Boek I.

Boek I.De oorlog tusschen vier muren.Eerste hoofdstuk.De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel.De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.Het janhagel valt het algemeen recht aan; deochlocratiestaat op tegen dendemos.Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die deronterfden.Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassenbewonderdheeft.Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak:Fex urbis, lex orbis.De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling;het zijons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden,verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10denAugustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij?Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevenswoedeen hetnietbevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in hetwanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieilledu Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommigeRomeinschemuren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegden somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansenboden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.Tweede hoofdstuk.Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten.Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:Leven de volken!Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachtsgebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassenenbossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak derMedusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hijwakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus,Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord,om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”Derde hoofdstuk.Verlichting en verduistering.Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval haddenafgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.Dat oogenblik was kort.Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6denJuni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.Vierde hoofdstuk.Vijf minder, een meer.Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”„Waarom allen?” vroeg Enjolras.„Allen! Allen!”Enjolras hernam:„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”Zij antwoordden:„Wijl niemand zal willen heengaan.”„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”Het gemor vermeerderde.„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdiepingheeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezondekind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders,de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”Allen lieten treurig het hoofd zinken.Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders deranderenen vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.Hij verhief de stem en sprak:„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”Niemand verroerde zich.„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.„Ik beveel het,” riep Enjolras.„Ik verzoek het,” zei Marius.Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.„Er zijn vijf man!” riep Marius.Er waren slechts vier uniformen.„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.Uit de groepen riep men tot Marius:„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:„Mij! mij! mij!”En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.De vijfde man was gered.Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hemopgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.De opschudding was onbeschrijfelijk.„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”Marius voegde er met ernstige stem bij:„Ik ken hem.”Deze waarborg was voor allen voldoende.Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:„Wees welkom, burger.”En hij voegde er bij:„Gij weet dat men hier sterven moet.”Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.Vijfde hoofdstuk.Welken horizont men van de kruin der barricade ziet.De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordigis, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionenhadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men denmaatschappelijkenbandnoemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij.Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eenerdynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.

Boek I.De oorlog tusschen vier muren.Eerste hoofdstuk.De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel.De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.Het janhagel valt het algemeen recht aan; deochlocratiestaat op tegen dendemos.Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die deronterfden.Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassenbewonderdheeft.Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak:Fex urbis, lex orbis.De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling;het zijons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden,verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10denAugustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij?Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevenswoedeen hetnietbevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in hetwanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieilledu Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommigeRomeinschemuren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegden somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansenboden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.Tweede hoofdstuk.Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten.Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:Leven de volken!Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachtsgebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassenenbossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak derMedusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hijwakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus,Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord,om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”Derde hoofdstuk.Verlichting en verduistering.Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval haddenafgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.Dat oogenblik was kort.Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6denJuni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.Vierde hoofdstuk.Vijf minder, een meer.Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”„Waarom allen?” vroeg Enjolras.„Allen! Allen!”Enjolras hernam:„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”Zij antwoordden:„Wijl niemand zal willen heengaan.”„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”Het gemor vermeerderde.„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdiepingheeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezondekind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders,de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”Allen lieten treurig het hoofd zinken.Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders deranderenen vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.Hij verhief de stem en sprak:„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”Niemand verroerde zich.„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.„Ik beveel het,” riep Enjolras.„Ik verzoek het,” zei Marius.Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.„Er zijn vijf man!” riep Marius.Er waren slechts vier uniformen.„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.Uit de groepen riep men tot Marius:„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:„Mij! mij! mij!”En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.De vijfde man was gered.Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hemopgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.De opschudding was onbeschrijfelijk.„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”Marius voegde er met ernstige stem bij:„Ik ken hem.”Deze waarborg was voor allen voldoende.Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:„Wees welkom, burger.”En hij voegde er bij:„Gij weet dat men hier sterven moet.”Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.Vijfde hoofdstuk.Welken horizont men van de kruin der barricade ziet.De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordigis, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionenhadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men denmaatschappelijkenbandnoemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij.Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eenerdynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.

Eerste hoofdstuk.De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel.De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.Het janhagel valt het algemeen recht aan; deochlocratiestaat op tegen dendemos.Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die deronterfden.Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassenbewonderdheeft.Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak:Fex urbis, lex orbis.De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling;het zijons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden,verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10denAugustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij?Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevenswoedeen hetnietbevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in hetwanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieilledu Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommigeRomeinschemuren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegden somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansenboden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.

Eerste hoofdstuk.De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel.

De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.Het janhagel valt het algemeen recht aan; deochlocratiestaat op tegen dendemos.Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die deronterfden.Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassenbewonderdheeft.Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak:Fex urbis, lex orbis.De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling;het zijons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden,verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10denAugustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij?Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevenswoedeen hetnietbevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in hetwanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieilledu Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommigeRomeinschemuren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegden somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansenboden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.

De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.

Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.

Het janhagel valt het algemeen recht aan; deochlocratiestaat op tegen dendemos.

Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die deronterfden.

Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.

Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassenbewonderdheeft.

Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak:Fex urbis, lex orbis.

De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.

Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.

Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling;het zijons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.

De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.

De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden,verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10denAugustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij?Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevenswoedeen hetnietbevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!

Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.

Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.

De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.

De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in hetwanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.

Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieilledu Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommigeRomeinschemuren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.

De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.

