Zesde hoofdstuk.

Zesde hoofdstuk.Marius verwilderd, Javert lakonisch.Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.Javert antwoordde:„Wanneer zult ge mij dooden?”„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.„Is dat alles?” vroeg Enjolras.„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”Zevende hoofdstuk.Detoestandwordt erger.Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straatSt. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandertzich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.Een kanonstuk verscheen.Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.„Vuur!” riep Enjolras.De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.En de geheele barricade klapte in de handen.Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stukleggen.”„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde.Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.De angst was groot in de barricade.Het schot ging af en donderde.„Present!” riep een vroolijke stem.Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.Achtste hoofdstuk.De artilleristen nemen het ernstig op.Men omringde Gavroche.Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:„Wat komt ge hier doen?”„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.Op strengen toon hernam Marius:„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van denheer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:„Kent ge dien man?”„Neen,” zei Gavroche.Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”Courfeyrac deed het hem teruggeven.Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijldendooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”„Hij is ’t,” zei Enjolras.„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.Negende hoofdstuk.Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest.De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.Enjolras gaf bevel:„Er moet daar een matras gelegd worden.”„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huismetzes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.De barricade juichte.Alle stemmen riepen:„Wij hebben de matras!”„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen debelegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”Tiende hoofdstuk.De dageraad.Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van hethuis uitziende.Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:„Er schijnt iets gaande te zijn.”Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zijondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis.’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt,enhoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelschehalve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zijzeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.Elfde hoofdstuk.Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel vanCorinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:„Ge begint te beuzelen, goede man.”Men intrigueert in een gevecht als op een bal.’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.Jean Valjean antwoordde niet.Twaalfde hoofdstuk.De wanorde als handlanger der orde.Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en deeerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk eengeïmproviseerderechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het rechtgeefteen andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht,kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onzeammunitievoor niets verspillen.Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, hetquid divinumlost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.Dertiende hoofdstuk.Voorbijgaande flikkeringen.In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”’t Is stellig, dat in den morgen van den 6denJuni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, dezebeginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:„Deze gekwetsten komen niet van ons.”De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelatenhardnekkigentreft.De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.De zon rees aan den horizon.Een opstandeling zeide tot Enjolras:„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.

Zesde hoofdstuk.Marius verwilderd, Javert lakonisch.Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.Javert antwoordde:„Wanneer zult ge mij dooden?”„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.„Is dat alles?” vroeg Enjolras.„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”Zevende hoofdstuk.Detoestandwordt erger.Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straatSt. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandertzich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.Een kanonstuk verscheen.Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.„Vuur!” riep Enjolras.De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.En de geheele barricade klapte in de handen.Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stukleggen.”„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde.Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.De angst was groot in de barricade.Het schot ging af en donderde.„Present!” riep een vroolijke stem.Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.Achtste hoofdstuk.De artilleristen nemen het ernstig op.Men omringde Gavroche.Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:„Wat komt ge hier doen?”„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.Op strengen toon hernam Marius:„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van denheer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:„Kent ge dien man?”„Neen,” zei Gavroche.Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”Courfeyrac deed het hem teruggeven.Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijldendooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”„Hij is ’t,” zei Enjolras.„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.Negende hoofdstuk.Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest.De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.Enjolras gaf bevel:„Er moet daar een matras gelegd worden.”„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huismetzes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.De barricade juichte.Alle stemmen riepen:„Wij hebben de matras!”„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen debelegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”Tiende hoofdstuk.De dageraad.Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van hethuis uitziende.Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:„Er schijnt iets gaande te zijn.”Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zijondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis.’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt,enhoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelschehalve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zijzeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.Elfde hoofdstuk.Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel vanCorinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:„Ge begint te beuzelen, goede man.”Men intrigueert in een gevecht als op een bal.’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.Jean Valjean antwoordde niet.Twaalfde hoofdstuk.De wanorde als handlanger der orde.Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en deeerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk eengeïmproviseerderechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het rechtgeefteen andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht,kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onzeammunitievoor niets verspillen.Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, hetquid divinumlost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.Dertiende hoofdstuk.Voorbijgaande flikkeringen.In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”’t Is stellig, dat in den morgen van den 6denJuni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, dezebeginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:„Deze gekwetsten komen niet van ons.”De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelatenhardnekkigentreft.De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.De zon rees aan den horizon.Een opstandeling zeide tot Enjolras:„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.

