in zijn hand.Achttiende hoofdstuk.De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander.Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.De heer Leblanc verscheen.Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:„Zend de huurkoets weg!”Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblancmet beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:„’t Is geschied.”De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.Negentiende hoofdstuk.Een donkere achtergrond.Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtendenglimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc,een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijngezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer inhetlicht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.Jondrette sprak met ophef:„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters;het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”Jondrette antwoordde heel bedaard:„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papierof stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”

Veertiende hoofdstuk.Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft.Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”„Ja,” zei Marius.De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, metdunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.„Mijnheer de commissaris van politie?”„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”„’t Betreft een zeer geheime zaak.”„Spreek dan.”„Er is veel haast bij.”„Spreek dan spoedig.”Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:„Wel mogelijk.”Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:„Daar moet iets vanPatron-Minetteonder schuilen.”Die naam trof Marius.„Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.De inspecteur mompelde:„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”Hij sloeg de oogen neder en dacht na.„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”„En Panchaud.”„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”„Neen.”„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”„Neen.”„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”„Neen.”„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.De inspecteur antwoordde:„’t Is trouwens hun uur niet.”Weder zweeg hij, waarna hij hernam:„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:„Zijt ge bang?”„Waarvoor?” zei Marius.„Voor die lieden?”„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”Marius viel hem in de rede:„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”De inspecteur antwoordde niets anders dan:„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”„Ja,” zei Marius.„Hebt ge hem bij u?”„Ja.”„Geef hem mij,” zei de inspecteur.Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”Marius deed het.„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”„Om zes uur,” zei Marius.„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”„Wees gerust,” antwoordde Marius.En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”

Veertiende hoofdstuk.Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft.

Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”„Ja,” zei Marius.De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, metdunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.„Mijnheer de commissaris van politie?”„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”„’t Betreft een zeer geheime zaak.”„Spreek dan.”„Er is veel haast bij.”„Spreek dan spoedig.”Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:„Wel mogelijk.”Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:„Daar moet iets vanPatron-Minetteonder schuilen.”Die naam trof Marius.„Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.De inspecteur mompelde:„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”Hij sloeg de oogen neder en dacht na.„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”„En Panchaud.”„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”„Neen.”„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”„Neen.”„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”„Neen.”„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.De inspecteur antwoordde:„’t Is trouwens hun uur niet.”Weder zweeg hij, waarna hij hernam:„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:„Zijt ge bang?”„Waarvoor?” zei Marius.„Voor die lieden?”„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”Marius viel hem in de rede:„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”De inspecteur antwoordde niets anders dan:„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”„Ja,” zei Marius.„Hebt ge hem bij u?”„Ja.”„Geef hem mij,” zei de inspecteur.Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”Marius deed het.„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”„Om zes uur,” zei Marius.„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”„Wees gerust,” antwoordde Marius.En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”

Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.

„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is er haast bij?”

„Ja,” zei Marius.

De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. ’t Was een vierkant gezicht, metdunne krachtige lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.

Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.

„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.

„Mijnheer de commissaris van politie?”

„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”

„’t Betreft een zeer geheime zaak.”

„Spreek dan.”

„Er is veel haast bij.”

„Spreek dan spoedig.”

Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis No. 50–52.

Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op en zeide koel:

„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de gang?”

„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge dat huis?”

De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:

„Wel mogelijk.”

Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das sprekende, bij:

„Daar moet iets vanPatron-Minetteonder schuilen.”

Die naam trof Marius.

„Patron-Minette,” zeide hij. „Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.”

En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der straat Petit-Banquier zaten.

De inspecteur mompelde:

„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd Deux-Milliards.”

Hij sloeg de oogen neder en dacht na.

„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer 50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”

Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:

„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?”

„En Panchaud.”

„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?”

„Neen.”

„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?”

„Neen.”

„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”

„Neen.”

„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet gezien hebt.”

„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.

De inspecteur antwoordde:

„’t Is trouwens hun uur niet.”

Weder zweeg hij, waarna hij hernam:

„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten dansen.”

Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak in de oogen ziende:

„Zijt ge bang?”

„Waarvoor?” zei Marius.

„Voor die lieden?”

„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.