’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.

Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegden somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.

Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.

In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.

Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.

Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.

De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.

„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.

De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansenboden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.

Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.

Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.

Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.

Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.

Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.

Tweede hoofdstuk.Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten.Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:Leven de volken!Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachtsgebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassenenbossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak derMedusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hijwakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus,Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord,om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”

Tweede hoofdstuk.Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten.

Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:Leven de volken!Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachtsgebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassenenbossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak derMedusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hijwakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus,Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord,om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”

Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.

Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.

Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.

Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.

Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.

Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:

Leven de volken!

Leven de volken!

Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.

De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachtsgebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.

Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.

Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassenenbossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.

In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.

„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.

In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.

De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.

Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.

Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak derMedusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”

Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.

Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hijwakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.

Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.

De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.

„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”

De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.

Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:

„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”

Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:

„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus,Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord,om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”

En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.

„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”

Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:

„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”

Derde hoofdstuk.Verlichting en verduistering.Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval haddenafgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.Dat oogenblik was kort.Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6denJuni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.

Derde hoofdstuk.Verlichting en verduistering.

Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval haddenafgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.Dat oogenblik was kort.Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6denJuni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.

Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.

De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval haddenafgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.

Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.

Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.

Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:

„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”

Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.

Dat oogenblik was kort.

Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:

„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”

Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.

Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.

Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6denJuni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”

Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.

Vierde hoofdstuk.Vijf minder, een meer.Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”„Waarom allen?” vroeg Enjolras.„Allen! Allen!”Enjolras hernam:„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”Zij antwoordden:„Wijl niemand zal willen heengaan.”„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”Het gemor vermeerderde.„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdiepingheeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezondekind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders,de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”Allen lieten treurig het hoofd zinken.Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders deranderenen vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.Hij verhief de stem en sprak:„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”Niemand verroerde zich.„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.„Ik beveel het,” riep Enjolras.„Ik verzoek het,” zei Marius.Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.„Er zijn vijf man!” riep Marius.Er waren slechts vier uniformen.„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.Uit de groepen riep men tot Marius:„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:„Mij! mij! mij!”En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.De vijfde man was gered.Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hemopgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.De opschudding was onbeschrijfelijk.„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”Marius voegde er met ernstige stem bij:„Ik ken hem.”Deze waarborg was voor allen voldoende.Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:„Wees welkom, burger.”En hij voegde er bij:„Gij weet dat men hier sterven moet.”Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.

Vierde hoofdstuk.Vijf minder, een meer.

Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”„Waarom allen?” vroeg Enjolras.„Allen! Allen!”Enjolras hernam:„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”Zij antwoordden:„Wijl niemand zal willen heengaan.”„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”Het gemor vermeerderde.„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdiepingheeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezondekind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders,de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”Allen lieten treurig het hoofd zinken.Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders deranderenen vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.Hij verhief de stem en sprak:„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”Niemand verroerde zich.„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.„Ik beveel het,” riep Enjolras.„Ik verzoek het,” zei Marius.Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.„Er zijn vijf man!” riep Marius.Er waren slechts vier uniformen.„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.Uit de groepen riep men tot Marius:„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:„Mij! mij! mij!”En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.De vijfde man was gered.Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hemopgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.De opschudding was onbeschrijfelijk.„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”Marius voegde er met ernstige stem bij:„Ik ken hem.”Deze waarborg was voor allen voldoende.Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:„Wees welkom, burger.”En hij voegde er bij:„Gij weet dat men hier sterven moet.”Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.

Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:

„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”

„Waarom allen?” vroeg Enjolras.

„Allen! Allen!”

Enjolras hernam:

„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”

Zij antwoordden:

„Wijl niemand zal willen heengaan.”

„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”

Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.

Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:

„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”

Het gemor vermeerderde.

„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”

„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”

„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”

Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.

Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.

„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”

En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.

Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.

„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdiepingheeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezondekind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders,de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”

Allen lieten treurig het hoofd zinken.

Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders deranderenen vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”

Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.

Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.

Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.

Hij verhief de stem en sprak:

„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”

Niemand verroerde zich.

„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.

Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.

„Ik beveel het,” riep Enjolras.

„Ik verzoek het,” zei Marius.

Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.

„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”

„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”

Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.

„Er zijn vijf man!” riep Marius.

Er waren slechts vier uniformen.

„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”

En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.

„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”

Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.

„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.

Uit de groepen riep men tot Marius:

„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”

„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”

Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.

Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:

„Mij! mij! mij!”

En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.

In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.

De vijfde man was gered.

Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.

Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.

Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.

Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.

De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.

Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hemopgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.

De opschudding was onbeschrijfelijk.

„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.

„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”

Marius voegde er met ernstige stem bij:

„Ik ken hem.”

Deze waarborg was voor allen voldoende.

Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:

„Wees welkom, burger.”

En hij voegde er bij:

„Gij weet dat men hier sterven moet.”

Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.

Vijfde hoofdstuk.Welken horizont men van de kruin der barricade ziet.De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordigis, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionenhadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men denmaatschappelijkenbandnoemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij.Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eenerdynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.

Vijfde hoofdstuk.Welken horizont men van de kruin der barricade ziet.

De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordigis, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionenhadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men denmaatschappelijkenbandnoemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij.Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eenerdynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.

De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.

Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.

Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordigis, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:

„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionenhadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men denmaatschappelijkenbandnoemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij.Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eenerdynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”

Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.


Back to IndexNext