Zesde hoofdstuk.Marius verwilderd, Javert lakonisch.Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.Javert antwoordde:„Wanneer zult ge mij dooden?”„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.„Is dat alles?” vroeg Enjolras.„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”

Zesde hoofdstuk.Marius verwilderd, Javert lakonisch.

Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.Javert antwoordde:„Wanneer zult ge mij dooden?”„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.„Is dat alles?” vroeg Enjolras.„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”

Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.

Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.

Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.

Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.

Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”

Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.

De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.

Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.

„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.

Javert antwoordde:

„Wanneer zult ge mij dooden?”

„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”

„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.

Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.

„Is dat alles?” vroeg Enjolras.

„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”

En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.

Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.

Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.

Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.

Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”

Zevende hoofdstuk.Detoestandwordt erger.Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straatSt. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandertzich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.Een kanonstuk verscheen.Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.„Vuur!” riep Enjolras.De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.En de geheele barricade klapte in de handen.Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stukleggen.”„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde.Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.De angst was groot in de barricade.Het schot ging af en donderde.„Present!” riep een vroolijke stem.Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.

Zevende hoofdstuk.Detoestandwordt erger.

Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straatSt. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandertzich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.Een kanonstuk verscheen.Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.„Vuur!” riep Enjolras.De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.En de geheele barricade klapte in de handen.Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stukleggen.”„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde.Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.De angst was groot in de barricade.Het schot ging af en donderde.„Present!” riep een vroolijke stem.Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.

Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straatSt. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.

Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.

De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.

Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”

Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.

Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.

Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.

Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.

Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandertzich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.

Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.

Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.

Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.

Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.

De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.

Een kanonstuk verscheen.

Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.

„Vuur!” riep Enjolras.

De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.

Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.

„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.

En de geheele barricade klapte in de handen.

Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.

„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”

„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stukleggen.”

„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”

„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde.Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”

„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.

Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.

De angst was groot in de barricade.

Het schot ging af en donderde.

„Present!” riep een vroolijke stem.

Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.

Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.

Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.

De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.

„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.

Achtste hoofdstuk.De artilleristen nemen het ernstig op.Men omringde Gavroche.Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:„Wat komt ge hier doen?”„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.Op strengen toon hernam Marius:„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van denheer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:„Kent ge dien man?”„Neen,” zei Gavroche.Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”Courfeyrac deed het hem teruggeven.Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijldendooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”„Hij is ’t,” zei Enjolras.„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.

Achtste hoofdstuk.De artilleristen nemen het ernstig op.

Men omringde Gavroche.Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:„Wat komt ge hier doen?”„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.Op strengen toon hernam Marius:„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van denheer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:„Kent ge dien man?”„Neen,” zei Gavroche.Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”Courfeyrac deed het hem teruggeven.Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijldendooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”„Hij is ’t,” zei Enjolras.„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.

Men omringde Gavroche.

Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:

„Wat komt ge hier doen?”

„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”

En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.

Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.

Op strengen toon hernam Marius:

„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”

Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.

„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”

Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.

Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.

De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van denheer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:

„Kent ge dien man?”

„Neen,” zei Gavroche.

Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.

De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.

Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”

Courfeyrac deed het hem teruggeven.

Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.

Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:

„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”

Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.

De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.

Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.

Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.

„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”

De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijldendooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.

Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.

Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.

Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.

„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.

Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.

Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.

Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.

„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”

„Hij is ’t,” zei Enjolras.

„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”

„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”

En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.

Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.

Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.

