Zevende hoofdstuk.De uiterste nood.Opnieuw zette hij zijn weg voort.Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.Jean Valjean zag den uitgang.Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.Jean Valjean bereikte den uitgang.Daar bleef hij staan.’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoogzich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.’t Was de laatste droppel van den angst.Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.Achtste hoofdstuk.Het afgescheurde rokspand.In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:„Ieder de helft.”Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.Een man stond voor hem.Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man.’t Was Thénardier.Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.Beiden wachtten een oogenblik.Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.Thénardier brak het eerst het zwijgen.„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”Jean Valjean antwoordde niet.Thénardier hernam:„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”„’t Is waar,” zei Valjean.„Nu, ieder de helft.”„Wat bedoelt ge?”„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.Thénardier hernam:„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”„Wat moet ik met dit touw?”„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”„Waartoe een steen?”„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”Jean Valjean bleef zwijgen.Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.Thénardier hernam:„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”Jean Valjean tastte in zijn zakken.’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.Thénardier stak de onderlip vooruit met eenveelbeteekenendedraaiing van den hals.„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”Hij lachte.Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Eenoogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.Jean Valjean was buiten.Negende hoofdstuk.Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.Hij leide Marius aan den rivierzoom.Zij waren buiten!Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.Hij keerde zich om.Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.Jean Valjean herkende Javert.De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:„Wie zijt gij?”„Ik.”„Wie, gij?”„Jean Valjean.”Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.„’t Is een doode,” zei Javert.Jean Valjean antwoordde:„Neen, nog niet.”„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”Toen riep hij: „Koetsier!”Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.Javert behield de portefeuille van Marius.Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.Tiende hoofdstuk.Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”„Ja. Wat wilt ge van hem?”„Men brengt hem zijn zoon terug.”„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.„Hij is dood.”Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.Javert hernam:„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”„Naar de barricade!” riep de portier.„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”De portier verroerde zich niet.„Ga toch!” herhaalde Javert.En hij voegde er bij:„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”„Wat?” vroeg Javert ruw.„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”Elfde hoofdstuk.Verbazing.Onderweg spraken zij geen woord meer.Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschieneen of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:„Ik wacht u hier.”Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelenvan Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.Javert was heengegaan.Twaalfde hoofdstuk.De grootvader.Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam,liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen.’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.’t Was de grootvader.De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van denheer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:„Marius!”„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengenen zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk!Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon dedniet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van HerkulesFarnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand vanwant ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”En hij zonk machteloos neder.
Zevende hoofdstuk.De uiterste nood.Opnieuw zette hij zijn weg voort.Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.Jean Valjean zag den uitgang.Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.Jean Valjean bereikte den uitgang.Daar bleef hij staan.’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoogzich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.’t Was de laatste droppel van den angst.Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.Achtste hoofdstuk.Het afgescheurde rokspand.In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:„Ieder de helft.”Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.Een man stond voor hem.Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man.’t Was Thénardier.Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.Beiden wachtten een oogenblik.Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.Thénardier brak het eerst het zwijgen.„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”Jean Valjean antwoordde niet.Thénardier hernam:„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”„’t Is waar,” zei Valjean.„Nu, ieder de helft.”„Wat bedoelt ge?”„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.Thénardier hernam:„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”„Wat moet ik met dit touw?”„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”„Waartoe een steen?”„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”Jean Valjean bleef zwijgen.Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.Thénardier hernam:„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”Jean Valjean tastte in zijn zakken.’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.Thénardier stak de onderlip vooruit met eenveelbeteekenendedraaiing van den hals.„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”Hij lachte.Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Eenoogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.Jean Valjean was buiten.Negende hoofdstuk.Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.Hij leide Marius aan den rivierzoom.Zij waren buiten!Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.Hij keerde zich om.Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.Jean Valjean herkende Javert.De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:„Wie zijt gij?”„Ik.”„Wie, gij?”„Jean Valjean.”Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.„’t Is een doode,” zei Javert.Jean Valjean antwoordde:„Neen, nog niet.”„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”Toen riep hij: „Koetsier!”Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.Javert behield de portefeuille van Marius.Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.Tiende hoofdstuk.Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”„Ja. Wat wilt ge van hem?”„Men brengt hem zijn zoon terug.”„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.„Hij is dood.”Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.Javert hernam:„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”„Naar de barricade!” riep de portier.„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”De portier verroerde zich niet.„Ga toch!” herhaalde Javert.En hij voegde er bij:„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”„Wat?” vroeg Javert ruw.„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”Elfde hoofdstuk.Verbazing.Onderweg spraken zij geen woord meer.Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschieneen of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:„Ik wacht u hier.”Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelenvan Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.Javert was heengegaan.Twaalfde hoofdstuk.De grootvader.Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam,liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen.’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.’t Was de grootvader.De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van denheer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:„Marius!”„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengenen zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk!Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon dedniet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van HerkulesFarnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand vanwant ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”En hij zonk machteloos neder.
