Boek III.Slijk, echter ziel.Eerste hoofdstuk.Het riool en zijn verrassingen.’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevonddat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.Jean Valjean begreep dit dadelijk.Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en deglooiingvolgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijste voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.Hij ging rechts, tegen de glooiing op.Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.’t Was bezwaarlijk zich te richten.De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen.Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegende hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.Tweede hoofdstuk.Verklaring.Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der rondeluisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en eenbousingotop te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woordbousingothet midden tusschen het woordJacobin, dat verouderd was, en het woorddemagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starendenblik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.Derde hoofdstuk.De vervolgde man.Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers,zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.Welk doel had de laatste?Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.Er is een purper in de laagte.’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.Het huurrijtuig reed langs de boomen derChamps-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen,een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.De man in den kiel was geheel verdwenen.De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:„Wel! wel! wel! wel!”Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.Vierde hoofdstuk.Ook hij draagt zijn kruis.Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minderschranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij naduizendenbezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wijherinnerehet, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelenin roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.Vijfde hoofdstuk.Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid.Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, nietsonderscheidtden vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragenof te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Danverzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen,terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!Zesde hoofdstuk.De modderwel.Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulischewerkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.
Boek III.Slijk, echter ziel.Eerste hoofdstuk.Het riool en zijn verrassingen.’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevonddat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.Jean Valjean begreep dit dadelijk.Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en deglooiingvolgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijste voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.Hij ging rechts, tegen de glooiing op.Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.’t Was bezwaarlijk zich te richten.De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen.Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegende hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.Tweede hoofdstuk.Verklaring.Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der rondeluisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en eenbousingotop te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woordbousingothet midden tusschen het woordJacobin, dat verouderd was, en het woorddemagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starendenblik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.Derde hoofdstuk.De vervolgde man.Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers,zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.Welk doel had de laatste?Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.Er is een purper in de laagte.’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.Het huurrijtuig reed langs de boomen derChamps-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen,een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.De man in den kiel was geheel verdwenen.De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:„Wel! wel! wel! wel!”Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.Vierde hoofdstuk.Ook hij draagt zijn kruis.Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minderschranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij naduizendenbezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wijherinnerehet, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelenin roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.Vijfde hoofdstuk.Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid.Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, nietsonderscheidtden vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragenof te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Danverzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen,terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!Zesde hoofdstuk.De modderwel.Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulischewerkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.
Eerste hoofdstuk.Het riool en zijn verrassingen.’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevonddat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.Jean Valjean begreep dit dadelijk.Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en deglooiingvolgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijste voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.Hij ging rechts, tegen de glooiing op.Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.’t Was bezwaarlijk zich te richten.De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen.Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegende hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.
Eerste hoofdstuk.Het riool en zijn verrassingen.
’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevonddat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.Jean Valjean begreep dit dadelijk.Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en deglooiingvolgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijste voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.Hij ging rechts, tegen de glooiing op.Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.’t Was bezwaarlijk zich te richten.De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen.Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegende hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.
’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.
Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.
De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.
Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.
Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.
Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevonddat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.
Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.
Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.
Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.
Jean Valjean begreep dit dadelijk.
Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en deglooiingvolgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijste voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.
Hij ging rechts, tegen de glooiing op.
Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.
Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.
’t Was bezwaarlijk zich te richten.
De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen.Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.
Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.
Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.
Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.
Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegende hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.
Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.
Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.
Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.
Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.
Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.
Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.
’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.
Tweede hoofdstuk.Verklaring.Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der rondeluisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en eenbousingotop te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woordbousingothet midden tusschen het woordJacobin, dat verouderd was, en het woorddemagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starendenblik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.
Tweede hoofdstuk.Verklaring.
Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der rondeluisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en eenbousingotop te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woordbousingothet midden tusschen het woordJacobin, dat verouderd was, en het woorddemagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starendenblik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.
Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.
De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.
Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.
Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.
’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.
Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der rondeluisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.
Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.
De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en eenbousingotop te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.
Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woordbousingothet midden tusschen het woordJacobin, dat verouderd was, en het woorddemagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.
De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.
Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.
Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starendenblik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.
Derde hoofdstuk.De vervolgde man.Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers,zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.Welk doel had de laatste?Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.Er is een purper in de laagte.’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.Het huurrijtuig reed langs de boomen derChamps-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen,een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.De man in den kiel was geheel verdwenen.De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:„Wel! wel! wel! wel!”Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.
Derde hoofdstuk.De vervolgde man.
Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers,zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.Welk doel had de laatste?Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.Er is een purper in de laagte.’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.Het huurrijtuig reed langs de boomen derChamps-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen,een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.De man in den kiel was geheel verdwenen.De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:„Wel! wel! wel! wel!”Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.
Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.
’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.
Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.
’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.
’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.
De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.
De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.
De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers,zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.
Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.
De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.
Welk doel had de laatste?
Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.
Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.
Er is een purper in de laagte.
’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.
Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.
Het huurrijtuig reed langs de boomen derChamps-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.
Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”
Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.
’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen,een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.
Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.
Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.
Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.
Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?
Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.
’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.
De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.
De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.
Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.
De man in den kiel was geheel verdwenen.
De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.
De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden?
De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.
Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.
De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.
Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.
Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:
„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”
Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:
„Wel! wel! wel! wel!”
Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.
Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.
Vierde hoofdstuk.Ook hij draagt zijn kruis.Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minderschranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij naduizendenbezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wijherinnerehet, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelenin roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.
Vierde hoofdstuk.Ook hij draagt zijn kruis.
Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minderschranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij naduizendenbezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wijherinnerehet, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelenin roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.
Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.
Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.
Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.
Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minderschranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.
Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij naduizendenbezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.
Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wijherinnerehet, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.
Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.
Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.
Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelenin roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.
Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:
„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”
Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.
Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.
Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.
Vijfde hoofdstuk.Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid.Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, nietsonderscheidtden vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragenof te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Danverzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen,terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!
Vijfde hoofdstuk.Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid.
Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, nietsonderscheidtden vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragenof te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Danverzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen,terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!
Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.
Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, nietsonderscheidtden vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.
Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragenof te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.
Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.
Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.
Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.
Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Danverzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.
Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.
Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.
Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.
De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen,terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.
De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.
Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!
Zesde hoofdstuk.De modderwel.Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulischewerkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.
Zesde hoofdstuk.De modderwel.
Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulischewerkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.
Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.
In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulischewerkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.
De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.
Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.
Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.
Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd.
Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.
Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.
Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.