Negende hoofdstuk.Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest.De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.Enjolras gaf bevel:„Er moet daar een matras gelegd worden.”„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huismetzes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.De barricade juichte.Alle stemmen riepen:„Wij hebben de matras!”„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen debelegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”

Negende hoofdstuk.Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest.

De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.Enjolras gaf bevel:„Er moet daar een matras gelegd worden.”„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huismetzes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.De barricade juichte.Alle stemmen riepen:„Wij hebben de matras!”„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen debelegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”

De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.

Enjolras gaf bevel:

„Er moet daar een matras gelegd worden.”

„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”

Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”

Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.

Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huismetzes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.

„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.

Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.

Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.

Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.

Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.

De barricade juichte.

Alle stemmen riepen:

„Wij hebben de matras!”

„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”

De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen debelegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.

Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.

Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.

Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.

Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.

„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”

Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:

„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”

Tiende hoofdstuk.De dageraad.Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van hethuis uitziende.Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:„Er schijnt iets gaande te zijn.”Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zijondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis.’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt,enhoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelschehalve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zijzeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.

Tiende hoofdstuk.De dageraad.

Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van hethuis uitziende.Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:„Er schijnt iets gaande te zijn.”Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zijondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis.’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt,enhoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelschehalve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zijzeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.

Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.

Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van hethuis uitziende.Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:„Er schijnt iets gaande te zijn.”Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.

Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zijondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.

Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis.’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.

Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.

Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt,enhoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.

Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.

Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.

’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelschehalve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.

Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.

Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.

Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.

Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.

Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zijzeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.

Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.

Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.

Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.

Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.

Elfde hoofdstuk.Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel vanCorinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:„Ge begint te beuzelen, goede man.”Men intrigueert in een gevecht als op een bal.’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.Jean Valjean antwoordde niet.

Elfde hoofdstuk.Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.

Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel vanCorinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:„Ge begint te beuzelen, goede man.”Men intrigueert in een gevecht als op een bal.’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.Jean Valjean antwoordde niet.

Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel vanCorinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.

Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.

„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”

Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:

„Ge begint te beuzelen, goede man.”

Men intrigueert in een gevecht als op een bal.

’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.

„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.

Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.

Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.

Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.

„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.

Jean Valjean antwoordde niet.

Twaalfde hoofdstuk.De wanorde als handlanger der orde.Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en deeerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk eengeïmproviseerderechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het rechtgeefteen andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht,kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onzeammunitievoor niets verspillen.Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, hetquid divinumlost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.

Twaalfde hoofdstuk.De wanorde als handlanger der orde.

Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en deeerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk eengeïmproviseerderechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het rechtgeefteen andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht,kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onzeammunitievoor niets verspillen.Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, hetquid divinumlost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.

Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:

„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”

„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.

Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.

’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.

Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.

De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en deeerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.

De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk eengeïmproviseerderechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het rechtgeefteen andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”

Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.

Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht,kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.

Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onzeammunitievoor niets verspillen.

Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, hetquid divinumlost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.

Dertiende hoofdstuk.Voorbijgaande flikkeringen.In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”’t Is stellig, dat in den morgen van den 6denJuni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, dezebeginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:„Deze gekwetsten komen niet van ons.”De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelatenhardnekkigentreft.De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.De zon rees aan den horizon.Een opstandeling zeide tot Enjolras:„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.

Dertiende hoofdstuk.Voorbijgaande flikkeringen.

In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”’t Is stellig, dat in den morgen van den 6denJuni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, dezebeginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:„Deze gekwetsten komen niet van ons.”De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelatenhardnekkigentreft.De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.De zon rees aan den horizon.Een opstandeling zeide tot Enjolras:„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.

In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.

Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.

„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”

’t Is stellig, dat in den morgen van den 6denJuni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”

Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, dezebeginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:

„Deze gekwetsten komen niet van ons.”

De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelatenhardnekkigentreft.

De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.

De zon rees aan den horizon.

Een opstandeling zeide tot Enjolras:

„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”

Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.


Back to IndexNext