Zevende hoofdstuk.De uiterste nood.Opnieuw zette hij zijn weg voort.Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.Jean Valjean zag den uitgang.Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.Jean Valjean bereikte den uitgang.Daar bleef hij staan.’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoogzich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.’t Was de laatste droppel van den angst.Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.
Zevende hoofdstuk.De uiterste nood.
Opnieuw zette hij zijn weg voort.Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.Jean Valjean zag den uitgang.Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.Jean Valjean bereikte den uitgang.Daar bleef hij staan.’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoogzich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.’t Was de laatste droppel van den angst.Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.
Opnieuw zette hij zijn weg voort.
Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.
Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht.
Jean Valjean zag den uitgang.
Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.
Jean Valjean bereikte den uitgang.
Daar bleef hij staan.
’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.
De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.
Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.
’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.
Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoogzich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.
Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.
’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.
’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.
Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.
’t Was de laatste droppel van den angst.
Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.
Achtste hoofdstuk.Het afgescheurde rokspand.In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:„Ieder de helft.”Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.Een man stond voor hem.Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man.’t Was Thénardier.Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.Beiden wachtten een oogenblik.Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.Thénardier brak het eerst het zwijgen.„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”Jean Valjean antwoordde niet.Thénardier hernam:„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”„’t Is waar,” zei Valjean.„Nu, ieder de helft.”„Wat bedoelt ge?”„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.Thénardier hernam:„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”„Wat moet ik met dit touw?”„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”„Waartoe een steen?”„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”Jean Valjean bleef zwijgen.Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.Thénardier hernam:„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”Jean Valjean tastte in zijn zakken.’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.Thénardier stak de onderlip vooruit met eenveelbeteekenendedraaiing van den hals.„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”Hij lachte.Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Eenoogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.Jean Valjean was buiten.
Achtste hoofdstuk.Het afgescheurde rokspand.
In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:„Ieder de helft.”Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.Een man stond voor hem.Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man.’t Was Thénardier.Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.Beiden wachtten een oogenblik.Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.Thénardier brak het eerst het zwijgen.„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”Jean Valjean antwoordde niet.Thénardier hernam:„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”„’t Is waar,” zei Valjean.„Nu, ieder de helft.”„Wat bedoelt ge?”„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.Thénardier hernam:„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”„Wat moet ik met dit touw?”„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”„Waartoe een steen?”„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”Jean Valjean bleef zwijgen.Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.Thénardier hernam:„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”Jean Valjean tastte in zijn zakken.’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.Thénardier stak de onderlip vooruit met eenveelbeteekenendedraaiing van den hals.„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”Hij lachte.Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Eenoogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.Jean Valjean was buiten.
In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:
„Ieder de helft.”
Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.
Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.
Een man stond voor hem.
Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.
Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man.
’t Was Thénardier.
Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.
Beiden wachtten een oogenblik.
Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.
Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.
Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.
Thénardier brak het eerst het zwijgen.
„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”
Jean Valjean antwoordde niet.
Thénardier hernam:
„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”
„’t Is waar,” zei Valjean.
„Nu, ieder de helft.”
„Wat bedoelt ge?”
„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”
Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:
„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”
Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.
Thénardier hernam:
„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”
En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:
„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”
Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.
Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.
„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”
„Wat moet ik met dit touw?”
„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”
„Waartoe een steen?”
„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”
Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.
Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.
„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”
Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:
„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”
Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:
„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”
Jean Valjean bleef zwijgen.
Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:
„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”
Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.
„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”
Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.
’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.
Thénardier hernam:
„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”
Jean Valjean tastte in zijn zakken.
’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous.
Thénardier stak de onderlip vooruit met eenveelbeteekenendedraaiing van den hals.
„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.
Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.
„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.
Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:
„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”
Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.
„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”
Hij lachte.
Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.
Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Eenoogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.
Jean Valjean was buiten.