De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een soort van plechtigen nadruk:

„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.”

Marius viel hem in de rede:

„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”

De inspecteur antwoordde niets anders dan:

„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?”

„Ja,” zei Marius.

„Hebt ge hem bij u?”

„Ja.”

„Geef hem mij,” zei de inspecteur.

Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, zeggende:

„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”

De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:

„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”

Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.

„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”

Marius deed het.

„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?”

„Om zes uur,” zei Marius.

„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot.”

„Wees gerust,” antwoordde Marius.

En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de inspecteur hem toe:

„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.”

Vijftiende hoofdstuk.Jondrette doet inkoopen.Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de richting der barrière ging.„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij hem niet aan.”„Waarom?”„Hij is ingespannen.”„Waarmee?”„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”„Wat dan?”„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”„’t Is waar.” zei Bossuet.„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.„Maar wie drommel volgt hij?”„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs geen vrouw.”Courfeyrac keek en riep:„Hij volgt een man!”Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.Bossuet lachte luidkeels.„Wie kan de man zijn?”„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. „Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van Frankrijk.”„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, zullen we?”„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!”Zij keerden om.Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, en sloeg hem gade.Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude rijtuigen had.Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Menherinnerezich, dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de voordeur sluiten.

Vijftiende hoofdstuk.Jondrette doet inkoopen.

Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de richting der barrière ging.„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij hem niet aan.”„Waarom?”„Hij is ingespannen.”„Waarmee?”„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”„Wat dan?”„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”„’t Is waar.” zei Bossuet.„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.„Maar wie drommel volgt hij?”„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs geen vrouw.”Courfeyrac keek en riep:„Hij volgt een man!”Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.Bossuet lachte luidkeels.„Wie kan de man zijn?”„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. „Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van Frankrijk.”„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, zullen we?”„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!”Zij keerden om.Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, en sloeg hem gade.Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude rijtuigen had.Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Menherinnerezich, dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de voordeur sluiten.

Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:

„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”

Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de richting der barrière ging.

„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”

„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij hem niet aan.”

„Waarom?”

„Hij is ingespannen.”

„Waarmee?”

„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”

„Wat dan?”

„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”

„’t Is waar.” zei Bossuet.

„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.

„Maar wie drommel volgt hij?”

„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”

„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs geen vrouw.”

Courfeyrac keek en riep:

„Hij volgt een man!”

Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.

Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.

Bossuet lachte luidkeels.

„Wie kan de man zijn?”

„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. „Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van Frankrijk.”

„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, zullen we?”

„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!”

Zij keerden om.

Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, en sloeg hem gade.

Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.

Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude rijtuigen had.

Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.

De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.

Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.

Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Menherinnerezich, dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.

Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de voordeur sluiten.

Zestiende hoofdstuk.Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode.Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.„Ik ben ’t,” zeide hij.„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.„Welnu?” vroeg de moeder.„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”„Gereed om uit te gaan.”„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”„Wees gerust.”„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”En met zachte stem voegde hij er bij:„De muizenval is open. De katten zijn er.”En met nog zachter stem:„Leg dit in het vuur.”Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”„Ja,” antwoordde de moeder.„Hoe laat is het?”„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”Er werd gefluisterd.Wederom verhief zich de stem van Jondrette.„Is vrouw Burgon uitgegaan?”„Ja,” zei de moeder.„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”„Zijt ge er zeker van?”„Zeker.”„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.„Va!” riep een stem, „hij is uit.”Marius herkende de stem der oudste dochter.„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”De vader riep:„Ga evenwel binnen.”De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:Nos amours ont duré toute une semaine.Mais que du bonheur les instants sont courts!S’adorer huit jours, c’était bien la peine!Le temps des amours devrait durer toujours!Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”Zij neuriede:Vous me quittez pour aller à la gloire,Mon triste coeur suivra partout vos pas.2Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”De oudste dochter bromde:„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.1Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!2Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.

Zestiende hoofdstuk.Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode.

Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.„Ik ben ’t,” zeide hij.„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.„Welnu?” vroeg de moeder.„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”„Gereed om uit te gaan.”„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”„Wees gerust.”„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”En met zachte stem voegde hij er bij:„De muizenval is open. De katten zijn er.”En met nog zachter stem:„Leg dit in het vuur.”Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”„Ja,” antwoordde de moeder.„Hoe laat is het?”„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”Er werd gefluisterd.Wederom verhief zich de stem van Jondrette.„Is vrouw Burgon uitgegaan?”„Ja,” zei de moeder.„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”„Zijt ge er zeker van?”„Zeker.”„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.„Va!” riep een stem, „hij is uit.”Marius herkende de stem der oudste dochter.„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”De vader riep:„Ga evenwel binnen.”De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:Nos amours ont duré toute une semaine.Mais que du bonheur les instants sont courts!S’adorer huit jours, c’était bien la peine!Le temps des amours devrait durer toujours!Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”Zij neuriede:Vous me quittez pour aller à la gloire,Mon triste coeur suivra partout vos pas.2Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”De oudste dochter bromde:„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.

Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.

Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.

Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.

Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf hebben gewaand.

Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.

Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis kwam.

Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.

„Ik ben ’t,” zeide hij.

„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.

„Welnu?” vroeg de moeder.

„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen kunnen inboezemen.”

„Gereed om uit te gaan.”

„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en alles behoorlijk uitvoeren?”

„Wees gerust.”

„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.

Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den beitel dien hij gekocht had.

„Wel,” hernam Jondrette, „is hier gegeten?”

„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”

„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.—Alles gaat goed.”

En met zachte stem voegde hij er bij:

„De muizenval is open. De katten zijn er.”

En met nog zachter stem:

„Leg dit in het vuur.”

Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:

„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen.”

„Ja,” antwoordde de moeder.

„Hoe laat is het?”

„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen.”

„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”

Er werd gefluisterd.

Wederom verhief zich de stem van Jondrette.

„Is vrouw Burgon uitgegaan?”

„Ja,” zei de moeder.

„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?”

„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, dat het nu zijn etensuur is.”

„Zijt ge er zeker van?”

„Zeker.”

„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien.”

Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder zijn bed.

Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten der deur licht.

„Va!” riep een stem, „hij is uit.”

Marius herkende de stem der oudste dochter.

„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.

„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; want de sleutel is in het slot.”

De vader riep:

„Ga evenwel binnen.”

De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het licht nog afschuwelijker.

Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong zij met haar schorre grafstem:

Nos amours ont duré toute une semaine.Mais que du bonheur les instants sont courts!S’adorer huit jours, c’était bien la peine!Le temps des amours devrait durer toujours!Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1

Nos amours ont duré toute une semaine.

Mais que du bonheur les instants sont courts!

S’adorer huit jours, c’était bien la peine!

Le temps des amours devrait durer toujours!

Devrait durer toujours! devrait durer toujours!1

Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest hooren ademen.

Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:

„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken.”

Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.

„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”

„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is niemand.”

„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons geen tijd verliezen.”

„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in hun kot den tijd voor niets.”

Zij neuriede:

Vous me quittez pour aller à la gloire,Mon triste coeur suivra partout vos pas.2

Vous me quittez pour aller à la gloire,

Mon triste coeur suivra partout vos pas.2

Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.

Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:

„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen.”

De oudste dochter bromde:

„Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen.”

„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.

Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de deur der onbewoonde kamer had gezien.

1Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!2Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.

1Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!

2Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom uw schreden.

Zeventiende hoofdstuk.Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzerenkomfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkendeop de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.Eensklaps zeide Jondrette luid:„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”„En het geld?” vroeg de vrouw.Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.„Wat is dat?” riep zij verwonderd.Jondrette antwoordde deftig:„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”Na eene poos hernam hij:„Er zijn twee stoelen noodig.”„Waarom?”„Om op te zitten.”Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”Haastig opende zij de deur en trad in de gang.Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.„Neem de kaars,” riep Jondrette.„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.Vrouw Jondrette trad binnen.Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in hadgeborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.„Wat is dat?” riep hij.Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”Marius hield het pistool steeds in zijn hand.

Zeventiende hoofdstuk.Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.

Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzerenkomfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkendeop de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.Eensklaps zeide Jondrette luid:„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”„En het geld?” vroeg de vrouw.Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.„Wat is dat?” riep zij verwonderd.Jondrette antwoordde deftig:„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”Na eene poos hernam hij:„Er zijn twee stoelen noodig.”„Waarom?”„Om op te zitten.”Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”Haastig opende zij de deur en trad in de gang.Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.„Neem de kaars,” riep Jondrette.„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.Vrouw Jondrette trad binnen.Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in hadgeborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.„Wat is dat?” riep hij.Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”Marius hield het pistool steeds in zijn hand.

Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.

Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een groot ijzerenkomfoor, dat onder den schoorsteen stond. De kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.

De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.

Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.

De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de verwarde droomen der aarde.

De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.

Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.

De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en rasterwerk.

Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.

Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkendeop de hoeden der wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met welgevallen doen zeggen:

„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in te boezemen.”

Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.

Eensklaps zeide Jondrette luid:

„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als ’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het rijtuig heengaan.”

„En het geld?” vroeg de vrouw.

Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.

„Wat is dat?” riep zij verwonderd.

Jondrette antwoordde deftig:

„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft.”

Na eene poos hernam hij:

„Er zijn twee stoelen noodig.”

„Waarom?”

„Om op te zitten.”

Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw Jondrette koel hoorde antwoorden:

„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”

Haastig opende zij de deur en trad in de gang.

Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed te gaan en er zich onder te verbergen.

„Neem de kaars,” riep Jondrette.

„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”

Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.

Vrouw Jondrette trad binnen.

Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.

Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.

„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer binnentredende.

„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu spoedig naar beneden.”

Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.

Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.

Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius afwezig was, gebracht.

’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.

Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.

De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.

Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in hadgeborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.

Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, te voorschijn, en spande den haan.

Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.

Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.

„Wat is dat?” riep hij.

Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon toen te lachen en zeide:

„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”

Marius hield het pistool steeds in zijn hand.

Achttiende hoofdstuk.De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander.Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.De heer Leblanc verscheen.Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:„Zend de huurkoets weg!”Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblancmet beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:„’t Is geschied.”De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.

Achttiende hoofdstuk.De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander.

Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.De heer Leblanc verscheen.Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:„Zend de huurkoets weg!”Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblancmet beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:„’t Is geschied.”De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.

Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.

Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden slag snoot hij de kaars met zijn vingers.

Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde weder.

„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.

Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten toen de deur geopend werd.

Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.

„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.

„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, haastig opstaande.

De heer Leblanc verscheen.

Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.

Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.

„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij zien.”

„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:

„Zend de huurkoets weg!”

Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblancmet beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in ’t oor:

„’t Is geschied.”

De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.

Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.

Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.

Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te steken.

Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij wenschte te weten.

Negentiende hoofdstuk.Een donkere achtergrond.Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtendenglimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc,een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijngezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer inhetlicht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.Jondrette sprak met ophef:„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters;het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”Jondrette antwoordde heel bedaard:„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papierof stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”

Negentiende hoofdstuk.Een donkere achtergrond.

Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtendenglimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc,een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijngezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer inhetlicht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.Jondrette sprak met ophef:„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters;het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”Jondrette antwoordde heel bedaard:„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papierof stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”

Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige kribben.

„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.

„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met verplichtendenglimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”

„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer Leblanc,een blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in een dreigende houding aanziende.

„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. ’t Is geen vrouw, ’t is een os.”

Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de liefelijkheid van een gevleid monster:

„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”

„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat uw naam Fabantou was?”

„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. „Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke ophemeling:

„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!”

Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijngezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk zien.

Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t welk Jondrette opmerkte.

„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”

„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.

„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u niet hinderen.”

De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst vertrouwen te kennen. Hij hernam:

„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”

„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, „ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”

Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor ’t gezicht.

Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer Leblanc hem evenwel opgemerkt.

„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”

Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een schilderij geleek en door de kaars min of meer inhetlicht kwam. Marius kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een uithangbord.

„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.

Jondrette sprak met ophef:

„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters;het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”

Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.

Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen was gericht.

„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?”

„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard is.”

Jondrette antwoordde heel bedaard:

„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden stellen.”

De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende krankzinnig was geworden.

„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij voor hout, papierof stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!”

Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in ’t oog.

Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:

„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!”

Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer Leblanc en riep hem met donderende stem toe:

„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?”


Back to IndexNext