Negende hoofdstuk.Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.Hij leide Marius aan den rivierzoom.Zij waren buiten!Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.Hij keerde zich om.Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.Jean Valjean herkende Javert.De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:„Wie zijt gij?”„Ik.”„Wie, gij?”„Jean Valjean.”Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.„’t Is een doode,” zei Javert.Jean Valjean antwoordde:„Neen, nog niet.”„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”Toen riep hij: „Koetsier!”Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.Javert behield de portefeuille van Marius.Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.
Negende hoofdstuk.Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.
Hij leide Marius aan den rivierzoom.Zij waren buiten!Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.Hij keerde zich om.Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.Jean Valjean herkende Javert.De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:„Wie zijt gij?”„Ik.”„Wie, gij?”„Jean Valjean.”Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.„’t Is een doode,” zei Javert.Jean Valjean antwoordde:„Neen, nog niet.”„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”Toen riep hij: „Koetsier!”Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.Javert behield de portefeuille van Marius.Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.
Hij leide Marius aan den rivierzoom.
Zij waren buiten!
Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.
’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.
Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.
Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.
Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.
Hij keerde zich om.
Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.
’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.
Jean Valjean herkende Javert.
De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.
Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.
Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.
Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.
Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:
„Wie zijt gij?”
„Ik.”
„Wie, gij?”
„Jean Valjean.”
Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.
Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.
„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”
Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:
„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”
Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.
Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:
„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”
Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.
Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.
„Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”
Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.
Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.
„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.
„’t Is een doode,” zei Javert.
Jean Valjean antwoordde:
„Neen, nog niet.”
„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.
Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.
Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:
„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”
Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.
’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”
Toen riep hij: „Koetsier!”
Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.
Javert behield de portefeuille van Marius.
Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.
Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.
Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.
Tiende hoofdstuk.Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”„Ja. Wat wilt ge van hem?”„Men brengt hem zijn zoon terug.”„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.„Hij is dood.”Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.Javert hernam:„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”„Naar de barricade!” riep de portier.„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”De portier verroerde zich niet.„Ga toch!” herhaalde Javert.En hij voegde er bij:„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”„Wat?” vroeg Javert ruw.„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”
Tiende hoofdstuk.Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.
Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”„Ja. Wat wilt ge van hem?”„Men brengt hem zijn zoon terug.”„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.„Hij is dood.”Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.Javert hernam:„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”„Naar de barricade!” riep de portier.„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”De portier verroerde zich niet.„Ga toch!” herhaalde Javert.En hij voegde er bij:„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”„Wat?” vroeg Javert ruw.„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”
Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.
Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.
Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.
Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.
Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.
Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.
Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:
„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”
„Ja. Wat wilt ge van hem?”
„Men brengt hem zijn zoon terug.”
„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.
„Hij is dood.”
Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.
De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.
Javert hernam:
„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”
„Naar de barricade!” riep de portier.
„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”
De portier verroerde zich niet.
„Ga toch!” herhaalde Javert.
En hij voegde er bij:
„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”
Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.
De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.
Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.
De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.
Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.
„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”
„Wat?” vroeg Javert ruw.
„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”
Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:
„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”
Elfde hoofdstuk.Verbazing.Onderweg spraken zij geen woord meer.Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschieneen of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:„Ik wacht u hier.”Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelenvan Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.Javert was heengegaan.
Elfde hoofdstuk.Verbazing.
Onderweg spraken zij geen woord meer.Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschieneen of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:„Ik wacht u hier.”Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelenvan Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.Javert was heengegaan.
Onderweg spraken zij geen woord meer.
Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschieneen of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.
De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.
Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.
De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.
Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:
„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”
„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”
Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.
Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.
Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.
Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.
Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.
„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”
Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:
„Ik wacht u hier.”
Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelenvan Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.
Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.
Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.
Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.
Javert was heengegaan.
Twaalfde hoofdstuk.De grootvader.Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam,liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen.’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.’t Was de grootvader.De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van denheer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:„Marius!”„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengenen zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk!Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon dedniet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van HerkulesFarnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand vanwant ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”En hij zonk machteloos neder.
Twaalfde hoofdstuk.De grootvader.
Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam,liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen.’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.’t Was de grootvader.De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van denheer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:„Marius!”„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengenen zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk!Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon dedniet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van HerkulesFarnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand vanwant ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”En hij zonk machteloos neder.
Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.
Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.
Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam,liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.
De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen.’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.
Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.
De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.
Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.
’t Was de grootvader.
De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.
De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van denheer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.
Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.
Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.
Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:
„Marius!”
„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”
„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”
Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.
„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”
De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.
Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.
„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”
Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.
„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengenen zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”
De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:
„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk!Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon dedniet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van HerkulesFarnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”
Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.
Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:
„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand vanwant ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”
Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.
„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”
En hij zonk machteloos neder.